U bent hier

OKV plus 2002.1

OKV plus 2002.1

 


INHOUD

·         Musea:  Guns Down

·         Publiek en Museum: Schatten en mysteries op de zolder

·         Expo:

          -  dead.lines, media en propaganda in de twintigste eeuw

          -  De vrouw in de prehistorie

          -  Reve, Revisten, Revisme, Reviana, .. ...

          -  Brugge 1902. Revisited.

          -  Rik Wouters

          -  Van Gogh en Gauguin samen in één huis

·         Undercover: Over Spino Dino en de anderen

·         Informatief: Het handboek van de kunstenaar

·         In de kijker: Een nieuw elan voor het Oudenaardse stadhuis

 


MUSEA: GUNS DOWN

 

 

De ‘Grooten Oorlog’ is enorm in trek. Vooral dan de plaatsen waar hij heeft gewoed. Allerlei musea en monumenten houden de herinnering levend en lokken jaarlijks duizenden bezoekers.

 

 

Ik vroeg  me al langer af waarom  deze streek zo'n aantrekkingskracht uitoefent op al die mensen,  dus trok ik op een mooie maar drassige donderdag  naar de Westhoek.

 

Als uitgangspunt koos  ik leper, hoe kan het ook anders. Als er één stad  symbool  kan staan voor 'oorlog  en lijden', is het leper wel. je maakt het niet alle dagen  mee, een stad  die een kopie is van zichzelf. Het is gewoon onvoorstelbaar dat hier 8o jaar geleden niets meer overeind stond.

 

Buiten een stukje van het Belfort en de  Lakenhallen. Als een sinister teken  des doods temidden het puin.

 

 

Aangrijpend

 

In diezelfde, heropgebouwde, Lakenhallen bevindt zich nu het 'In Flanders Fields'­ museum. On dertussen al een begri p. Jaarlijks door honderdd uizenden, vaak Engelsen, bezocht.  Alle middelen worden  er benut om je onder te dompelen  in een ervaring die je niet licht vergeet. Welgekozen tekstfragmenten, filmpjes, geluidseffecten, foto's, voorwerpen... werkelijk alles kom je hier tegen.  Mooi is dat men er voor gekozen heeft het verhaal  van de gewo ne mens in de oorlog te verte llen, en niet het zoveelste heldenverhaaL

 

Aangrijpend, dat is het juiste woord. De afdeling waar de gasaanvallen belicht worden  mist zijn effect niet: om de zoveel tijd vullen glazen  zu ilen zich met 'gas' en hoor je bijbehorende ge luidseffecten. Je staat er verbij sterd  naar te kijken. Idem in het zaaltje waar je enkele getuigenissen  kan  beluisteren over het  even  in de loopgraven. Door middel van film en lichteffecten komt dit alles wel héél dichtbij. De 'ontploffing' die om de zoveel tijd door het hallen knalt doet de rest. Maar het is nooit té. Sensatie is hier ver te zoeken, sereniteit is een veel betere omschrijving. Niet voor niets noemt men zichzelf hier 'vredesmuseum'.

 

 

Van heuvel naar heuvel

 

Wie echt een indruk wil opdoen  van hoe het er hier tijdens die oorlogsjaren aan toe ging verlaat best leper in de richting van Zillebeke. Hier kan je een klein parcours uitstippelen waarbij je alle 'belangrijke' frontplaatsen kan aandoen. Tijdens vakanties en feestdagen doe je dat best  niet, het is er dan veel te druk. Wie kan kiest best een doodgewone weekdag, je bent dan op de meeste plaatsen alleen. Wie naar de slag­ velden  trekt  doet dat best  een beetje voor­ bereid. Een goede gids en een topografische kaart  (1/50.000) zijn onontbeerlijk.

 

Bedenk ook dat vele monumenten en overblijfselen zich op privé-terrein  bevinden. Enig respect voor de huidige eigenaar kan nooit kwaad. Enig respect voor gevonden voorwerpen ook niet, trouwens. Het is onvermijdelijk in deze streek: hier zit zoveel tuig  in de grond dat er af en toe  wel iets naar boven gehaald wordt.

 

Eén gouden regel: raak nooit oude  munitie aan! Indien u dat wel doet zou uw bezoek wel eens een stuk levensechter kunnen worden  dan voorzien.

