U bent hier

Vlaamse miniaturen 1404-1482

Uit de librije van de Bourgondische hertogen

 

INLEIDING

 

In de vijftiende eeuw zijn de steden van de Bourgondische Nederlanden toonaangevende kunstzinnige productiecentra die tekenen voor de vernieuwende schilderkunst van de Vlaamse Primitieven, de gotische kerken, de Brabantse retabels, de wandtapijten en de schitterende polyfone muziek. Ook de verluchtingskunst kent in de Zuidelijke Nederlanden in deze periode een artistieke bloei zonder voorgaande. De vijftiende eeuw, de gouden eeuw van de Vlaamse miniaturen, vormt een keerpunt in de geschiedenis van het handgeschreven boek.

 

De librije van de Bourgondische hertogen werd op het einde van de vijftiende eeuw als een van de meest prestigieuze bibliotheken van de hele westerse wereld beschouwd. In september 1794 haalden de commissarissen van de Franse Republiek een groot deel van de Bourgondische handschriften weg uit onze streken om ze over te brengen naar Parijs. Pas in 1815 en na de nederlaag van de legers van Napoleon keerden de door Frankrijk geconfisqueerde documenten terug naar Brussel. Sommige werken bleven echter in Parijs achter, andere – die geen deel uitmaakten van de bibliotheek van de hertogen – reisden dan weer wel naar Brussel. 

 

Voor het eerst brengen de Koninklijke Bibliotheek van België en de Bibliothèque nationale de France hun collecties samen en bundelen ze hun krachten om de bloeitijd van de Vlaamse miniatuurkunst in het volle daglicht te zetten. Ze organiseren een dubbeltentoonstelling van internationale allure die opent in Brussel en daarna een vervolg krijgt in Parijs. 

 

Dit gemeenschappelijk project is het resultaat van jarenlang onderzoek in beide instellingen dat is verwerkt in een aantal wetenschappelijke publicaties. In Brussel en Parijs krijgt het publiek maar liefst 140 van de meest prestigieuze verluchte handschriften te zien. Sommige zijn al meer dan 50 jaar niet meer getoond, andere nog nooit. De originele scenografie van de tentoonstelling heeft niet alleen oog voor de stukken zelf, maar ook voor de context waarin ze tot stand zijn gekomen. Zo dringt de bezoeker pagina na pagina dieper door in de middeleeuwse fantasiewereld, bevolkt door helden en legenden, waar we Alexander de Grote, Karel de Grote, Lancelot en de fee Melusine zij aan zij vinden met Reinaart de Vos, gevleugelde draken en vreemde eenhoorns.

 


Inhoud

  • Vlaamse miniaturen - Opdrachtgevers en hun uitstraling
  • Meesterlijke miniaturen - Vijf verluchters en hun topstukken
  • Middeleeuwse handschriften - Een triptiek
  • Praktisch

 

Vlaamse miniaturen

Opdrachtgevers en hun uitstraling

 

 

Van de troonsbestijging van Jan zonder Vrees in 1404 tot de dood van Maria van Bourgondië in 1482 deden rijke steden als Brugge, Gent, Oudenaarde, Brussel, Valenciennes, Rijsel en Doornik zich gelden als echte kweekvijvers van kopiisten, boekbinders en miniaturisten, vaklui die centraal stonden in de productie van kwaliteitsvolle handgeschreven boeken. Als geëngageerd mecenas en ervaren bibliofiel gaf Filips de Goede (1396- 1467), de ‘grote hertog van het Westen’, derde erfgenaam van Bourgondië van het huis van Valois, een zeer belangrijke impuls aan de kunsten van het boek in al zijn vormen. Om zijn praalzucht te bevredigen en zijn politieke verzuchtingen te rechtvaardigen deed hij een beroep op de beste miniaturisten. Zijn zoon Karel de Stoute (1433-1477) zette deze zoektocht naar schoonheid voort. In hun kielzog plaatsten niet alleen de hertogelijke familie en de leden van de Orde van het Gulden Vlies maar ook de krijgsadel, geestelijken en de stedelijke bourgeoisie bestellingen bij getalenteerde verluchters. 

 

 

aan het bourgondische hof en in de coulissen

 

De liefde voor boeken was bij de Bourgondische erfgenamen een echte familieaangelegenheid. Filips de Stoute (1342-1405), de eerste Bourgondische hertog, legde in het begin van de vijftiende eeuw de fundamenten van een buitengewone bibliotheek. Voor zijn opvolgers bleef deze librije iets om bijzonder trots op te zijn. Jan zonder Vrees (1371-1419), Filips de Goede (1396-1467) en Karel de Stoute (1433-1477) zouden er ieder op hun manier naar streven de verzameling – prestigieuze spiegel van de macht van het Bourgondische rijk – zo goed mogelijk uit te breiden. 

