U bent hier

James Ensor - De oude dame met de maskers

James Ensor - De oude dame met de maskers
James Ensor, De oude dame met de maskers, 1889, Olieverf op doek, 54 x 47 cm, Museum voor Schone Kunsten, Gent

 

Men kan zich haast niet voorstellen dat iemand, die werkelijk van schilderkunst houdt, onverschillig aan Ensor zou kunnen voorbijgaan. Zijn begaafdheid is zo uitzonderlijk en zo groot, dat hij tot de kleine schaar van onvervangbaren wordt gerekend, zonder wie de kunst haar hoogste betekenis van openbaring omtrent de diepste gronden van 's mensen zijn en van het leven zou verliezen. Met hem dalen we af in de geheimzinnige, onverklaarbare, onoverzienbare en verbijsterende complexiteit van de menselijke psyche. Zijn levensdrang stuwt hem onweerstaanbaar voort, dwingt hem tot een ontdekkingstocht die steeds onthutsender wordt, en hem verplicht, tot een aanhoudende dialoog met het zichtbare, hem omringende leven van mens, natuur en dingen, waaraan zijn gehele wezen, zijn geest, zijn ziel en zijn verbeelding deelnemen. Vreugde en pijn, heerlijkheid en gruwel, jubilatie en foltering, vervoering en marteling weerklinken om beurten of tegelijk in de ononderbroken produktie aan meesterwerken die de gezegende jaren van zijn ongebroken kunstenaarschap kenmerken.

 

En toch werd zijn boodschap vóór 1900 slechts door enkelen ternauwernood erkend. Onbegrijpelijk lijkt het ons thans, -maar welk een les ook voor het heden ! - dat de meesten, zowel zijn vakgenoten, de schilders, als de letterkundigen en de critici, - allen ingewijden ! - en zowel de ouderen, de conservatieven, als de jongeren, zijn revolutionaire tijdgenoten, hem verwierpen en niets vermoedden van zijn uitzonderlijke geestelijke vlucht en van zijn bloedige ernst. Toen hij zich verstoutte aanhoudend Christus ten tonele te voeren, zich zelfs met de Zoon Gods te vereenzelvigen, bewust van zijn uitverkorenheid, bewust van de heerlijkheid die hij doorschouwde en openbaarde, bewust ook van zijn eigen martelaarschap en van zijn kruisiging, zag men in hem slechts een heiligschendende 'libertijn' die zich alles veroorloofde, en een harlekijn die door zijn maskers, - zijn meest oorspronkelijke creatie -, fratsen uithaalde en zich in buitenissigheden verkneukelde. Het komt raadselachtig voor : maar zijn miskenning heeft hem totaal gebroken.

 

Is zijn uitverkorenheid, van geniaal begaafde, op zichzelf al een wonder, ook zijn gehele leven, tot aan zijn dood toe is onbegrijpelijk, een afwijking van het normale, van het 'normale onverstand' zoals iemand het noemde. Reeds op negentienjarige leeftijd schept hij meesterwerken en op zijn drieëndertigste jaar stortte zijn scheppend vermogen ineen, - daarvan is hij zich ten volle bewust geweest -, en nooit meer zou hij werk van geniaal gehalte voortbrengen. Men begrijpt het niet. Want in die korte tijdspanne van dertien jaar had hij onmenselijk hard gewerkt, ten koste van nooit begevende inspanning een vakkundig meesterschap en een beheersing van zijn uitdrukkingsmiddelen bereikt, die men onovertrefbaar mag noemen. Niet enkel zijn scheppend vermogen maar ook zijn wils- en werkkracht werden diep geschokt. Zelfs van zijn onthutsend 'kunnen' zou naderhand ternauwernood nog iets te merken vallen.

 

Pas nadien is voor hem de tragedie van zijn leven begonnen. Terwijl hij er zich bewust van was een gewoon sterveling te zijn geworden, groeide stilaan zijn universele erkenning en werd hij met alle denkbare eer overladen, geadeld en ge-standbeeld. Hij zette zich weer aan het schilderen, kopieerde vrij, in een slappere schilderwijze, zonder meeslepende vervoering, menig vroeger werk en het enige wat in hem wakker bleef, was zijn verfijnde, sprankelende en speelse geest, die zich verkneukelde in bevreemdende geschriften die zijn voortaan beate bewonderaars in vervoering brachten en waardoor hij zijn faam van 'schilder van de maskers' wist hoog te houden. Dit spel speelde hij tot zijn dood toe op negenentachtig-jarige leeftijd.

 

Ik heb het geluk gehad hem tegen het einde van zijn leven tweemaal te mogen bezoeken. De eerste maal met vrienden. Met zijn bleke huidskleur, zijn sneeuwwitte haren en zijn olijke, blauwe ogen leek hij wel een schim te midden van vele van zijn meesterwerken. Zijn genodigden ontving hij met liefelijke voorkomendheid, hij zong een liedje dat hij zelf begeleidde op zijn harmonium en ja zelfs, in de maat aangegeven door zijn clownachtige lijfknecht Auguste, voerde hij een danspas uit I De tweede maal was ik alleen met hem en hij toonde mij toen veel tekeningen, waaronder 'De dood van een mystiek godgeleerde' van 1880, thans in het Antwerps museum. Toen ik hem, bewonderend, onwillekeurig de vraag stelde, hoe hij ertoe gekomen was dergelijk 'wonder' te verrichten, antwoordde hij, fluisterend, ontmoedigd-kreunend : 'Je ne sais pas comment j'ai fabriqué cette machine'. Als afscheid kreeg ik een geschreven opdracht in een rijk geïllustreerd boek over zijn werk : ik was gelukkig maar voelde me tot wenens toe eenzaam.

