U bent hier

Trekkracht van een streek - Museum van het Belgisch Trekpaard

Openbaar Kunstbezit Vlaanderen Trekpaard
De trekpaarden werden gekeurd tijdens het Nationaal Kampioenschap in Brussel onder grote en koninklijke belangstelling - COLLECTIE MUSEUM VAN HET BELGISCH TREKPAARD, VOLLEZELE

 

Het Museum van het Belgisch Trekpaard begint al extra muros. In Vollezele trekpaarden zien grazen klopt historisch helemaal. De omvang van de voormalige paardenfokkerijen getuigt van gloriedagen.

 

Trekpaarden herken je aan hun gespierde achtergang, die van oudsher benadrukt werd door hun lange paardenstaart te couperen of te blokstaarten. Een geblokte staart kon niet in de leidsels tussen paard en werktuig verstrikt geraken. Vandaag is deze amputatie verboden en kunnen de paarden weer met hun staart kwispelen om de vliegen weg te jagen en om er een scala aan emoties mee uit te drukken.

 

Het museum is ondergebracht in het oude gemeentehuis op het Oudstrijdersplein, waar ook Brillant, het bronzen trekpaard van Ron Deblaere staat. Dit is de hengst waarmee Vollezelenaar Remi Van Der Schueren op de Wereldtentoonstelling van 1878 in Parijs het internationaal kampioenschap won. Het verhaal gaat dat overal waar Brillant verscheen het applaus spontaan losbarstte. Ook de jaren daarop zou hij de hoogste internationale titels behalen.

 

Hier vertrekt en eindigt de Brillantwandeling, een tocht van 3,5 km langs de sporen van de trekpaardenfokkerij in het heuvelachtige Pajottenland. Op het woonhuis van Remi Van Der Schueren staat gebeiteld in blauwe steen: ‘Haras de Vollezeele’. De weidse geplaveide binnenkoer en de bijgebouwen van deze voormalige stoeterij of paardenfokkerij – vandaag koop je er aardappelen – zijn indrukwekkend. De achterachterkleinzoon van Remi, Noël De Beuf, neemt nog altijd deel aan menwedstrijden met zijn eigen gefokt en afgericht vierspan.


Ook Hof Vander Eycken en Hof te Vogelzang werden uitgebaat door telgen van Remi. De beroemde merriehouderij Hof ter Haegen is nu een B&B en Philippe van Dixhoorn, die in 2000 het museum oprichtte, is afkomstig van Haras d’Hauwer of het Middeleershof. Hier woonden andere prijshengsten zoals Brin d’or en Indigène du Fosteau. Na de wandeling kan je naar het café Drie Koningen op het Oudstrijdersplein, het vroegere hotel Mersch dat kopers van Amerika tot Rusland te slapen legde. Hier werd topkwaliteit aangeboden, maar ook de verkooptechniek van de Vollezelenaren kan niet overschat worden. Nadat kandidaat-kopers met de paarden hadden kennis gemaakt, werden ze vergast op een royale maaltijd. Was de buit binnen, kon dat ervan af, zoniet, dan diende de maaltijd om ze alsnog te overhalen.

 

Trekker van de natie

 

Vollezele, wereldcentrum van de handel in het Belgisch trekpaard? Het is bijna niet te geloven wanneer je vandaag het stille dorp bezoekt. Het kleine museum, waar al twee Bronzen Urbanussen pronken voor culturele verdienste, vertelt deze grootse geschiedenis. Wanneer je een bezoek reserveert, zorgt een van de gidsen, die allen vrijwilligers zijn, voor een boeiende rondleiding. Het succes van vijfvoudig internationaal kampioen Brillant straalde natuurlijk af op de andere fokkers van Vollezele. Concurrenten maar ook collega’s waren het die samen Vollezele op de wereldkaart zetten. Knechten trokken met hun dekhengst naar alle uithoeken van Vlaanderen en Henegouwen om boeren te overhalen hun merrie te laten dekken. Ze spraken al op voorhand een vaste aankoopprijs af mocht er een hengstveulen uit voortspruiten. Op die manier konden er op de weiden van Vollezele en omstreken aan het begin van de vorige eeuw dagelijks 150 tot 300 hengsten te koop worden aangeboden.


Hoewel elke streek zijn eigen trekpaard voortbracht – zo is er het Vlaamse paard, de Ardenner, de Suffolk Punch, de Franse Boulonnais en Pecheron – was het Brabantse toch het ultieme trekpaard. Met dank aan de stamvader van het ras Orange I, vader van zowel Brillant, het showpaard, te zien op een mooi schilderij van Charles Tschaggeny, als van de fokhengst Jupiter, die voor veel belangrijke nakomelingen op Vollezeelse grond zorgde. Orange I zelf werd als Prins geboren in Grimminge (Geraardsbergen), waar hij door Ron Deblaere vereeuwigd werd en in Sint-Kwintens-Lennik gebeurde hetzelfde door Koenraad Tinel.


Trekpaarden kregen staatsbelang omwille van de hoge handelswaarde. Brabanders werden voortaan als ‘Belgisch’ trekpaard gepromoot. Aan het eind van de negentiende eeuw was het trekpaard zelfs het belangrijkste exportproduct van de jonge natie geworden.

