U bent hier

Rik Wouters - Leven is schilderen, beeldhouwen en tekenen

Rik Wouters, Witte gevels en tuin in Bosvoorde, 1907, olieverf op doek, 38,5 x 35 cm, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen.

 

Rik Wouters (1882-1916) is vandaag een van de lievelingen van het kunstpubliek. Waardering bij collega’s, critici en verzamelaars was er in de laatste jaren van zijn leven. En na de vroegtijdige dood van de kunstenaar groeide de populariteit snel. De twee belangrijkste kunstmusea van ons land, in Brussel en Antwerpen, begonnen onmiddellijk met de opbouw van indrukwekkende Woutersverzamelingen. Die van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen werd nog verrijkt met schenkingen en bestaat nu uit 26 schilderijen op doek en karton, 19 bronzen en gipsen beelden (waarvan Het zotte geweld en Huiselijke zorgen permanent in het openluchtmuseum Middelheim te zien zijn) en 66 werken op papier. Gedurende de restauratiesluiting van het KMSKA zijn de beelden en schilderijen permanent tentoongesteld in het Schepenhuis in Mechelen.

 

In Mechelen begint op 21 augustus 1882 het levensverhaal van Rik Wouters, zoon van een houtkapper in een van de vele meubelateliers van de Dijlestad. Op zijn twaalfde wordt Rik van school gestuurd en gaat als ‘sculpteur’ aan de slag in het atelier van vader Emile Wouters. Onder impuls van Theo Blickx zet hij de stap naar het artistieke beeldhouwen. Hij volgt lessen aan de Mechelse en Brusselse Academie voor Schone Kunsten. De periode in Mechelen en Brussel vloeien in elkaar over. Rik Wouters pendelt heen en weer. 

 

Hélène of Nel Duerinckx vertelt in haar ‘memoires’ hoe ze op zestienjarige leeftijd de jonge academiestudent verleidt. Rik en Nel trouwen in 1905 en de volgende vijf jaar wonen ze in Bosvoorde aan de rand van het Zoniënwoud. Rik tekent, schildert, etst en boetseert beelden die hij in gips en som in brons laat gieten. In 1911 is zijn werk te zien op het salon van La Libre Esthétique in Brussel, toen de toonaangevende tentoonstellingsvereniging van het land. Critici en verzamelaars merken Rik Wouters op. In 1912 sluit hij een contract met Georges Giroux, een belangrijkrijk kunsthandelaar.

 

In 1914 moet Rik onder de wapens om België te verdedigen tegen het binnenvallende Duitse leger. Zijn compagnie vlucht naar Nederland. Na enkele maanden krijgsgevangenenkamp trekken Rik en Nel naar Amsterdam. Daar ontdekt men de oorzaak van zijn jarenlange stekende hoofdpijn: kanker aan het bovenkaakbeen. Operaties verminken zijn gelaat maar brengen geen genezing. Rik Wouters overlijdt op 33-jarige leeftijd, aan de vooravond van zijn tentoonstelling in het Stedelijk Museum.

 

De kunst van Rik Wouters is een fauvistische liefdesverklaring aan de vrouw van zijn leven: Nel. Ze leefden arm maar gelukkig, tot de veelbelovende kunstenaar in 1916 te Amsterdam overlijdt aan kanker. Dit is het beeld van het leven en de kunst van Rik Wouters dat velen blijven koesteren. Maar is dit een juist beeld?

 


Inhoud

  • Rik Wouters & co
  • Op stap met de stadsmens Rik Wouters
  • De kunst van Rik Wouters naar waarde schatten
  • Praktisch

 

Rik Wouters & co

 

 

Beeldhouwers uit Mechelen

 

Rik Wouters is geen alleenstaand fenomeen, vermoedt Karel Van de Woestijne vijf maanden voor Wouters’ dood in het NRC Handelsblad. Wie weet is er zelfs sprake van een Mechelse school. De dichter-criticus kon maar twee leerlingen opnoemen, “tevens meesters”: Rik Wouters en Ernest Wijnants. Ik heb het voor u onderzocht, mijnheer Van de Woestijne. U had overschot van gelijk. Er was een Mechelse school. Een beeldhouwersschool. Er waren meer leerlingen. Meer meesters. Er was een actief beleid. Rik Wouters stond er eerst als beeldhouwer. Dat was geen toeval. Begin twintigste eeuw zond Mechelen haar zonen uit. 

 

 

‘en nu zult ge werken!’

 

Beeldhouwer’. Zo staat het in cursief schrift in de geboorte-acte van Rik Wouters. Vader Emil(e) Wouters is beeld-houwer. Op eenentwintig augustus van het jaar achttien honderd twee en tachtig komt de echtgenoot van Me - lania Daems het bestaan aangeven van hun tweede zoontje: Hendrik Emil Wouters, “geboren heden ten elf uren des morgens Adeghemstraat 37”. Net als op de geboortedag van François Emile twee jaar eerder neemt hij twee collega’s mee om het heugelijke nieuws te melden. Hopelijk is het lot hen ditmaal gunstiger gezind. François Emile werd amper drie maand oud. 

 

Op 21 augustus 1882 staan naast vader Emile ‘beeldhouwer’ Emil(e) Denies en ‘meubelmakersgast’ Emil(e) Vandam voor de ambtenaar van de burger - lijke stand. Drie Emilen onder elkaar schrijven Henri Emile het burgerli - jke bestaan in. De beeldhouwers beeldhouwen in de meest letterlijke zin. 

 

Het zijn houtkappers die hun kost verdienen in een van de vele meubelate - liers die in de loop van de negentiende eeuw in de Dijlestad de kop opstaken. De 23-jarige Emile Wouters droomt ervan meestermeubelmaker te worden. Vader François (Sint-Gilles, 1832), Hendriks grootvader, is schildersgast en herbergier. Thuis moesten er elf magen worden gevuld. Vader ‘beeldhouwer’, grootvader ‘schilder’: zit Hendrik Emile het houwen en schilderen soms in het bloed?

 

Vader en moeder zijn bepaald niet honkvast. Voor zijn achtste was Hen - drikje al vijf keer verhuisd. De drie zonen worden in drie andere huizen in de Mechelse binnenstad geboren. Jozef Emile begin 1888 in ’t Vlietje 5. Karel-Lodewijk (Charles-Louis) vier jaar later in de Huidevettersstraat 37. Verhuizen deden ze in augustus 1890 te voet: het was het hoekje om. Of ging de verhuizing langs de aanpalende tuintjes? Het woonhuis was gelegen op nummer 37. Het werkhuis op nummer 35. 

 

In de Rue des tanneurs woonde het jonge gezin Wouters-Daems niet alleen. Grootmoeder ‘Wouters-Van Utterbeeck la veuve’, oom Pierre Jean, tante Catherine Josephine en haar onwettig dochtertje Marie-Rosalie trokken bij hen in. Met negen in één huis, onder wie twee huilende baby’s, niet verwonderlijk dat Hendrik de straat op zocht en droomde van een ongebonden bestaan als zeerover. Een braaf jongetje was hij niet. Op z’n twaalfde werd Rik van school gestuurd. In het enige interview dat hij ooit gaf, kort voor zijn dood in Amsterdam, klinkt het als volgt: “Ik heb altijd hard gewerkt en weinig wereldse omgang gehad. Thuis in Mechelen heb ik maar kort school gegaan: ik wou niet deugen, deed allerlei kattenkwaad en werd op een mooie dag buitengezet. Zodat vader, die houtbeeldhouwer was, me moest thuis laten. ‘En nu zult ge werken!’ zei hij. Dat was net wat ik graag wilde en van dan af werd ik rustig en alle deugnieterij was er bij mij uit. Zo ben ik als jon - gen van twaalf jaar bij ’t vak gekomen en vanzelf beeldhouwer geworden.” Zo werd je in Mechelen in die tijd dus beeldhouwer. Als vanzelf. 

 

Emile Wouters heeft het klaargespeeld: rond zijn dertigste had hij zijn eigen meubelatelier. Trots liet hij in de Huidevettersstraat een fotograaf aanrukken. Twee vergeelde groepfoto’s laten de fiere vader (op de ene) en de uit de hoogte kijkende baas (op de andere) zien met naast hem 24/23 jongemannen. Sommige boeventronies lijken te zijn ontsnapt uit een schilderij van Jeroen Bosch. Hendrik en neefje Frans mochten ieder een groot steunbeeld vasthouden.

 

In september 1946 werd het eerste deel van de Huidevettersstraat omgedo - opt tot Rik Woutersstraat. Mechelen herdacht het 30-jarige overlijden van haar beroemdste moderne kunstenaar met een retrospectieve in de Stedelijke Feestzaal. Vlak voor de opening trokken de gouverneur van Antwerpen, de burgemeester en schepenen, weduwe Nel Wouters en personaliteiten uit het kunstenaarsmilieu, onder wie een zekere Theo Blickx, in stoet naar het huidige nummer 43 om een stenen gedenkplaat te onthullen. “Hier woonde vanaf 1890 tot 1900, Rik Wouters, Vlaamsch schilder en beeldhouwer.” Applaus! Alleen: het klopt niet. Hier woonden Hendrik, Jozef, Karel, Emile en Melania Wouters sinds mei 1897 niet meer. De schilder-beeldhouwer Rik Wouters moest nog geboren worden. Hier heeft Rik hooguit wat ornamenten gekapt. Zijn kunstopleiding moest nog beginnen.

 

Op 24 september 1897 valt in het Mechelse stadhuis een brief van Emile Wouters in de bus: of hij de toelating krijgt om van het stoelmakerswerkhuis op de Tichelrij 15 een meubelmakerswerkhuis te maken. Vader Emile heeft er alle vertrouwen in. Hij liet al briefpapier drukken met een sierlijk briefhoofd: Émile Wouters Fabricant de Meubles en chêne et noyer sculptés, 15, Tuilerie, 15. In het Frans, jazeker. Binnen de week heeft hij de toelating op zak. De Woutersen namen er al op 1 mei hun intrek, leert een geschreven getuigenis van de eigenaar Schuermans. Het gezin kon even herademen in het ruime huis anno 1757 met zicht op de Dijle. Het geluk was van korte duur. Op 14 juli overleed moeder Wouters aan tuberculose. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het meubelmakerswerkhuis gebombardeerd; in 1958 werd het weer opgebouwd. De gesculpteerde houten trap met bloemenmotief ontsnapte de dans. Een trap uit de hoogdagen van de Mechelse meubelindustrie. Van Emile Wouters, fabricant de meubles? Ik geloof het graag. De bloemmotieven doen sterk denken aan de werkstukken die Frans Wouters maakte bij zijn oom, en later als zelfstandig meubelmaker. 

