U bent hier

Pieter Bruegel de Oude - De konijnenjacht

Pieter Bruegel de Oude - De konijnenjacht
Pieter Bruegel de Oude, De konijnenjacht, Ets, 22,3 x 29,1 cm, gesigneerd en gedateerd: Bruegel 1566, Koninklijke Bibliotheek van België, Brussel
 
Carel van Mander, de eerste biograaf van Pieter Bruegel de Oude, getuigt dat deze laatste 'in sijn reysen veel ghesichten nae 't leven gheconterfeyt heeft, soedat er gheseyt wordt dat hij in d'Alpes wesende al die berghen en rotsen had in geswolghen en 't huys ghecomen op doecken en penneelen uytgespoghen hadde'. Hij had daarbij, zoals verder blijken zal, ook de tekeningen en prenten, die Bruegel heeft nagelaten, moeten vermelden. Het is enigszins begrijpelijk dat zohaast een kunstenaar tegelijkertijd de schilder-, teken- en graveerkunst beoefent, zijn picturaal œuvre op de voorgrond wordt geschoven en zijn grafische produktie minder belangstelling opwekt. Hoe dit ook zou kunnen worden verklaard, toch mag worden beweerd en kan worden verantwoord, dat wie tot de geestesinstelling en tot de diepe inzichten van Bruegel wil doordringen, dat wie de verscheiden artistieke begaafdheden van de grootste kunstenaar der Vlaams-Brabantse Renaissance onverminderd wil waarderen en bewonderen, de aandacht moet gespannen houden op zijn tekeningen en prenten. Daarin heeft hij, inderdaad, veel voorbereid en gevisualiseerd dat, ofwel in zijn schilderijen minder veelzijdig kan waargenomen worden ofwel dat voorafgaandelijk moet gekend zijn, om zijn schilderijen naar al hun geestelijke eigenschappen en andere inzichten, grondig te begrijpen. Hier biedt zich slechts de gelegenheid om deze bewering te wettigen in verband met wat Bruegel vertegenwoordigt als landschapschepper en als etser.
 
Het landschap, op zichzelf beschouwd, werd door Bruegel aanvankelijk uitsluitend behandeld in zijn tekeningen en in de daarmee verband houdende gravures, tekeningen en gravures die tussen de jaren 1552 en 1558 mogen gedateerd worden, dus nog vóór de tijd waartoe zijn eerste, algemeen als authentiek erkende schilderijen behoren en dus ook vóór de tijd dat zijn vernieuwende visie van het landschap in zijn latere schilderijen zal worden uitgewerkt.
 
Getuigen deze landschaptekeningen en gravures van de geniale scherpzinnigheid waarmede Bruegel tot het grondig alles bepalende leven doordringt, dan heeft zijn reis naar Italië tot de ontplooiing daarvan toch ook veel bijgedragen. Want de hier in herinnering gebrachte grafische werken steunen alle op geïdentificeerde of zo mogelijk nog te identificeren waarnemingen die hij op zijn weg langs de Rhône en over de Alpen genoteerd heeft. Wat hem, bovendien, in Italië door de landschapuitbeeldingen van Titiaan, Campagnola en andere hunner tijdgenoten kan gesuggereerd zijn geweest, mag daarenboven niet over het hoofd gezien.
 
Hoofdzaak is hier, evenwel, vast te stellen hoe Bruegel in zijn tekeningen en in de daarbij aan te sluiten prenten, het landschap ziet en herschept.
 
Bruegel ziet het landschap als een fragment van het levend heelal, waarvan wezen en gestalte worden gevormd door de inwendige krachten die het bewegen en door de uitwendige atmosfeertoevalligheden waaraan het is blootgesteld. Bij Bruegel triomfeert definitief de objectieve waarde van het landschap dat niet langer beschouwd en behandeld wordt in functie van de menselijke actie die er zich in afspeelt, maar dat aanschouwd en herschapen wordt om zijn wezenlijke schoonheid en naar zijn innerlijk gedaantebepalend leven.
 
