U bent hier

Victor Servranckx - Opus 47

Victor Servranckx - Opus 47
Victor Servranckx (1897-1965), Opus 47, Olieverf op doek, 113 x 210,5 cm, getekend en gedateerd onderaan rechts: Servranckx 1923, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel.
 
Van de impressionisten en hun onmiddellijke voorgangers af werd de moderne schilderkunst gaandeweg uit de traditionele vormgeving bevrijd. De fauvisten versnelden de verdere ontwikkeling in 1905 door het gebruik van felle kleuren, dat beslist op het zoeken naar sensatie leek afgestemd. Daartegen schenen de cubisten in verzet te komen door meer belang te hechten aan de vorm der dingen dan aan de kleur, die zij zoveel mogelijk neutraal of mat wilden houden. Op dat ogenblik, in februari 1909, verscheen in 'Le Figaro' het ongewoon en ophefmakend manifest van het futurisme. Marinetti die het had opgesteld verheerlijkte erin de machine en verklaarde zelfs onomwonden dat een racewagen mooier was dan de Nikè van Samothrake. Van die dag af zijn voor de schilderkunst de machine en de mechanische techniek onderwerpen van artistieke bezieling geworden.
 
 
De futuristen maakten er vanzelfsprekend hun stokpaardje van, maar ter zelfder tijd waren er overal in de wereld onder de meest vooruitstrevenden nog andere kunstenaars die oog hadden voor het bestaan van de machine en daardoor voor het gewijzigd gezichtsbeeld van hun omgeving. De hoekige stijl van het cubisme - die Cocteau toeliet van 'la chute des angles' te spreken, met een woordspeling op anges, engelen, die in het Nederlands 'de val der hoeken' verloren gaat - is een ander bewijs voor de bewustzijnsverruiming die zich ondertussen had voltrokken.
 
 
De ontdekking van de esthetische betekenis van de machine viel ten andere samen met het ontstaan van de abstracte kunst. Een kunst die de bestaande werkelijkheid niet wilde nabootsen of verklaren, maar beoogde een zuivere schepping te zijn, hetzij door middel van zeer eenvoudige meetkundige figuren, hetzij door een beroep te doen op een lyrische uitbarsting van kleuren.
 
 
Het was duidelijk dat de abstracte geometrische vormentaal natuurlijkerwijze kon samengaan met een uitbeelding van de ontwakende belangstelling voor de schoonheid van de machine. Uit een versmelting van die opvattingen, zal een stroming ontstaan, die over heel Europa haar aanhangers telt, een stroming waarvan de grondstellingen heden ten dage gevoerd hebben tot een nieuwe vertolking van de geometrische kunst, die in Amerika op art werd geheten.
 
 
Het schilderij van Servranckx dat hierbij gereproduceerd wordt, is helemaal kenschetsend voor die geometrische en mechanistische kunststroming, zoals ze was bij de aanvang, op het ogenblik dat het doek geschilderd werd. Het ontstond in 1923, toen Servranckx zesentwintig jaar oud was. De kunstenaar was er diep van overtuigd dat zijn plaats bij de nieuwe richting in de schilderkunst was, aangezien hij zijn werk 'Verheerlijking van het machinisme' heeft genoemd.
 
 
Nochtans zou het onjuist zijn te beweren dat het schilderij het beeld van een machine te zien geeft. Het behoort slechts bij het machinisme door zijn ideële achtergrond. Ik bedoel dat de gedachte aan machines hier uitgedrukt wordt door eenvoudige geometrische figuren, dezelfde waarvan de ingenieurs zich bedienen om de toestellen en werktuigen te ontwerpen die in onze industriële wereld zo'n belangrijke rol vervullen. Zo is zijn werk in hoofdzaak samengesteld uit rechte en gebogen lijnen, die de schilder willekeurig aangebracht heeft, alleen om een synthetisch beeld, een symfonie van zichtbare werkelijkheden te verwezenlijken. Bewust van zijn doelmatig handelen heeft hij zijn kleuren beperkt, om te vermijden dat de toeschouwer door een oppervlakkige indruk zou afgeleid worden van het samenspel der lijnen en de nevenschikking van de verschillende vlakken, die de ware opzet van de schilder moeten doen uitschijnen. Zo zal de toeschouwer ontdekken dat het Servranckx erom te doen is geweest een evenwicht te scheppen tussen zijn rechte en gebogen lijnen.
 