 

Toch was het vooral Filips de Goede die een definitieve impuls heeft gegeven aan de verluchtingskunst in de Zuidelijke Nederlanden. Deze vorst gaf de opdracht voor talrijke hoogkwalitatieve verluchte handschriften. Zijn actief mecenaat heeft geleidelijk aan gezorgd voor het ontstaan van nieuwe esthetische canons voor het handschrift: voorkeur voor volumes van groot formaat, een sobere lay-out met veel ruimte waarin weinig randversieringen voorkomen, het bijna systematisch gebruik van het geschrift dat de Bourgondische bastarda heette en dat alles overvloedig geïllustreerd en afgewerkt met een boekband van hoge kwaliteit. Deze normen van ‘goede smaak’ werden snel overgenomen door het hof en de hoge adel. De Bourgondische librije gaf nu zowel op literair als op esthetisch vlak de toon aan. Verluchters uit de Zuidelijke Nederlanden konden – naast de leden van het Bourgondische hof – ook op een ander type van cliënteel rekenen. Een overgrote meerderheid van verluchte handschriften ontstond niet vanuit een hertogelijke opdracht. Heel wat miniaturisten werkten voor mensen die om verschillende redenen en voor een heel gevarieerd gebruik een verlucht handschrift wilden aanschaffen. De markt had dus veel meer te bieden dan alleen de luxeboeken volgens de Bourgondische mode.

 

De kopers van de handschriften waren afkomstig uit alle lagen van de maatschappij. Men vindt er leden van de administratie terug, mensen uit de magistratuur, kooplieden, bankiers, en evenveel sociale klassen voor wie het handschrift een manier was om kennis te vergaren, een bron van ideeën en een voorwerp van maatschappelijke erkenning. 

 

 

lodewijk van gruuthuse en anderen

 

De literatuur is in deze periode niet meer beperkt tot religieuze teksten. Men interesseert zich nu voor kronieken, romans, heldendichten en reisverslagen. Eén naam dringt zich hier op tussen de belangrijkste opdrachtgevers: Lodewijk van Gruuthuse (circa 1442-1492), ridder in de Orde van het Gulden Vlies. Hij wordt beschouwd als een van de grootste bibliofielen van de middeleeuwen, na Filips de Goede. Zijn verzameling is vaak vergeleken met de librije van de hertog en tot op zekere hoogte is deze vergelijking gerechtvaardigd: zowel qua vorm als qua inhoud zijn beide bibliotheken onbetwistbaar verwant. De heer van Gruuthuse, wiens voorname herenhuis en beroemde bidkapel nog steeds te bewonderen zijn in de schaduw van de Onze-LieveVrouwekerk in Brugge, deed een beroep op tal van miniaturisten en kopiisten die ook in opdracht van de hertogen werkten zoals Loyset Liédet en Lieven van Lathem.

 

De literaire oriëntering van zijn verzameling kwam sterk overeen met die van de Bourgondische librije, maar zonder deze slaafs te volgen. Ze had ook persoonlijke kenmerken die verbonden waren met andere smaken en ambities. Alle handschriften die deze bibliofiel bestelde en waarvan de meeste op perkament zijn vervaardigd, bevatten miniaturen. Er bleef geen enkele inventaris van zijn verzameling bewaard, maar dankzij de eigendomsmerken weten we dat hij niet alleen religieuze geschriften, handboeken over opvoeding, traktaten over het ridderschap en kronieken bezat, maar ook werken uit de oudheid, meer bepaald teksten van Boëthius, Quintus Curtius Rufus, Flavius Josephus en Ovidius. 

 

De overheden en officiële instanties, of het nu ging om seculiere (rederijkerskamers, gilden, administraties, universiteiten) of religieuze instellingen (broederschappen, abdijen, hospitalen en andere liefdadigheidsinstellingen) hebben door middel van hun opdrachten zeker ook bijgedragen aan deze bloei van het handschrift in de vijftiende eeuw. 

 

 

hertogelijke aspiraties

 

Zoals de Italiaanse Medici’s gebruikten de hertogen van Bourgondië hun steden als theaters waarin ze met grootse publieke spektakels (toernooien, steekspelen, banketten en processies) hun macht en rijkdom konden etaleren. De kunsten vaarden hier wel bij. Ook verluchte handschriften bewezen hun diensten: ze symboliseerden de machtsstatus van hun eigenaars.

 

Uit devotieteksten leidden de Bourgondische hertogen religieuze en morele waarden af. In profane teksten konden ze zich dan weer vereenzelvigen met helden uit het verleden zoals Alexander, Karel Martel of Karel de Grote. Ze beschouwden deze figuren als hun rolmodel en voorbeeld. 

 

Sommige handschriften die Filips de Goede liet vervaardigen, beantwoordden duidelijk aan de politieke plannen van een vorst die aan het hoofd staat van een mozaïek van territoria en waarmee hij de wettigheid van zijn gezag wil bevestigen. Ze streven er ook naar om, op een onrechtstreekse manier, de soms weinig volgzame leidende klassen te verzamelen en te verenigen.

 

De Bourgondische hertogen hebben een van de belangrijkste bibliotheken uit het middeleeuwse tijdperk bijeengebracht. In 1467, bij de dood van Filips de Goede, telde de Bourgondische librije niet minder dan 900 volumes. Een deel van deze uitzonderlijke verzameling is vandaag bewaard in nationale bibliotheken, waaronder de Koninklijke Bibliotheek van België en de Bibliothèque nationale de France.

 


 

Meesterlijke miniaturen

Vijf verluchters en hun topstukken

 

 

Miniaturisten als Lieven van Lathem, Simon Marmion, Willem Vrelant en Jan de Tavernier waren in de vijftiende eeuw even bekende namen als Rogier van der Weyden, Hans Memling of de Meester van Flémalle. Nooit eerder bereikte de verluchtingskunst zo een hoog niveau.