Bruegels houding tegenover het landschap is niet lyrisch, zij is doordringend en objectief. Wat niet betekent dat Bruegel in zijn landschappen de natuur slaafs heeft willen nabeelden. Integendeel, hij wil de door hem gekozen elementen tot een kunstschepping ordenen naar de wijze waarop de natuurkrachten het hebben voorgedaan. Eigenlijk heeft Bruegel, behalve in een paar approximatieve gevallen, geen enkel, noch getekend, noch gegraveerd, noch geschilderd werk nagelaten dat in zijn ensemble de algehele weergave is van een bepaalde natuurwerkelijkheid. En toch zou het onverantwoord zijn vooruit te zetten dat hij louter ingebeelde landschappen zou hebben getekend of geschilderd.
 
Op grond van zijn doordringende waarnemingen en met behulp van naar de realiteit genoteerde natuurfragmenten, heeft hij - letterlijk - landschappen 'geschapen', waarvan de elementen geordend en geconstrueerd zijn naar analogie van de innerlijke levenskrachten die de gedaanten van de natuur vormen. Dat verklaart hoe hij in sommige dezer landschappen zeer heterogene elementen - geïnspireerd deels door bewogen berg- en rotspartijen, deels door rustige plattelandsgezichten - tot een ogenschijnlijk samenhorend geheel vermocht samen te brengen.
 
Dat legt tevens getuigenis af, tegelijk van wat hij moet hebben ondergaan bij het aanschouwen van de natuur, vooral dan op zijn reis over de Alpen en van het onovertroffen meesterschap waarmede hij de grondige structuur van de levende natuur in synthetisch expressieve lijnen zichtbaar en aanvoelbaar heeft kunnen maken. Wat in de werkelijkheid haast onoverzichtelijk is - wijde, zeer wijde landuitgestrektheden, met bergen, rotsen, valleien, meren, stromen en bossen, machtig grootse fragmenten van het heelal - heeft hij in essentie op een betrekkelijk kleine oppervlakte kunnen in beeld brengen.
 
Of Bruegel daartoe gebracht werd, langs de 16e-eeuwse, zgn. antropomorfische of zoömorfische beschouwing van het landschap, blijkt niet rechtstreeks uit de vormelijke eigenschappen van deze kunstwerken, al mag wel even herinnerd worden aan het getuigenis van Ortelius - één van Bruegels vrienden - dat in al Bruegels gewrochten 'meer gedachten dan schildering aanwezig zijn'. Waardoor dan ook gevat wordt gesuggereerd dat de betekenis van Bruegel in de evolutieve behandeling van het landschap schuilt in de manier waarop hij het beschouwt naar zijn wezenbepalend leven. Dat zal trouwens ook de grondslag blijken van zijn andere werken, geïnspireerd door de mens en zijn gedragingen, individueel of gemeenschappelijk.
 
Talrijk zijn de prenten, naar Bruegels 'inventies'. Zelf heeft hij ze evenwel niet gegraveerd. Hij tekende slechts de modellen, maar dan met inachtneming van de eigenschappen der prenten die Hieronymus Cock zou uitgeven en gedeeltelijk zelf nagraveren of aan de burijn van Pieter Van der Heyden, Filips Galle, Frans Huys en anderen zou toevertrouwen. Laat Bruegel daarin blijken dat hij vertrouwd was met de eisen en met de oorspronkelijke eigenschappen van de burijngravure, zich toegelegd op de beoefening ervan heeft hij toch niet gedaan. Zoals meestal de schilders uit zijn tijd heeft hij het aan beroepsgraveurs overgelaten zijn 'inventies' in het koper te steken. Met dit verschil, evenwel, dat hij deze 'inventies' zodanig tekende dat zij naar zijn vormgeving en zelfs, waar de graveur ze zoveel mogelijk heeft geëerbiedigd, naar zijn hand, konden nageburineerd worden.
 
