U bent hier

Onbekend Meester - Apostelen Jacobus en Andreas

Onbekend Meester - Apostelen Jacobus en Andreas

De twee genoemde en gereproduceerde apostelen zijn willekeurig gekozen uit een reeks van dertien beeldjes, die ongeveer even hoog zijn. Hun artistieke kwaliteit is bijna evenwaardig. Zij zijn afkomstig van een apostelbalk en behoren nu tot een apostelgang. De apostelbalk is in een kerk of kapel een balk waarop de twaalf apostelen zijn voorgesteld. Het is geen willekeurige balk in de kerk, maar wel de balk waarop zeer vaak ook het triomfkruis, met O.-L.-Vrouw en St.-Jan voorkomen, aangebracht in de triomfboog, die het koor van het overige deel van de kerk afsluit. Die afsluiting in de kerk tussen de plaats van de geestelijken (het koor) en van de leken, bestond reeds in de eerste eeuwen van het Christendom. Triomfkruis en apostelbalk maken dikwijls één sculpturaal geheel uit. De apostelgang of apostelgalerij is wellicht zeer nauw verbonden met de apostelbalk. Het is de afsluiting van het koordoksaal dat in de triomfboog voorkomt, voorzien van nissen waarin apostelen en ook wel andere heiligen die het woord Gods verkondigd hadden werden geplaatst. Noch de plaats van het doksaal noch de voorstelling van die heiligen moet ons verwonderen, want het koordoksaal ontwikkelde zich uit wat wij de preekstoel zouden noemen. Die stond zeer dikwijls vooraan in het midden van de kerk tussen het kerkdeel der geestelijken en der leken. In een aantal kerken bleef de apostelbalk behouden en kende men geen apostelgalerij. Wie de kerk van Ellikom, een kleine gemeente in Noord-Limburg, bezoekt, zal zien dat achteraan in de nieuwe kerk een oude doksaalafsluiting opnieuw gebruikt werd en dat in haar nissen dertien beeldjes zijn aangebracht. Daarbij rijzen onmiddellijk enige problemen: de apostelgalerij komt in Limburg minder voor dan de apostelbalk. Deze laatste treft men onder meer aan in de kerk van Heisden, Hechtel, Neeroeteren, Eksel (Hoksent) en Berg. De beelden van de apostelgalerij van Ellikom behoorden oorspronkelijk tot een apostelbalk, want de doksaalafsluiting is van latere datum dan de beeldjes die trouwens veel te klein zijn voor de nissen waarin zij staan. Het is niet onze bedoeling hierop verder in te gaan, maar wel er uw aandacht op te vestigen. Apostelbalken werden wellicht reeds vanaf de Xle eeuw gemaakt voor Italiaanse en een weinig later ook voor Duitse kerken. De Limburgse exemplaren dateren uit de XVe en XVIe eeuw. De symbolen of hoofden van de apostelen werden op de balk geschilderd zoals men in de kerk van Berg ziet, of in reliëf gebeeldhouwd zoals in het fragment van de Maaslandse apostelbalk, dat te Antwerpen in de Oudheidkundige Musea bewaard wordt toont. Later werden rondplastische beeldjes in nissen in de balk gebeiteld, afzonderlijk opgesteld, of boven op de balk geplaatst. Opvallend is dat de apostelen meestal niet alleen zijn voorgesteld. Men treft ze aan samen met de Madonna en het Kind (Duitsland) of met Christus als Zaligmaker, met een wereldbol op de hand, die in hun midden staan. Dat iconografisch thema heeft een betrekkelijk eenvoudige verklaring. De Zaligmaker, het Latijn spreekt van Zaligmaker van de wereld, 'Salvator mundi', heeft zijn opdracht vervuld door de onmiddellijke medewerking van de apostelen in de eerste plaats. Vandaar dat Christus te midden van de apostelen voorgesteld wordt. Waar de 'Salvator mundi' vervangen wordt door de Madonna, de moeder van God, moet men haar zien als het bindteken tussen Christus en de wereld. De apostelbalk, de steunbalk zelf van het triomfkruis, is een aanvulling op de symboliek van de verlossing. Dergelijke symboliek was in de middeleeuwen niet ongewoon. Nochtans heeft de apostelbalk als onderdeel van de verlossingssymboliek als dusdanig slechts een beperkte verspreiding gekend. In de Nederlanden heeft hij vooral in de Maasstreek in de XVe en de XVIe eeuw ingang gevonden. In de Limburgse beeldhouwkunst komt alleen de Zaligmaker met de apostelen voor. Die Limburgse apostelbeeldjes en de andere Limburgse christelijke beeldhouwkunst zou ten dele afkomstig zijn uit lokale beeldhouwateliers die meer onder Duitse dan onder Brabantse invloed werkten. Dat is een veronderstelling van de kunsthistorici om de overvloedige Limburgse beeldhouwkunst uit de XVe en de XVIe eeuw te kunnen verklaren, want met name kent men nauwelijks één beeldhouwer, Jan van Steffensweerd, rond wiens naam in de zomermaanden na de tentoonstelling van 'Gewijde kunst in Limburgs bezit' in het provinciaal Begijnhof te Hasselt een tentoonstelling werd georganiseerd. Naast het