 

Ook het verhaal van het trekpaard in het algemeen wordt hier verteld. Door de industrialisering kwamen er alsmaar zwaardere werktuigen die alleen trekpaarden aankonden. Heel wat sectoren steunden op hun kracht: land- en bosbouw, post, transport, scheepvaart, brouwerij, staalindustrie en de haven met zijn befaamde natiepaarden (naties regelden het goederenvervoer tussen kade en pakhuizen). Op het land werkten voornamelijk merries, in de mijnen en de haven ruinen (gecastreerde hengsten), en hengsten waren de showpaarden om de reputatie van de fokker hoog te houden. Trekpaarden zijn van nature zo gedwee (‘koudbloedig’) dat ze fabrieksrook verdroegen en zelfs in het duister werkten. Op een foto in het museum wordt een paard in de koolmijn neergelaten, wat zo’n verschrikking is dat een paard dat geen tweede keer werd aangedaan. Het gevolg was dat het paard de rest van zijn dagen beneden sleet waar het gaandeweg blind werd. Aan de kerk van Vollezele herinnert de buste van een mijnwerker (van Hendrik Muylaert) nog aan de vele ‘fossemannen’ uit de streek. Ze kwamen zo zwart terug uit Le Pays Noir dat er in Vollezele een ‘Congo’berg naar werd vernoemd. Na de Tweede Wereldoorlog gingen motoren en tractoren de paardenkracht vervangen. Toch blijven hier en daar nog Belgische trekpaarden aan het werk in de garnaalvisserij in Oostduinkerke, in de bosbouw of bij de afvalophaling. Vanaf de jaren zeventig verschijnt het trekpaard op allerlei veeteeltmanifestaties, gesteund door de Vereniging voor het bevorderen van het Belgisch Trekpaard (VBBT). Hun voorzitter Paul De Brouwer schreef Het Belgisch Trekpaard. Een levend monument (2005). Bestuurslid van het museum Theo Van Lathem schreef ‘t Paardendorp Vollezele, geschiedenis en museum (2012) en Het Belgisch Trekpaard, topper in de wereld van de paardenrassen (2018).


Elk jaar viert het dorp op de derde zondag van oktober de Dag van het Brabants Trekpaard, een samenwerking tussen Comité Vollezele Leeft, Vlaams-Brabant, de Koninklijke Maatschappij Het Belgisch Trekpaard en het museum. Met onder andere menwedstrijden, paardenritjes voor de kinderen, demonstraties warm hoefbeslag en boomslepen.

 

Travalje en pronkgareel

 

In het museum wordt het leven op de stoeterij anno 1900 aanschouwelijk gemaakt. De boer stond om halfzes op en ging eerst zijn paarden voederen, voor hij de koeien molk en zelf ging ontbijten, zodat het paard daarna paraat was. Er zijn zwarte garelen te zien, om te werken, en witte, om te pronken, maar ook beenkluisters en tandenvijlen. In het travalje wordt het paard gespannen wanneer het beslagen moet worden.


In het studboek of paardenstamboek worden de paarden ingeschreven die aan de standaard van het ras beantwoorden. Vandaag worden de paarden veelal kunstmatig bevrucht, maar tot de jaren 1970 kwam er een proefhengst aan te pas om te kijken of de merrie er klaar voor was. Hij werd dan wandelen gestuurd en de hengst met de betere genen mocht opdraven.


Op een foto staan bij twintig tophengsten evenveel stalknechten. Elke hengst had zijn hoogstpersoonlijke verzorger die hem roskamde en uit wandelen nam. Boven hen stond dan nog de hengstenknecht die de trekpaarden begeleidde naar prijskampen of op hun trans-Atlantische reis naar hun nieuwe Amerikaanse eigenaars. Tot de jaren 1960 had het Belgische koningshuis een nauwe band met de trekpaardenfokkerij, dat blijkt nog op historisch beeldmateriaal waarop paarden tijdens het Nationaal Kampioenschap in de Hallen van het Jubelpark in Brussel worden gepresenteerd voor de koninklijke tribune.


In het museum wordt ook uitgelegd hoe trekpaarden leren om ingespannen te werken. De menner kan daarbij het lichtere of onervaren paard in het span bevoordelen. Hier is De vlaschaard (1907) van Stijn Streuvels niet veraf: “’t Zal geen lachedingen zijn in die klei, meende Jan en aanstaans leiselde hij de drie felste peerden aaneen. Hij legde de haamschieren aan ‘t harnas en hief den schakel van ‘t groot zwenkel in den haak van de zware zevenscharre. Ju-ou! en drie kranzen bellen rinkelden aan den peerden hun hals en de ronde lijven gingen op dansenden tred het hof af, naar den kouter.”


De zwart-witfoto van een tweespan met een merrie en een hengst is puur promotie volgens onze gids. De boodschap was dat Belgische trekpaarden zo geduldig zijn dat je zelfs een merrie en een hengst samen aan het werk kon zetten, wat bij trekpaarden allesbehalve evident is. Het mooiste promotiebeeld voor het museum bevindt zich grazend op de weide achter de oude paardenfokkerij van Remi Van Der Schueren in Vollezele.
 


INFO

Museum van het Belgisch Trekpaard – Open van 1 maart t.e.m. 31 oktober: elke zondag van 13.30 tot 17 uur. – Groepsbezoeken met gids zijn het hele jaar mogelijk na reservatie.

Oudstrijdersplein 4, 1570 Vollezele  www.museumvanhetbelgischtrekpaard.be