U bent hier

Provinciaal Archeologisch Museum Velzeke-Ename

INLEIDING

PAM, een erkend museum op twee locaties 

 

 Sinds 2000 vormen het Provinciaal Archeologisch Museum Zuid-Oost-Vlaanderen in Velzeke en het Provinciaal Museum t'Ename samen het Provinciaal Archeologisch Museum, kortweg 'PAM'. Het kreeg van de Vlaamse Regering de titel Erkend Museum.

 

Beide locaties, op amper dertien kilometer van elkaar, werken intens samen op het vlak van opgravingen, wetenschappelijk onderzoek, conservatie van de collecties en educatieve programma's. Met een ticket kan de bezoeker zowel in Ename als in Velzeke terecht.

 

Het koepelmuseum heeft nog meer troeven. Het toont vooral vondsten uit eigen streek (Oost-Vlaanderen) maar plaatst ze in een Europese context. Bijzonder is dat de collectie een volledige doorsnede geeft van 300.000 voor Christus tot nu. PAM Velzeke toont archeologisch materiaal van de prehistorie tot de Merovingische periode, PAM Ename van de Karolingische tijd tot heden.

 

Beide hebben hun eigen sterke presentatie behouden, maar er is wel een gemeenschappelijke visie: het verleden tot leven brengen. PAM wil het stereotiepe beeld van archeologische musea doorbreken, zonder afbreuk te doen aan de wetenschappelijke onderbouw. De bezoeker vindt hier geen eindeloze rijen vitrinekasten, volgestouwd met potscherven en andere relicten, maar wel belevingsgerichte presentaties, experimentele archeologie, re-enactment, innoverende technologieën, moderne audiovisuele middelen en vernieuwende multimediaconcepten. Kortom: PAM geeft een boeiend beeld van driehonderdduizend jaar mensen en hun grote geschiedenis en kleine histories.

 

Jean-Pierre Van Der Meiren

Gedeputeerde Cultuur Provinciebestuur Oost-Vlaanderen

 


INHOUD

  • Inleiding PAM, een erkend museum op twee locaties
  • Gebouwen met een historie
  • Archeologische vondsten, de basis van de museumcollectie
  • Van natuur· tot cultuurlandschap
  • De muntschatten van Grotenberge en Zingem: tweemaal twee verhalen
  • Het verhaal van een levende museumcollectie
  • Feesten in de Enaamse abdij  

 

Gebouwen met een historie

 

 

Velzeke: van school tot museum

 

In de eerste helft van de negentiende eeuw liet een Gentse kunstschilder aan de Paddestraat te Velzeke een burgerwoning optrekken. Stilistisch is het een klassieke constructie met drie traveeën en bakstenen hoekkettingen. De voorgevel was oorspronkelijk bekleed met rotsbezet-werk, de hoekkettingen en vensteromlijstingen hadden een stucco-omlijsting. Alleenstaand, op een heuvelrug in een rurale omgeving, straalt het huis kracht uit en is het een herkenningspunt in de dorpskom.

 

In 1880 verhuisde de gemeenteschool naar deze woning.  Wanneer tien jaar later op het achterliggende perceel klaslokalen werden opgetrokken, nam men het gelijkvloers in als gemeentehuis.  Dit bleef zo tot 1965.  Vanaf 1970 fungeerde het als uitleenpost van de Zottegemse centrale bibliotheek en als stempellokaal.  Twee jaar later werd, met de oprichting van het Gallo-Romeins Museum, op de eerste verdieping een bescheiden verzameling Romeinse en Merovingische vondsten uit Velzeke ondergebracht.  In 1983 zette de stad Zottegem het licht op groen voor het Archeologisch Museum van Zuid-Oost-Vlaanderen.  Dit betekende een verruiming van de chronologische en geografische bakens en een nieuwe functionele invulling van het gebouwencomplex.  Het stedelijk museum, dat in het najaar van 1986 zijn deuren opende, vond een onderkomen in de geronoveerde klaslokalen van de voormalige gemeenteschool, terwijl de onderwijzerswoning als dienstgebouw werd ingericht. In 1992, vlak na de overname van de instelling door de provincie, opende de nieuwe tweede vleugel.  Hierdoor kreeg de vaste expositieruimte meer vorm en werden twee ruimtes voor tijdelijke tentoonstellinge en een archeologisch depot in gebruik genomen.  Een volgende fase was de openstelling van de Romeinse siertuin in 1997.  Inmiddels heeft de provinciale oveheid een architectenbureau aangesteld voor de realisatie van een derde vleugel en bestaan er plannen voor een archeologisch park.

 

 

Ename: van burgerwoning tot museum

 

Het museumgebouw in Ename dateert van het begin van de negentiende eeuw. Toen was het een statig burgerhuis met een symmetrisch vooraanzicht. Jarenlang baatte de bekende familie Beernaert hier een textielatelier uit. Met de verbreding van de Beaucarne-straat in de jaren 1960 ging een groot deel van de woning tegen de vlakte. Deze ingreep heeft het gezicht van de voorgevel ernstig verminkt. Toch blijft het karaktervol volume beeldbepalend voor de dorpskom van Ename.

 

Het Provinciebestuur Oost-Vlaanderen kocht de woning in 1988 en tien jaar later opende het Provinciaal Museum t'Ename er zijn deuren. Het is een van de pijlers van het Ename 974-project. De collectie toont duizend jaar geschiedenis van Ename, van de Karolingische periode tot vandaag. Voor de opstelling tekenden John Sunderland, een Engels designer, de wetenschappers van het toenmalige Instituut voor het Archeologisch Patrimonium en de museumverantwoordelijken. De presentatie is zeer vernieuwend en maakt gebruik van diverse technieken: grafische panelen, voorwerpen in vitrines, videobeelden, virtuele realiteitsbeelden, tijdsvensters. De nieuwe technologieën zijn daarbij geen doel op zich, maar helpen het verleden beter te begrijpen. De interactiviteit met de bezoeker staat centraal. PAM Ename kreeg ter gelegenheid van de European Museum of the Year Award in 2001 een internationale nominatie voor zijn museumpresentatie.

 


 

Archeologische vondsten, de basis van de museumcollectie

 

 

De steentijd: van jagers-verzamelaars tot de eerste landbouwers

 

In de jaren 1980, tijdens grote graafwerken aan de Donk te Oudenaarde, ontdekte een amateur-archeoloog een aantal bijzonder goed bewaarde voorwerpen in vuursteen, been en hout. Deze opmerkelijke vondst betekende de start van een multidisciplinair onderzoek van het hele gebied. Geomorfologen, hydrologen, paleobotanici, archeozoölogen en archeologen sloegen de handen in elkaar. Beetje bij beetje kregen ze een beeld van de geschiedenis van de Schelde en de menselijke aanwezigheid aan de stroom.

 

Na de laatste ijstijd trok de Schelde zich terug in één enkele bedding en zocht breed meanderend haar weg door de alluviale vlakte. De rivier liet zandruggen achter, die de geschikte verblijfplaatsen vormden voor jagers-verzamelaars uit de midden-steentijd, of het Mesolithicum. Ze vonden er ideale terreinen om jacht-kampen op te zetten en om te vissen.

