U bent hier

Zestiende-eeuws topstuk - Davids paradijs

Jan van Eyck. Open Retabel van het Lam Gods, detail uit het paneel De Pelgrims, olieverf op paneel Sint-Baafskathedraal, Gent © Lukasz- Art in Flanders vzw.

 

De topstukkenraad buigt zich over een nieuwe, aangevulde lijst met zestiende-eeuwse topstukken. Wij lichten één van de vroege meesterwerken uit die eeuw uit. Het Groeningemuseum in Brugge waakt over Gerard Davids (1460/65-1523) Triptiek met De doop van Christus.

 

 

TUSSEN TRADITIE EN VERNIEUWING

 

De schilderkunst van Gerard David heeft wat tijd nodig om zich te ontplooien, om zich bloot te geven aan de hedendaagse kunstminnaar. Davids personages zijn, geheel in de stijl van een voorganger als Dirk Bouts (1410/20- 1475), veelal ijzig kalm. Na het openen van het drieluik ontvouwt zich evenwel een paradijs, niet zo gul en geniaal als bij Van Eyck, niet zo lieflijk als bij Memling, maar op serene wijze suggestief én grensverleggend. 

 

David was een zo goed als vergeten kunstenaar die in de negentiende eeuw door naarstig archiefwerk gereanimeerd werd. Hij werd geboren in Oudewater, vandaag behorend tot de provincie Utrecht in Nederland. Welke schildersopleiding hij kreeg, wie zijn meester was, de feiten zijn twijfelachtig. Wat vaststaat is dat hij de vruchten van die opleiding in de Noordelijke Nederlanden - naar alle waarschijnlijkheid zijn competenties als portrettist en landschapsschilder - meenam naar het zuiden. Pas in 1484 is zijn carrière gedocumenteerd: hij wordt vrijmeester in het ambacht van de beelden- en zadelmakers. In het vermaarde Brugge zal hij aan het verhaal van de Brugse laatmiddeleeuwse schilderkunst een laatste belanghebbend hoofdstuk plakken. Gehoorzamen aan de traditie was schijnbaar geen probleem, ook al was hij een tijdgenoot van een avontuurlijker personage als Quinten Metsys (1465/66-1531). Een kunstenaar was een ambachtsman die afhankelijk was van de plaatselijke markt en niet van een dwingende kunstenaarsvisie. Brugge, met de traditie van Van Eyck en Memling, was niet vergelijkbaar met het meer wereldse Antwerpen van Metsys. 

 

Het atelier verhuisde hij dichter bij de voormalige werkplaats van Memling, de in 1494 overleden meester. Dat was een mogelijke strategische zet om het aantal opdrachten op te trekken. Zijn zakelijk inzicht spreekt ook uit het feit dat hij zich in 1515 aansloot bij het Antwerpse SintLukasgilde. Hierdoor mocht hij zowel in Brugge als in Antwerpen werk verkopen. 

 

 

CEREBRALE TOETS

 

Tussen 1502 en 1508 schildert David zijn triptiek voor Jan de Trompes. De familie gebruikt het grote werk als privéretabeL Links staat De Trompes met zijn zoon en beschermheilige Johannes de Evangelist afgebeeld. Aan de overkant knielen zijn vrouw Elisabeth van der Meersch en hun vier dochters neer, bijgestaan door haar naamheilige Elisabeth van Hongarije. Reeds in 1502 sterft Elisabeth. De Trompes trouwt daarna met Magdalena Cordier. De Heilige Maria Magdalena vergezelt haar en een dochter op één van de buitenluiken. De erfgenamen laten de triptiek in 1520 over aan de Broederschap van de Gezworen Klerken van de Vierschaar. Het bevindt zich dan op het altaar in de Laurentiuskapel van de Sint-Basiliuskerk in Brugge. Geconfisqueerd door de Fransen in de late achttiende eeuw, komt het in 1818 terug naar de stad. 

 

Een ijskoude voile hangt over de personages. Ze zijn afstandelijk maar Davids madonna's hebben altijd een bijna sfumatoachtige toets waardoor ze delicaat en ongrijpbaar lieflijk ogen. Voor het overige bestaat er geen twijfel over het ware geloof, men is in een meditatieve bui verzonken. Die stemming en de onberispelijke schildertechniek - cerebraal zonder ooit exuberant te worden - zorgen voor een langgerekt harmonieus akkoord. Jezus wordt in de Jordaan gedoopt en het bewegende water is een bravourestuk zonder weerga. In de achtergrond zien we nog twee taferelen uit de carrière van Johannes de Doper. Boven de Heiland hangen een Duif en God: de Heilige Drievuldigheid verzinnebeeld. 