 

Eén bloemrijke anekdote uit Riks wonderjaren heeft de allereerste Wouters-biografie gehaald. Huisvriend Ary Delen schreef het dik aangezette Rik Wouters. Zijn leven – zijn werk – zijn einde (gepubliceerd in 1922) vlak na Riks dood. Ook Nel Duerinckx tekent de episode uit de wonderjaren van haar Rik op in haar memoires. Het is zowat de oerscène van de verloren zoon die terugkeert naar zijn vader(stad). Rond zijn twaalfde smeedt Rik snode plannen aan de Dijle. Op een blauwe maandag loopt hij met enkele van zijn vriendjes van huis weg. Ze trekken naar de Ardennen, schaffen zich een jachtgeweer aan, slapen in een put in het bos. Rik vergaat van de honger maar wil het avontuur tot het uiterste doordrijven. Hij wandelt helemaal naar Antwerpen om als matroos in te schepen. Maar daarvoor heeft de kapitein eerst de toelating nodig van de ouders. Met hangende pootjes gaat Rik terug Mechelenwaarts. In een versie van de feiten levert de politie hem voor de deur af. Moeder is door het dolle heen van geluk. Ze heeft erg onder Riks misstap geleden. Vader is woedend. Hij vindt dat de baldadige zoon meer dan een berisping verdient. Rik moet in de leer bij een van zijn gasten. Werd Rik beeldhouwer uit een straf?

 

 

blickx’ biecht

 

Theo Blickx (1875-1963) las begin jaren 1920 de biografie van Ary Delen en moet zich meermaals in zijn koffie hebben verslikt. “Gedurende korte tijd ook,” zo stond er zwart op wit, “bezoekt hij tezamen met Ernest Wynants en een paar anderen, het atelier van de Mechelse beeldhouwer Théo Blickx, die alles behalve kunstenaar zijnde, geen den minsten invloed noch op Wouters, noch op Wynants heeft kunnen uitoefenen.” Blickx kroop in de pen en is niet meer opgehouden met schrijven en Delens zwaar geromantiseerde levensbeschrijving recht te zetten, in één uitgesponnen Biecht. Zes archiefdozen heeft hij proppensvol geschreven, duizenden bladzijden herinneringen en kunstkritieken, ongedateerd, op achterkantjes van brieven, enveloppen, facturen, kladbladen en in schriftjes. Een onontwarbaar kluwen. 

 

Blickx kreeg nauwelijks gehoor. Keer op keer dist hij dezelfde gebeurtenissen op: zijn vroege successen als beeldhouwer, zijn bijzondere manier van lesgeven, hoe hij zijn leerlingen als ‘proefkonijntjes’ kneedde en uiteindelijk wordt verloochend. De kern in Blickx’ ophopende, repetitieve memoires heeft veel weg van een mythische vadermoord: de bevlogen leraar die zijn beste jaren als kunstenaar opoffert aan zijn leerlingen, hen aanspoort om zich te ontwikkelen tot vrije kunstenaars, en uiteindelijk wordt bespot (nee, niet door Rikske, bij hem heeft hij “niets dan hoogachting bemerkt”). Een van Blickx’ vroegste, meest uitgewerkte en betrouwbaarste beschouwingen dateert van kort na het verschijnen van Delens hagiografie. We zitten de jonge Rik Wouters & co filmisch dicht op de huid. Terug naar 1897. Terug naar de Tichelrij. Episode: Rik Wouters, de geboorte van de beeldhouwer.

 

“Niet op 12 jarige leeftijd haalde Rikse zijn guitenstreken uit gelijk Ary Delen beweert,” pareert Blickx, “maar drie jaar later”. Blickx kan het weten. Hij was in de buurt. Laten we het erop houden dat Rik in de zomer van 1897 van huis is weggelopen, tussen de verhuis naar de Tichelrij 15 en de dood van de moeder. Het tijdstip heeft niet zo gek veel belang. Belangrijker is het vervolgverhaal. Theo Blickx: “Een maand na de allesbehalve vriendelijke ontvangst van Rik Wouters, kwam zijn vader mij vinden. Hij was ten einde raad. Naar een verbeteringsschool sturen? Dierf hij niet. Hij vroeg mij zijn zoon op mijn atelier te nemen. Reeds jaren gaf ik Nest Wijnants en diens gasten les. Ik deed mijn aanvraag aan de stad en ik mocht onbezoldigd les geven in de avondklas van boetsering, waar Jef Willems een achtenswaardig en zeer bemind leraar was. Zo werd die avondklas de eerste dagklas van boetsering en tekenen en mouleren. Mijn leerlingen volgden ook de avondlessen. Karel Bonaugure en Jules Bernaerts en anderen kwamen de twee eerste leerlingen vervoegen. De brave Jef Willems kon met deze jonge onstuimige snaken geen weg.” Kunst als een manier om je zoon van straat te houden? Of wilde Emile Wouters het (teken)talent van zijn zoon alle kansen geven? Mocht Rik niet naar de Academie van zijn vader, zoals Ary Delen beweert? Blickx doet het af als klinkklare onzin. Uit vrije wil, voegt hij er fijntjes aan toe, ging Rikske er allerminst naartoe.

 

Rikske. Meester Theo Blickx is zeven jaar ouder dan Rik Wouters. De meester was nog student. In de Academie van Mechelen gaf hij onbezoldigd les. Aan de Academie van Brussel volgde hij les en kaapte hij al de prijzen weg. Blickx is de bevlogen mentor die jonge beeldhouwers uit het Mechelsearbeidersmilieu de weg naar de roem wijst die hij nog maar pas zelf begon te bewandelen. Vanaf zijn vijftiende werkt ook Theo als gastje in de meubelindustrie, o.a. in het atelier van Emile Wouters. Samen volgen ze de zondaglessen sieraadboetsering aan de Academie van Mechelen. 

 

Het zou vader Wouters geweest zijn die Theo Blickx aanraadde om figuurboetsering te gaan volgen. Hij vond hem te knap om al te lang werkjongen te blijven. Blickx neemt een vliegende start én doorstart. Van 1892 tot 1896 doorloopt hij de lessen aan de Academie van Mechelen. Op het moment van Riks guitenstreek had hij er in Brussel zijn eerste academiejaar beeldhouwen naar levend model op zitten bij de vermaarde Charles Van der Stappen. In Mechelen ging het allerminst onopgemerkt voorbij. Op zondag 28 november 1887 trok een stoet door de Mechelse binnenstad. Een muziekkorps begeleidde Théophile Blickx naar het stadhuis. Daar zwaaiden de burgemeester en schepenen de jonge kunste - naar alle lof toe. Als beloning kreeg Blickx 125 frank uitbetaald. Voorwaar een lichtend voorbeeld aan het Mechelse firmament. Een beloftevol man aan wie je wat graag je zoon overdag toevertrouwt.

 

Wat Theo Blickx nog maar pas bij Charles Van der Stappen had opgestoken, kon hij op zijn ‘proefkonijntjes’ toepassen. Theo Blickx biecht op: “Voor mij is Rikske steeds levend geweest en zal het ook blijven. Wat ik daartoe heb bijgedragen, grenst aan het onmogelijke. Vanaf zijn 15 e jaar tot hij in ’t leger ging, is hij onder mijn leiding geweest. (...) Van ’s morgen 6-7 uur kwam hij mij dagelijks – slecht weder of niet – thuis halen om samen naar mijn atelier in de Academie te werken tot het donker werd, meestal zonder naar huis te gaan middagmalen. We kochten een paar koeken die wij in een emmer water (die nooit volledig zuiver werd gemaakt) doopten en al werkende opaten.” Wanneer en vooral hoe aanhoudend het zich afspeelde is niet helemaal duidelijk. Tussen de bedrijven door moest meester Blickx toch ook nog de daglessen in Brussel volgen? In een andere notitie gaat Blickx dieper in op ‘zijn’ aanpak. “Een tiental studies per dag hielp ik hem aanleggen met steeds meer gemak. Hij bleef zwijgzaam. Elke zet van mij legde ik uit, traag werkende, niet als de gewone leraars die liever goochelden om hun bedrevenheid tentoon te spreiden. Ik leerde hem met potaarde ‘tekenen’, tot hij een kop kon aanleggen. Boetseren was bij mij slechts tekenen met potaarde. Later ‘schilderend’ beeldhouwen! Ik deed hem maar steeds het werk afbreken om telkens weer opnieuw ‘schilderend’ aan te leggen. ‘Afmaken’ zoals men dit te Mechelen noemde, kon Rikske moeilijk. Dat moest hij maar later doen.” Meer doen dan denken. Meer opzetten dan op kappersmanier afwerken. Meer impressie dan vakwerk. Auguste Rodin en diens Brusselse vriend Van der Stappen lieten in de klas Blickx al vroeg hun sporen na. 

 

In tussentijd volgde Rikske de reguliere, ‘bravere’, alleszins heel wat tragere lessen aan de Mechelse Academie: boetseren naar antieke torso’s bij Jef Willems (de maker van Job aan het Sint-Maartenziekenhuis in Mechelen), boetseren naar plaasteren fragmenten bij de pas benoemde Boudewijn Tuerlinckx (zoon van Joseph, de maker van het beeld van Margareta van Oostenrijk op de Grote Markt) en de zondagklas tekenen en schilderen naar levend model bij de bestuurder Jan M. Rosier. De zondagklas meubelontwerp bleef hij drie jaar lang volgen. 

 

 

à mon cher maître

 

Net voor de eeuwwende was het weerom feest in Mechelen. Theo Blickx had bij de prijsuitreiking in Brussel drie eerste prijzen en twee tweede prijzen weggekaapt. Bij zijn terugkeer wachtte hem aan het statieplein een ‘hulde-betoging’ op. Spoorslags ging het naar het stadhuis waar de burgemeester het gevolg tijdens een plechtige zitting ontving. Een dag later keurde de gemeen - teraad eenparig en bij hoogdringendheid een toelage van 700 frank goed om Theo Blickx toe te laten deel te nemen aan de Godecharle, een prijskamp voor jonge beeldhouwers die de laureaat drie jaar lang een studiebeurs opleverde van 4.000 frank. De verwachtingen waren hoog gespannen. Je zou van minder zot worden van glorie. En jonge snaken doen wegdromen. De 17-jarige Rik Wouters liep zwijgzaam mee van het Statieplein naar de Grote Markt. Zijn tijd zou nog komen. 

 

1900 moest voor Theo Blickx het jaar van de grote doorbraak worden. Naast de driejaarlijkse Godecharle waagde hij ook zijn kans met de Prix de Rome. Hier stond een nog grotere som en nog eeuwigere roem op het spel: vier jaar lang een studiebeurs van 5.000 frank. Voor een simpele werkmanszoon een fabelachtige som. De deelnemers moesten in de Academie van Antwerpen een expressiekop (thema: De verschrikking), een compositie (thema: Vissers vinden het hoofd van Orpheus) en een figuur ten voeten uit boetseren. Daarvoor verbleven ze twee weken lang in een loge in Antwerpen. Op 1 mei kon Blickx aan burgemeester en schepenen goed nieuws overbriefen: “De jury gelast met het oordelen der voorbereidende proeven des prijskamps van Rome heeft mij vijfde gerangschikt, terwijl ik de eerste plaats bekwam voor ‘Compositie’. Die uitslag, des te aanmerkelijk dat, gedurende den prijskamp smartelijke zenuwkoortsen en tandpijn mij het werken dikwijls onmogelijk maakte.”