 

De introductie van landbouw en veeteelt betekende een ommekeer in de (voedsel)economie en veranderde de maatschappij fundamenteel. Vondsten bevestigen dat het grootste gedeelte van Vlaanderen de landbouw leerde kennen vanaf het midden-Neolithicum (ongeveer 5.500 jaar geleden). Permanente nederzettingen vinden we terug op de heuvelruggen van de Vlaamse Ardennen, zoals in Schorisse. Maar de vondsten te Oudenaarde-Donk tonen aan dat de alluviale vlakte van de Schelde nog steeds bezocht werd, waarschijnlijk om het vee te weiden. Analyse van het goed bewaard gebleven hout, waaronder aangepunte palen, toont aan dat hier geen echte huizen werden gebouwd, maar eerder tijdelijke verblijfplaatsen.

 

 

Nieuwe grondstoffen, nieuwe tijden

 

De introductie van brons en ijzer als grondstoffen voor werktuigen luidde de bronstijd (ca. 2100 - ca. 750 voor Chr.) en de ijzertijd (ca. 750 - 52 voor Chr.) in. De eerste metalen voorwerpen waren prestigeobjecten en leidden niet onmiddellijk tot ingrijpende veranderingen in het dagelijkse leven. Pas later kenden ze een ruime verspreiding.

 

De oudste koperen voorwerpen verschenen al in de overgangsfase van het Neolithicum en de bronstijd. Dit is de periode van de Klokbekercultuur, genoemd naar de bekers met een S-vormig profiel die in Centraalen West-Europa vooral als grafgift dienst deden. Het PAM Velzeke bewaart enkele klokbekers uit Huise en uit een inhumatiegraf te Kruishoutem, dat ook een polijststeen bevatte.

 

De late bronstijd was een periode van verandering, vooral op het vlak van het grafritueel. De grafheuvels uit de vroege en midden bronstijd maakten plaats voor urnenvelden. Na de crematie zette men de resten bij in een aparte grafkuil. Daartoe gebruikte men een urne of een zak van vergankelijk materiaal, zoals leder of textiel. De schaarse en eenvoudige grafgiften beperkten zich tot een beker of een geoorde kop. Op het eerste gezicht getuigen ze van een egalitaire samenleving. In Velzeke, op een kilometer van elkaar, zijn twee dergelijke begraafplaatsen ontdekt. De oudste situeert zich langsheen de Paddestraat. Ze bevat graven uit het begin van de late bronstijd tot de vroege ijzertijd. Analyse van de verbrande menselijke botten toonde aan dat er mannen, vrouwen en kinderen werden bijgezet.

 

De tweede necropool, aan de Provinciebaan, was enkel tijdens de vroege ijzertijd in gebruik. De gedetermineerde overledenen bleken enkel mannen te zijn, een weerspiegeling van sociale veranderingen binnen de maatschappij en de grafritus. Een van de graven was omgeven door een monument: een kleine greppel van tien meter diameter, waarbinnen een grafheuvel was opgeworpen. Later was in de greppel een beenderpakgraf bijgezet. Een uitzonderlijk, relatief rijk, graf behoorde toe aan een (voor die tijd) oudere man tussen 50 en 75 jaar. In de urne, afgedekt door een schaal, waren de restanten van twee verbrande kommen meegegeven. Die man moet in de toenmalige Velzeekse gemeenschap enig aanzien genoten hebben.

 

 

Goudstaters uit Velzeke, getuigen van de Gallische Oorlog

 

Voor de komst van de Romeinen had onze streek, die bewoond was door de Nervii, waarschijnlijk geen eigen muntslag. Die kwam pas op gang in de periode van de Gallische Oorlog. Uit deze woelige tijd dateren een aantal schatvondsten die in verband worden gebracht met troepenbewegingen in het gebied van de Nervii ten tijde van Caesar. Alhoewel sterk uitgedund na de slag aan de Sabis in 57 voor Christus, nemen zij samen met de Treveri en de Eburones deel aan de opstand van 54 voor Christus. In tijden van oorlog en plunderingen stopten mensen hun geld in de grond en allicht verklaart dat de schatvondsten uit deze periode.

 

Dat Velzeke tijdens de Gallische Oorlog bewoond was, blijkt uit recent archeologisch onderzoek. Bijzonder relevant zijn ook de goudstaters die door de eeuwen heen op de site aan het licht kwamen. De oudste vondst dateert van 1565 en staat vermeld in De Historie oft Chronycke van Belgis van de in 1570 overleden Gentse kroniekschrijver Marcus van Vaernewyck: "Daer zijn oock noch vonden int iaer 1565. ondeckt door den grooten regen twee stucksckens gouts int midden hebbende een hollicheyt oft een panneken ende een springende peert daer op."

 

Recent is tijdens een veldprospectie een Nervische goudstater gevonden. Een andere goudstater van dezelfde volksstam, die in het begin van de twintigste eeuw in het bezit was van een Zottegemse juwelier en in 1912 te Brussel op een veiling werd verkocht, is mogelijk eveneens afkomstig uit Velzeke. Het was toen de gewoonte om oud goud - ook gevonden stukken - te laten omsmelten tot nieuwe juwelen. De Zottegemse juwelier spaarde de munt van de smeltkroes.

 

Na de Gallische Oorlog verdwenen de goudstaters uit de omloop. Rome duldde niet dat in veroverde gebieden muntslag in goud plaatsvond. Daarnaast speelde de nieuwe economische situatie een belangrijke rol. In de Romeinse geldeconomie had men voor de aankopen van dagelijkse consumptiegoederen meer nood aan kleine bronsmunten van geringe waarde. Die verschenen in het Nervische gebied op het einde van de oorlog.

 

 

De vroeg-Romeinse wortels van de vicus

 

Op basis van de toponymische ontleding van de toenmalige benaming 'Velsicque' lokaliseerden de historici-archeologen uit de zestiende tot achttiende eeuw te Velzeke het kamp van Cicero, een legaat van Caesar. Dit winterkamp werd in de Eburonenopstand van 54 voor Christus door de Nervii belegerd. Archeologisch onderzoek heeft echter een legerkamp uit de Augusteïsche periode aan het licht gebracht.

 

Augustus, de erfgenaam van Caesar, zorgde voor de organisatie van de veroverde Gallische gebieden binnen het Romeinse rijk. Dat omvatte ook de aanleg van een militair wegennet. Velzeke werd doorkruist door een weg van de Noordzee naar de Rijngrens en een tweede verharde weg vanuit het zuiden, meer bepaald de Nervische hoofdplaats Bavay, naar het noorden. Deze laatste liep naar de legerplaats op het hoogste punt van het plateau te Velzeke. Een systeem van drie grachten en een houten palissade en aarden wal omgaven het legerkamp. Rond de militaire site ontstond een kleine burgerlijke nederzetting. Wanneer de troepen definitief naar de Rijngrens werden verplaatst, ontwikkelde deze civiele kern zich tot een belangrijke vicus langsheen de oost-west lopende weg, die op dat moment vooral een economische rol kreeg.

 

 

Amforen: getuigen van handel en welvaart tijdens de Romeinse overheersing

 

Een van de meest karakteristieke Romeinse objecten die bij opgravingen worden aangetroffen zijn amforen. Het zijn grote kruiken, hoofdzakelijk bestemd voor het transport van levensmiddelen zoals wijn, olijfolie en vissausen. De vorm geeft meestal een aanduiding over inhoud en herkomst.

 

Het PAM Velzeke kan zich beroepen op een van de rijkste amforenverzamelingen in Vlaanderen. Uit archeologisch onderzoek binnen het areaal van de Romeinse nederzetting blijkt dat producten vanuit het gehele Romeinse rijk op de Velzeekse markt terechtkwamen.

