U bent hier

Pieter Bruegel - Justitia

Pieter Bruegel - Justitia
Pieter Bruegel (1525/30-1569), Justitia, Pen in bruin op papier, 22 x 29,5 cm, gesigneerd, 1559, Prentenkabinet - Brussel

 

Reeds eerder werd u gezegd dat Pieter Bruegel de Oude, de grootste Vlaamse zestiende-eeuwse schilder, waarschijnlijk tussen 1525 en 1530 geboren is. Reeds vroeg was hij te Antwerpen, want men weet dat hij er in de leer ging bij de bekende schilder, wandtapijtenontwerper en schrijver Pieter Coecke van Aelst, wiens dochter hij later, in 1563, zou huwen. In 1552, één jaar nadat hij meester was geworden, vertrok hij naar Italië, door Frankrijk, over de Alpen ; hij verbleef te Rome en bezocht zelfs de Straat van Messina. In 1554 was hij opnieuw te Antwerpen, waar hij in nauw contact trad met de schilder, graveur en zeer actieve prentenhandelaar Hiëronymus Cock. Deze zou talrijke etsen en burijngravures naar zijn tekeningen maken en laten uitvoeren door de beste graveurs van zijn tijd, om ze te koop te bieden in zijn prentenhandel met het veelzeggende uithangbord 'In de Vier Winden'. Na 1563 vestigde Bruegel zich in de buurt van de Hoogstraat te Brussel waar zijn twee zoons Pieter en Jan die later ook beroemde schilders zouden worden, werden geboren. Hij overleed er in 1569 en werd in de Kapellekerk begraven.

 

De oudste bekende schilderijen van Pieter Bruegel zijn in 1559 gedateerd, maar zijn bedrijvigheid als kunstenaar is reeds van vroeger bekend dank zij zijn tekeningen : de oudste dateert immers uit 1552 en ontstond tijdens zijn reis naar Italië. Dergelijke Alpentekeningen dienden tot uitgangspunt voor de grote landschappen die door Hiëronymus Cock werden uitgegeven en waarschijnlijk ook werden geëtst, Bruegel had echter deze Alpengezichten niet getekend met het doel er prenten naar te laten maken. Dat is daarentegen wel het geval met een reeks van composities die de graveurs rechtstreeks tot model dienden en daarom ook tot in de minste details zijn uitgetekend. Tot deze groep behoort de serie der Zeven Ondeugden (1556-1557) en die der Zeven Deugden (1559-1560), waaronder onze Justitia-tekening. Daarnaast ontstond de zeer belangrijke reeks der tekeningen 'naer het leven' : dit zijn studies naar het levend model geschetst, waarin Bruegel getrouw vastlegt hetgeen hij voor zich ziet, maar die niet zijn gemaakt met het oog op bepaalde composities. Zulk een tekening berust bij voorbeeld in het Prentenkabinet van de Koninklijke Bibliotheek van België, waar ook de Justitia-tekening is bewaard.

 

Het Latijnse woord Justitia en het Nederlandse woord Gerechtigheid hebben beide twee betekenissen : 'rechtvaardigheid' enerzijds, 'het verlenen, het doen geschieden van recht' anderzijds. Wanneer de zeven Deugden ter sprake komen, denkt men aan bepaalde goede zedelijke eigenschappen van de mens ; in dit verband zou dus Justitia als de rechtvaardigheid moeten worden opgevat. Bruegel heeft het thema echter anders geïnterpreteerd : hij beeldt uit hoe het recht geschiedt en heeft dus de rechtvaardigheid verplaatst van het individueel op het maatschappelijk vlak, zoals zij wordt gewaarborgd door de wet. Het onderschrift luidt immers : 'Scopus legis est, aut eum quem punit emendet, aut poena eius caeteros meliores reddet aut sublatis malis caeteri securiores vivant', hetgeen nagenoeg betekent : 'Het doel van de wet is, ofwel hem te verbeteren die zij straft, ofwel door zijn bestraffing de anderen te verbeteren ofwel na het kwaad uit de weg geruimd te hebben, de anderen een veiliger leven te bezorgen'. Deze tekst geeft de positieve redenen op, waarom de wet wordt toegepast en waarom de straffen worden uitgevoerd, waarom dus alles gebeurt, wat Bruegel heeft voorgesteld.

 

Achter en om de geblinddoekte vrouwenfiguur met weegschaal en zwaard die de Gerechtigheid symboliseert, zien we immers een aantal beelden uit de rechtspleging en straffen, zoals die in Bruegels tijd werden voltrokken. Links vindt een zitting van een rechtbank plaats : de knoestige roede van het gerecht in de hand, leest de rechter het vonnis voor ; naast hem schrijft de griffier in een lijvig boek ; op de banken rondom zitten de zeven schepenen ; enkele onder hen bekijken de beklaagde, die een kruis in de handen houdt en door een gerechtsbode stevig aan een touw wordt vastgehouden ; naast de veroordeelde staat nog een man, mogelijk een getuige ; uiterst links op de voorgrond zijn twee klerken aandachtig aan het schrijven ; twee toehoorders, de oudste blijkbaar zeer gespannen, wonen de uitspraak bij van achter de schepenbank.