 

De eerste zes mochten het in juni tegen elkaar opnemen tijdens de beslissende prijskamp. Blickx is in zijn nopjes, de eindopdracht is een basreliëf. Het thema: Adam en Eva bij het lijk van Abel. Wie komt er in zijn nakie poseren voor de Abel van Blickx? Jawel, Rikske. Blickx: “Hij kwam ondanks mijn weigering hem tot model voor mijn ‘Abel’ te nemen, onverwachts in mijn loge te Antwerpen als model. Hij stond daar naakt voor mij: juist een jong meisje, beschaamd en toch angstig lachend of ik hem toelaten zou: ik moest het vrouwenmodel doorsturen, liet hem een schets kopiëren, in plaats van te poseren. Nadat mijn vrouwenfiguur af was, zat hij alle dagen bij mij te werken. De surveillant lachte toen hij het model zag modeleren.” Blickx viel net buiten de prijzen. Hij werd vierde en kreeg een eervolle vermelding. De ontgoocheling kwam hij nooit helemaal te boven. Als troostprijs stopte Koning Leopold II – na een bedelbrief van Theo Blickx aan de Minister van Landbouw – 500 frank extra toe.

 

Rikskes tijd kwam. Van zondag 7 tot 9 oktober 1900 stelde Rik Wouters met zijn Mechelse makkers de prijskampwerken tentoon in de Hallezaal op de Grote markt. Hij muntte uit. Twee weken later mocht vader Wouters zijn zondagse pak aantrekken. Zijn oudste zoon kreeg een van de acht medailles die dat jaar aan de Academie van Mechelen werden behaald: het zilveren eremetaal van het staatsbestuur voor de eerste prijs in de Klas van boetsering naar borstbeelden. Voor de werken die hij gedurende het schooljaar had uitgevoerd kreeg hij een eervolle vermelding. De investering had geloond. Rikske was er helemaal klaar voor: de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Brussel. 

 

Ze zijn dat academiejaar allemaal naar Brussel getrokken, de leerlingen van het klasje Blickx: Jules Bernaerts, Karel Bonaugure, Rik Wouters en Ernest Wijnants. De jongere broer Ferdinand Wijnants volgde twee jaar later. Rik Wouters deed in januari 1901 met de concours de place mee om definitief toegelaten te worden. Theo Blickx stond hem bij met raad en daad. Rikske eindigde als eerste. Charles Van der Stappen en graaf Jacques de Lalaing loofden meester-leerling Blickx in het bijzijn van Rik en de andere studenten: “Uw meester a quelque chose dans le ventre.” Rik Wouters werd op 4 januari 1901 officieel ingeschreven. Als dank voor de goede zorgen maakte hij een houtskoolportret van zijn Mechelse meester. In de linkerbenedenhoek schrijft hij een opdracht: “à mon cher Maître H. Wouters Mechel 1901 21 j”.

 

 

in ‘t lot

 

De toevloed van jonge beeldhouwers uit Mechelen naar de hoofdstad was geen toeval. Het Stadsbestuur investeerde actief in de verdere studie van haar burgerzonen. Na een geslaagd eerste jaar konden oud-leerlingen hulpgeld aanvragen om hun studies in den vreemde voort te zetten. Wie aan een van de hogere kunstinstellingen in Brussel en Antwerpen bekroond werd, kreeg een geldelijke beloning. En wie een redelijke kans had bij een beeldhouwwedstrijd kon voor de onkosten bij de burgervader aankloppen. Jan W. Rosier was de onvermoeibare promotor van de talentrijkste oud-leerlingen. Hij gaf het stadsbestuur advies, en suggereerde het bedrag voor de beloningen en subsidies. De brieven van Rosier, Rik Wouters & co geven een mooi beeld van het doen en laten van de oudleerlingen in Brussel.

 

Hendrik Wouters richtte op 27 november 1901 in schoner dan schoonschrift zijn eerste brief aan het stadsbestuur. “Ik ondergeteekende, Wouters, Hendrik, leerling der Koninklijke Akademie te Brussel neemt de vrijheid, U, dit verzoekschrift te richten, om eene toelage te bekomen, ten einde mijne Kunststudie te vergemakkelijken. De kosten daardoor veroorzaakt, vallen mij te zwaar, en buiten de Provincie Brabant woonende, ben ik zelf verplicht de schoolgelden te betalen, welke tot honderd vijftig franken belopen. De onderscheiding door mij eerder behaald, in de Koninklijke Akademie te Brussel, doen mij hopen op een gunstig antwoordt. Aanvaard mijn waarde Heeren, met mijne beleefde groeten, mijnen voorafgaandelijken dank, en de verzekering mijnes eerbieds. Wouters Hendrik, Tichelrij”. 

 

Hoogstwaarschijnlijk liet hij iemand anders de gewichtige tijding schrijven. Zijn handschrift en woordkeuze zijn het niet. Neste Wijnants presteerde het een brief in vlekkeloos Frans te bezorgen – terwijl hij toen nog amper een woord Frans sprak. Bestuurder Rosiers advies valt bijzonder positief uit voor de boezemvrienden: “De heeren Wouters en Wijnants waren steeds, en zijn ook nog, zeer verdienstelijke leerlingen onzer Academie, aanderwelke zij in lager en middelbaar onderwijs onderscheidingen gehaalden, en ook nu nog met iever en met vrucht de avond- en zondaglessen van teekening naar het levend model volgen. Tevens wonen beiden de daglessen van beeldhouwkunst aan de Koninklijke Academie van Brussel bij. Beide, en vooral de heer Wouters geven blijken van aanleg voor de kunst.” Vooral de heer Wouters. Neste Wijnants kwam pas jaren later uit de startblokken.

 

De periode in Mechelen en Brussel vloeiden in elkaar over. Rik & co pendelden heen en weer. Er was geen bruuske breuk. Alleszins tot eind 1901 volgde Rik avond- en zondaglessen in zijn geboortestad. Tot aan zijn legerdienst (oktober 1902) ging hij naar de klas van Theo Blickx. Ook zijn allereerste groepsten - toonstelling hield hij in Mechelen. Van 10 juni tot 21 juli nam hij met Theo Blickx en Neste Wijnants deel aan de tentoonstelling van de Lucasgilde in de Hallezaal. Rik toonde drie tekeningen en een borstbeeld. Het was kermis op de Grote Markt. De gilde vroeg het stadsbestuur met aandrang om ditmaal geen kermisbarakken voor de ingang te plaatsen. Ook tekenen en schilderen deed Rik Wouters in zijn vaderstad: bij Rosier, bij Blickx, bij de schetsclub van de Lucas - gilde. De zondagse lessen leveren de nodige modellen. De landloper Kobe – alias François Michiels – poseerde voor Wouters’ vroegst bewaarde schilderij en voor gebeeldhouwde koppen van Theo Blickx en Boudewijn Tuerlinckx. In 1902 kwam het na een woordenwisseling tijdens het schetsen tot een breuk tussen de jonge garde en de Voorzitter van de Lucasgilde, de eerbiedwaardige schilder Willem Geets. Neste Wijnants en Theo Blickx werden uit de Lucasgilde gezet. Rik Wouters nam vrijwillig ontslag. In een café op de Bruul stichtten ze een nieuwe kring, De Distel. Qui se frotte se pique!

 

Rik bleef tot het einde van zijn studies in Mechelen gedomicilieerd. Jaar na jaar vroeg hij het schoolgeld aan. Op 4 januari 1902 krijgt het stadsbestuur een brief van de Gouverneur van de Provincie Antwerpen. “De genaamde Hendrik Wauters (sic), wonende in uwe stad, Tuilerie, heeft zich tot het staatsbestuur gewend, ten einde eene studiebeurs te bekomen, om de klassen der Koninklyke Academie van Schoone Kunsten, te Brussel, te kunnen blyven volgen. Namens den heer Minister van Landbouw, verzoek ik U my eenige inlichtingen te laten geworden over het gedrag en de goede zeden van den leerling in kwestie alsmede over den fortuintoestand zyner ouders. Ook zou het nuttig zyn te vernemen of de rekwestrant eene toelage op stadskas geniet.” De inlichtingen volgen vlug: de heer Wauters (sic) is meestermeubelmaker en werkt met verscheidene gasten. Hij bezit geen eigendom, is weduwnaar en heeft drie kinderen. Het gedrag en de zedelijkheid van de jongeling laten niets te wensen over. Tot nog toe genoot hij geen toelage op stadsgelden. Het scenario herhaalde zich een jaar later. Mechelen blijkt Rik Wouters in 1902 een beloning van 100 frank te hebben verleend en een jaarlijkse ondersteuning van 66,67 frank (raadselachtig bedrag, waar gingen die resterende 8,33 frank van de reguliere studiebeurs naartoe?). 

 

Het lot had beschikt. Rik moest twintig maanden onder de wapens. Aan de Universitaire Compagnie kon hij studie en legerdienst combineren. In Brussel volgde hij nu ook de avondlessen. In Mechelen zagen ze hem heel wat minder. De eerste tentoonstelling van De Distel (1903) liet soldaat Rik aan zich voorbij gaan. Hij was wel onrechtstreeks aanwezig, in de gedaante van Abel: Blickx toonde naast enkele bustes de twee bas-reliëfs die hij tijdens de Prix de Rome in 1900 had gemaakt. Ernest Wijnants kwam voor de dag met een Bloementriomf en een houten schouw in Louis XV-stijl. 

 

Vakkundig gekapte engeltjes sieren de poten. Vakmanschap is meesterschap. Autonome en toegepaste kunst stonden bij De Distel broederlijk naast elkaar. In de tweede Distel tentoonstelling (1904) leverde neef Frans Wouters een meesterlijke Louis XV-spiegel in met bovenaan een drakenkop. Soldaat Wouters stuurde andermaal zijn kat. Nee, zulk tot in de fijnste details afgewerkte houten sculpteerwerk heeft hij vermoedelijk nooit gemaakt. De enige houten sculptuur die aan hem wordt toegeschreven is een kleine buste op een los sokkeltje. Bovenaan die sokkel met gleuf, als was het een spaarpot, staat in sierlijke letters de naam Maria De Prins gebeiteld, de vrouw van broer Jozef-Emile Wouters. De buste komt uit de omgeving van Emile Wouters, zoveel lijkt zeker. Heeft Rik Maria De Prins werkelijk gekapt? Twijfelachtig. Broer Jozef-Emile was meubelmaker. Als iemand Maria De Prins in hout wilde vereeuwigen, dan is hij het wel. 

 

Kappen of boetseren, het is een totaal andere stiel. Heeft het kunstambacht der houtsnijders een niet te loochenen invloed gehad op de ontwikkeling van Rikskes eigenlijk beeldhouwwerk, zoals Delen beweert? Blickx vindt het een potsierlijke gedachte. “Het tegendeel is waar! Het werk van Rikske voor de meubelnijverheid moet al bij al geknutsel zijn geweest.” Neste Wijnants en Frans Wouters gingen jarenlang in Mechelse meubelateliers aan de slag. Ze verdienden er hun brood mee. Rik kluste bij om vader tegemoet te komen voor kost en inwoon. De Mechelse meubelindustrie had hem dan wel zijn toegangsticket tot de beeldhouwkunst bezorgd, de taille directe was zijn ding niet. Rik maakte liever zijn handen vuil. Een beeldhouwer met klei neemt geen materiaal weg om het beeld uit het blok te bevrijden. Hij voegt potaarde toe, werkt van binnen naar buiten, verovert de ruimte, laat sporen van vingers en spatels na, schept rond het geraamte een van beweging nazinderend lichaam. Zulk een beeldhouwer is een god in het diepst van zijn gedachten en vingertoppen. Eva, het was het allereerste beeld waarvoor hij zijn liefje Nel, muze en geliefkoosd model, uit de kleren kreeg.