 

Ik koos bij mijn bezoek voor de kleinere, vaak minder bekende musea  in een straal van ongeveer 15km rond leper. Ze liggen naast of op een slagveld van weleer  en zijn in privé-handen. Toch worden ze druk bezocht. Niet altijd ten onrechte, zo blijkt.

 

 

Hill60

 

Hill 6o is een heuvel  nabij Zillebeke, die tussen 1915 en 1918 een paar keer fel bevochten werd,  onder andere door middel van mijnen, die onder de vijandelijke stellingen werden  geplaatst. Ter plaatste, op de heuvel,  merk je dadelijk waarom.  Van hieruit heb je een duidelijk overzicht op heel de omgeving,  leper in begrepen.

 

Wie nu Hill 6o bezoekt, heeft  nog een  heel klein beetje een indruk van hoe totaal de verwoesting hier ooit is geweest.

 

Een pokdalig landschap met hier en daar restjes bunker en middenin een  monument.

 

Bedrieglijk stil is het hier, vredig. Ooit was het anders. Tegenover dit bewaarde stukje slagveld  ligt het Hill 6o-museum.  

 

Nouja.  

 

Een café  met museum  is een betere omschrijving. Bij het binnenkomen ben ik er alleen, op de totaal apathische café-uitbater na. Wanneer ik hem vraag of ik het museum kan bekijken komt de man tot  leven. Ik moet wel even geduld oefenen, want een mitrailleur op driepikkel verspert de weg en moet eerst even  met vereende krachten  opzij gesleurd worden.

 

Wat je daarna te zien krijgt tart elke verbeeld ing.

 

De vroegere huiskamer werd  omgedoopt tot  museum, ergens in de vroege jaren '50 denk ik. Sindsdien is hier niets, maar dan ook niets meer aan gewijzigd. Behangpapier rafelt van de muur, de vochtgeur is haast niet te harden. Waarschijnlijk heeft  de eigenaar ooit te maken gehad  met diefstallen, want alles wat niet achter glas gestopt zit, werd zeer stevig aan de ketting gelegd, of beter, aan de elektriciteitsdraad.

 

De geweren zelfs achter kippengaas!

 

Dit geheel gekruid met de nodige horrorbeelden aan de muur.            

 

Je kan ook naar boven,  op gevaar van eigen leven althans.  Alles is zo door en door aangetast door vocht dat een bezoek aan dit 'museum' een frontervaring op zich is. Over het binnenkoertje met allerlei roestig oorlogstuig wil ik het dan nog niet hebben, temeer daar het dak daar op instorten staat!

 

 

Verslavend

 

Héél anders is de sfeer op Hill 62.

 

Dit Sanctuary Wood was eveneens een zeer druk bevochten stukje land. Hier kan je nog steeds stukjes loopgraven gaan bekijken. Ze liggen er nog net zo bij als toen,  modder en drassigheid in begrepen. Indrukwekkend is het wel. Ik probeer me voor te stellen  dat in dergelijke modderpoelen  en naargeestige schuilplaatsen mensen  maandenlang hebben geleefd, maar eigenlijk heeft  dat geen zin, het is gewoon niet voor te stellen. Bij deze loopgraven hoort ook een museum.

 

Ook hier weer massa's oorlogstuig, zij het dan veel beter bewaard en voorgesteld dan daa rstraks. Maar dé attractie, althans voor mij, zijn de kijkkastjes. Een soort  houten kastjes, waarin je naar stereoscopische beelden van het front kan kijken. Vanaf 1919 kwamen  ze overal  in de streek voor, als tegemoetkoming aan zij die de strijd niet hadden meegemaakt maar toch  de sfeer van het slagveld wilden snuiven.

 

Verslavend zijn die dingen. Van kastje naar kastje ga je. De kwaliteit van deze foto's is zeer hoog, wat je te zien krijgt heel verschillend. Van algemene zichten over het slagveld tot de gruwelen  in de loopgraven, van de hoge officieren die in nette uniformen thee staan te drinken tot de simpele soldaat die crepeert in de modder. Fraai is het allemaal niet, maar je blijft wél kijken.

 

Een bezoek waard, dit museum. Al heb je best een reisgids voor de streek mee, want over de site en wat zich hier allemaal heeft afgespeeld kom je haast niets te weten.

 

Dat honderd  meter verder een enorm Canadees monument ligt vanwaar je een machtig uitzicht hebt over de streek staat hier ook nergens vermeld.

 

En ook voorzichtig te zijn, trouwens!.