 
Het hoofdmotief van het schilderij bestaat uit een machtige tweeëenheid van grote cirkels, die duidelijk het middengedeelte van het werk beheerst; de cirkels zijn van elkander gescheiden door een kleurstrook die aan het cijfer één doet denken en toch nauw merkbaar verenigd door een diagonale lijn die het gehele werk doorsnijdt. Maar geen van beide cirkels bezit een volmaakt gesloten vorm. Dat brengt ons tot de vaststelling dat Servranckx in dit schilderij (zoals in veel andere uit dezelfde periode) zijn voorliefde voor halve cirkels verraadt. Het doek dat wij bezichtigen telt er een twintigtal, tegenover zes of zeven die werkelijk voltooid zijn.
 
 
De kleuren - blauw, violet en steenrood - zijn eerder gedempt, ongetwijfeld om schrille contrasten te verhinderen en een inniger samenvloeiing met de vlakken en figuren te vergemakkelijken.
 
 
De rustige kracht die van het werk uitgaat is een verheerlijking van de machine; die eenheid van rust en kracht wordt aan de toeschouwer geschonken door de eenvoudige bekoorlijkheid van de compositie.
 
 
In het bewogen bestaan dat het leven van de schilder geweest is, neemt dit schilderij een voorname plaats in. Onder zijn jeugdwerken heeft het een bijzondere betekenis. Ter zelfder tijd moet het als een der belangrijkste scheppingen uit de heldentijd van de abstracte schilderkunst beschouwd worden. Om die reden heb ik er prijs op gesteld het af te drukken in mijn boek 'L'art abstrait, ses origines, ses premiers maîtres', dat in 1949 gepubliceerd werd. De elementen die het schilderij bevat zijn zeker karakteristiek voor het werk van de schilder uit de jaren 1921-24. De twee cirkelvormige elementen in het midden van het doek zijn varianten van een motief, dat men terug kan vinden in een beroemd beeldhouwwerk van Servranckx uit 1921, dat in het museum van Grenoble een plaats heeft gekregen.
 
 
Het ligt niet in mijn bedoeling uit te weiden over de andere schilderkundige vormen die Servranckx heeft aangewend. Het volstaat te zeggen dat zijn uitbundig Vlaams temperament hem tot allerlei plastische stoutigheden heeft verleid. Een deel van zijn kunst behoort terecht bij de surrealistische stroming, die te Parijs van 1925 af, het constructivisme heeft verdrongen. Het werk uit die periode vertoont een overvloed aan grillige vormen, die dikwijls verward zijn en vol literaire elementen. Dikwijls keert hij ook naar de figuratieve schilderkunst terug, naar zinnelijke taferelen die schijnbaar ontstaan zijn uit bewondering voor de traditie waarin Bruegel en Bosch hebben gewerkt.
 
 
In enige doeken, die weieens vóór zijn geometrische periode geschilderd werden, heeft hij zich ingespannen om in hetzelfde schilderij lyrische bewogenheid met structurele zuiverheid te verenigen, en een paar keren is het hem gelukt die onmogelijke opgave min of meer te verwerkelijken.
 
 
Niettemin staat het vast dat het in de abstracte, in de zogeheten geometrische richting is, dat hij zijn beste werk heeft gemaakt. In de laatste jaren van zijn leven is hij ernaar teruggekeerd, in de overtuiging dat zijn weg nergens anders lag, om een reeks mooie doeken te schilderen die treffen door hun serene bezieling. Het schilderij dat wij nu besproken hebben zal wel een van de beste getuigen blijven van de jeugd van de kunstenaar, vrucht en bekroning van zijn vroegrijpe begaafdheid.
 
 
Michel Seuphor