 

 

PARADIJS 

 

Aan het begin van de zestiende eeuw detecteert men een verhoogde interesse in de wereld en in de natuur in het bijzonder. De ontdekking van nieuwe continenten en het ontstaan van profane schildergenres zoals het landschap zijn respectievelijk een oorzaak en een gevolg. De afnemers in een bruisende stad als Antwerpen verlangden niet enkel religieuze thema's, vandaar het succes van het landschap als genre. Het zijn de Primitieven die die doorbraak hebben voorbereid. 

 

De natuurlijke weelde op de meesterlijke polyptiek De aanbidding van het Lam Gods van de Gebroeders Van Eyck (1432) is van het grootste belang. Individueel herkenbare planten en bomen, enkele voor die tijd ongeëvenaarde vogelsilhouetten, vergezichten en lichtspelingen behoren tot het grootste wat ooit op het platte vlak werd opgeroepen. Dat die afzonderlijke elementen van een overtuigende coherentie getuigen, is debet aan hun genie. Een ander sleutelwerk in verband met het landschap bij Jan van Eyck is De heilige Franciscus ontvangt de stigmata (1435-40, Galleria Sabauda, Turijn). Het gezicht op een stad en bergen in de verte is gekneld tussen waarachtige rotsformaties met vegetatie bovenop. De ambiance is duidelijk mediterraan van aard, zoals je die heden bijvoorbeeld op plaatsen in Spanje kan terugvinden. Rotsen worden als decorstukken gebruikt: de ruimte wordt opgevuld en de doorkijk naar een verder gelegen landschap wordt versmald. David heeft die compositorische les opgepikt, maar hij verkiest een gematigder landschap. Koeler van toon en met noordelijke flora zoals we die zelf kennen: Beuken, Tamme Kastanjes, Paardenbloemen, Gele Lis. Van Eycks techniek oogt spitser en vibreert van het leven. David lijkt te opereren in de schaduw van Van Eyck, maar zet voor wie aandachtig kijkt de puntjes op de i.  

 

Hij heeft de natuur met de eigen ogen goed bestudeerd, net zoals Van Eyck voor hem. De eerste excelleert in de schildering van bomen, takken en blaadjes. De natuurlijkheid en de textuur zijn bijzonder geloofwaardig, het lichtspel bijna ongezien. Het gefilterde licht dat door het bladerdek de bodem bereikt; donkere schaduwen in de kruinen en kastanjeblaadjes die door een wisselende lichtintensiteit beschenen worden. Verschillende tinten van groen, mos op de rotsen, de passende watervegetatie: je ruikt haast het bos. Ook het wolkendek is zeer degelijk geëvoceerd, al blijft Van Eyck op dat vlak hors catégorie. Het feit dat de bomen halverwege afgesneden zijn, verhoogt het realisme. David bezigt een soort moderne kadrering waarbij hij je doet geloven dat hij een stuk uit de realiteit haalt zonder alles te willen tonen zoals Patinir en zelfs Van Eyck. We zouden de natuur kunnen betreden omwille van de lagere horizon waardoor we op de bodemflora neerkijken. De ruimte van de beschouwer en de schilderkunstige ruimte worden overbrugd, wat de aanwezigheid van het werk vergroot - een noviteit voor de periode. Men bootste de natuur na, opdat de gelovige zich geestelijk in de geschilderde wereld zou kunnen verplaatsen. Gerard David verfijnde dit principe. 

 

Nog een stap verder ging hij op de gesloten luiken van Geboorte met de Heiligen Hiëronymus en Leonard en donors uit 1510-15 (Binnenluiken in het Metropoliran Museum, New York/ Buitenluiken in het Mauritshuis, Den Haag). De gesloten triptiek toont een magistraal woudlandschap zonder menselijke aanwezigheid. Twee ezels en een os foerageren in een stemmig bos. Enkel een weg en een gebouw duiden op menselijke aanwezigheid en alluderen op de weg die Jozef en Maria aflegden tijdens de barensweeën. De zittende koolmees is zonder meer realistisch weergegeven. Het is één van de meest natuurgetrouwe vogelvoorstellingen tot dan toe in de Zuidelijke Nederlanden omdat het de combinatie van een exacte soortvertolking en de integratie ervan in een complex geheel toont. Met dit woudlandschap vond David een pastorale ruimte uit die pas weer met Gillis van Coninxloo en vooral Jan Brueghel de Oude op het einde van de zestiende eeuw zou opgepikt worden. In de tussentijd werden de 'wereldlandschappen' van Patinir en Herry met de Bles een hype. 

 

Matthias Depoorter 

 


INFO

 

Vanaf 3 oktober is de permanente collectie van het Groeningemuseum opnieuw toegankelijk, met als hoogtepunt de wereldberoemde verzameling Vlaamse Primitieven

Open: dinsdag t.e.m. zondag van 9.30 tot 17.00 uur

Gesloten: maandag

 

Groeningemuseum

Dijver 12

8000 Brugge

T. 050 44 87 11

www.brugge.be