 

Het terrein is wel afgesloten door middel van prikkeldraad  (!), maar daar wandel je zo overheen. De sfeer is er troosteloos, de bodem drassig en aartsgevaarlijk. Hier bevinden zich nog oude loopgraven en schuilplaatsen, half onder gelopen  en overwoekerd. ln het midden van het toch vrij uitgestrekte terrein  ligt een enorme mijnkrater,  nu helemaal volgelopen.  Ook ligt hier nog ergens de toegang naar de Frauenlobmijn, met daarin de lichamen van een onbekend aantal Duitse soldaten.

 

Het terrein is bezaaid  met verroeste granaten, zo maar voor het oprapen.  Met alle gevaar van dien. Het wapentuig dat ik zag liggen was ongevaarlijk (denk ik toch!), maar god weet wat hier onder het gebladerte ligt. Als het u niets uitmaakt,  geef ik de naam van deze  plek liever niet, kwestie van niemand op ideeën te brengen. Ik besluit niet verder in deze woestenij door te dringen. Het heeft  opeens ook iets oneerbiedigs, het voelt aan alsof je hier de rust komt verstoren.

 

 

Over oorlog en Diggers

 

Niet zo ver van Sanctuary Wood ligt het Hooge Cratermuseum. 'Het beste privé­museum van de streek' staat op de folder. Het klopt. Over de opstelling van de stukken is duidelijk nagedacht en het geheel  oogt zeer verzorgd. Door middel van duidelijke diorama's ko men verschillende  aspecten van het frontleven aan  bod; meteen wordt de functie en het doel van bepaalde voorwerpen ook een stuk duidelijker. De kijk­ kastjes zijn hier vervangen door een video met bondige maar zeer degelijke commentaar in het Nederlands en het Engels.

 

Een aparte zaal is gewijd aan de Diggers, een groep  amateur-archeologen die overal in de streek op zoek gaan naar restanten uit de Eerste Wereldoorlog.  Of het allemaal zo ongevaarlijk  is als het lijkt laat ik hier in het midden, maar de kleine tentoonstelling wasin elk geval zeer interessant.

 

 

Troosteloos maar aartsgevaarlijk

 

Via die Diggers kom ik trouwens ook te weten dat tot halfweg de jaren tachtig er ook nog een vierde museum bestond, in Wijtschate.  ln een bosje liggen de restanten van wat ooit een museum was.  De eigenaar overleed ha lfweg de jaren tachtig en de erven raakten het niet eens over de nalatenschap. Sindsdien staan de gebouwen er leeg en vervallen bij. Ik kan er gerust gaan kijken, als ik maar voorzichtig ben.

 

Ik hoor de plicht roepen en na een korte rit en serieus  zoekwerk ter plaatse sta ik voor het bewuste stukje  groen.

 

Uitnodigend oogt het (gelukkig!) niet, maar ik besluit toch maar de boel te gaan verkennen.

 

 

Velden van eer

 

Wie de streek rond leper gaat bezoeken, kan niet voorbij de vele begraafplaatsen. Het la ndschap  is er letterlijk mee bezaaid. Overal zie je de groene bordjes die je naar één of ander kerkhof lei den, vaak temidden van uitgestrekte akkers.  Hier een keuze uit maken valt niet mee, dus pikte ik er de twee grootste uit, netjes verdeeld onder beide partijen: Langemark en Passendale dus.

 

 

'Mein kind ist hier begraben...'

 

Het Soldatenfriedhof Langemark is de laatste rustplaats van zo'n 45.000 Duitse soldaten. Ze liggen hier begraven onder reusachtige eiken en temidden van de bunkers van de Langemark Linie. Zo'n 25.000 van hen in één enkel massagraf.

 

Om stil van te worden. Ze worden  betreurd en beweend door de vier soldatenfiguren van Emiel Krieger.

 

Op dit kerkhof rusten ook zo'n 3000 studentenvrijwilligers, veelal jonge knapen die door hun leraren  en rectoren ertoe  waren aangezet om te strijden  in een 'heilige oorlog'. Waar hebben we dat nog gehoord?

 

Ze kwamen  allemaal om, in een veel te professionele oorlog.  Nu nog spreekt men van de 'Kindermord' van Langemark’. Er is een kleine kapel bij de ingang aan hen gewijd, hun namen staan er vereeuwigd in houten panelen.