 

Wijn werd oorspronkelijk vooral uit Italië (Campanië en Latium) aangevoerd, in een latere fase was het vooral Zuid-Frankrijk (Rhône-vallei) dat het zo begeerde geestrijke vocht leverde. Meer exclusieve en dus dure wijnen kwamen van de Griekse eilanden. De Romeinen in Velzeke lieten topwijnen overkomen uit Chios, Kos en Rhodos.

 

Het meest voorkomende type in Noord-Gallië, en dus ook in Vlaanderen, was de bolronde en zware olijfolie-amfoor. De Romeinse provincie Baetica, gelegen in het Zuid-Spaanse kustgebied, zorgde voor de olijfolie, broodnodig in de keuken en tevens gebruikt bij lichaamsverzorging.

 

Daarnaast vinden we amforen bestemd voor vissaus. Dit door de Romeinen bijzonder gesmaakt ingrediënt werd ingevoerd uit Zuid-Frankrijk en het Oost-Spaanse kustgebied Tarraconensis. Een getuigenis hiervan zijn de graten van Spaanse makreel die archeologen in Velzeke hebben opgegraven.

 

Nog in Velzeke zijn amforen teruggevonden die afkomstig waren van de Liparische eilanden (Sicilië). De inhoud van deze bijzonder zeldzame kruiken was aluin, een beitsmiddel dat gebruikt werd bij het verven van wollen stoffen. Dit vormt een bewijs van het belang van de textielproductie in onze gewesten, een gegeven dat (door de vergankelijkheid van textiel) moeilijk archeologisch te vatten is.

 

 

Sporen van Romeinse godsdienst in Zuid-Oost-Vlaanderen

 

Onderzoek in Zuid-Oost-Vlaanderen, onder meer te Kruishoutem en Velzeke, leverde veel verrassende gegevens op over het godsdienstig leven van de plaatselijke Gallo-Romeinse bevolking. In Velzeke kwamen twee heiligdommen aan het licht. Ze zijn, met hun vierkante cella, met daarrond een zuilengang, te rangschikken onder het Gallo-Romeinse 'porticustype'. Rond de tempels werden talrijke offerkuilen gevonden. Ze bevatten grote hoeveelheden votiefgaven, waaronder kleine potjes, munten en fragmenten van pijpaarden beeldjes.

 

Het topstuk van de museumcollectie van het PAM Velzeke is een Romeins bronzen beeldje van een Venus Pudica. Het beeldje werd in de oostelijke sacrale sector van de Romeinse nederzetting te Velzeke gevonden, in de directe omgeving van een tempelcomplex. Het stelt de godin Venus voor, naakt met een doek over de armen gedrapeerd. In de rechterhand houdt ze een appel en op het hoofd draagt ze een diadeem.

 

Het beeldje is vervaardigd uit een bronslegering van zeer hoge kwaliteit. De ogen zijn ingelegd met zilver. Opvallend is dat de tepels oorspronkelijk waren ingelegd met geelkoper, om ze, net zoals de ogen, extra te accentueren.

 

Deze vondst, van uitzonderlijke schoonheid en kwaliteit, is uniek voor onze gewesten. In België kennen we tot nu toe geen parallellen voor dit stuk. Het materiaal en de afwerking van het godenbeeldje laten vermoeden dat we hier te maken hebben met een importstuk, misschien uit Zuid-Frankrijk of zelfs Italië.

 

Het opgravingsteam van het PAM Velzeke was, samen met de Universiteit Gent, ook actief te Kruishoutem. Op een heuvelkam vonden de wetenschappers aanwijzingen voor de aanwezigheid van een Gallo-Romeins tempelcomplex. Systematische terreinprospectie en opgravingen leverden een opmerkelijke hoeveelheid religieuze voorwerpen op. Het betrof verschillende amuletten en een reeks godenbeeldjes.

 

Vooral de oorlogsgod Mars genoot bij ons blijkbaar een bijzondere verering. Hij was trouwens in heel Gallië zeer populair en verenigde diverse functies, zoals die van hemel- en zonnegod, beschermer van de zonnekalender, god van het water, de vruchtbaarheid van het land en het eeuwig leven. Voorstellingen van Mercurius, de god van de handel, werden eveneens teruggevonden.

 


 

Van natuur- tot cultuurlandschap

 

 

Bio-archeologen onderzoeken planten- en dierenresten afkomstig van opgravingen. Zo leert men niet alleen de voedseleconomie van onze voorouders beter kennen, maar eveneens de houding van de mens tegenover zijn omgeving.

 

Uit landschapsonderzoek blijkt dat de prehistorische mens de leemstreek in belangrijke mate had ontgonnen. De ijzertijdboeren deden dit zo grondig dat bepaalde delen al tot heide waren omgevormd.

 

De Romeinen gingen meer systematisch tewerk. De grote villabedrijven zorgden voor een sterke ontbossing die waarschijnlijk de vergelijking met vandaag kan doorstaan. Archeologisch onderzoek wijst erop dat de intense landbouwactiviteiten hebben bijgedragen tot het afspoelen van vruchtbare grond naar lager gelegen terreinen. Niets nieuws onder de zon.

 

Het contact met de Mediterrane wereld had tevens een sterke invloed op de lokale fauna en flora. Sinds de Romeinse periode mogen we de fazant, patrijs, parelhoen, wijngaardslak, kat, rat, ezel... tot onze fauna rekenen. Verder introduceerden de Romeinen alle gedomesticeerde fruitsoorten en zijn ze verantwoordelijk voor de aanvoer van sierplanten en vele groenten en kruiden die we nu nog steeds in onze moestuin aantreffen.

 

Wanneer er iets van het Romeinse landschap is overgebleven, moeten we dit veelal in onze tuinen en parken gaan zoeken. Een verhaal dat op b(l)oeiende wijze wordt geïllustreerd in de Romeinse museumtuin van Velzeke.

 

 

De Merovingische kolonisatie van Zuid-Oost-Vlaanderen

 

Terwijl het nederzettingsonderzoek weinig gegevens opleverde, kan uit de studie van de begraafplaatsen toch een en ander gedistilleerd worden omtrent de kolonisatie van ons gebied. Zo weten we onder meer dat begraafplaatsen als Asper, Velzeke-Buzegem en vermoedelijk ook Denderwindeke, Semmerzake en Kruishoutem behoren tot nederzettingen die in de Clovistijd zijn gesticht. De kleinschaligheid van de begraafplaatsen toont aan dat het om bescheiden woonkernen van slechts enkele families ging. Het dichte net van plaatsnamen die eindigen op -ingum, -ingas en (inga) -haima in het midden-Scheldegebied lijkt dit te bevestigen.

 

Er is weinig onderscheid in de rijkdom van de grafgoederen, wat wijst op een zekere sociale gelijkheid. Enkel graven met een langzwaard, die aan de 'chefs' worden toegeschreven, getuigen van een hogere status. Begraafplaatsen uit de Clovistijd tekenen een samenleving gebaseerd op het kleine, eigengeërfde grondbezit van vrije boeren. Rond 600 kwam een evolutie op gang die dit beeld grondig wijzigde. Er ontstonden grote landbouwdomeinen (villae). Een villa telde enkele honderden hectaren en vormde een territoriale eenheid. Eén familie exploiteerde het landgoed via ondergeschikten vanuit één grote hoeve. Het aantal kleine vrije boeren slonk. Al dan niet gedwongen schonken of verkochten ze hun bezit aan een grootgrondbezitter en plaatsten zichzelf en hun goederen onder diens bescherming.

