U bent hier

Onbekend Meester, 14de eeuw Grafplaten van Willem Wenemaer en van Margarete Sbrunen

Onbekend Meester, Grafplaten van Willem Wenemaer en van Margarete Sbrunen
Deze monumentale koperen grafplaten waren aanvankelijk ingelegd in de stenen grafzerken van Willem Wenemaer en van zijn echtgenote Margarete Sbrunen. Wenemaer was een rijke lakenhandelaar, lid van een aanzienlijke patriciërsfamilie uit Gent. In die stad, waar het patriciaat in de eerste decennia van de veertiende eeuw machtig bleef, zou Wenemaer een belangrijke rol spelen. Spanningen tussen Vlaanderen en Frankrijk, tussen het patriciaat en het volk, beheersten toen het politiek klimaat te Gent. Wenemaer zou er in diverse hoedanigheden en omstandigheden herhaaldelijk bij besprekingen en beslissingen actief betrokken zijn. Men zou hem zien optreden als halleheer, schepen, eerste schepen en, van 1321 of 1322 af, als een der vijf hoofdmannen die de graaf van Vlaanderen in Gent had aangesteld en aan wie een vrij uitgebreide macht was verleend geworden. Wanneer van kust-Vlaanderen en Brugge uit de opstand, die tegen de jonge Lodewijk van Nevers was gericht, zich uitbreidde, schaarde Gent zich aan de zijde van de graaf. In de zomer van 1325 hadden de opstandige Bruggelingen Deinze bezet. Aan het hoofd van de Gentse militiën rukte Wenemaer naar Deinze op. Wanneer hij de Bruggelingen de overtocht van de Leie aan de Rekelingsbrug wilde beletten, kwam het op 5 juli 1325 tot een heftige strijd. Wenemaer, die een reus van een man was, van wie de kracht en dapperheid legendarisch waren, werd daardoor wellicht het mikpunt van de aanvallen. Met een vijfentwintigtal van zijn mannen sneuvelde hij in de strijd. Hij bezweek, het wapen in de hand, zoals hij op zijn graf staat afgebeeld. Op zijn faam als krijger zinspeelt nog het opschrift dat op zijn zwaard te lezen staat : 'horrebant dudum reprobi me cernere nudum', hetgeen, vrij vertaald, betekent : 'zij werden met schrik en ontzag vervuld, de bozen, wanneer zij mij (het zwaard) uit de schede zagen'. Willem Wenemaer werd te Gent begraven in het Sint-Laurentiushospitaal dat hij, samen met zijn echtgenote, aan het Sinte-Veerleplein twee jaren tevoren gesticht had. Zijn weduwe zou in 1330 het zuster-habijt aannemen en tot aan het einde van haar leven in 1352 de leiding van die stichting in handen houden. Uit dit Sint-Laurentiushospitaal, beter bekend als Wenemaershospitaal, zijn beide grafplaten dan ook herkomstig. Zij zijn kostbare overblijfselen van een bijzonder type van grafmonumenten dat in onze gewesten, vooral in de veertiende en de vijftiende eeuw, bijzonder in trek was gekomen. Die koperen grafplaten werden niet alleen bij ons gebruikt, doch ook, en dan meestal via Brugge, uitgevoerd. Zo komt het dat zulke werken aangetroffen worden van in Portugal tot in Zweden en Noord-Schotland toe. Hetgeen van die laatmiddeleeuwse platen bewaard bleef, is slechts een zeer gering deel van de totale voortbrengst. Er ging bij ons ontzettend veel verloren omdat zowel het dure koper als de grafstenen zelf, na verloop van een zekere tijd, dikwijls gerecupereerd en tot nieuwe doeleinden omgewerkt werden. De beeldenstorm, de gevolgen van de Franse revolutie, de onkunde en de nalatigheid brachten daarenboven ook zware verliezen toe. In Engeland, waar veel koperen grafplaten gemaakt of uit Vlaanderen ingevoerd werden, zijn de geleden verliezen eveneens groot. Hier waren de voornaamste oorzaken de religieuse woelingen van de zestiende eeuw en later de Engelse burgeroorlog. Zo