 

 

We will remember them

 

Geheel anders  van sfeer, maar even en orm en indrukwekkend is de begraafplaats nabij Passendale. Het Tyne Cot Cemetery  is met zijn 12.000 doden en met zijn muur waarin de namen van 36.ooo vermisten het grootste Britse kerkhof ter wereld.  Merkwaardig  is dat bunkers  die hier temidden van de graven staan, Duitse bunkers zijn.  Ze werden  door de Canadezen  buitgemaakt. Het middelpunt van dit kerkhofwordt gevormd door één grote bunker, waarop het Cross of Remembrance is geplaatst, een vast gegeven op Britse begraafplaatsen. Errond liggen de graven  er wanordelijk en helemaal niet symmetrisch  bij. Ze werden  gelaten zoals ze op het veld werden gevonden, op hun originele plaats dus. Indrukwekkend, en vooral aangrijpend.

 

 

In vlaamse velden...

 

Een andere  druk bezochte begraafplaats is het Essex Farm Cem etery.  Niet omdat hier een bekend  iemand begraven ligt of zo, wél omdat hier vlakbij John McCrae op 3 mei 1915 zijn beroemde gedicht 'In Flanders Fields' schreef. Een gedenksteen naast de weg vermeldt  dit feit. Vlakbij kan je ook enkele bunkers  bekijken, van het type waar McCrae in verbleef. Hoewel dus niet de originelen, staat ernaast toch een klein Canadees monument. Van McCrae zelf geen spoor hier, de man ligt begraven te Wimereux in Frans-Vlaanderen. Hij overleed daar  in 1918, na een longontsteking. Maar zijn naam is natuurlijk onlosmakelijk verbonden aan deze streek.

 

 

Guns down

 

Het laatste wat  ik bezocht was  het Canadees monument tussen Langemark.en  Poel­ kapelle.  Hier liggen 2000  Canadezen begraven, die omkwamen tijdens de gasaanvallen van de Tweede Slag om leper. De gewone mensen waren slechts een speelbal temidden het verbijsterende geweld,

 

Wie hier niet van onder de indruk komt is wel héél taai. Een reusachtige soldaten figuur staat er met gebogen hoofd te treuren om zijn gevallen  kameraden.  Hij leunt daarbij op een omgekeerd geweer. Dit 'guns down'­ gebaar symboliseert bezinning en vrede.

 

Deze boodschap vind je trouwens overal terug in deze streek. De verwoesting was  er zo totaal en het geweld zo mensonterend brutaal geweest, dat de overlevenden het er roerend  over eens waren: dit mocht niet opnieuw gebeu ren. Op duizenden monumenten in de streek staat steeds weer deze  zelfde boodschap. Elke steen, elk graf, elk museum hier is ervan doordrongen.

 

Alleen jammer dat  mensen  soms  heel kort van geheugen zijn.

 

Michel peeters

 


Praktisch

 

IN FLANDERS FIELDS MUSEUM

Lakenhallen

Grote Markt 34

8900 leper

 

HILL 60-MUSEUM

Hill 6o

Zillebeke

Open tijdens de café-uren

 

SANCTUARYWOOD-MUSEUM

Canadalaan 26

Zillebeke

Open van 9.30 u tot zonsondergang

 

MUSEUM 'HOOGE CRATER'

Meenseweg 467

Zillebeke

Open van 10 tot 19 u


PUBLIEK & MUSEA: SCHATTEN EN MYSTERIES OP ZOLDER

 

 

Weet u wat een ‘Pillengift’ is? Of ‘Schijbier’. Waar, wanneer en hoe werden die dingen gebruikt? Klinken deze woorden bekend in de oren? Nee? Nochtans zijn het gewoonten en gebruiken die slechts dateren uit de 19e en 20e eeuw.

 

 

Onze grootouders  en overgrootouders kunnen on getwijfeld boeiende verhalen vertellen over de dingen uit hun jeugd, de dingen die de huidige kinderen en jongeren niet meer zu llen herkennen.  En toch zijn deze oude gewoonten niet verloren. Volkskundige musea, zoals Het Huis van Alijn te Gent, trachten de teloorgegane glorie van dingen uit het alledaagse leven anno 18oo of 1900 terug te  plaatsen en een betekenis te geven.  Alhoewel... aan alle dingen?