 

Op de slotdag van de eerste Distelexpo, 15 maart 1903, waagt Rik Wouters, soldat au 9 e de Ligne Bruxelles, zijn kans bij de selectieproeven van de driejaarlijkse Prijs van Rome voor beeldhouwkunst in de Academie van Antwerpen. Zijn Mechelse kompanen Theo Blickx, Charles Bonaugure en zijn voormalige leraar Boudewijn Tuerlinckx sporen eveneens naar Antwerpen. In zijn memoires rept Blickx er met geen woord over. Begrijpelijk: hij wordt pas 21ste op 45 deelnemers. Rik eindigt op een bescheiden 27ste stek. Nee, de finaleproef zat er niet in.

 

Niet getreurd. Op 29 juli meldt bestuurder Rosier de burgemeester en schepenen de uitslagen van de oud-leerlingen van het academiejaar 1902-1903. Rik Wouters behaalde een uitslag om in te kaderen: voor Samenstelling de 1ste plaats, voor Figuur naar het levend model de 3de plaats, voor Groep de eerste plaats en voor Bas-reliëf de eerste plaats. Andermaal goed voor een stedelijke beloning van 100 frank. Rik mocht de franken op 22 november 1903 gaan ophalen in de stadsfeestzaal. In de kantlijn van zijn aanbevelingsbrief schrijft Rosier: “hoogere leergangen doch gedeeltelijk in klassen die in onze akademie ook bestaan, en gedeeltelijk andere. De heer Wouters was een der meest verdienstelijke leerlingen van ons gesticht waar hij met goed gevolg, tot in de hoogste klassen werkzaam is geweest. In ‘t lot gevallen zijnde, werd hij te Brussel in garnizoen gesteld en daardoor genoodzaakt zijne studiën aan onze akademie te staken en die te Brus - sel voort te zetten.” 

 

 

nieuw leven

 

Rik blijft tot het laatst op de Mechelse stadskas een beroep doen. Eind augustus 1903 schrijft hij, in zijn eigenhandige, hanige geschrift en onbeholpen houtkappersstijl aan de Secretaris van het stadsbestuur: “Heer, Ik bied me mijne verontschuldiging aan, zoo laat op uw geeerd schrijven te antwoorden daar ik verplicht geweest zijnde op te reis te moeten. Het veronachtzaamd heb. Ik stuur u dus een bevestigend antwoord. t Is te zeggen dat ik nog nodig acht mijne Akademieke Studien nog voort te zetten. Aanvaart mijnheer mijne eerbiedige groetenissen. Hendrik Wouters, Brussel 26 Aug 1903.” Tussen handtekening en datum staat in potlood: Wouters – en service Companie universitair. Een revelatie is de brief van een jaar later, afgestempeld op 29 augustus 1904: “Waarde heer Secretaris, Met dezen laat ik Ue bijgevolg uwer eerbiedigende vraag mijn antwoordt geworden bevestigende, mijn nog bywoonen der Koninklijke Akademie van Brussel. Aanvaardt mynheer mijne eerbiedigende groeten Hendrik Wouters. Met in potlood het adres: Peperstraat 35 (de huidige Kanunnik De Deckerstraat). Rik liep met andere woorden met de gedachten rond nog langer te studeren. Zover is het niet gekomen. Wat is er tussen beursaanvraag in Mechelen en de inschrijving in Brussel gebeurd? Ontpopte de muze zich als een onafwendbare sirene? Moest hij van vader op eigen benen gaan staan, weg van Mechelen? Hoe ook, op 11 oktober 1904 laat Rik Wouters zich uit Mechelen uitschrijven. Hij neemt zijn intrek in WatermaalBosvoorde, Statiestraat 26. Acht jaar opleiding heeft hij op de teller staan. Wat hij als beeldhouwer waard is, laat hij zien met De nimf. Het naaktmodel buigt lichtjes voorover, als een boegbeeld van een schip. De handen samengevouwen tussen de dijen, knokige knieën tegen elkaar gedrukt, ogen gesloten, borsten overgeleverd aan Newtons wet. Nel leeft zich voluit in de onaardse rol van bosnimf in. Haar dagelijkse zelf hoefde ze nog niet te belichamen. Rik leeft zich helemaal uit om het onderhuidse lichaam van sleutelbenen en ruggengraat onder de aarden huid te laten doorschemeren. 

 

Geldzorgen maken het verblijf in Watermaal van korte duur. Op 23 maart probeert Rik bij zijn ‘Waarde Vriend Blickx’ 25 frank los te peuteren om aan de slag te kunnen bij een foto-miniaturist. “Paat’s (vaders) beurs is me totaal gesloten en niet tegenstaande al de wonderen van zuinigheid die ik aan den dag leg, is het me onmogelijk de somme byeen te krijgen, gezien mijn wekelijksche uitgave de groote somme van 3 tot 4 frank bedraagt.” Op 15 april trouwen Rik en Nel. Ernest Wijnants is getuige. Ook vriend Theo was gevraagd, maar die weigert categoriek: “Ik vond dat Rikske nog niet trouwen mocht, niets dwong hem daartoe, thuis was vader voor zoiets niet te vinden. Neste was getuige voor Rik en ik moest wat prestige geven aan Nellie. Na mijn weigering namen ze de eerste de beste denk ik. In alle geval er was geen breuk tusschen ons. Maar Neste had nu alle gemak om mijn portret te chargeren bij Nelly, zij deelde de lakens uit.” Nel heeft het Theo nimmer vergeven. Meester Blickx had voor eens en voor goed afgedaan. 

 

Artiste peintre. In die hoedanigheid schrijft Rik Wouters zich op 3 mei op - nieuw in bij zijn vader, Peperstraat 35. Helene Duerinckx meldt zich pas een week later aan bij de ambtenaar van de burgerlijke stand, op 9 mei. Rik en Nel zakten ogenschijnlijk niet samen naar Mechelen af, zoals Nel in haar dickensiaanse Souvenirs inédits laat uitschijnen. Eerst was er nog pendeldiplomatiek nodig tussen de vader en het jonge stel. Vreemd: Nel geeft onder ‘vorige verblijfplaats’ niet, zoals haar Rik, Statiestraat 26 in Watermaal op, maar het adres van haar moeder in Koekelberg. Drie weken na het huwelijk? Echtelijke crisis of ambtelijke fout? Hoe ook, de wittebroodsweken verliepen niet geheel vlekkeloos. Er werd een gietvorm gemaakt van De Nimf die mee naar Mechelen verhuisde. Een beeld van die afmetingen laten mouleren, kostte makkelijk 200 frank. Was vaders beurs opnieuw opengegaan? De nimf heeft Rik nimmer tentoongesteld. De gips bleef in Mechelen achter bij zijn jongste broer Karel. Pas in 1966 werden er bronzen zusjes van gegoten.

 

Rik en Nel zongen het veertien maanden bij vader in Mechelen uit. Eerst in de Manufacture de Meubles in de Peperstraat 35, eigendom van firme De Gand & Deprez. Emile Wouters had zijn eigen zaak in de Tichelrij in 1902 moeten opgeven. Het meubelatelier bevond zich rechts van het woonhuis – nu een open parkeerplaats. Hier mocht Rik een stukje van de werkplaats inpalmen als atelier. Hier zette hij de beeldengroep Het noodlot op en De jonge herder, voor wie, aldus Blickx, een van de broers poseerde. Rik liet de beeldhouwwerken niet mouleren. We kennen ze alleen van horen zeggen. Tussen De nimf (1904-1905) en Dromerij (1907) gaapt onherroepelijk een kloof. Hier, in de Peperstraat, schilderde Rik ook het grote doek Het sprookje. Naakte meisjes baden bij maanlicht in een vijver; een baby wijst tussen haar ouders de maan aan. Rik stelde het doek nog onafgewerkt tentoon op de derde Distel-expo in 1906. In het licht van de Reuzenzaal wachtte hem de kater: de dicht geplamuurde verfhuid beantwoordde geenszins aan het ideaal dat hem voor ogen stond. 

 

In het tweewekelijkse kunsttijdschrift Nieuw Leven verscheen op 25 maart 1906 de vermoedelijk allereerste recensie over Rik Wouters. De redacteur met dienst, de anonieme C, komt bepaald visionair uit de hoek: “De Heer H. Wouters gaf ons talrijke nummers te zien, waaronder meestal portretstudies, onafgewerkt, en dit is spijtig, want uit sommige zijner proeven mogen wij tot een stevig talent besluiten. Zoo getuigt zijn eigenportretstudie onder andere van een rijkbedeeld kunsttemperament.” Een jaar later neemt de artiste peintre Wouters revanche met één enkel doek. “Henri Wouters genoot veel bijval met zijn prachtig portret ‘Sehnsucht’, dat, in eenen eigenaardigen stijl geschilderd, ons buitengewoon voldoet door zijn kleurenharmonie,” tekent Karel Cateels op in het Kunstblad De Distel. In Nieuw Leven zoomt C.C. verder in op het huiselijke tafereel: “Wel stuiten perspectief, vloer en wand onaangenaam de blik, maar toch komt bij een nader onderzoek het zwarte van dit lange kleed mooi voor; tafelkleed en theeservies zijn fijn, met veel kunst geschilderd, en uit het moedelooze nederhangen van haren arm langs den stoel waarop ze te mijmeren zit, spreekt wel iets van zwaarmoedigheid, van vervlogen illusie...” De vrouw is Nel, niet langer poserend als Eva of Nimf maar als haar intieme zelf. De kamer is hun krot van een atelier in de Rue du Chalet in Sint-Joost-tenNode. Rik en Nel waren inmiddels Mechelen ontvlucht. 

 

In 1906 werd het vaderlijk huis onteigend, schrijven Ary Delen en Nel. Voor alle duidelijkheid: vader Wouters werd niet onteigend, het huis in de Peperstraat was zijn eigendom niet. Emile Wouters startte opnieuw een eigen meubelatelier op in de Auweghemsteenweg 2. Op 16 mei 1906 vroeg hij het stadsbestuur toelating “d’installer une fabrique de meubles sans machine et éclairée au pétrole.” Onderaan de aanvraag kondigt Emile Wouters zijn verhuizing aan: Rue du Poivre 35 – A partir du 20 courant Boulevard des Capucins 5. De Capucienenvest heet nu Koningin Astridlaan; het nummer 5 ligt vlak tegenover de Chaussée d’Auweghem, de huidige Battelsesteenweg. Op 12 juni kleefde de veldwachter op de gevel van nummer 2 de toelating van het schepencollege “tot het daarstellen van een meubelmakerswerkhuis”. Nel en Rik hebben op de Capucienenvest nog twee maanden gewoond. Het werd Riks negende en allerlaatste adres in zijn geboortestad.