 

De sociale stratigrafie van de begraafplaats van Beerlegem reflecteert deze (tweeledige) domaniale structuur op treffende wijze. De vier doden die in de noordoostelijke sector onder lage grafheuvels waren bijgezet, behoorden ongetwijfeld tot de aristocratische bovenlaag van het nabijgelegen villadomein. De groep uiterst arme graven ten westen ervan zijn toe te schrijven aan horigen en slaven die op het domein bedrijvig waren. De overige inhumaties, waarvan de grafinventaris een relatieve welstand suggereert, behoorden zeer vermoedelijk tot families van boeren met een halfvrije of vrije status.

 

 

Velzeke en Ename in historisch perspectief

 

Het bindmiddel tussen de archeologische sites van Velzeke en Ename ligt in de Karolingisch-Ottoonse periode. Iets voor of rond het midden van de tiende eeuw verrees in Velzeke, op de plaats van een ouder bedehuis, een voor die tijd monumentale kerk, waarvan de architectuur ontegensprekelijk naar het Maasland verwijst. Haar patrocinium, met name Sint-Martinus, geeft aan dat het om een rijkskerk ging. Aan deze kerk was een gemeenschap van clerici (canonici) verbonden. Dat de site rond de Sint-Martinuskerk in het midden van de tiende eeuw of reeds vroeger een regionaal machtscentrum kan geweest zijn, wordt niet tegengesproken door de mondelinge traditie, die tijdens de zestiende eeuw bij de plaatselijke, ongeletterde bevolking nog zeer levendig was. Dit blijkt uit een passage in De Historie oft Chronycke van Belgis (1565) van Marcus van Vaernewyck, waarin de auteur bij zijn zoektocht naar de (fictieve) stad Belgis een enquête instelde bij de bewoners van Velzeke: "Nochtans niemant van de imvoonders (dwelck al dorplieden zijn) en weet te spreken iet vander Stadt van Belgis, dat s y daer gestaen soude hebben. Ende dat en is geen wonder om den grooten ouderdom van dien ende om de ongeleertheyt vanden volcke dat daer woont: maer weten nochtans wel te spreken van die Stadt van Lothrijck (Lotharingen), als veel jonger zijnde dan Belgis."

 

Verder zijn er nog de gegevens van het historisch onderzoek, die het volgende beeld schetsen.

 

Omstreeks 974 richtte de Duitse keizer het markgraafschap Ename op als dijk tegen de expansiepolitiek van de Vlaamse graaf. Het geslacht van Ardennen of Verdun kreeg het beheer van dat markgraafschap toegewezen. Godfried I van Verdun, de eerste markgraaf, werd hierbij begiftigd met de Sint-Maartenskerk van het vermoedelijke kroondomein Velzeke met een aanhorig allodium. Ook het oude Sint-Baafsdomein Wormene, gelegen ten noorden van Velzeke, liet de keizer hem inpalmen.

 

Al die bezittingen gingen over op een van zijn zonen, Herman, die tweede markgraaf van Ename werd. Voor hij naar Ename verhuisde, verbleef deze laatste zeer waarschijnlijk te Velzeke, want hij liet er zijn twee vroeg gestorven kinderen Herman en Berthilde in de kerk bijzetten.

Gezaghebbende historici nemen verder aan dat Velzeke de hoofdplaats was van de laat-Karolingische gouw Biest (dit is het latere Land van Aalst). Het valt inderdaad op dat Velzeke, nadat het al omstreeks 1000 van de strategische kaart verdwenen was, achteraf binnen het Land van Aalst een erg belangrijk jurisdictioneel centrum bleef.

 

In 1245 beschikte Velzeke zelfs over twee schepenbanken: een bank van poortschepenen en een bank van landschepenen. Die laatste trad bovendien op als hoofdbank voor tal van schepenbanken uit het omliggende, wier documenten ze met haar zegel bekleedde. Veelal leverde ze die documenten ook zelf af. Ze beschikte immers over een eigen scriptorium waar tal van clerici of scribenten bedrijvig waren. Men mag er overigens van uit gaan dat dit schrijfcentrum reminiscenties uit de Karolingische tijd aanwijst. In de twaalfde eeuw en tot diep in de dertiende eeuw was het Latijn er de gebruikte taal.

 

Vanaf het midden van de dertiende eeuw reikte de Velzeekse bank ook stukken uit in het Diets. Het oudst bewaarde document dat ze ons in het Diets heeft nagelaten, is de beroemde schepenbrief van Bochoute van 1249, die wordt beschouwd als het symbool van het begin van de verschrifteiijking van onze taal.

 

 

De Enaamse burcht: bouwen om uit te dagen

 

In Ename is de Sint-Laurentiuskerk nog de enige getuige van de Ottoonse periode. Ename ligt op de rechteroever van de Schelde, een stroom die vanaf 925 het Franse koninkrijk van de Duitse keizer scheidde. De lotsbestemming van de plaats wijzigde zich rond 974 bruusk, toen men op een verheven stuk grond, omspoeld door Scheldewater, een indrukwekkende burcht optrok. Deze versterking kaderde, samen met die van Antwerpen en Valenciennes, in het grensverdedigings-systeem van markgraafschappen dat de Ottoonse keizer in de Scheldevallei had uitgebouwd. De verdedigingslinie was gericht tegen het opdringerige Vlaanderen dat zich aan de overzijde van de stroom bevond. De familie Ardennen-Verdun, een succesrijk geslacht bekend om zijn trouw aan de keizer, zou Ename uitbouwen tot een bijzondere plaats, "de voornaamste zetel van Lotharingen" zoals een historische bron getuigt. Het complex omvatte inderdaad meer dan een burcht. Er was ook nog een portus aan verbonden, een nederzetting die onder andere door toenemende handelsactiviteiten een prestedelijke allure aannam.

 

Twee kerken, respectievelijk aan Sint-Salvator en Sint-Laurentius toegewijd, markeerden de sterke groei van dit havenstadje. Ename onderging een ware metamorfose: voorheen ingebed in zijn wereld van meersen en groene heuvels, doorbrak het op merkwaardig korte tijd dit lokale kader om onbeschroomd deel te nemen aan het internationale gebeuren. Als bestuurlijk en militair centrum van betekenis zou het zelfs mee instaan voor de stabiliteit binnen het Lotharingse deel van het keizerrijk.

 

 

De Sint-Laurentiuskerk: een stenen merkteken van trouw

 

De Sint-Laurentiuskerk bevindt zich in het dorpscentrum van Ename. Naar aanleiding van verstevigingswerken aan de toren trok het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed, in samenwerking met de Afdeling voor Monumenten en Landschappen, enkele controlesleuven. Dit vormde de aanzet tot een diepgaande studie die archeologisch, historisch, bouwhistorisch en iconologisch onderzoek koppelde aan natuurwetenschappelijke dateringstechnieken (dendrochronologie, C 14-analyses) en materiaalstudie. De resultaten van dit multidisciplinaire onderzoek waren dermate belangrijk dat de restauratieoptiek van de kerk erdoor bepaald werd.