weet men bijvoorbeeld dat in het graafschap Suffolk, waar nog tweehonderd en elf platen aanwezig zijn, in 1643 en 1644 honderd tweeënnegentig 'brasses', d.i. de naam die de Engelsen aan deze koperen grafplaten geven, vernield werden. Toch heeft Engeland, ja het graafschap Norfolk alleen reeds, meer koperen grafplaten bewaard dan het hele continent. De Wenemaerplaten zijn de vroegste koperen grafplaten die in ons land behouden bleven. Slechts enkele exemplaren in Duitsland en Engeland zijn nog ouder. Het waren dezelfde ambachtslieden die, naargelang de voorkeur of de middelen van de bestellers, zulke monumenten uitsluitend in steen, of in steen met ingelegde koperen plaat uitvoerden. De kwaliteit van de Wenemaerplaten getuigt van een volkomen beheersing van de techniek van het graveren in koper, zodat mag verondersteld worden dat men te Gent op dat ogenblik niet meer aan de eerste proefstukken was. Wat hiervan ook zij, het dient beklemtoond dat de vele monumenten met gegraveerde figuren, zij wezen in steen of in koper, samen een al te zeer veronachtzaamde en toch merkwaardige categorie middeleeuwse kunstwerken uitmaken. Daar hun karakter volkomen afhankelijk is van de expressiviteit van de lijn, behoren ze eerder tot de grafiek en tekenkunst dan tot de eigenlijke beeldhouwkunst. Wenemaer is hier niet afgebeeld als een liggende overledene met gevouwen handen, zoals het meestal voorkomt, maar als een staande levende ridder. De rechterhand houdt de greep van het geheven zwaard stevig omklemd, de linker houdt ter hoogte van de gordel het hartvormig schild met het wapen van de Wenemaers. Het onbedekt hoofd is voor driekwart naar links gekeerd, de open ogen staren stout voor zich uit en het haar golft sierlijk om het hoofd. De plooi van de mond, de wijze waarop voorhoofd en wenkbrauwen zijn gefronsd dragen bij tot de indruk van vastberadenheid en moed die uit dit gelaat spreekt en die ook in de prachtige expressieve handen voelbaar is. Een portret, in de betekenis van gedetailleerde realistische weergave van een fysionomie, moet niet verwacht of gezocht worden in die tijd. Van het meesterschap en talent van de kunstenaar getuigt echter de wijze waarop hij niettemin een indrukwekkend moreel portret van zijn personage vermocht uit te beelden èn door de uitdrukking van het gelaat en van de handen, èn door de fiere allure van de gehele figuur. Tegen de donkere grond van de verloren gegane grafzerk moest die glimmende gestalte zich heerlijk aftekenen. De lichte golving van de silhouet beantwoordt aan de conventies van de gracieuze veer-tiende-eeuwse heupstand der figuren. Die werd hier evenwel derwijze aangewend dat niets als conventioneel wordt aangevoeld. Het detail van de wapenrusting, van de maliënkolder die onder de wapenrok gedragen wordt, en van de plooienval van deze laatste (waarvan ongelukkig aan de rechterzijde een fragment verloren is gegaan), is zo feilloos getraceerd dat men ook hierin een uitzonderlijk talent herkent. De We-nemaerplaat is een meesterwerk van middeleeuwse grafiek en een der allerschoonste grafmonumenten die uit die jaren bewaard bleef. Hoewel ze meer conventioneel van houding en minder indrukwekkend van voorkomen is, vindt men veel van de kwaliteiten van de Wenemaerplaat terug in de afbeelding van zijn echtgenote Margarete Sbrunen. Het is in feite onzeker of beide beeltenissen oorspronkelijk in éénzelfde grafsteen waren ingelegd en het is hier niet de plaats om dat punt te onderzoeken. Ook in de grafplaat van Wenemaers vrouw, zij weze pas