 

Op een volgend plan, links, zijn, in een houten hok, twee schrijvers over hun papieren gebogen terwijl een man en een vrouw een verzegelde akte lezen. Onder de galerij wordt een meinedige of valsspeler de hand afgehakt, terwijl een gevangene wordt buitengeleid. In het midden, bovenop de trap ziet men drie burgers op de rug, die naar het ophalen van een met handen en voeten aan elkaar gebonden man kijken ; een deel van de dichte menigte onderaan ziet ook toe terwijl een ander deel het geselen van een misdadiger gadeslaat. Vanuit de massa zijn enkele nieuwsgierigen de trap opgeklommen: een beul staat met geheven zwaard klaar om een veroordeelde te halsrechten. Andere toeschouwers waaronder een biechtvader slaan de onthoofding gade. Helemaal op de voor- grond, rechts, een pijnbank : de man, strak op het foltertuig gebonden en uitgerekt, krijgt langs een trechter water te slikken, terwijl een knecht brandend vet op zijn benen laat lekken. Rechts de rechter en de griffier ; deze laatste staat klaar om de bekentenissen van de beschuldigde op te nemen : niemand mocht immers worden gestraft zolang hij zijn misdaad niet had bekend.

 

Op de achtergrond trekt een lange stoet naar het gal-geveld, langs een brandstapel heen ; deze kronkelende stijgende menigte, evenals het kruis rechts boven op de rots, herinneren aan het thema van de Calvarieberg. Deze wrede straffen en pijnlijke folteringen zijn in onze ogen onmenselijk. In de zestiende eeuw en veel later nog waren ze echter gewoon, Bruegel heeft ons alleen meegedeeld hoe het recht toen geschiedde. Verschillende kunstgeleerden hebben gemeend dat de kunstenaar kritiek op de maatschappij van zijn tijd heeft willen uitoefenen of dat hij bepaalde ideeën over de mens heeft willen uitdrukken ; dit is niet uitgesloten, maar toch kan men naar zijn ware bedoeling slechts gissen. De geleerden zijn het ook niet altijd eens aangaande de betekenis van een of ander uitgebeeld voorwerp ; zo zou de zware vierkante steen waarop de Justitia-figuur staat volgens den enen de 'blauwe steen' voorstellen waarop in vroeger tijden recht werd gesproken, terwijl anderen menen, dat hij het zinnebeeld is van de standvastigheid van de rechtspleging.

 

De allegorische Justitia-figuur, waarvan het gebruik nog middeleeuws aandoet is compositioneel haast niet gescheiden van al hetgeen haar omgeeft. De compositie vormt trouwens een organisch geheel, waarin de omgeving tussen de talrijke taferelen die over verschillende vlakken zijn verdeeld, zeer natuurlijk gebeurt. De horizontlijn heeft Bruegel heel hoog gebracht, zodat hij in deze lineair opgebouwde perspectivische ruimte een veelheid van voorstellingen kon opnemen. Deze encyclopedische zienswijze vindt men terug in de andere tekeningen van de Ondeugden en Deugden, alsook in schilderijen die in dezelfde periode ontstonden.

 

Bruegel heeft niet gezocht naar licht-donker-effecten. Alles is sober uitgetekend met bedaarde trekjes in bruingrijze inkt die langzamerhand vervaagt naar de achtergrond toe. De taak van de graveur die deze compositie in het koper moest snijden, werd hierdoor vergemakkelijkt. Bovendien heeft Bruegel zijn personages met de linkerhand laten schrijven, geselen enz., opdat ze op de in spiegelbeeld gedrukte gravure rechtshandig zouden zijn. Hoe getrouw echter de burijngravure door Filips Galle ook moge zijn, de gelaatsuitdrukingen zijn niet zo raak getroffen, de bewegingen zijn niet zo natuurlijk, het licht speelt er niet zo zacht op de kleren als in het getekende ontwerp. Zoals in zijn landschappen en in zijn studies 'naer het leven', heeft Bruegel in deze tekening door zijn meesterschap nauwkeurigheid en natuurlijkheid verenigd. De uitgebeelde tonelen zijn aangrijpend, maar nooit is zijn realisme dramatisch, omdat hij zijn hand nooit een brutale of hartstochtelijke lijn laat trekken die beheersing verleent zachtheid aan zijn tekening, zodat één van de voornaamste kenmerken van Bruegels kunst ook dit werk eigen is, nl. het gelukkig samengaan van realisme en poëzie, in een harmonisch opgebouwde compositie.

 

Dr. L. De Pauw - De Veen - Prentenkabinet, Brussel  

 


Keuze uit te raadplegen Nederlandse boeken:

  • J. G. van Gelder en Jan Bonns, Brueghel's deugden en hoofdzonden, Amsterdam, Antwerpen, 1939 W. Vanbeselaere. Peter Brueghel en het Nederlandsche maniërisme. Tielt 1944
  • J. Muis, Brueghel, Antwerpen, 1945
  • Catalogus van de tentoonstelling 'Rijkdom van de Koninklijke Bibliotheek van België', Brussel, 1958
  • Catalogus van de tentoonstelling 'De eeuw van BruegheL De schilderkunst in België in de 16e eeuw', Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel, 1963