 

De constructie is uit meer dan één oogpunt relevant. Eerst legde men de funderingen voor een dubbelkorige, eenbeukige kerk. Dan wijzigde men bruusk het bouwprogramma en schakelde over naar een basilicaal schema met aan weerszijden van het schip een koor. Vooral de oostelijke koorpartij met zijn twee altaarverdiepingen, dubbel gelede wanden en rijke lichtinval is opmerkelijk. De architecturale ornamentiek binnenin wordt gedomineerd door blindbogen die de wanden van beide koren sterk ritmeren. De zoon van Godfried de Gevangene, Herman van Verdun, bouwde deze basilicale kerk op het einde van de tiende eeuw. Van uitzonderlijke waarde zijn de nog bewaard gebleven middeleeuwse interieurelementen, zoals graffiti en muurschilderingen. Onder die laatste neemt een Majestas Domini in fresco-techniek een speciale plaats in. De schildering dateert uit het eerste kwart van de elfde eeuw, toen Herman van Verdun over Ename regeerde. Ze werd in een door Byzantium geïnspireerde vormentaal uitgevoerd.

 

En er is nog meer. De iconologische studie van het gebouw werpt een licht op de diepere beweegredenen die de opdrachtgever dreven om de Sint-Laurentiuskerk haar specifieke karakter te geven. Dat in het opstellen van het bouwprogramma gevoelens van plichtsbewustzijn en trouw aan het keizerlijke huis een essentiële rol speelden, was misschien nog de meest verrassende ontdekking. Ten tijde van Herman van Verdun werd er om de grens tussen het Franse koninkrijk en het Ottoonse keizerrijk strijd geleverd. Ename nam daarbij een strategische positie in. Een historische tekst stelt het heel duidelijk: Ename moest tegen vijandelijke aanvallen standhouden "voor de stabiliteit van het rijk en de trouw aan de keizer". Om die trouw te symboliseren koos Herman van Verdun voor een schema dat de directe band van de opdrachtgever met het Rijksgezag duidelijk maakte. Vandaar het dubbele koor, zoals dat ook bij de grote rijkskerken voorkomt, en de blindbogen, een architecturale vormentaal ontleend aan de bouwwerken in Ravenna, de ankerplaats van de Ottoonse keizers in Italië. Ook de patroonheilige, Sint-Laurentius, verwees naar de ideologie van de keizer. Om het elitaire van de constructie nog scherper naar voren te brengen, werd voor de beschildering van het interieur een beroep gedaan op kunstenaars van topniveau, die in Byzantijnse stijl werkten. Dit alles maakt dan ook dat de Sint-Laurentiuskerk een monument is dat, als stenen merkteken van keizerstrouw, op unieke wijze aan het Ottoonse verleden herinnert.

 

De verrassende resultaten van het vooronderzoek determineerden de restauratieoptiek. Essentiële gegevens zijn uiteraard de uitstekende bewaringstoestand van de oorspronkelijke architectuur en de uitzonderlijkheid van het bouwconcept, waardoor de bidplaats in het kerklandschap van Vlaanderen een exceptionele plaats inneemt. De herkenbaarheid en de originaliteit van de vroegmiddeleeuwse bouw verantwoordden dan ook de optie om de centrale as van de kerk in haar primitieve vorm te herstellen. De zijbeuken behielden de latere ingrepen. Dit restauratieconcept werd door de Europese Commissie in 1995 erkend als modelproject met het oog op de instandhouding van het Europees architectonisch erfgoed. Dankzij de restauratiewerken krijgen we een uniek beeld op een kerk van rond het jaar 1000.

 

 

Van handelsnederzetting tot abdij

 

Lang duurde de internationale uitstraling van Ename niet. In 1047 nam Boudewijn IV, graaf van Vlaanderen, de burcht en het havenstadje in bezit. Om de Ottoonse site te demilitariseren stichtte Boudewijn V in 1063 een benedictijnenklooster. Oorspronkelijk namen de monniken, die van de Sint-Vaastabdij van Atrecht afkomstig waren, hun intrek in de burchtgebouwen. Zeven jaar later verhuisden ze naar een complex dat tegen de Sint-Salvatorkerk, een van de portusbidplaatsen, aangebouwd was. Het andere stadskerkje dat Sint-Laurentius als patroonheilige had, evolueerde tot dorpskerk.

 

De twaalfde en de dertiende eeuw waren een bloeiperiode voor de abdij. De bezittingen groeiden aan en er werd duchtig gebouwd en verbouwd. In de teksten uit die periode vinden we sporen terug van die activiteiten. Zo is er de melding dat het primitieve zaalkerkje dat nog tot de portustijd terugging, in 1139 vervangen werd door een nieuwe kerk. Het gaat om een groots opgezette kruisbasiliek die tot de afschaffing van het klooster bleef bestaan.

 

De godsdiensttroebelen tijdens de tweede helft van de zestiende eeuw betekenden bijna de doodsteek voor het klooster. Toch kwam de abdij deze moeilijke periode te boven. Ze werd vanaf het begin van de zeventiende eeuw met grote luister hersteld. Het definitieve einde kwam er in 1794, toen het Franse bewind het Sint-Salvatorklooster afschafte.

 

 

Krulstaf

 

De ivoren krulstaf, weergegeven als embleem van het museum, is het topstuk van het PAM Ename. Op de voorzijde stelt het kunstwerkje Sint-Salvator voor, op de achterzijde is Maria afgebeeld. Beiden vertrappen de duivel, voorgesteld als een draak met opengesperde muil. De twee heiligen verwijzen naar de Enaamse abdij, waaruit we kunnen afleiden dat het stuk vermoedelijk speciaal voor deze plaats werd ontworpen.

 

Waarschijnlijk bekroonde het de staf van een abt. Het is vermoedelijk terug te brengen tot de beginperiode van de abdij, in de tweede helft van de elfde eeuw. Toch verwijst de kunststijl naar Karolingische voorbeelden.

 

Om het publiek volop te laten genieten van dit markant kunstwerk maakt het museum gebruik van multimedia. Een uitvergrote replica is via sensoren verbonden met het computerscherm in de Tijdslijn. De bezoeker kan de replica vastnemen en manipuleren. Alle bewegingen zijn te volgen op het scherm. Men kan inzoomen en extra informatie opvragen over de fijn uitgewerkte details van de krulstaf. Zo is het mogelijk dieper in te gaan op gelijkaardige stukken elders in de wereld en kan men specifieke stijlkenmerken en het verhaal achter het kunstwerkje ontdekken.

 


 

De muntschatten van Grotenberge en Zingem: tweemaal twee verhalen

 

 

Op 25 mei 1950 vond Aloïs Meire in zijn moestuin te Grotenberge een klomp aarde van meer dan 11 kilogram zwaar. De eerste 'eigenaar' van de klomp was zich ongetwijfeld niet bewust van de aard van zijn vondst, en we kunnen aannemen dat hij zich niet ver van de vindplaats ontdeed van deze 'zware last'. Ook de nieuwe eigenaar bleek aanvankelijk niet te beseffen waar het eigenlijk om ging. Zo werd de klomp een tijdlang gebruikt als sluitstuk voor het hekje van de moestuin. Op zekere dag, bij het verplaatsen van het sluitstuk, merkte Aloïs Meire enkele schijfvormige stukjes op die van de klomp waren losgekomen. Groot was zijn verbazing toen hij zag dat het om oude munten ging. Al gauw werden de pastoor en de burgemeester op de hoogte bracht. Deze laatste nam contact op met het Munten- en Penningenkabinet in Brussel, waar Paul Naster werd belast met de studie van deze belangrijke Romeinse muntschat, die zich nu in het PAM Velzeke bevindt.