Bruegel heeft slechts één zijner prenten zelf uitgevoerd nl. de hier gecommentarieerde 'konijnenjacht'. Hij heeft te dier gelegenheid niet de burijngraveerkunst gekozen, maar wel de ets, die hem toeliet met een stift - met een naald - door een dunne vernislaag heen zijn compositie tot op het koper te tekenen en daarna door een zuur te laten uitbijten. Dat gebeurde in 1566, toen hij reeds drie jaar te Brussel woonde, waar hij in 1563 trouwde met 'Mayken Cockx' de dochter van zijn vroegere leermeester, Pieter Coecke van Aalst. In 1566, drie jaar vóór zijn dood, hadden Bruegels scheppingsgenie en uitdrukkingstalent hun volle macht bereikt. Het geetst landschap met de konijnenjacht heeft aan dat groeiend meesterschap zijn merkwaardige schoonheid te danken.
 
Ongetwijfeld moet deze prent, als ets, gewaardeerd worden naar de tijd waarin zij geschapen werd en niet naar de geleidelijk verworven technische middelen die de ets later tot een specifiek oorspronkelijke kunstvorm zouden verheffen.
 
Ten tijde van Breugel was in onze gewesten de etskunst nog in wording. Zij werd toen aangewend door de schilders om eigenhandig en vrij hun tekeningen op de metalen plaat te brengen en te laten vermenigvuldigen. Die kunstenaars dachten er toen over 't algemeen nog niet aan stiften te variëren naar gelang van de breedte of fijnheid van de lijnen waaruit hun tekening bestond ; evenmin schijnen zij de mogelijkheid te hebben bevroed om door opeenvolgende afdekkingen en bijtingen diverse keurintensiteiten te bekomen. Waar het niet enigszins vermeden werd door ophoping en doorkruising van modelerende arceringen of andere waarde-bepalende lijnen, bleven deze etsen over 't algemeen 'eentonig' zwaar of licht van uitzicht.
 
Aangenomen dat ook Bruegels ets, 'De konijnenjacht', die technische ontoereikendheden laat blijken, dan bewijst hij daarbij toch merkwaardigerwijze, dat het resultaat van een kunstwerk uiteindelijk afhangt van de manier waarop en van de macht waarmede een gevoelig scheppende hand een gekozen uitdrukkingsmiddel aanwendt. Zo dankt de geëtste 'Konijnenjacht' haar zeldzame en treffende schoonheid o.m. aan het feit dat zij de uitzonderlijke hoedanigheden van Bruegels tekeningen bezit. Bijzonder boeiend en aantrekkelijk is het in dit opzicht waar te nemen hoe Bruegels hand gehoorzaamt aan zijn subtiel gevoelig oog; hoe zij de verscheiden lichtwaarden van een natuurtafereel vermag op te wekken; hoe zij het boomgebladerte omschept tot trillende lichtvolumes; hoe zij, met enkele, raak gevoelig aangelegde en doorgehaalde lijnen, soms met haast schuchtere trekjes, meermaals onderbroken en tot stippeltjes herleid waar zij door verblindende klaarten geabsorbeerd worden, het oog naar geleidelijk minder zichtbare verten leidt, hoe zij, elders, met zwaarder door elkander gewerkte arceringen en lijnen, de onmiddellijker nabijgelegen of beschaduwde natuurelementen op hun juist plan brengt. Samen dienen geest, hand en oog elkander, om het Bruegel mogelijk te maken, hier zoals in al zijn soortgelijke landschaptekeningen, een door hem ontworpen natuurtafereel tot een levendige kunstrealiteit - tot een kunstschepping - uit te werken. Een vrije, loutere kunstschepping is deze ets inderdaad, een schepping waarin bergachtige fragmenten, zuidelijke gebouwen, Vlaams-Brabantse stadssilhouetten en vlakten elkander als het ware in een natuurlijk samenhorend geheel aanvullen. Ten slotte wekken Breugels landschappen een stoïcijnsch gevoel op, ontzag voor de onverbiddelijke oppermacht van de natuur waaraan ook de mens is onderworpen.
 
 
Prof. Dr. L. Lebeer, Vast Secretaris Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België.