 

 

Lieven van Lathem (circa 1430-1493)

 

Lieven van Lathem behoorde tot de meest gewaardeerde artiesten van zijn generatie. Hij trad in 1456 in dienst van Filips de Goede, twee jaar na zijn inschrijving in de schildersgilde van Gent. Hij was tussen 1454 en 1493 actief als miniaturist. Zijn eerste meesterwerk was de cyclus van 66 grisailles die de Miracles de Notre-Dame van Jean Miélot illustreren, bestemd voor de hertog. Hij verluchtte ook voor Filips de Goede het Livre des Conquestes et Faits d’Alexandre le Grand van Jean Wauquelin. Van Lathem werkte ook voor Karel de Stoute, voor wie hij een gebedenboek illustreerde, en voor Lodewijk van Gruuthuse. 

 

Hij verluchtte voor deze Brugse heer een Histoire de Jason en een volume van de Secret des Secrets geïnspireerd op een brief van Aristoteles aan Alexander de Grote. In 1462, drie jaar nadat van Lathem de stad Gent had verlaten, vervoegde hij de schildersgilde van Antwerpen. Hij verbleef er de volgende dertig jaar van zijn loopbaan. Van Lathem was  onbetwistbaar een meester in de narratieve stijl en ontwikkelde een geheel nieuwe manier om verhalen visueel voor te stellen. Hij wist zijn schilderijen als geen ander een dramatisch aspect te verlenen en emoties op te roepen. Het talent van van Lathem was ook, en misschien vooral, terug te vinden in zijn randversieringen waarin veel antropomorfe of hybride wezens, legendarische dieren en draken voorkomen. In zijn werken waren de landschappen bijzonder complex. Hij gebruikte op schitterende wijze de wegen en de rivieren om de illusie van een verre horizon op te wekken.

 

 

Simon Marmion (circa 1425-1489)

 

Simon Marmion domineerde de miniatuurkunst onder het mecenaat van de Bourgondische hertogen. Wellicht kon alleen zijn tijdgenoot Lieven van Lathem de vergelijking doorstaan. Marmion werd geboren in Amiens en werkte daarna in Valenciennes, Doornik en Gent. Zijn succesvolle carrière, verspreid over meer dan veertig jaar, is goed gedocumenteerd. Hij maakte deel uit van een artistieke familie: ook vader Jean, broer Mille, dochter Marie en neef Michel Clauwet hielden zich allemaal bezig met de schilderkunst.

 

Marmion werd beïnvloed door Rogier van der Weyden (1400-1464) en oefende een belangrijke invloed uit op zijn tijdgenoten. Zijn composities, zijn lichteffecten en zijn meesterschap in het weergeven van landschappen waren vernieuwend voor die tijd. Uit archiefdocumenten blijkt dat hij ook de schilderkunst op doek beoefende, wat eerder zeldzaam was voor een miniaturist. 

 

In 1454 gaf Filips de Goede hem de opdracht om in Rijsel, samen met meer dan dertig andere schilders, te zorgen voor de decoraties van het Banket van de Fazant (een groots opgezet Bourgondisch hoffeest). Marmion werkte ook voor andere belangrijke opdrachtgevers zoals Karel de Stoute, hertogin Margareta van York, Guillaume Rolin en Vasco da Lucena.

 

Het grootste deel van zijn carrière bracht Marmion door in Valenciennes waar hij in samenwerking met andere kunstenaars, zoals de Weense Meester van Maria van Bourgondië, getijdenboeken illustreerde. Een nieuwe generatie verluchters zou zijn miniaturen kopiëren of imiteren. Eén jaar na zijn dood noemde de dichter Jean Lemaire de Belges Simon Marmion de ‘prins der verluchters’. 

 

Het Brugse tweeluik Maria en de Nood Gods, dat misschien door hemzelf werd gecorrigeerd, is afkomstig uit zijn atelier en herneemt een van zijn tekeningen. Geïnspireerd door Dirk Bouts staat de Maagd als Mater dolorosa tegenover Christus. Het gezicht van Maria, met rode ogen van droefheid, is treffend. Geen enkele overdrijving, niet de minste dramaturgie. Zelfs geen traan. Alle pijn lijkt ingehouden in een soort van aanvaard noodlot.

 

 

les sept âges du monde

 

De titel van dit handschrift, Les sept âges du monde, is afkomstig van het opschrift dat op het schutblad staat vermeld: “Le livre des vii eages”. Het gaat om een universele geschiedenis, van Genesis tot het jaar 1326. Het handschrift is gekopieerd door Jacquemart Pilavaine en is geschreven in de Bourgondische bastarda, een gotisch lettertype dat aan het Bourgondisch hof gebruikt werd. De opdrachtgever was een lid van de familie de Croÿ. De wapenschilden van deze familie komen op verschillende folio’s in het handschrift voor. 