 

De muntschat van Grotenberge bestaat uit 2.372 zilveren zogeheten antoniniani, gaande van keizer Gordianus III tot en met Postumus. De schat werd waarschijnlijk begraven in het begin van 268, het jaar waarin de kwaliteit van het metaal verslechterde. Het verschijnen van munten met een lager zilvergehalte was mogelijk de reden voor de eigenaar om zijn fortuin te verbergen, al gaat het om munten die toen nog in omloop waren. De reden voor het niet ophalen van de schat hangt samen met de zware onlusten in Noord-Gallië tijdens het derde kwart van de derde eeuw na Christus. Van deze periode, waarin Postumus zich afscheurt van het wetmatige gezag en de Germanen onze gewesten massaal binnenvallen, getuigen ook drie muntschatten uit Velzeke, die respectievelijk rond 260 en rond of na 265 aan de bodem zijn toevertrouwd. Het is trouwens in die periode dat de bewoning in deze eens zo bloeiende vicus afbreekt.

 

En ook PAM Ename heeft zijn 'schattenverhaal'. Het zal je maar overkomen. Je hebt een oud huisje gekocht en wil dat eigenhandig restaureren. Terwijl je de vloer uitbreekt en onder de muren hakt, blijft er plotseling een kruikje aan de punt van je houweel hangen, net aan het oortje. Op het moment dat je het 'ding' bij het puin wil dumpen, zie je binnenin iets blinken. Het overkwam W. Van Driessche uit Zingem. Maar liefst 76 gouden en 8 zilveren munten zaten eeuwenlang veilig in de grond opgeborgen. Wat ermee gedaan? Het museum in Ename bestond nog niet. Medewerkers van het Velzeekse museum deden de eerste identificatie en regelden de wettelijke meldingsplicht mét de mogelijkheid om de schat te bestuderen. Uiteindelijk werd de schat aangekocht voor het toekomstige museum in Ename. Iedere bezoeker kan er nu volop van genieten.

 

Hoewel een spectaculaire vondst, is de schat van Zingem een archeologische vondst als een ander. Wel is hij van bijzonder belang voor de numismatici. De munten vallen op door hun bijzonder goede bewaringstoestand. Sommige geven de indruk zelfs nooit in omloop te zijn geweest. De vroegste munt dateert uit het einde van de vijftiende eeuw, de laatste is van 1578, de periode van troebele tijden door de godsdienstoorlogen, waarin niet alleen de hele streek het zwaar te verduren had, maar ook de abdij van Ename grotendeels verwoest werd.

 

 

Vissen in de abdij van Ename

 

De middeleeuwers associeerden vis met vasten en boetedoening. Witte en magere vis stond voor de zuiverheid van het water. Om tegemoet te komen aan het enorme visverbruik moesten de benedictijnen instaan voor visvangst in rivieren en visvijvers op hun domeinen. Naast paling, blankvoorn, snoek en baars was vooral karper de gekweekte zoetwatervis bij uitstek. De abdij van Ename had zelfs een visboer in dienst. Tot de zeevis behoorden haring, steur, zalm, pladijs, tong, schelvis, kabeljauw, wijting en stekelrog. In de Middeleeuwen beschouwde men alles wat uit het water kwam als vis, dus ook mosselen, krab en kreeft. Daarom konden ze zonder problemen gegeten worden tijdens de vastenperiode.

 

 

Van abdij naar dorp

 

De abdij werd in 1795 verlaten en als steengroeve verkocht. We mogen aannemen dat in heel wat huizen van het dorp materiaal van het voormalige klooster verwerkt zit. De religieuze en de wereldlijke macht van de abdij gingen geruisloos over in de handen van de dorpspastoor en de gemeenteraad.

 

Ename leefde in het begin van de negentiende eeuw grotendeels van de landbouw en het ging het dorp voor de wind: de bevolking groeide spectaculair. Maar dan sloeg een moordende sociaal-economische crisis toe (1845-1850), die het Zuid-Vlaamse platteland volledig lam legde. Crisis in de thuisnijverheid en landbouw, pest en cholera ... deze dodelijke cocktail veroorzaakte een massale sterfte, toenemend alcoholisme en emigratie, in hoofdzaak naar het noorden van Frankrijk.

 

Als gevolg van de crisis en door de vraag naar steenkool als alternatieve energiebron werd het Bos t'Ename rond 1875 bijna volledig ontgonnen. Grote delen van het bos werden in sociaal schrijnende omstandigheden tot landbouwgrond omgevormd, onder impuls van burgemeester Beaucarne. Het landschap van Ename veranderde volledig. Pas tegen het einde van de negentiende eeuw gaat men tot herbebossing over. Ondertussen nam de ontsluiting van het dorp een aanvang: in 1868 stopte de trein naar Brussel voor het eerst in het station van Ename. De verbinding met de grootstad betekende een vooruitgang voor al wie handel dreef en heel langzaam kwam ook het personenverkeer op gang. De trein bracht nog tot een stuk in de twintigste eeuw seizoenarbeiders en mijnwerkers naar hun verre werkplaats.

 


 

Het verhaal van een levende museumcollectie

 

 

Van opgravingssleuf tot toonkast

 

Beide musea situeren zich op historisch belangrijke locaties. PAM Velzeke is ingeplant in het centrum van een Romeinse agglomeratie die doorleeft tot in de vroege Middeleeuwen. PAM Ename ligt vlakbij de unieke duizendjarige Sint-Laurentiuskerk in een dorpskern die vandaag nog getuigt van de achttiende tot en met de twintigste eeuw.

 

Iedere bodemingreep in de dorpen en in de omgeving van de musea brengt het verleden letterlijk en figuurlijk aan het licht. Voor een museumbezoeker is het erg verrijkend om het traject te volgen dat een archeologisch voorwerp volgt van de opgravingsput tot de toonkast van het museum.

 

De archeologen en de gidsen brengen op het opgravingsterrein het verhaal van de archeologie en van aanverwante wetenschappelijke disciplines, zoals het onderzoek van zaden en vruchten of van dieren- en menselijke resten. Ze geven een goed beeld van het leven van onze voorouders. In het museum zelf kan men de wetenschappelijke verwerking van de vondsten op de voet volgen. Men kan met verbazing vaststellen dat een roestig stuk metaal, na deskundige behandeling in het conservatie- en restauratieatelier, een Romeinse sierspeld met bronzen inlegwerk blijkt te zijn. Een hoop nietszeggende potscherven wordt geduldig samen-gepuzzeld tot een middeleeuwse kruik.

 

De vondsten worden na reiniging door de archeologen getekend en gepubliceerd. Nadien volgt de opslag van het merendeel van de vondsten in het depot, waar ze voor verdere studie ter beschikking blijven. Volledige stukken krijgen eventueel een plaats in het museum. In de tentoonstellingszalen en het depot samen staan alle archeologische objecten van het museum. PAM Velzeke bezit ruim 22.000 voorwerpen.

 

Om de collectie goed te kunnen onderzoeken, beheren en ontsluiten is het noodzakelijk om elk voorwerp te registreren. Dit gebeurt op een wetenschappelijke manier, met behulp van internationaal vastgelegde standaarden, en in overleg met andere museummedewerkers via regionale projecten en initiatieven.

 

 

Levende geschiedenis in Velzeke...

 

Levende geschiedenis of re-enactment is de rode draad doorheen de dagelijkse werking van het PAM Velzeke. Door het verleden terug tot leven te brengen krijgt het museumbezoek een meerwaarde. Bezoekers kunnen replica's van de voorwerpen uit de vitrines aanraken en gebruiken. Alle replica's zijn uitgevoerd in originele materialen en volgens de oude technieken. Dat maakt meteen duidelijk waarvoor en hoe ze werden gebruikt.