 

Ensor was een meteoor. Een onverklaarbare verschijning. Hoe groter, in de toekomst, de tijdsafstand zal worden tussen het verleden waarin hij leefde en werkte en het heden dat met hem zal worden geconfronteerd, hoe geheimzinniger en legen-darischer hij zal voorkomen. Zoals wij nu, na eeuwen, onthutst staan voor het werk van zijn enige geestesgenoot en voorganger, Hiëronymus Bosch. Maar voor ons leeft Ensor nog fris in onze herinnering.

 

Stijgt hij, door zijn uitzonderlijke begaafdheid, ver boven zijn tijdgenoten uit, tevens was hij nauw met zijn tijd verbonden. Een kind van zijn tijd. Toen hij negentien jaar oud was, schilderde men ten onzent in een donkere en druilerige toon, in het specifiek eigene palet van het Vlaams impressionisme van Artan en Vogels. En toen het helder, van zon doortintelde palet der Franse impressionisten bij ons ingang vond, - men denke maar aan Claus -, ging ook hij geleidelijk tot het schilderen in een helder gamma over. Maar achteraf gezien blijkt het toch, hoe weinig dat zorgeloos-helder Frans palet bruikbaar was ter expressie van zijn mysterieuze wereld en van zijn gespannen zenuwen. Geen enkel Frans meester, wel de Engelsman, de grootmeester, de dromer en fantast Turner, -de eigenlijke schepper van het helder palet, en dit vijftig jaar vóór de Fransman Monet -, sprak hem aan. En wanneer de bezieling hem als wit-gloeiende spanning verteert, bereikt de kleur de felheid van de gil, en de lijn de kwetsbare gevoeligheid van een blootliggende zenuw. Op dat moment blijkt hij slechts met zijn generatie-genoot Van Gogh verwant !

 

Er is een golf van vreugde over ons land gegaan, toen vernomen werd dat het Gentse museum 'De oude dame met de maskers' had kunnen aankopen, dank zij de mildheid van de eigenaar die het zijn stad gunde : op de internationale kunstmarkt zou het immers God-weet-welke, voor ons onbereikbare prijs bereikt hebben !

 

'De oude dame met de maskers' ontstond in Ensors heerlijkste scheppingstijd. In 1889, het jaar na 'De intocht van Christus te Brussel'. In hetzelfde jaar 1889, schiep hij andere onvervangbare meesterwerken : de 'Val der opstandige engelen' in zijn felheid toch gedempt en doorschaduwd van hellepoel-onheimelijkheden ; de snijdend-scherpe, onmeedogend realistisch en onvergetelijke, schrijnende 'Geraamten die zich warmen', - een sprekend beeld van zijn armoedig atelier onder de dakpannen - ; de droomwereld van zijn 'Verwondering van het masker Wouse' die aan een kostbaar schilderij op zijde doet denken ; zijn snerpend-schrille 'Atelierbenodigheden'. Het is ook het jaar waarin zijn 'Intocht van Christus' op de avant- garde tentoonstelling van de Groep der Twintigers, - Les Vingt -, waartoe hij behoorde, geweigerd werd. Slechts dank zij zijn uitgebrachte stem zou hij nog verder lid der vereniging kunnen blijven !

 

'De dame met de maskers' zou oorspronkelijk een portret geweest zijn dat hij op bestelling uitvoerde, doch dat afgewezen werd. Hij herpakte en overwerkte het, omschiep het tot het vonkelend meesterwerk dat het thans is. Oorspronkelijk moet het, als portret, onmeedogend 'gelijkend' geweest zijn. Aan de allerpersoonlijkste expressie van het gelaat, aan de weemoedig-weke, vermoeide ogen, aan de verlepte brede mond, aan neus en wenkbrauwen en aan de rimpels in het voorhoofd 'voelt' men het nog. Het is geen 'masker', maar de aangrijpende beeltenis van een ontgoochelde en verslagene, van een mens waarmede hij zich op een moment van innig medevoelen, ontwapend, vereenzelvigde. Doch méér dan het gelaat is er van het oorspronkelijk portret niet overgebleven. Hij heeft zijn verbeelding de vrije teugel gelaten. Hij heeft de vrouw omgeven van maskers, van wie wel niemand ooit de 'betekenis' zal kunnen achterhalen. Maskers die een pijnlijke wereld van deernis, verlatenheid en doelloos staren oproepen.

 

De maskers die de vrouw omringen, de bloemenkrans waarmede hij haar hoofd tooit, ze bieden hem de mogelijkheid de kleur, - de taal der schilderkunst-, op te voeren tot een fonkeling van edelstenen en een totaalbeeld, een kunstwerk te scheppen van allerzeldzaamste schoonheid. Het zal eeuwig het mysterie der schilderkunst blijven, dat ze de kracht bezit, schrijnende pijn door de schoonheid van de kleur tot een lafenis voor de ziel om te toveren. De wonde wordt tot lafenis, omdat de zang der kleur als een lied van medevoelen weerklinkt, van zalvende, reddende troost en berusting, waaraan 's mensen hart voortdurend nood heeft en ook eeuwig hebben zal.