 

De verluchtingen zijn van de hand van Simon Marmion. Ze laten stuk voor stuk het talent van de miniaturist zien, dat zich vooral concentreert in de getrouwe weergave van de diepte. De poëtische interpretatie die Marmion in de scène van Adam en Eva wist weer te geven, verleent het afgebeelde paradijs een bijna ‘menselijke’ sfeer. Ondanks het plechtige karakter van de compositie, met bovenaan de indrukwekkende figuur van God de Vader die vanuit de hemel de cirkels van de planeten domineert, heeft de miniaturist de Tuin van Eden een idyllisch aspect weten te verlenen, gesymboliseerd door het hert dat drinkt uit de stroom die kronkelend door het landschap loopt. Marmion plaatste niet Adam en Eva maar het hert in het midden van de scène. De schoonheid van de natuur vol met leven is geïllustreerd door lichteffecten en de transparantie van het water met de reflectie van het hert. Het werk belichaamt de Onschuld vlak voor het moment van de Verleiding. 

 

 

Willem Vrelant (? – 1481)

 

Willem Vrelant werd geboren in Utrecht waar hij vermeld stond in de stadsarchieven als ‘Willam Backer van Vrede(r)lant, verlichter’. Het grootste deel van zijn carrière bracht hij door in Brugge waar hij van 1454 tot aan zijn dood in 1481 verbleef. Zijn naam komt regelmatig voor in de archieven van de Brugse gilde van de Heilige Johannes de Evangelist die alle ambachtsmannen van het boek verenigde, zoals perkamentmakers, kopiisten, verluchters en boekbinders. Deze gilde betaalde vanaf zijn dood tot vijftien jaar daarna elke junimaand een herdenkingsmis voor Vrelant. Dat duidt op de grote bekendheid van de miniaturist en op de belangrijke rol die hij speelde binnen deze gilde. Vrelant had zich perfect geïntegreerd in de Brugse samenleving. Zijn lidmaatschap bij de religieuze Broederschap Onze-Lieve-Vrouw-ter-Sneeuw, waartoe de elite van de Vlaamse samenleving behoorde, is daar een duidelijk bewijs van. Ondanks de overvloed aan archieven waarin Vrelants naam is vermeld, zijn er slechts twee vermeldingen in de Bourgondische hertogelijke archieven. Eén ervan is een betaling uit juli 1468 van Jacques de Brégilles, verantwoordelijk voor de hertogelijke bibliotheek, aan een zekere ‘Guillaume Wyelant’ voor zestig miniaturen in het tweede volume van de Chroniques de Hainaut. Het merendeel van de onderzoekers is het erover eens dat het hier wel degelijk om Willem Vrelant gaat. Vrelant ontwikkelde een zeer persoonlijke stijl die door verschillende volgelingen geïmiteerd zou worden. 

 

Zijn personages lijken, hoewel ze met zorg en beheerst geschilderd zijn, een beetje stereotiep en stijf. De gezichten getuigen van weinig expressie. De scè- nes spelen zich over het algemeen af in meerdere gebouwen of in landschappen zonder grote perspectieven. Ondanks deze paar onvolkomenheden, blijft Vrelant een van de grootste miniaturisten uit het einde van de middeleeuwen.

 

Zoals heel wat schilders en verluchters in die tijd stelde Vrelant verschillende leerjongens te werk. In sommige gevallen nam hij de rol van ‘aannemer’ op zich: hij hield toezicht op de opdrachten en realiseerde zelf illustraties, maar liet ook illustraties over aan de leden van zijn atelier of deed een beroep op zelfstandige kunstenaars. 

 

 

Jan de Tavernier (? – 1462)

 

Jan de Tavernier was een zeer getalenteerde schilder. Hij was afkomstig uit Oudenaarde en behoorde tot een familie van schilders en verluchters. Zijn productie is goed gedocumenteerd. Zijn naam verschijnt in 1460 in de boekhouding van de hertogelijke bibliotheek. Het is Jan de Tavernier die de bekende grisailleschilderingen van de drie volumes van de Conquestes et chroniques de Charlemaine maakte. Hij oefende een duurzame invloed uit op andere verluchters die actief waren in de Zuidelijke Nederlanden in de jaren 1460. 

 

In de Miracles de Notre-Dame, een andere hertogelijke opdracht die hij ‘in zwart en wit’ schilderde, liet de Tavernier zien wat hij als verteller in zijn mars had door heel dynamische composities te creëren die de sterke momenten van het verhaal benadrukken. Deze twee meesterwerken mogen niet doen vergeten dat de verluchter uit Oudenaarde ook uitmuntte in de ‘kunst van de kleur’. 

 

Jan de Tavernier stond in de gunst van Filips de Goede. Naast de twee hoger vermelde meesterwerken illustreerde hij voor de hertog ook enkele van diens lievelingswerken, zoals de getijden van de hertog die in Den Haag worden bewaard, zijn persoonlijk gebedenboek en miniaturen in de Grandes heures die de vorst erfde van zijn grootvader Filips de Stoute. Net als zijn tijdgenoot Simon Marmion mocht de Tavernier meewerken aan de voorbereidingen van het Banket van de Fazant. Hij illustreerde ook verschillende door Jean Miélot – kanunnik van Rijsel – vertaalde, gebundelde en gekopieerde werken die bedoeld waren voor Filips de Goede. Voorbeelden hiervan zijn de Traité sur l’oraison dominicale, een verzameling didactische werken, de vertaling van de Advis directif pour faire le passage d’Outremer van Guillaume Adam en de vertaalde De quattuor novissimis van Gerard van Vliederhoven. 

 

Ondanks de vele hertogelijke opdrachten werkte de Tavernier in enkele gevallen ook voor een stedelijk cliënteel.