atelierwerk, dat wel enigszins als een soort van industriële produktie gezien moet worden, waardoor de artistieke kwaliteit vaak niet meer de eerste zorg van de kunstenaar was, bezitten de Limburgse kerken werken van uitzonderlijke artistieke kwaliteit. De apostelbalk van Ellikom mag tot het verdienstelijk atelierwerk gerekend worden. Naar alle waarschijnlijkheid waren de beeldjes oorspronkelijk gepolychromeerd, hoewel van de beschildering geen sporen zijn overgebleven. Het oude gebruik de beeldjes te schilderen, was in de XVIe eeuw nog niet uitgestorven, zeker niet bij beelden in de traditionele kunststijl, zoals hier het geval is. Het schilderen van beelden werd trouwens meer betaald dan het snijden zelf; dat bewijst hoeveel belang aan de polychromie gehecht werd, iets wat wij steeds hebben onderschat. Heeft men een aantal beelden niet zo mooi willen oppoetsen dat alle verf is weggenomen en men op het hout kijkt zoals te Ellikom? Weliswaar blijven de vormen bewaard, maar het verwijderen van de kleur is in feite een verminking geworden. Andere beelden van Limburgse apostelbalken (bv. te Hoksent - Eksel) zijn nog overvloedig gepolychromeerd. Zij tonen echter niet meer de oude polychromie maar een recente overschildering door een lokale schilder aangebracht om de beelden op te frissen, waardoor ze nog nauwelijks aan hun oorspronkelijke staat herinneren. Het beschilderen op een volkse manier is echt en moet gewaardeerd worden. Waar het echter om het nabootsen van de oorspronkelijke polychromie gaat staan we voor valse beelden. Te Ellikom, waar de polychromie verdwenen is, zijn de apostelbeelden enigszins los van de gemeenschap waartoe ze behoren, als museumvoorwerpen opgesteld. We moeten ze als dusdanig dan ook bekijken. Uit de tijd van de beeldjes van Ellikom dateert ook het beeldje van de H. Magdalena dat in de derde jaargang van Openbaar Kunstbezit besproken is, en waarvan we weten dat het geen atelierprodukt, maar van Jan Borman is. Het vergelijken van de soepelheid van de plooien van de kledij, van de gelaatstrekken, de handen, en de weergave van het haar, maakt onmiddellijk duidelijk dat er een kwaliteitsverschil is tussen dat beeld en de apostelen van Ellikom. De kleinste details verraden dat nog het meest; zie bv. hoe groot de voet van de H. Andreas is en hoe houterig de plooi van het onderkleed er op neervalt. Ontgoochelt die vergelijking ons? Ze leert ons kijken, en kijkend kunnen we toch maar zien en ervaren. De vergelijking mag geen vooroordeel in ons opwekken. Leggen we de H. Magdalena even terug terzijde: de H. Andreas, die we herkennen aan het kruis dat hij vasthoudt, staat voor ons als een stoer man, met vastberaden houding. Het beeld heeft een monumentaal karakter, is groots opgevat, schijnt veel groter dan het in werkelijkheid is. Bedenken we daarbij dat het hoog opgesteld stond en van onderuit bekeken werd. Terecht mogen we ons afvragen of het wel de bedoeling van de kunstenaar was een zeer verzorgd beeld te maken. Heeft hij niet juist, omdat het van op afstand bekeken diende te worden, met grote vlakken gewerkt, ruwer in het hout gesneden? Treedt het beeld van de H. Jacobus, met het grote mes als attribuut, niet op dezelfde manier naar voor; iets minder monumentaal als beeld en daardoor enigszins anders van karakter? De houding van het lichaam en het wat schuine hoofd, zijn van een man met een zachter karakter. Hij is ontegensprekelijk een andere persoonlijkheid dan Andreas. De kunstenaar heeft bewust gestreefd naar individualisering van de figuren. Uit het detail van het hoofd blijkt dat zeer goed, en bovendien zien we dat de rimpels op het voorhoofd, boven en langs de neus, aan de ogen en de krullen van haar en baard ruw zijn weergegeven. Dat kan het gevolg zijn van het vlugge en wat minder verzorgde atelierwerk, waarbij de beeldhouwer voorzeker toch voor ogen had dat het van op afstand niet zou storen. Hoewel een aantal figuurtjes van deze apostelbalk mannen met baarden voorstellen is dat voor de kunstenaar geen aanleiding geweest om er op elkaar lijkende personen van te maken en ook al lijken ze van nabij bekeken wat grof, toch vertonen zij van op afstand een gevarieerd en sierlijk geheel, zonder dan tot het hoogste vlak van de kunst te behoren. In deze korte beschouwing zijn twee eenvoudige beeldjes aanleiding geweest om de sluier van de kunstgeschiedenis even op te lichten en zagen we hoe die apostelen kunnen bekeken worden, vanuit welke achtergrond en in welke context, zonder daarbij de esthetische waarde te vergeten; ook die spreekt gemakkelijker aan naarmate we andere aspecten benaderen.