 

Aan het Mechelse avontuur kwam eind juli 1906 prompt een einde na “une grande querelle” met de vader, schrijft Nel aan haar Mechelse pennenvriendin Marie Joris, het liefje van Neste Wijnants. “Nog liever alle miserie dan me op mijn kop te laten zitten door die smerige bourgeois van een vader. Ik zal hem eens laten zien dat een stuk schildersmodel uit de goot de carrière van een kunstenaar kan begrijpen.” Ze heeft het Emile, haar Rik en ons laten zien. En hoe! Hadden Nel en Rik Wouters soms het artikel Excelsior! van Clotilde Reyniers gelezen in het eerste nummer van De Distel (17 februari, 1906)? Achter het pseudoniem Clotilde Reyniers verschuilt zich zo goed als zeker de romantische ziel Theo Blickx. Een eerdere versie had de auteur aangeboden aan Nieuw Leven onder de alias ‘G. de Live’. Godelieve. Théophile. Heeft u hem? “Wat een kunstenaar hebben moet, is een vrouw, met wie hij zijn gedachten kan wisselen, aan wie hij zijn hoop en vrees kan mededeelen, voor wie te arbeiden hem een genot en een spoorslag is, aan wie te denken bij het werk hem een lust is, die in hem gelooft, die voor hem als de spaarbank zal zijn zijner denkbeelden, en ze hem edeler zal teruggeven, mocht hij ze eens verloren hebben. Tal van treffende voorbeelden levert de geschiedenis der kunst op. (...) Vele nog zijn de muzikanten, componisten en schrijvers die hun roem de edele bescherming en vriendschap – dit laatste vooral – van ontwikkelde vrouwen danken. Doch beeldhouwers en schilders, die zoo’n geluk mochten smaken, al valt hun strijd nog zoo hard en zwaar, zijn er misschien niet. Die eer zal aan de verlichte vrouwen der pas aanbrekende twintigste eeuw te beurt vallen: eene verovering te meer voor hen: begaafde zielen van den ondergang redden en – de Kunst meer groote mannen schenken.” De rest is geschiedenis.

 

Kurt De Boodt

 


 

Op stap met de stadsmens Rik Wouters

 

 

Tussen Brussel en Bosvoorde kwam een oeuvre tot stand

 

Voor de beeldhouwer Henri Wouters mogen zijn jeugdjaren in het rustige Mechelen dan een scharnierperiode zijn, maar het was in Brussel dat hij een compleet kunstenaar is geworden. Daar liep hij zijn Nel tegen het lijf, daar gloeide de geest van de bohème en de artistieke avant-garde. Daar ontpopte hij zich tot de geniale kunstenaar Rik Wouters.

 

Het is een vreemd gezelschap dat op zaterdag 15 april 1905 van de Stationsstraat in de Brusselse faubourg Watermaal naar het hart van de hoofdstad stapt – met de tram gaan is voor hen te duur. De negentienjarige bruid draagt een sobere maar elegante zwarte jurk waarvoor haar moeder de stof heeft betaald, een strohoed, schoenen en kousen van het gereputeerde huis Tietz. Haar getuigen zijn jonge kunstenaars uit de schutskring van de Brus - selse academie, namen die vandaag vrijwel vergeten zijn: Léon Thumilaire, Pierre Paulus, Charles Auvray, Ernest Wijnants. Een innemende blonde man is de spil van het bonte clubje. Hij heet Rik Wouters en onderhoudt zijn vrienden over de schilderijen die ze straks in de prestigieuze Cercle Artisti - que et Littéraire in de Wetstraat zullen zien – de stijlvolle postimpressionist Emile Claus presenteert er een overzicht van zijn recente werk. Na de korte burgerlijke plechtigheid op het stadhuis van Watermaal en het bescheiden bruiloftsmaal in de woonkamer bij het atelier zijn ze op pad gegaan. De uitstap naar Claus is de huwelijksreis van Rik Wouters en zijn model Nel Duerinckx, die nu ook zijn wettige echtgenote is. Ze zijn arm maar gelukkig – schipbreukelingen van de Kunst, aangespoeld in een stad zonder stroom: Brussel. Daar gebeurt alles.  

 

 

brussel, een wereldstad

 

In de herfst van 1900 heeft Rik Wouters een kamertje gehuurd boven het café La Rose du Midi in de Zuidstraat, tegenover de stedelijke academie die al lang generaties uitstekende kunstenaars voortbrengt. De lijst van artiesten die er enkele weken, maanden of jaren van hun jonge leven slijten is eindeloos, het palmares indrukwekkend: Khnopff, Horta, Ensor, Toorop, Van Gogh, Van Rysselberghe, Finch, Schirren… Na de Eerste Wereldoorlog volgen Magritte en Delvaux, Servranckx en Gailliard. Dat is geen toeval. In de tweede helft van de negentiende eeuw heeft Brussel zich ontpopt tot een dynamische kunstmetropool die nauwelijks moet onderdoen voor Parijs, Wenen of Londen. De hoofdstad van het jonge maar opulente koninkrijk België – zowat de derde economische wereldmacht, met dank aan de schatten van Congo, de Waalse steenkool, de mijnen en andere zegeningen van het ongeremde kapitalisme – lijkt wel een magneet voor wie aan kunst wil doen.

 

Tijdschriften en verenigingen worden er gesticht, en er ontstaat een publiek van rijke mensen met goede smaak en/of goesting in tegendraadse kunst. Meer dan een eeuw later heeft de cultuurhistorische catalogus van het fin de siècle nog nauwelijks aan actualiteit of kwaliteit ingeboet. Wat de kunstpaus Octave Maus tussen 1884 en 1914 op de jaarlijkse salons van zijn kringen Les XX en La Libre Esthétique liet zien, behoort nog altijd tot de internationale top. Menige kunstenaar van internationaal formaat was (eerst) in Brussel te zien, en werd later opgevist in eigen land: de beeldhouwer Rodin, de schilders Vincent van Gogh en Toulouse-Lautrec… In de marge van de brave officiële salons, die niet eens zo middelmatig waren als de legende ons graag voorhoudt, kwam een circuit van verlichte liefhebbers en verzamelaars tot stand. Zij lazen bladen als L’Art Moderne en La Jeune Belgique, La Société Nouvelle of zijn Vlaamse evenknie Van Nu en Straks en dweepten met al wat nieuw was: het anarchisme, het symbolisme of het vrije denken, maar even goed met spiritisme en theosofie. 

 

De stad had al een lange kosmopolitische traditie. Het nieuwe landje met de meest liberale grondwet ter wereld was een vrijhaven voor wie het elders niet meer zag zitten of frisse lucht wilde inademen. De dichters Charles Baudelaire en Victor Hugo hebben lang in Brussel gewoond, de een op de vlucht voor zijn verleden en zijn schuldeisers, de andere als politieke tegenstander van keizer Napoleon III. Na de revolutie van 1848, de staatsgreep van 1852 en de Parijse Commune in 1871 stroomden Franse bannelingen toe in de hoofdstad – ook al omdat er Frans werd gesproken en het leven er goedkoop was. Karl Marx en de anarchist Proudhon, het hitsige dichterskoppel Rimbaud en Verlaine, uitgevers van politieke pamfletten en pittige pornografie vestigden zich er een tijd; Multatuli schreef er op een zolderkamer in de Bergstraat zijn Max Havelaar. Dat doet iets met een stad. Zoals in elk oord dat zichzelf respecteert, werden de gebouwen en straten in het midden van de negentiende eeuw gemodelleerd naar het grote voorbeeld Parijs. De Zenne werd overwelfd, brede wandelboulevards namen de plaats van de stadswallen in. Een Frans schrijver merkte ironisch op dat de Brusselaars altijd en overal de Lichtstad wilden imiteren: was zelfs de Zenne – la Senne – geen goedkope kopie van de Seine?

 

 

op kamers in de zuidstraat

 

Eigenlijk doet de achttienjarige Rik Wouters niets anders dan de andere artiesten en bohemiens van zijn generatie: hij trekt naar de grote stad. Het is vlakbij. De stoomtrein vanuit Mechelen doet er een twintigtal minuten over, het boemeltje drie kwartier. Voor net geen anderhalve frank in tweede en tachtig centimes in derde klasse staat hij op het perron in het Noordstation bij het Rogierplein. Dat is geen fortuin, zelfs niet voor een berooide aspirantbeeldhouwer uit Mechelen. Zijn meester Theo Blickx is hem voorgegaan, andere collega’s uit de stad aan de Dijle zullen volgen. Nadat Wouters geslaagd is voor de toelatingsproef, schrijft hij zich op de academie in onder volgnummer 14.328. Enkele bladzijden verderop in het register treffen we bij nummer 14.651 Ernest Wijnants aan. Maken verder nog deel uit van Wouters’ club: de Brusselaar Edgard Tytgat bijgenaamd Klache, Fernand Verhaegen, Jéhan Frison, Fernand Wéry, Marnix D’Haveloose, de dwerg Pierre Kerfeyser, de Nederlanders Anne-Pierre De Kat en Willem Paerels, huwelijksgetuigen Pierre Paulus, Léon Thumilaire en Charles Auvray… Met de meesten van hen worden vriendschappen voor het leven gesloten. Enkelen zullen later naam maken als ‘de Brabantse fauvisten’, anderen emigreren of worden vergeten. De dwerg Pitje zal de kunst vaarwel zeggen en de wereld rond trekken in dienst van het circus Barnum & Bailey. 

 

Het vrolijke gezelschap ontmoet elkaar in de academiezalen of in de kamer van Léon Thumilaire, Wouters’ buurman boven La Rose du Midi. Sinds - dien is de buurt grondig vertimmerd; het cafeetje is al lang gesloopt. De huurkamer van Rik bestaat alleen nog in de verbeelding van de Antwerpse schrijver en kunstcriticus Ary Delen, die in 1922 een aanzet tot biografie van zijn jonggestorven vriend schrijft: “In het kamertje (…) lagen zijn kleeren, teeken- en schildersgerief, en wat boeken ordeloos door elkaar temidden van een ontelbaar aantal droge broodjes, waarvan hij het kruim gebruikt had voor zijn kooltekeningen, en men kon er niet binnen zonder te stappen over ontzaglijke stapels rommel van allen aard.” Daar, en aan de overkant van de straat, speelt zich een groot deel van Wouters’ leerjaren af. Maar ook de echte wereld laat van zich horen, want zelfs kunstenaars in spe moeten naar het leger. België kent nog geen dienstplicht, en bij de loting trekt Rik het ongelukkige nummer 354. Op 1 juli 1902 wordt hij ingelijfd bij het negende linieregiment. Het militaire dossier van stamnummer 51.509 vermeldt dat de rekruut 1,66 meter groot is, een smal aangezicht en blauwe ogen heeft, een kleine mond, blond haar en een litteken op een voor het overige ‘gewoon’ voorhoofd; ook zijn neus hoort in de categorie ordinaire. Op 1 oktober wordt hij effectief onder de wapens geroepen voor een termijn van twintig maanden. Aangezien Wouters zich heeft aangemeld om zijn actieve dienst te volbrengen in de Universitaire Compagnie, die ook studenten van de kunstacademie in staat stelt hun studies tijdens de legerdienst voort te zetten, komt hij er relatief gemakkelijk van af. Voor een deel van zijn cursussen kan hij uitwijken naar de avondlessen, terwijl hij overdag wordt geacht paraat te zijn in de kazerne Klein Kasteeltje bij het Brusselse kanaal. Wanneer hij het piepjonge model Nel Duerinckx leert kennen, is hij dus deeltijds soldaat.