 

Andere educatieve projecten volgen hetzelfde idee. De prehistorie en de romanisatie van onze streken worden respectievelijk uitgelegd tijdens het aantrekken van prehistorische of (Gallo-) Romeinse kledij. De geschiedenis van West-Europa wordt geïllustreerd aan de hand van replica's van wapenrustingen van diverse volken uit verschillende perioden.

 

Re-enactment vormt niet alleen de rode draad bij de educatieve projecten, maar is ook het leidmotief voor de opendeurdagen, zoals Open Monumentendag en ambachtenmarkt. Tijdens diverse jaarlijks terugkerende evenementen passeren Kelten, Romeinen, Merovingers en Vikingen de revue. Zij brengen flitsende gevechtsacts, er worden slaven verkocht, modeshows georganiseerd, rituelen uitgevoerd, muziek gemaakt, gedanst en ambachten gedemonstreerd.

 

 

... en in Ename

 

Boeiend voor de bezoeker van het PAM is dat Velzeke en Ename het verleden op een totaal verschillende manier presenteren. PAM Ename ligt in het dorpscentrum, in de schaduw van de vroegmiddeleeuwse Sint-Laurentiuskerk. Het is een symbolische plaats, waar de stenen grandeur van een keizerlijk verleden en de charmes van het dorpsleven elkaar vinden.

 

Het verhaal van het museum is het relaas van duizend jaar geschiedenis van een kleine gemeenschap aan de boorden van de Schelde. Rijk bronnenmateriaal en intensief wetenschappelijk onderzoek hebben dit verleden opnieuw gestalte gegeven.

 

De meest spectaculaire ruimte van het PAM Ename is het 'Feest van 1000 jaar'. De mensen die de voorwerpen maakten en gebruikten, worden hier namelijk letterlijk herkenbaar. Zelden krijgen objecten in musea zo'n menselijk gelaat. Archeologische voorwerpen zijn meestal anoniem. Hier zijn de objecten gekoppeld aan diegenen die ze gebruikten en/of eigenaar ervan waren. Dit vindt plaats aan de feesttafel waaraan 24 figuren uit de voorbije duizend jaar van Ename zitten. De figuren zijn tastbaar aanwezig in de vorm van levensechte poppen. Zij werden uitgenodigd door de Heer van Ename, en vieren het 'Feest van 1000 jaar'. Voor de feesttafel is een 'tijdstafel' opgesteld waarin 24 artefacten zijn ondergebracht. De bezoeker kan een voorwerp selecteren. Via een interactief systeem wordt de corresponderende figuur opgelicht en verschijnt het voorwerp en zijn 'eigenaar' op een projectiescherm. De acteur vertelt dan zijn levensverhaal. Materiële cultuur krijgt zo een plaats in het leven van toen.

 

In een van de ruimtes, het Archeolabo, kan de bezoeker in de huid kruipen van een wetenschapper: hoe werkt de archeoloog, archeozoöloog, archeobotanicus, historicus. De bezoeker leert het op een interactieve manier, 'geholpen' door de wetenschappers die er dagelijks mee bezig zijn.

 

De meeste archeologische sites worstelen met hetzelfde probleem: het publiek dat enkel funderingen en complexe structuren ziet, kan zich moeilijk een concreet beeld vormen van het monument. Ook op de abdijsite van Ename staat de bezoeker voor een labyrint van kloosterfunderingen. Om aan dit probleem te verhelpen, ontwikkelde het museumteam de tijdsvenster-technologie. De nieuwe presentatietechniek bestaat uit een camera, een computersysteem, twee schermen en een toetsscherm. Een kiosk schermt het geheel af tegen de weersomstandigheden. De camera is gericht naar de archeologische grondvesten van de abdijkerk en geeft die beelden door naar de schermen. De bezoeker ziet dus gelijktijdig én de reële situatie én de cameraprojectie. Het toetsscherm nodigt uit om te kiezen tussen een aantal programma's. Het is daarbij essentieel dat de voeling met de opgegraven grondvesten bestendigd blijft. Vandaar de idee om boven de reële beelden van de site synthetische beelden te schuiven die de reis door de tijd illustreren en mogelijk maken. Het gaat om foto's, plannen, tekeningen en virtuele realiteitsreconstructies.

 

In de Sint-Laurentiuskerk heeft PAM Ename een derde tijdsvenster. Het publiek kan een virtueel bezoek brengen aan de bidplaats in haar oorspronkelijke toestand van rond het jaar 1000. Ook de latere bouwfasen, de verwijderde bouwelementen en de opgravingswerken zijn te bekijken.

 

In 1998 kreeg de tijdsvenstertechnologie de Vlaamse Monumentenprijs en de Gouden Scarabee, een Nederlandse prijs voor het toegankelijk maken van archeologie voor het brede publiek. Recent startte het Ename Expertisecentrum voor Erfgoedontsluiting dat zich toelegt op het onderzoek naar nieuwe presentatiemethodes en de realisatie van erfgoedprojecten. Wat begon als een experiment groeide uit tot een onderzoekscentrum met labofunctie waarvoor het buitenland steeds meer belangstelling toont.

 

 

Tijdelijke tentoonstellingen

 

Tijdelijke tentoonstellingen vormen een belangrijk onderdeel van de museumwerking en zijn een verlengstuk van de permanente verzameling.

 

PAM Velzeke streeft naar zoveel mogelijk afwisseling tussen wetenschappelijke en educatieve onderwerpen. Tot de eerste categorie behoren exposities als 'Koptisch textiel', 'Geld uit de grond', 'De taalgrens', 'De Kelten in Vlaanderen', 'Tussen talaiot en toerist. Een reis door de prehistorie van de Balearen' en 'Vervlogen Tijden. Archeologische luchtfotografie'. Daarnaast probeert het museum het verleden op een educatieve en leuke manier naar het schoolpubliek te vertalen. Zo konden leerlingen spelenderwijs de archeologie ontdekken tijdens 'Steek je kop eens in het zand'. In de tentoonstelling 'Beelden uit de prehistorie' vertelden beeldverhalen over onze voorgeschiedenis. De meeste van deze tentoonstellingen werden zowel in binnen- als buitenland opgesteld.

 

PAM Ename gooit het eerder over een andere boeg door hedendaagse kunstwerken te confronteren met en te integreren in het Enaamse verleden. 'Ename Actueel' wordt stilaan een klassieker. Kunstenaars spelen in op de dorpskom, de abdijsite, de kerk, het bos en het museum. De actuele kunstwerken dialogeren op een respectvolle manier met de stille getuigen van de geschiedenis.

 

 

Een museum voor jong en oud

 

Het sleutelwoord binnen de educatieve werking van het PAM is 'participatie'. Elk educatief pakket bestaat uit een mengvorm van duiding (geschiedenis van Ename of Velzeke), gerichte informatie en actieve verwerking. Een voorbeeld van een dergelijk inlevingspakket is het kledijproject. Kleding is van alle tijden. Wie vandaag kleren koopt, doet dat vanuit een functioneel en/of modebewust oogpunt. Beide kunnen los van mekaar staan en dat was gedurende een groot deel van de geschiedenis niet anders. Liever dan het statisch tentoonstellen van oude kledingstukken, laat PAM de bezoekers kleren aanpassen, net zoals in de winkel. Dat wordt gekaderd in een verhaal over kleurstoffen, materialen en sociale status. Een dergelijke aanpak is terug te vinden in de modules over archeologie (Tijdsdetectives, Educar), leefcultuur (Smulmuseum) en algemene geschiedenis (Het verhaal van de monnik). Het educatieve aanbod van het PAM blijft niet beperkt tot schoolgroepen. Er zijn aangepaste programma's voor iedereen: van kleuters tot senioren.