 

 

conquestes et chroniques de charlemaine

 

Met het boek van de Conquestes et chroniques de Charlemaine wilde Filips de Goede zijn macht vestigen door zich te beroepen op mythische of bijzonder prestigieuze voorouders zoals Karel de Grote. Deze kroniek houdt ook verband met de droom van Filips de Goede om het Heilige Land te bevrijden. In de drie boekdelen van dit werk verheerlijken meer dan duizend folia de heldhaftigheid van keizer Karel de Grote en brengen ze een gedetailleerd verslag uit van historische feiten, maar ook veel denkbeeldige gebeurtenissen. 

 

Jan de Tavernier schilderde de miniaturen voor de drie volumes. De toegepaste techniek is het grisaille of de grauwschildering. In tegenstelling tot wat de benaming suggereert, is dit helemaal geen vale of matte schildertechniek. Deze manier van schilderen, waarbij de kunstenaar alleen wit en zwart gebruikt met slechts enkele toetsen in goud of een andere kleur, stond halverwege de vijftiende eeuw in de Bourgondische kringen in hoog aanzien. De presentatieminiatuur van het eerste deel (f. 11r) toont Filips de Goede die, in een stedelijk kader, het werk ontvangt in het bijzijn van de leden van het hof. Jan de Tavernier behandelde dit thema op een originele manier, want hij plaatste de hoofdscène van de overhandiging van het boek naar de achtergrond, achter de winkeltjes van de kooplieden. 

 

 

Rogier van der Weyden (1400-1464)

 

Rogier van der Weyden werd geboren in Doornik en was de zoon van Henri de la Pasture en Agnèz van Waterloz. In de jaren 1430 vestigde hij zich in Brussel, waar hij in 1436 tot officiële stadsschilder werd benoemd. Zijn bekendheid reikte tot ver over onze grenzen: de hertogin van Milaan stuurde haar hofschilder naar Van der Weyden om in diens atelier onderwezen te worden. Het werk van Rogier van der Weyden had een grote impact op talrijke kunstenaars, en zijn zoon, kleinzoon en achterkleinzoon, allemaal schilders, zouden zijn composities meer dan honderd jaar na zijn dood blijven gebruiken. 

 

Er is maar één enkele miniatuur van hem gekend, maar deze wordt wel als een van de meest geslaagde in de Vlaamse miniatuurkunst be - schouwd: de presentatiescène uit het eerste volume van de Chroniques de Hainaut

 

 

chroniques de hainaut

 

De Bourgondische hertog Filips de Goede belastte Jean Wauquelin, een boekhandelaar en kopiist uit Bergen, met de Franse vertaling van een lijvige compilatie die Jacques de Guise tussen 1396 en 1399 had geschreven onder de titel Annales historiae principum Hannoniae. Deze kroniek, aanvankelijk geschreven in het milieu van de Henegouwse graven uit het Beierse huis, verheerlijkte in drie delen de geschiedenis van het graafschap Henegouwen, van de val van Troje (rond 1200 v.C.) tot de dood van Johanna van Constantinopel in 1244. Op 12 april 1433 stond Jacoba van Beieren, gravin van Henegouwen, Holland, Zeeland en vrouwe van Friesland, deze gebieden gedwongen af aan Filips de Goede, die in de Chroniques de Hainaut een rechtvaardiging van zijn aanspraken op het graafschap vond. In zijn Franse vertaling voegde Wauquelin een inleiding toe aan de oorspronkelijke tekst. Daarin stelde hij de Bourgondische hertog als de legitieme erfgenaam voor in een traditie van heersers die terugging tot de Trojaanse oorlogen. Dit handschrift wordt beschouwd als een van de belangrijkste werken uit de Bourgondische bibliotheek. 

 

De betalingen voor het op schrift stellen van de drie boekdelen gebeurden tussen 1448 en 1453. De hertog volgde de vordering van het werk van nabij. Het eerste deel bevat 41 miniaturen die door verschillende kunstenaars in het handschrift zijn aangebracht. Hoewel vermaarde verluchters als Willem Vrelant en Loyset Liédet de opdracht kregen de delen twee en drie te illustreren, heeft de presentatieminiatuur in het eerste boekdeel van bij het ontstaan steeds de meeste aandacht getrokken. Deze grootse compositie, waarin de complexiteit en subtiliteit van de compositie en de verfijndheid van de techniek opvallen, wordt toegeschreven aan Rogier van der Weyden.

 

Het tafereel speelt zich af op de bovenste verdieping van een gebouw, in een kamer waar twee muren van ramen voorzien zijn. Filips de Goede, gekleed in zwart damast, staat als enige onder het baldakijn afgebeeld en heeft alle ogen op zich gericht. Het eerste deel van het kostbare handschrift wordt hem plechtig overhandigd door vertaler Jean Wauquelin, de knielende figuur voor hem. Rechts van de vorst staan de hertogelijke kanselier Nicolas Rolin en de bisschop van Doornik, Jean Chevrot. De jonge hertog van Charolais, erfgenaam van de hertog, Karel de Stoute, staat links van hem getekend. Naast de jonge prins staan acht ridders van het Gulden Vlies. Zeven daarvan dragen de ketting van het Gulden Vlies, en het lijkt logisch om aan te nemen dat ook de tweede persoon van links er een draagt. De persoon uit deze groep die het dichtst bij Filips staat afgebeeld, is zonder twijfel zijn eerste kamerheer Antoine de Croÿ. Jean de Roubaix zou de oude man met de witte haren en het lange roze gewaad kunnen zijn. De persoon uiterst rechts op de miniatuur, de ridder die in profiel afgebeeld staat achter Jean Wauquelin en deze aan de hertog lijkt voor te stellen, zou Jean de Croÿ zijn, grootbaljuw van Henegouwen. 