in 1352 bij haar dood uitgevoerd of door de afgebeelde zelf tijdens haar leven besteld, zoals in die tijden dikwijls geschiedde, - vindt men die zekerheid en zuiverheid van lijn, die ons in de Wenemaerfiguur zelf zozeer treffen. De vrome dame houdt de handen gevouwen vóór de borst, zoals bij grafbeelden gebruikelijk was. Zij is in een wijde mantel gehuld die de voeten bedekt en waarvan de plooien over de linkerarm zijn opgehouden. Een sluier is als een kap over het hoofd geslagen en boven het hoofd met een speld bevestigd. De soepele plooien van de neerhangende panden van de sluier en van de mantel kronkelen sierlijk binnen de gesloten en bijna symmetrische silhouet van de hele gestalte. De plaats waar deze grafplaten thans te zien zijn, namelijk de oude refter van de Bijloke-abdij, is bijzonder geschikt om te laten aanvoelen hoe die unieke werken algemene trekken vertonen die niettemin voor de stijl van hun tijd bijzonder kenschetsend zijn. Die algemene trekken vindt men immers terug in de oude wandschilderingen die de Bijloke-refter versieren en die precies uit dezelfde tijd dagtekenen als onze grafplaten. De sierlijke, sobere, expressieve lijn overheerst inderdaad ook in die wandschilderingen zoals in zoveel werk uit die tijd. De afstand is niet groot tussen de golvende lijnen van de plooien in de mantel van de machtige Sint Christoffel of Sint Jan de Doper op de westmuur van de refter en de plooien in de mantel van Margarete Sbrunen, tussen de houding en de silhouet van deze Heiligen, hun fors getekende handen en de houding en handen van Wenemaer, tussen de wijze waarop de neus en de ogen met enkele gebogen trekken zijn aangegeven en die waarop neus en ogen van Wenemaer en zijn vrouw zijn gegraveerd. De schilder die deze wandschilderingen heeft uitgevoerd kan best in zijn tijd ontwerpen hebben getekend voor grafplaten, waarvan de schoonheid misschien zou hebben geconcurreerd met die van de werken van de auteur of van de ontwerper van onze Wenemaerplaten, zij het nog dat, zoals bij de Heiligenfiguren van de Bijloke-refter, er misschien een minder gespannen en meer dromerige indruk van zou zijn uitgegaan. Met de miniaturen van het missaal van de Sint-Pietersabdij, dat in hetzelfde Bijlokemuseum berust, zou men de vergelijking kunnen doorvoeren. In dit werk van zeer hoge artistieke kwaliteit, dat enkele decenniën ouder is dan onze grafplaten, behoort de lijn en het contour ook reeds tot de essentiële componenten van de stijl. Doch hier vindt men de lijn niet, of nog niet aangewend als element van speelse elegantie terwille van haar golvende gratie zelf, de gewaden nog niet 'gestileerd tot zachte melodie van lieflijke curven' (A. Vermeylen). Deze neiging, die eigen is aan een bepaalde faze in de ontwikkeling van de late gotiek, bespeurt men wel in de wandschildering van het Laatste Avondmaal, o.m. in de haarlokken van de Apostelen of in het plooienspel van de gewaden van de reeds genoemde grote Heiligenfiguren. Ook in onze grafplaten, die nochtans weinig hebben van laat-go-tische aanminnigheid of van hoofse gekunsteldheid, komt diezelfde neiging toch enigszins door. Men zie het plooienspel van de gewaden en zelfs de soepel- en sierlijk-golvende haarlokken van de koene Wenemaer. Helpen deze vaststellingen tot het beter situeren van die grafplaten in de geschiedenis van de veertiende-eeuwse kunst, zij mogen ons niet afleiden van de intrinsieke waarde van het werk, van het beschouwen van de unieke grootheid en sobere harmonie van elk van die figuren op zichzelf.