 

 

Meer dan een museum

 

Diversiteit is een belangrijke troef van het PAM. In Velzeke kan de bezoeker onder deskundige begeleiding kennismaken met de opgravingen. Bovendien beschikt Velzeke over een uitgebreide archeologische bibliotheek. Er is ook een mooie Romeinse siertuin. I

 

In Ename kunnen de opgegraven en geconsolideerde funderingen van de abdijsite bezocht worden, alsook de unieke vroeg-Romaanse Sint-Laurentiuskerk die dateert uit het jaar 1000. Zowel in de abdijsite als in de kerk kan de bezoeker zich aan de hand van een tijdsvenster een beeld vormen van het verleden. De Sint-Laurentiuskerk heeft een schitterende akoestiek en is een schitterende locatie voor concerten. Ten slotte er is ook het Bos t'Ename, het 170 hectaren groot historisch-ecologisch bos dat vrij of met een gids te bezoeken is. Interdisciplinair onderzoek heeft uitgewezen dat het Bos t'Ename niet alleen ecologisch erg rijk is, maar dat het ook nog heel wat historische linken vertoont met de handelsnederzetting, de abdij en het dorp. Een deel van het bos wordt beheerd door vzw Natuurpunt.

 

 

Feesten in het dorp

 

Van oudsher organiseren zowel Velzeke als Ename dorpsfeesten. Het PAM leeft en feest mee met de lokale gemeenschappen.

 

Velzeke heeft zijn Caesarfeesten. In de nasleep van de Belgische onafhankelijkheid diepte men graag belangrijke historische figuren op die bijdroegen tot het creëren van een nationaal gevoel. Te Velzeke pakte men uit met niemand minder dan Julius Caesar. In 1873 kocht men een harnas aan dat plechtig werd ingehuldigd op het dorpsplein van Velzeke. Er werd toen gezworen om deze Caesarfeesten om de 25 jaar te organiseren, maar door de Tweede Wereldoorlog verwaterde de traditie.

 

In 1998 pakten de Velzekenaren en het museum de draad weer op. Na 175 jaar kreeg het beeld van Caesar een definitieve plaats op het marktplein van Velzeke. Niet minder dan 300 figuranten lieten Velzeke herleven als druk Romeins handelscentrum en militair bolwerk. Alle Velzekenaren deden mee aan dit memorabele evenement. Ondanks drie dagen van bijna onafgebroken regen, wat zorgde voor de plaatselijke uitdrukking 'Caesarweer', werd Velzeke overrompeld door meer dan 20.000 bezoekers.

 

Dankzij de zoektocht van de archeologen naar het verleden en de inzet van het museumteam om het verleden levend voor te stellen, herwon de Enaamse bevolking aan historisch besef. Een groep enthousiaste inwoners gaven de Feeste t'Ename een nieuwe dynamiek. Het was geleden van de jaren 1950 dat er nog een paardenmarkt had plaatsgevonden. Met het verdwijnen van de markt was het alsof een deel van het verleden definitief verloren ging. Een belangrijk stuk verleden, want reeds vanaf de vroege Middeleeuwen was Ename gekend voor zijn jaarmarkt. De paardenmarkt was er nog een late uitloper van. Sinds 2000 gaat het feest op een steeds grootschaliger manier door, een evenement waar menig Enamenaar jaarlijks naar uit kijkt

 


 

Feesten in de Enaamse abdij

 

 

Feesten is van alle tijden en van alle plaatsen. Ook in de abdij van Ename werd het strenge leven volgens de Regel van Benedictus af en toe onderbroken voor feest en plezier. Die feesten echoën nog na in de abdijrekeningen. Zo weten we dat de abdij op 12 maart 1448 groot bezoek kreeg van de vicaris van de Bisschop van Kamerijk. Vasten of niet, de gasten werden goed voorzien van eten en drinken. In drie dagen tijd verteerden zij 106 liter Rijnwijn, 30 liter wijn uit Poitou, 14 liter Portugese wijn en 4 liter rode wijn! Daarnaast stonden niet minder dan 12 soorten vis op tafel. De copieuze maaltijd werd besloten met allerhande dessertjes.

 

De belangrijkste feesten in een abdij waren de kerkelijke hoogdagen zoals Kerstmis, Pasen en Pinksteren, die gepaard gingen met uitgebreide religieuze en andere feestelijkheden. Kinderen en mensen uit het dorp die zich verdienstelijk hadden gemaakt voor de abdij kregen geld voor hun Kerstmis. Op Witte Donderdag werd snoep uitgedeeld. Blijkbaar was het uitdelen van geld en/of allerhande lekkers bij feesten iets dat van de abdij verwacht werd. We weten ook dat de monniken zichzelf vlak voor de vasten trakteerden op lekkernijen en een fijn vastenavondfeest.

 

Feesten was echter meer dan enkel lekker eten. In 1431 werd de abdij bezocht door jongleurs, in 1483 kreeg ze 'batementers' of spelers van kluchten op bezoek. Naast toneel werd de abdij af en toe ook door muziekspelers bezocht zoals trommelaars en doedelzakspelers. Het is echter niet geweten voor wie de muziek en het toneel bedoeld was. Mochten de monniken meegenieten of was het vermaak enkel bedoeld voor de gasten van de abt, de inwoners van het dorp of anderen? Hoe dan ook, de hoge gasten van de abt werden volgens alle kunsten van de gastvrijheid onthaald.

 


 

Auteurs: 

Jean-Pierre Van Der Meiren, gedeputeerde Cultuur Provinciebestuur Oost-Vlaanderen

Marc Rogge, hoofdconservator PAMZOV

Kurt Braeckman, conservator PAM Velzeke

Peter Van der Plaetsen, conservator PAMZOV

Guy De Mulder, wetenschappelijk medewerker PAMZOV

Guenevere Souffreau, wetenschappelijk medewerker PAMZOV

Marie-Claire Van der Donckt, conservator PAM Ename

Dirk Callebaut, dienstdoend directeur Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed

Dominique De Vos, educatief medewerker PAM Ename

 


 

Praktische info

 

PAM Velzeke

Paddestraat 7

Zottegem (Velzeke)

tel. 09 360 67 16

pamzov@oost-vlaanderen.be

www.pam.oost-vlaanderen.museum

Open: van maandag tot vrijdag van 9.00 uur tot 12.00 uur en van 14.00 uur tot 17.00 uur. Op zater-, zon- en feestdagen van 14.00 uur tot 18.00 uur.

 

PAM Ename

Lijnwaadmarkt 20

Oudenaarde (Ename)

tel. 055 30 90 40

museum@ename974.org

www.ename974.org

www.pam.oost-vlaanderen.museum

Open: winter: van dinsdag tot en met zondag van 9.30 uur tot 17.00 uur. zomer: van dinsdag tot en met vrijdag van 9.30 uur tot 17.00 uur; op zater-, zon- en feestdagen van 10.30 uur tot 18.00 uur.

Gesloten op maandag.

 

Toegang: 2,50 euro voor beide locaties met mogelijkheid tot reducties