 

De miniatuur is van uitzonderlijk hoogstaande kwaliteit. Ze bevat heel wat minutieus afgewerkte details, zoals het licht dat op de kledij en de stof van het baldakijn valt. Het geheel straalt een zeer subtiele indruk uit, tegelijkertijd luxueus en plechtig. De hertogelijke macht wordt nog versterkt door de wapenschilden van de verschillende Bourgondische gebieden die rond de miniatuur geschilderd zijn. Links staan de wapens van het oude Bourgondië, Lotharingen, Brabant, Limburg, Vlaande - ren, Artesië en graafschap Bourgondië (Franche-Comté). Rechts van de miniatuur zijn de emblemen van Henegouwen-Vlaanderen, Holland en Friesland geschilderd, gevolgd door de wapens van de graafschappen Charolais, Boulogne en Mechelen. 

 

Deze compositie zou later meermaals, maar met minder talent, gekopieerd worden door verschillende kunstenaars in andere volumes die voor de hertog bestemd waren. 

 


 

Twee bibliotheken, één tentoonstelling

 

Het Handschriftenkabinet is een van de erfgoedverzamelingen van de Koninklijke Bibliotheek van België. De oorspronkelijke kern van de collectie bestaat uit een belangrijk deel van de oude librije van de Bourgondische hertogen. Vandaag bewaart het Handschriftenkabinet nog steeds 270 codices uit de oorsponkelijke Bourgondische bibliotheek. Dankzij allerhande aankopen en schenkingen kon het Handschriftenkabinet zijn verzamelingen uitbreiden. In 1837 verwierf de Belgische Staat de bibliotheek van bibliofiel Karel van Hulthem (1764-1832). Deze bibliotheek telde ongeveer 1.100 handschriften waarvan sommige van essentieel belang zijn voor de studie van de Nederlandstalige middeleeuwse literatuur. Tussen 1839 en 1953 verwierf het Handschriftenkabinet circa 11.000 volumes: middeleeuwse werken, maar ook archiefdocumenten uit de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw en een groot aantal teksten en autografen van Belgische schrijvers en kunstenaars. Sinds de jaren 1960 zijn er jaarlijks nieuwe aanwinsten, zowel op literair als op historisch vlak. In totaal bewaart het Handschriftenkabinet bijna 35.000 handschriften waarvan 4.500 middeleeuwse codices. In het kader van Belgica, de digitale bibliotheek van de Koninklijke Bibliotheek, zijn vele kostbare handschriften gedigitaliseerd zodat iedereen ze kan raadplegen en onderzoeken. De digitale en wetenschappelijk betrouwbare informatie draagt bovendien bij tot de optimale conservatie van de rijke verzamelingen van de Koninklijke Bibliotheek.

 

Het Handschriftendepartement van de Bibliothèque nationale de France is een van de veertien departementen binnen de Franse landsbibliotheek. De afdeling bewaart encyclopedische verzamelingen: Oud-Franse heldendichten, Arthurromans, romaanse talen, oosterse literatuur, oosterse en westerse godsdiensten, oude geschiedenis, geschiedenis van de wetenschappen en literaire handschriften. 

 

De verzamelingen zijn ingedeeld in fondsen, volgens hun taal of hun inhoud. Ze omvatten een zeer groot aantal oude of unieke kopieën, versierde en verluchte handschriften en documenten in alle vormen en op alle dragers. De verluchte handschriften van de oude Zuidelijke Nederlanden zijn er goed vertegenwoordigd, in het bijzonder de handschriften van Lodewijk van Gruuthuse. De Bibliothèque de l’Arsenal, ook een departement van de Bibliothèque nationale de France, bewaart eveneens rijke verzamelingen die de collecties van het departement Handschriften aanvullen. 

 

Het departement streeft er naar om de persoonlijke archieven van Franse schrijvers bijeen te brengen, te klasseren en ter beschikking te stellen van het publiek. In samenwerking met andere instellingen realiseert het digitaliseringsprojecten van handschriften, zoals: Optima (handschriften van Flaubert, Proust, Paul Valéry met het Institut des textes et manuscrits modernes), Roman de la Rose (met de John Hopkins University in Baltimore), Europeana Regia (digitaliseren van middeleeuwse koninklijke verzamelingen, een project waar ook de Koninklijke Bibliotheek van België aan deelneemt).

 


 

Conservatie en restauratie van handschriften

 

Om haar prestigieuze en wereldwijd vermaarde erfgoedverzameling (meer dan 39.000 volumes waarvan bijna 4.500 middeleeuwse handschriften) onder optimale omstandigheden te bewaren, beschikt de Handschriftenafdeling over een bijzondere infrastructuur: brandwerende koffers, een systeem voor het meten van de temperatuur, de lichtsterkte en de luchtvochtigheid, een op maat gemaakte doos in neutrale en zuurvrije materialen voor elk kostbaar werk enzovoort. Naast deze noodzakelijke bewaringsmaatregelen restaureert de Handschriftenafdeling elk jaar tientallen codices waarvan de staat van bewaring een ingreep noodzakelijk maakt. Die restauraties worden intern of in samenwerking met gespecialiseerde ateliers (Gent en Brussel) uitgevoerd.