 

 

nel, met alle geweld

 

Zestien is zij. Na enkele mislukte baantjes belandt de knappe, vrijgevochten Hélène Duerinckx in de ateliers en studentenkamers van de avant-garde. Hoe het precies is gegaan, zullen wij allicht nooit weten. Was zij het model en het liefje van Ferdinand Schirren, zoals graag wordt beweerd? Heeft Rik haar van zijn collega afgepakt? Was Schirrens zware depressie rond 1903 het rechtstreekse gevolg van de affaire met Nel en de scènes die zijn verloofde Maria Smeets maakte? Als we Nels memoires mogen geloven, leerde zij haar Rik kennen toen zij op een regenachtige avond met enkele kunststudenten naar de academie in de Zuidstraat afzakte en de jonge artiest haar prompt een stuk rijsttaart aanbood; de volgende dag al wandelden zij als een verliefd koppel naar het bos – in Nels verhalen duurt een maand een dag. Bovendien is Schirren de grote afwezige in haar manuscripten. Gelukkig vernemen wij via het dagboek van beeldhouwer Jacques de Lalaing, voor wie Nel nog in 1907 poseert, dat zij naar zijn atelier komt in Schirrens gezelschap. De twee zagen elkaar dus nog na de academiejaren. 

 

Wel is het duidelijk dat Nel snel bij Rik in trekt. Voorlopig speelt een belangrijk deel van hun kunstenaarsleven zich nog af in het kamertje van Thumilaire, waar de bonte bende over literatuur discussieert en reproducties van kunstwerken bekijkt: Rembrandt, Michelangelo, Donatello en Rodin maken op hen een diepe indruk. Als Rik en Nel niet te gast zijn bij Thumilaire trekken ze als een dolverliefd koppeltje naar het Jubelparkmuseum om er naar Griekse en Egyptische kunstwerken te kijken. Hij sleept haar van het ene museum naar het andere, praat enthousiast over lijn en kleur, harmonie, emotie en eenvoud.

 

In de winter, wanneer het in de musea te donker is, frequenteren zij de concerts populaires waar een staanplaats 50 centimes kost. Weer een nieuwe wereld gaat open. Zij zitten op de grond achter de laatste rijen op de balkons of in de goedkoopste loges van de Muntschouwburg: twee armoezaaiers, verdwaald in een dagdroom. Samen maken zij kennis met de grootse gebaren van superster Richard Wagner, die in Brussel een kring van onvoorwaardelijke aanhangers heeft opgebouwd. Ary Delen schetste een picaresk beeld van de aankomende kunstenaar in zijn jaren bij de Compagnie universitaire: “Rik was te dien tijde een prachtige jonge man, vol leven en opgewektheid, met een frisch en blozend gelaat, omkranst met glanzende blonde lokken. En uit zijn heerlijke, groote, blauwe oogen straalde een als ’t ware kinderlijke blijdschap om ’t leven dat hij aanbad en gulzig genoot. 

 

Onbekommerd en zorgeloos, liep hij slordig door Brussel, met een superben, zij-gevoerden mac-farlane, over een werkpak dat stijf stond van boetseerklei, en met zeer elegante maar niet toegeknoopte schoenen.” Nel poseert, Rik boetseert. Studeert. Haalt mooie cijfers. Bemint zijn Nel met hart en ziel. Lijdt honger – of het scheelt niet veel. Zo word je een kunstenaar.

 

Nog voor het einde van zijn legerdienst huurt Wouters een atelier met een kamertje in de Troonstraat, op de bovenste verdieping van een oud pand. Hij verhuist zijn verfdoos, enkele doeken, een schildersezel, een kacheltje, twee beeldhouwersbokken en een tafel. Aan de straatkant, bij het grote raam naar het noorden, zal hij werken. Achteraan loopt de ruimte over in een heel smal kamertje onder een raam; er past net een bed in. Ook het huisraad van het jonge koppel is heel eenvoudig. Nel heeft haar moeder twee fraaie porseleinen kopjes afhandig gemaakt en een pannetje meegebracht, waarin de chocolademelk wordt klaargemaakt die de kunstenaar en zijn model gulzig opdrinken na het harde werk. Rik heeft van zijn soldij – 48 centimes per dag – een koffiekan en een botervlootje in wit email en een suikerpot gekocht. Het atelier leent zich niet goed voor het beeldhouwen, al werkt Rik er voort aan zijn Eva, de figuur waarvoor Nel in zijn loge op de academie heeft geposeerd. Hij zal vooral schilderen en tekenen, vooral portretten die de tijd niet hebben getrotseerd. Veel van wat hij in Brussel maakt, wordt immers vernietigd. Vooraleer hij als schilder zijn eigen palet en een persoonlijke techniek heeft gevonden, zal hij lang worstelen met de zilvergrijze en roze parelmoertinten die hij bij James Ensor heeft aangetroffen. De schelpenbaron uit Oostende is slechts een van zijn grote helden, maar wat voor een.

 

In de Brusselse kunstenaarskroegen wordt oeverloos over kunst gediscussieerd. Nergens anders volgt de ene overrompelende tentoonstelling de andere zo snel op. Heeft de jonge Rik Wouters de Driejaarlijkse Salon bezocht, die in september en oktober 1903 wordt gehouden in het Halfeeuwfeestpaleis? Zijn vrienden Tytgat, Blickx, Auvray, Kerfyser en Wijnants exposeren er een handvol werken, maar ook Rodins Burgers van Calais en de sensuele Faune mordu van Jef Lambeaux zijn er te zien. Begin 1904 viert ook La Libre Esthétique feest. Voor het tienjarige bestaan van de kring heeft Octave Maus het kruim van de moderne Franse kunst naar Brussel gehaald: zestien werken van Manet, twintig van Monet, negen Cézannes, een dozijn Renoirs naast inzendingen van Signac, Seurat, Sisley, Degas, Morisot, Pissarro en Van Gogh. Blijkbaar is Wouters niet gaan kijken: later zal hij beweren dat hij voor 1911 geen doek van Cézanne heeft gezien.

 

In oktober 1904 pakt de kring Le Labeur uit met beelden van Schirren; het tijdschrift Le Thyrse wijdt een uitputtende recensie aan tentoonstelling en is laaiend enthousiast over zijn impressionistische, gevoelige bustes. Om je eigen weg te banen in het oerwoud van stijlen en -ismen dat de Westerse kunst rond 1900 in zijn ban houdt, moet je van wanten weten. Wouters bewondert alleen de allergrootsten: Rodin, Ensor, Van Gogh en later Cézanne, die hij leert kennen van de prentbriefkaarten in zwart-wit die zijn Franse vriend Simon Lévy hem toestuurt. Minstens tijdens de eerste jaren van zijn schildersloopbaan is het al Ensor wat de klok slaat – tot grote ergernis van Nel, die de grijsroze tinten en de pasteuze verfmassa’s die de kunstenaar met zijn paletmes op doek brengt, niet echt geslaagd vindt. Kijk naar Witte gevels en tuin in Bosvoorde of De schilder op de Hoogbrug in Mechelen, twee werken die Wouters over enkele jaren zal schilderen: het lijkt alsof de geest van Ensor even uit de Oostendse Vlaanderenstraat is ontsnapt en zich in Wouters’ hoofd heeft genesteld. 

 

 

naar bosvoorde

 

Intussen gaat het Nel en Rik allesbehalve voor de wind. Al enkele weken na de bruiloft-met-geleid-bezoek-aan-Claus kunnen zij de huur niet betalen en moeten zij met hangende pootjes verhuizen. Voorlopig zullen zij intrekken bij vader Wouters, in Mechelen – vooral voor de grootsteedse Nel is het gedwongen verblijf in het provincienest aan de Dijle een kwelling, die meer dan een jaar zal duren. Haar Rik tracht er te werken, met vallen en opstaan. Er komt slaande ruzie van, en in de lente van 1906 spoort het koppel terug naar Brussel.

 

Rik vindt voorlopig onderdak bij Léon Thumilaire, Nel zoekt haar moeder op. Enkele maanden later mag Wouters voor de firma VermeirenCoché, een gereputeerde porseleinfabriek aan de Waverse Steenweg, voor 300 frank twee dierenfiguurtjes ontwerpen die in imitatie-Kopenhaags porselein zullen uitgevoerd worden – “minuscule, pietepeuterige en schattige beestjes” volgens Nel. Er kan weer verhuisd worden; voor dertig frank per maand huren ze een smerig atelier met twee schemerige kamers, Chaletstraat 16 in de randgemeente Sint-Joost-ten-Noode. Rik wordt opgeroepen voor militaire manoeuvers in de Ardennen; Nel klust wat bij als model. Vooral Jacques de Lalaing heeft heel wat opdrachten voor haar in petto. De schatrijke maar gulle graaf ontpopt zich graag als mecenas en beschermer van de zwakken: wanneer Nel ziek wordt – zou het echt tuberculose geweest zijn? – laat hij haar door zijn lijfarts verplegen en stopt hij het koppel wat geld toe om te verhuizen naar Bosvoorde, naar de ‘gezonde lucht’ van het Zoniënwoud dat begint op de koer van het arme-mensenhuisje dat zij zullen huren in de Dennenbosstraat.

 

Daar zal Rik het grootste deel van zijn werk maken. Heel wat landschappen ontstaan in de straatjes van de wijk Bezemhoek en in het bos richting Welriekendedreef en Groenendaal, een pittoreske plek waar Rodin en Ensor respectievelijk dertig en twintig jaar eerder heerlijk werk hebben gemaakt. In talloze zelfportretten, stillevens en intieme taferelen met Nel in de hoofdrol herkennen we de kleine, lichte kamers van het huis. In de woonkamer poseren Nel of Ernest Wijnants voor oplichtende portretten. Op de zolder onder het lage pannendak doemt langzaam – heel langzaam – de gestalte van het Zotte geweld op uit de klei; het is een herinnering aan de danseres Isadora Duncan die in december 1907 in de Muntschouwburg heeft opgetreden voor de Brusselse beau monde en een handvol artistieke armoezaaiers. Op het zoldertje van Bosvoorde is het dat de grote Ensor in 1913 plaatsneemt, terwijl een nerveuze Rik de klei mengt voor het borstbeeld dat hij van de schilder zal maken. 

 

 

‘ensor, nondedomme, ensor !’

 

Kende Rik Wouters Ensors oeuvre door en door, zoals weleens beweerd wordt? Veel van diens vroege, met het paletmes geschilderde landschappen uit Oostende bleven lang goed bewaarde geheimen, en zelfs de befaamde burgersalons zijn tijdens Wouters’ bildungsjaren niet bepaald intensief in Brussel geëxposeerd. Rik kende ongetwijfeld een aantal schilderijen en etsen; in 1909 heeft hij enkele topstukken gezien op de salon van Le Sillon, en een jaar later spoorde hij samen met Lévy naar een grote Antwerpse Ensorexpositie. Wouters’ ets Carnaval in Bosvoorde uit 1911 en een handvol andere tekeningen bevatten duidelijke verwijzingen naar het universum van de maskermaker. Wanneer Cézanne in Riks leven opduikt, wordt het moeilijk kiezen. In een brief dankt hij Lévy voor het boekje over Cézanne dat hij hem heeft gestuurd: “Het staat vol met schone dingen. Ik heb het gevoel dat Ensor verbleekt bij dit alles, zoals Rodin naast Constantin Meunier. De eerste overvloedig en gecompliceerd, de ander van een veeleer sobere rijkdom, groter ook en met een onmiddellijk en ontroerend effect. Ik denk dat dit de juiste weg is; ik zal die dan ook enthousiast inslaan.”