 

Ze laten toe de gevolgen van de tand des tijds (gebroken boekbanden, gescheurd perkament of papier, problemen met de verflagen of de indringing van micro-organismen enzovoort) te verhelpen en, meer algemeen, de fysieke evolutie van de werken op de voet te volgen. Het Handschriftenkabinet onderzoekt de codices regelmatig aan de hand van wetenschappelijke methoden. Zo laten analyses met behulp van een binoculaire microscoop toe om de voorbereidende tekening te onderzoeken, de wijzigingen die de verluchters aan hun composities hebben aangebracht of, vanuit een strikt technische invalshoek, de lacunes of wijzigingen van materialen of kleuren te evalueren die met het blote oog niet zichtbaar zijn.

 

Er worden ook andere niet-invasieve analyses uitgevoerd in het kader van een partnerschap met sommige federale wetenschappelijke of universitaire instellingen: onderzoek van de inkten of de chemische samenstellingen van de pigmenten die in het verleden werden gebruikt (infraroodreflectografie, radiografie, spectrometrie door XRF…). Stroomafwaarts voert de Handschriftenafdeling, met behulp van haar eigen materieel (scanner en digitale camera), een beleid van archivering en digitalisering van haar kostbare boeken om ze voor een heel ruim publiek toegankelijk te maken.

 


 

Middeleeuwse handschriften

Een triptiek

 

 

Naast Vlaamse miniaturen in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel vinden in het najaar van 2011 nog twee tentoonstellingen plaats rond middeleeuwse manuscripten.

 

M-Museum Leuven pakt uit met een tentoonstelling van muziekhandschriften, met als pronkstuk het Antifonarium Tsgrooten met miniaturen in de zogenaamde Gents-Brugse stijl. M werkte hiervoor samen met de Alamire Foundation, het internationaal centrum voor de studie van de muziek in de Lage Landen, dat een inventaris opstelde van gregoriaanse antifonaria uit de periode 1100 tot 1800 die bewaard zijn in Vlaanderen. Het verhaal rond deze eeuwenoude gezangboeken krijgt een hedendaags tintje door de gloednieuwe installatie van mediakunstenaar Rudi Knoops. In het STAM staat een Gents topstuk centraal: het Liber Floridus, een zeer vroege (1121) en kleurrijke encyclopedie die de wereld en de kosmos beschrijft, en de mens binnen dit grotere geheel. In confrontatie met zijn bronnen en verwante werken komt het unieke karakter van het boek optimaal tot zijn recht. 

 

Met deze drievoudige focus op bijzondere en kunstig vervaardigde hand - schriften die als bij wonder de tand des tijds hebben doorstaan, zorgen M - Museum Leuven, STAM en de Koninklijke Bibliotheek van België voor een even brede als diepgaande blik op enkele van de meest roemruchte bladzijden uit de geschiedenis van de Lage Landen. Voor wie zich helemaal wil onderdompelen in de wereld van Filips de Goede, Hildegard von Bingen of Lambertus van Sint-Omaars zijn er overigens ook tal van rondleidingen, workshops, concerten, een festival, studiedagen en cursussen die dit veelluik vervolledigen.

 

 

goddelijke klanken in m leuven

 

De Alamire Foundation maakte in opdracht van de Vlaamse Gemeenschap een inventaris van de muziekhandschriften die bewaard zijn in Vlaanderen en die dateren van de periode 1100 tot 1800. De tentoonstelling Goddelijke klanken in M presenteert een selectie van die handschriften en maakt meteen duidelijk hoe een muziekhandschrift door de eeuwen heen veranderde op het vlak van productie, verluchting, de notatie van muziek en tekst en van de keuze van het repertoire.

 

Van de vroege middeleeuwen tot het einde van het Ancien Régime was het gregoriaans alomtegenwoordig in het Europese muziekleven. Hoewel Vlaanderen een belangrijke rol speelde in de ontwikkeling en verspreiding van dit repertoire, en er nog steeds een belangrijke hoeveelheid gregoriaanse handschriften bewaard wordt, blijft dit deel van Vlaanderens muzikale en artistieke patrimonium voor velen een onbekende, verborgen schat.

 

De kern van de tentoonstelling zijn dertien Vlaamse handschriften die een opmerkelijke verscheidenheid tonen in ouderdom, presentatie, formaat en verluchting. Een groot aantal handschriften is doorheen de eeuwen intensief gebruikt en getuigt van het muziek- en gemeenschapsleven in de diverse instellingen. Het oudste handschrift toont aan dat deze muziek oorspronkelijk uit het hoofd werd uitgevoerd, want het is zeer klein en maakt gebruik van ‘neumen’notatie, tekens zonder notenbalken. De grootte van de handschriften nam doorheen de eeuwen toe en ontwikkelde zich tot het formaat van een koorboek, waaruit een volledige groep zangers kon zingen. De grotere boeken zoals die uit Brugge, Tongerlo en Vorst, die dateren uit de dertiende tot de zestiende eeuw, zijn vaak prachtig verlucht.

 

Enkele van de handschriften zijn gebruikt door beroemdheden van die tijd: één van de manuscripten werd door Hildegard von Bingen naar de abdij van Villers gestuurd, andere handschriften werden gebruikt door de bekende Vlaamse mystica Beatrijs van Nazareth, de invloedrijke liturgist Radulph de Rivo van Tongeren en Johann Heinrich von Frankenberg, de laatste bisschop van Mechelen vóór de Franse Revolutie.

 

Deze tentoonstelling plaatst zowel de manuscripten als de klinkende muziek in het middelpunt. Via de klankinstallatie ‘Dioramatized #2’ kan de bezoeker ook horen wat hij ziet en de verschillen in stijl, vorm en uitvoeringswijze beluisteren. Vier antifonaria uit respectievelijk de elfde, twaalfde, vijftiende en achttiende eeuw worden op de tentoonstelling in beeld/klank gebracht door internationale topensembles.

 

Deze tentoonstelling is georganiseerd in samenwerking met de Alamire Foundation en Illuminare – Studiecentrum voor Middeleeuwse kunst.

 

 

liber floridus (1121), de wereld in een boek

 

“De hele aarde die wij bewonen is als een klein eiland. In negen kringlopen zijn alle dingen met elkaar verbonden, waarbij de buitenste hemelse kring de overige omvat. In het midden is de laatste en negende kring de aarde.” Lambertus, een kanunnik van Sint-Omaars (nu in Frans-Vlaanderen), vatte in de vroege twaalfde eeuw de kennis van zijn voorgangers samen in het Liber Floridus. Hij beschreef de wereld en de kosmos, en het leven van de mens binnen dit grotere geheel. Zijn eigen inbreng lag vooral op het gebied van kosmografie, geografie en cartografie. Lambertus illustreerde zijn bevindingen met kleurrijke miniaturen, die van deze middeleeuwse encyclopedie een prachtwerk maken. Vier eeuwen voor de cartografie een zelfstandige discipline werd, tekende hij al kaarten van de wereld. En de aarde, die was wel degelijk bol.

 

Het Liber Floridus is een wereldvermaard handschrift, dat op de topstukkenlijst van de Vlaamse Gemeenschap staat. Het is afkomstig uit de SintBaafsabdij in Gent en behoort nu tot de collectie van de Universiteitsbibliotheek Gent. De tentoonstelling in het STAM brengt wetenschappelijke inzichten over dit middeleeuwse topstuk in een aantrekkelijk en boeiend verhaal. Kostbare verluchte handschriften uit de late achtste tot de twaalfde eeuw, in bruikleen gegeven door instellingen uit binnen- en buitenland, tonen het Liber Floridus tussen zijn bronnen en werken van Lambertus’ tijdgenoten.

 

De setting is uniek: de pandgangen en de gotische refter van de vroegere Bijlokeabdij, met veertiende-eeuwse muurschilderingen. Een passend kader voor dit uitgebreide banket van middeleeuwse kennis en cartografie.

 


 

Praktisch

 


Tentoonstelling ‘Vlaamse miniaturen’ in Brussel

Van 30 september tot 30 december 2011

Koninklijke Bibliotheek van België

Keizerslaan 2

1000 Brussel

 

openingsuren

Open op ma, di, do, vrij en zat van 9 tot 17 uur

Open op woe van 9 tot 20 uur

Gesloten op zon- en feestdagen en op 26 december 2011

 

toegangsprijs

(ticketing via www.fnac.be of ter plaatse)

7 euro individuele bezoekers

5 euro studenten, leerkrachten, 60-plussers en groepen van meer dan 10 personen

3 euro -18j

Gratis -12j 

 

rondleidingen

50 euro/gids (max. 20 pers.) + 5 euro/pers.

Reservaties:

educdien@kbr.be of +32-(0)2-519.53.72

 

schoolgroepen

30 euro/gids (max. 20 lln.) + 3 euro/lln.

Reservaties: educdien@kbr.be of +32-(0)2-519.53.72

 

bereikbaarheid

Trein: Centraal Station Brussel

Metro: lijnen 1 en 5 (halte Centraal Station Brussel)

Tram: lijnen 92 en 94 (halte Koningsplein)

Bus: lijnen 29, 38, 63, 66, 71, 65 en 86 (halte Centraal Station Brussel)

Lijnen 27, 95 ,38 en 71 (halte Sint-Jansplein)

 

inlichtingen

Tel. +32-(0)2-519.53.11

miniatures@kbr.be

www.kbr.be

 

Tentoonstelling ‘Vlaamse Miniaturen’ in Parijs:

de tentoonstelling in de Bibliothèque nationale de France vindt plaats van 6 maart 2012 tot 10 juni 2012 op de site François Mitterrand (Galerie François Ier). Voor praktische informatie, zie www.bnf.fr.


Goddelijke klanken

in M Leuven

M-Museum Leuven

08.09.11 – 27.11.11

www.mleuven.be


Liber floridus (1121), de wereld in een boek

STAM, Gent

30.09.11 - 08.01.12

www.liberfloridus.be 


Auteurs:

Bernard Bousmanne, Michiel Verweij, Nel Van Steenhuyse en Sara Lammens