 

In maart 1911 gaat Rik in Antwerpen kijken naar de salon van de kring Kunst van Heden. Dat valt tegen, maar gelukkig redden Schelpen en chinoiserieën en De daken van Oostende, twee jeugdwerken van Ensor, de eer. Begin 1912 krijgt Lévy alweer een compliment voor de meester te lezen, als commentaar bij drie fraaie schilderijen van Henri de Braekeleer: “Mijn goede vriend… dat deed aan Ensor voor zijn tijd denken ! Heel blond, goudachtig grijs. Heel vloeibaar geschilderd, als een aquarel (met olieverf). Er was rozig grijs en zilvergrijs, kleine vermiljoenen dingetjes die over de stoffen en voorwerpen kruipen. De schouw [is] met moeite aangeraakt, maar het doek doet twee of drie voorwerpen vermoeden. Men zou zich daar gemakkelijk een schilderij van Ensor bij kunnen voorstellen, geschetst, klaar om hier nog een beetje nerveuzer te worden bijgewerkt en daar wat koeler.”

 

De wegen van de meester en zijn leerling zullen elkaar nu vaker kruisen. Zij ontmoeten elkaar in levende lijve of via hun werken op vernissages. In maart 1913 is Wouters voor de derde keer te gast bij Kunst van Heden, waar heel wat Ensors worden getoond. Hij ontmoet er ook Verhaeren en Claus, maar het is toch de man uit Oostende die het meest indruk maakt: “Onze grote vriend Ensor heeft er heerlijke dingen hangen, niet te evenaren van kleurenweelde en uitzonderlijke tonen. Hoe fris oogt die Liefdestuin niet, met die kleine bonte figuurtjes in rozig wit, roze, rood, blauw, geel en nog veel andere schakeringen, de ene al buitengewoner dan de andere. De hemel is roze! Godverdomme, wat voor een roze! Het is uniek in de geschiedenis van de schilderkunst. De grond: zuiver veronese-groen. Het geheel wordt ingelijst door een boeket van bomen in doffe tinten, met een klein geel ventje ervoor. Twee grote grijze marines, appetijtelijk geborsteld. Een fijn klein stilleven en een prachtig groot bloemenstuk. Een interieur, een strandtafereeltje met gemaskerde personages, in zilver met een gouden glans en hier en daar met roze, rode en blauwe accenten op de figuren. Allemaal heel schoon en goddelijk van kleur. Nom de Dieu Ensor – Ensor!

 

Tijdens en na de vernissage heeft Rik lang geconverseerd met zijn huisgod, die hem uiteindelijk heeft beloofd naar Bosvoorde te komen om er te poseren voor een borstbeeld. Na het banket is het hele gezelschap naar een bordeel getrokken, waar Ensor met paraplu en kapmantel troont tussen twee blote dames, terwijl Oleffe en Paerels zich eens goed laten gaan. “Ensor keek ernaar met begerige oogjes, want hij baalde van zijn twee apinnen,” schrijft Wouters aan Lévy, “Ondanks de opwinding voor haar bleef hij er heel kalm onder, met zijn handen op het handvat van zijn paraplu, als een oude boer. Het was heel mooi van kleur, en erg typisch. Van Gogh had groot gelijk met zijn enthousiasme voor bordelen.” Rik vereeuwigt het tafereel in enkele snelle pentekeningen. 

 

In twee of drie poseersessies is het beeld klaar; terwijl de mannen in het zolderatelier aan het werk gaan, maakt Nel de kip klaar die Ensors vaste vriendin Augusta Boogaerts heeft meegebracht. In een brief aan zijn bewonderaarster Emma Lambotte laat de schilder merken dat hij blij is met het resultaat van Wouters’ noeste arbeid. Nel getuigt echter dat Ensor het beeld te ruw vindt; hij houdt niet van de uitgezakte jas met de zakken die volgepropt lijken met briefjes en portefeuilles. Wanneer de stad Oostende hem later wil eren met een standbeeld, zal hij de voorkeur geven aan een banale buste door De Valeriola. Hij is immers bang dat er meer over Wouters’ talent zal gepraat worden en te weinig over Ensor zelf. De meester wist immers heel goed wat zijn volgeling waard was. Toen hij in de aanloop naar Kunst van Heden van 1914 vernam dat de jonge wolf uit Bosvoorde een indrukwekkend ensemble van werken zal exposeren, wil hij imponeren met een fors overzicht van zijn eigen werk. De bruikleengevers van zijn werken krijgen te horen dat alleen het beste goed genoeg is. Om niet overklast te worden, moet hij een oplawaai van formaat uitdelen: “il faut taper un peu vivement cette fois à L’Art contemporain parce qu’il y a Van Gogh et Wouters.”

 

Een mooier compliment is nauwelijks denkbaar: in nauwelijks tien jaar heeft de jongeman uit Mechelen wortel geschoten in de vruchtbare Brusselse bodem, waar Ensor zijn sporen verdiende toen Rik nog in korte broek rondliep. Daar maakten beide kunstenaars kennis met al wat hip en hot was. Daar werden een nieuwe kunst en een nieuwe wereld in de steigers gezet. Alvast de eerste was een schot in de roos.

 

Eric Min

 


 

De kunst van Rik Wouters naar waarde schatten

 

 

De kunst van Rik Wouters is een fauvistische liefdesverklaring aan de vrouw van zijn leven: Nel. Een verstandige career move is kiezen voor de liefde, de kunst en de avant-garde niet. Rik leefde samen met de liefde van zijn leven, arm maar al bij al wel gelukkig. Op 11 juli 1916 eindigt het harde leven van de dappere en veelbelovende kunstenaar die in Amsterdam overlijdt aan kanker. Dit lijkt me een beknopte, heldere weergave van het beeld van het leven en de kunst van Rik Wouters dat liefhebbers en critici tot op de dag van vandaag koesteren. Maar dit beeld is misleidend en grotendeels fout. Om de kunst van Wouters naar waarde te schatten, volstaat het echter niet om dit beeld alleen maar te relativeren, te nuanceren of te corrigeren.

 

 

“leven is schilderen, beeldhouwen en tekenen”

 

De Nederlandse beeldende kunstenaar, econoom en voormalige hoogleraar sociologie van de kunsten, Hans Abbing, heeft zich in zijn boek Why are Artists Poor. The Exceptional Economy of the Arts (Amsterdam University Press 2002) gebogen over het verrassend groot aantal kunstenaars in de loop van de negentiende en twintigste eeuw die vrijwillig kiezen voor langdurige armoede. Rik Wouters was een van hen. In tegenstelling tot zijn vader, een meubelmaker, wil Rik kunstenaar worden. Na zijn opleiding aan de kunstacademie in Brussel (1900 tot 1905) zal hij samen met Hélène Duerinckx, Nel, met wie hij in 1905 trouwt, meer dan vijf jaar in Bosvoorde aan de rand van het Zonieënwoud, in materieel zeer moeilijke omstandigheden leven (Stanske, die Nel in het huishouden hielp, wist wellicht beter wat echte armoede was). Liever dan na enkele maanden of jaren vruchteloze inspanningen een ander beroep te kiezen blijft Wouters trouw aan wat hij als een roeping beschouwt. Abbing veronderstelt dat iemand als Rik Wouters meer dan een reden kan hebben om bij gebrek aan commercieel succes toch geen ander beroep uit te willen uitoefenen. Men wordt geen kunstenaar, men is het en wel uit noodzaak. Artistieke waarden zijn bovendien van een veel hogere orde dan financiële waarden. De appreciatie van kieskeurige collega’s en kenners is daarom te verkiezen boven populariteit en commercieel succes. Een voorloper ben je niet ongestraft en faam gaat voor fortuin.

 

Sedert de negentiende eeuw worden kunstenaars met een laag inkomen uit kunst ook mondjesmaat gecompenseerd door de steun van familie of een partner, overheidssubsidies of, als ze geluk hebben, een onderwijsopdracht. En tenslotte weten kunstenaars ook dat er wel degelijk een zeer klein aantal fabelachtig rijke collega’s bestaat – je kan nooit weten wanneer het fortuin je toch zal toelachen. In de kladversie van een brief aan een van zijn criticasters, Abel Gerbaud, schrijft Wouters in 1914 “Wat mij betreft, is leven schilderen, beeldhouwen en tekenen, eenvoudigweg zoals eten. [...] Het geldelijke voor- of nadeel hoort bij het geluk dat ieder mens in zijn leven kan hebben en heeft niets te maken met de kunst. Je hecht er teveel belang aan.”

 

Om te overleven voert Wouters af en toe klusjes uit, probeert hij door deel te nemen aan wedstrijden officiële financiële steun te verwerven en rekent hij op de hulp van welgestelde vrienden zoals Simon Levy. Maar in 1911 keren de kansen. Wouters kan zijn werk tentoonstellen in het salon van de belangrijkste tentoonstellingsvereniging van België, La Libre esthétique. Daar wordt zijn werk opgemerkt door invloedrijke critici en via een van hen, Jules Elsander, ontmoet Wouters Georges Giroux, die naast de modezaak van zijn echtgenote in Brussel een van de meest lucratieve Belgische kunstgalerieën uit de eerste helft van de twintigste eeuw opent. 

 

Wouters en Giroux sluiten in 1912 een contract dat er ten minste op papier schitterend uitziet: de kunsthandelaar zal de kunstenaar gedurende tien jaren een vast maandloon uitbetalen, hij zal zorgen voor het tentoonstellen en de verkoop van het werk en achteraf zullen de winsten verdeeld worden. Het geluk van Rik en Nel was, zoals we weten, van korte duur. Rik werd opgeroepen om als soldaat België te verdedigen tegen de binnenvallende Duitse troepen en vluchtte wat later naar Nederland waar hij enkele maanden krijgsgevangene was. Spoedig kan hij echter met Nel zijn leven in Amsterdam voortzetten en een grote tentoonstelling in het Stedelijk Museum voorbereiden. Inmiddels is de oorzaak van zijn jarenlange klachten over stekende hoofdpijn ontdekt: de kunstenaar heeft kanker aan het bovenkaakbeen. Enkele operaties verminken zijn gelaat en brengen geen redding.

 

Tijdens de laatste jaren van zijn leven kon Wouters zich vergenoegen in de groeiende waardering van collega’s, critici en verzamelaars voor zijn werk. James Ensor, na 1900 niet langer een cultheld maar een succesrijk kunstenaar, gaf zich rekenschap van het talent van de jonge kunstenaar. Floris Jespers bekende later, in een televisie-interview, dat hij als beginnend kunstenaar werkte onder invloed van Wouters “die op dat ogenblik de markt beheerste. Ge moest in die trant schilderen om erkend te worden.” Na zijn dood groeide de populariteit van Rik Wouters aan een hoog tempo en hij behoort vandaag zonder meer tot de lievelingen van het Belgische publiek. De twee belangrijkste kunstmusea van België, in Brussel en Antwerpen, begonnen spoedig aan de opbouw van hun ongeëvenaarde Woutersensembles. De verzameling van het Koninklijk Museum in Antwerpen werd verrijkt met schenkingen van plaatselijke verzamelaars zoals François Franck. Inmiddels kochten de befaamde Antwerpse neuroloog baron Ludo van Bogaert en zijn echtgenote Louise Sheid prachtige werken, o.a. het Zelfportret met de zwarte ooglap dat Rik kort voor zijn dood had geschilderd, voor hun privéverzameling. In 1989 werd deze verzameling aan het Antwerpse museum gelegateerd en opgenomen in het Koninklijk Museum in Antwerpen. Het KMSKA beschikt nu over 26 schilderijen op doek en karton, 19 bronzen en gipsen sculpturen (waarvan er twee permanent in het openluchtmuseum voor beeldhouwkunst Middelheim in Antwerpen getoond worden), en 66 werken op papier. De verzameling schilderijen en beelden van Rik Wouters uit het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen wordt gedurende de sluiting van dit museum permanent in het Mechelse Schepenhuis tentoongesteld. In de loop van de volgende jaren zullen enkele tijdelijke projecten aandacht vragen voor veronachtzaamde aspecten van het werk van Rik Wouters. Afzonderlijke tentoonstelling omtrent de Dwaze maagd en het naakt in de kunst van Wouters, de tekeningen en etsen van Wouters, de verwantschap en tegenstelling tot het werk van de Britse op-artist Bridget Riley, en de plaats van Wouters in het Europese laat-impressionisme of post-impressionisme worden voorbereid.

 

 

«onze brusselse cézanne»

 

Floris Jespers noemde Wouters “onze Brusselse Cézanne” en dat is inderdaad een betere omschrijving dan Brabants fauvist. Wouters kende de schilderkunst van Henri Matisse en vond ze “idioot”. Hij begreep dat fauvisten en kubisten wilden breken met de eeuwenoude traditie om op het platte vlak van een schildersdoek de illusie van driedimensionale ruimtes en volumes weer te geven. Zijn brieven getuigen van zijn interesse voor dit streven maar hij verklaarde nadrukkelijk dat hij trouw wilde blijven aan de uitgangspunten van het negentiende-eeuwse realisme waarvoor de observatie en natuurgetrouwe weergave van de werkelijkheid een doel op zich zijn. Keer op keer toont Wouters hoe de hele werkelijkheid, zonder onderscheid, onder de juiste lichtinval, wonderlijk mooi kan worden. Kort na de Eerste Wereldoorlog groeide ook in Belgische avant-gardemiddens de belangstelling voor de radicale keuzes van de Franse en Duitse modernisten. De criticus Roger Avermaete noemde in 1919 de kunst van Jozef Peeters “fauvistisch”.

 

Tien jaar later vond Andre De Ridder dat Wouters en andere Brusselse kunstenaars, zoals Willem Paerels, Anne-Pierre de Kat, Philibert Cockx voor de Eerste Wereldoorlog een “impressionisme teinté de fauvisme” hadden beoefend. Maar op dat ogenblik aarzelden Luc en Paul Haesaerts al niet meer om van Vlaamse fauvisten te spreken en in 1941 lanceerde Paul Fierens, om het verschil tussen de Vlaamse expressionisten en de Brusselse kunstenaars te benadrukken, de benaming Brabantse fauvisten. Het typisch Vlaamse of Brabantse karakter ligt volgens de Belgische critici en kunsthistorici steevast in het feit dat de Belgische kunstenaars minder radicaal zijn en in min of meerdere mate ook trouw blijven aan de weergave van een visuele observatie. We kunnen de kwalificatie Vlaams of Brabants dus ook vervangen door “oneigenlijk” fauvisme - we kunnen ook ophouden om een misleidende kunsthistorische term te gebruiken.

 

Waarom de hele Belgische kunstwereld omstreeks 1900 een gereserveerde houding tegenover het modernisme heeft aangenomen is weer een ander vraag. De brieven van Wouters leren ons ook dat in zijn artistieke ontwikkeling twee boeken van cruciaal belang zijn geweest: hij wilde dat zijn vriend Simon Lévy hem kost wat kost de briefwisseling van Vincent Van Gogh, miskend moder - nist bij uitstek, zou bezorgen. Lévy bezorgt Wouters ook, voor die in Parijs de werken met zijn eigen ogen zal zien, het boek met zwart-wit reproducties over Paul Cezanne dat de invloedrijke Duitse criticus Julius Meier-Graefe in 1910 publiceerde. Aanvankelijk bestudeerde Wouters vooral het spectaculaire coloriet van de vroege Ensor, de schilder van De Oestereetster (1882). Wanneer hij wat later schilderijen van Cézanne zelf ziet, valt het gedempte kleurenpalet hem, in vergelijking met het voorbeeld van Ensor, tegen. Maar het zou hele - maal niet correct zijn om de kunst van Wouters te herleiden tot een combinatie van de methode van Cézanne om eenheid in de compositie te brengen, met de spectaculaire kleurencombinaties van Ensor. Wouters is wel degelijk een oorspronkelijk talent en bovendien heeft hij ook het werk van andere kunstenaars grondig bestudeerd.

 

In het werk van Wouters ontmoeten we niet altijd maar heel vaak zijn echtgenote Nel. Mede onder invloed van de geschriften van Nel zelf, is de idee ontstaan dat zij niet alleen zijn muze, maar zelfs zijn belangrijkste artistieke “onderwerp” was. De feestelijke visie van Wouters heeft de idee dat zijn oeuvre een ononderbroken liefdesverklaring is, kracht bij gezet. Het overbekende beeld van Nel, die lachend en wild in het rond springt, schijnt daar een van de mooiste getuigenissen te zijn. We weten dat Wouters in december 1907 in de Koninklijke Muntschouwburg in Brussel samen met Nel naar een dansvoorstelling van Isidora Duncan gaat kijken en dat deze belevenis hem geïnspireerd zou hebben tot de creatie van het Zotte geweld. Hoewel hij pas in 1909 zal beginnen aan de sculptuur van een uitgelaten dansende naakte vrouw, die hij in 1911 afwerkt en het jaar daarop bij Giroux tentoonstelt onder de titel La vierge folle. Tot nog toe is er helemaal geen aandacht besteed aan het feit dat Wouters zijn beeld niet ‘mijn geliefde Nel (in een naakt uitgevoerde imitatie van de uitgelaten en sensuele danspassen van Isidora Duncan)’ heeft genoemd maar heeft gekozen voor een modieus onderwerp dat bovendien aansluit bij een iconografische traditie. De voorstelling van nagenoeg naakte, extatische danseressen wortelt in de kunst van de Griekse Oudheid. Maar pas in de loop van de Middeleeuwen werden vergelijkbare personages gebruikt om de Christelijke parabel van de Wijze en de Dwaze maagden verder uit te werken en uit te beelden. Op het einde van de negentiende eeuw duiken nazaten van de Griekse bacchanten en de dwaze maagden opnieuw op in de kunst van Au - guste Levêque, Jef Lambeaux en andere kunstenaars die moderne allegorieën voor de passies van het vlees bedenken. Het werk van Wouters is een variant op de personages die zijn “symbolistische” voorgangers voorstelden. Maar Wouters heeft de dwaze maagd ontdaan van haar moraliserende functie en haar sinister karakter. En waar Félicien Rops en Edgar Degas ons meenemen naar de bordelen van Parijs en voorstellingen van naakte prostituees tonen, geeft Wouters in zijn beelden en schilderijen een ongecompliceerd beeld van een blote vrouw, die een hulde lijkt aan een onbezonnen, levenshouding. On - wijs gaaf, als het ware.

 

Herwig Todts

 


 

Praktisch

Tentoonstelling

Rik Wouters. Hoogtepunten

Tijdens de renovatiewerken aan het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen is het leeuwendeel van de Wouterscollectie te zien in de geboortestad van de kunstenaar. De verzameling is aangevuld met een tiental werken uit de Stedelijke Musea Mechelen, plus enkele persoonlijke voorwerpen van Rik Wouters, zoals het schilderspalet

 

Museum Schepenhuis

Steenweg 1

2800 Mechelen

Open: dinsdag t.e.m. zondag van 10 tot 17 uur

Gesloten: maandag

Tel. 070 22 28 00

www.stedelijkemuseamechelen.be

Op deze website kan men de rijk geïllustreerde bezoekersgids bij Rik Wouters. Hoogtepunten downloaden


Auteurs

Kurt De Boodt (°1969) is adviseur en tekstschrijver in de beleidscel van het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel. Tot 1999 was hij hoofdredacteur van het maandblad Kunst & Cultuur. Kurt De Boodt is dichter. Hij publiceerde de bundels Minnezang (2011), Waarop de klok ontwaakt! (2008), Anselmus (2004), Moules belges (2002) en En alles staat stil (2000). Als freelance curator stelde hij diverse tentoonstellingen samen, o.a. Rik Wouters & co. Beeldhouwers in Mechelen (2011), Van uw tijd. Kunstgrepen omtrent 58 (2008) en Stad(s)gezichten. Wouters > Fabre (2006), Rik Wouters & co plaatste het werk van Rik Wouters voor het eerst in de vroege, Mechelse context. Voor de zomer 2013 stelt Kurt De Boodt (°1969) een grote tentoonstelling Prosper De Troyer samen.

 

Eric Min (°1959) studeerde letteren en wijsbegeerte aan de Vrije Universiteit Brussel. Hij publiceerde o.m. in het Nieuw Wereldtijdschrift en De Nieuwe Maand. Als tekstschrijver leverde hij bijdragen voor Klara (VRT). Sinds 1989 werkt hij als criticus en essayist voor de cultuurredactie van De Morgen, waar hij vooral bericht over fotografie en beeldende kunst. Hij schrijft ook voor het magazine Staalkaart. In 2008 verscheen zijn studie over leven en werk van James Ensor. Rik Wouters. Een biografie werd in 2011 gepubliceerd bij De Bezige Bij Antwerpen. Momenteel werkt hij aan een culturele biografie van de stad Brussel (1850-1914).

 

Herwig Todts (°1958) is kunsthistoricus (Universiteit Gent) en conservator moderne kunst in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen. Sedert 1989 is hij betrokken bij de organisatie van diverse tentoonstellingen over Rik Wouters. Hij publiceerde o.a.: Henri De Braekeleer (1840-1888) (1988), Vlaamse Beweging en Beeldende Kunsten (1998), De idee Maurice Gilliams. Een schrijver over schilders (met Isolde De Buck, 2000), La dignité des humbles. Jean-François Millet et le naturalisme en Europe (2003), Goya, Redon, Ensor. Groteske schilderijen en tekeningen (2009), Ensor ontmaskerd (2010). Todts is curator van de tentoonstelling Rik Wouters. Hoogtepunten in het Schepenhuis in Mechelen.