 

Sylvie d'Haene (conservator van Het Huis van Alijn): "Naar aanleiding van de reorganisatie van onze vaste collectie namen we terug een kijkje in onze grote reserve aan gebrui ksvoorwerpen in de kasten en zolders van het Huis. Door schenkingen heeft het museum sinds zijn ontstaan in 1932 een grote voorraad aan alledaagse gebruiksvoorwerpen uit de 19e en 20e eeuw opgebouwd. Al deze voorwerpen kennen een eigen geschiedenis, een eigen verhaal.”

 

 

Dus alles vond meteen een plaatsje in het museum?

"Niet echt. De meeste voorwerpen hebben we kunnen catalogiseren, maar er zijn andere waar we geen verhaal aan  kunnen vastknopen."

 

En dan heb je als optie?

“Ofwel kan je de wetenschappelijke literatuur raadplegen en op die manier alle gegevens bij elkaar puzzelen.”

 

Maar deze optie hebt u niet gebruikt?

“Om alles op te zoeken  in de literatu ur heb je een aantal vaste gegevens nodig. Van sommige voorwerpen kenden we de naam, maar niet de functie. Van andere de context maar niet de naam en het gebruik. Bovendien vind je in deze sector weinig literatuur over gebrui ksvoorwerpen uit een bepaalde eeuw.”

 

Dus werd er gekozen voor een heel nieuwe zienswijze?

“Tijdens de reorgan isatie groeide  het volgende idee: waarom  alles opzoeken als je de functie van de dingen uit eerste hand kan vernemen, namelijk van zij die deze objecten werkelijk ge bruikt hebben? We voelden dit aan  als een soort 'laatste kans', een laatste gelegenheid om te luisteren  naar de verhalen van mensen die in de tijd geleefd hebben waarin die voorwerpen nog hun nut bewezen. Zo is het idee van de identificatiekamer gegroeid.”

 

Wat houdt dat in?

“Deze kamer vormt een onderdeel van onze collectie. Je vindt er twaalf voorwerpen waarvan wijzelf de betekenis niet kunnen achterhalen. Door middel van fiches kunnen de bezoekers suggesties ma ken over de oorsprong, gebruik en naam van het voorwerp.

 

Onze kamer hebben we in september 2001 in gebruik genomen. Vervolgens hebben we in samenwerki ng met de krant 'De Gentenaar' een actie op touw gezet om de eerste twaalf voorwerpen en de spelregels te introduceren  aan  het publiek. Sinds november verscheen er telkens  een voorwerp met foto in de krant waarop het publiek kon reageren.”

 

Hoe was de respons?

“De reacties op onze kamer waren beter dan we verwachtten. We dachten  dat het publiek weinig interesse zou tonen voor oude en 'nutteloze' voorwerpen, maar gauw volgden de boeiende verhalen van grootouders en ouders over 'hun' tijd Via deze verhalen  hebben we maar liefst de functie van negen voorwerpen kunnen achterh alen. De betekenissen zagen we achteraf ook wetenschappelijk bevestigd.”

 

Wat is dan de volgende stap?

“We hebben  de drie ongeïdentificeerde objecten laten liggen en aangevuld met 9 andere onbekende voorwerpen. Het publiek mag weerom  suggesties maken door middel van de fiches. We gaan geen  beroep  meer doen op intensieve  publicaties,  maar vertrouwen op de interesse en de nieuwsgierigheid van de bezoekers.”

 

Welk effect had de kamer op het museum en het publiek?

“Door middel van deze  kamer kunnen we het publiek laten kennis maken met dingen die niet te vinden zijn in de collectie omdat ze niet in  de tentoonstelling passen.

 

Door middel van de bijdrage van het publiek, wordt de betrokkenheid op het museum en zijn collectie vergroot. Bovendien ervaart de bezoeker dat we zijn verhaal en mening op prijs stellen  en dat we bereid zijn om te luisteren.  Op die manier worden  de begeleidende teksten meer dan wetenschappelijke literatuur.  De voorwerpen  worden  realistischer dankzij de doorleefde anekdotes en verhalen.

 

Ten slotte is het ons opgevallen dat onze kamer een rustpunt vormt in onze collectie. De kamer,  die meer geïsoleerd is van de rest van het museum, geeft de bezoeker de ka ns om stil te staan bij de dingen die hij heeft gezien en te fantaseren over de dingen die hij ziet. Ik noem dat het 'ongedwongen spelmoment'. De meeste bezoekers begi nnen met elkaar onderli ng te discussiëren over mogelijke betekenissen en functies van een voorwerp.

 

Het enthousiasme was bij sommigen zo groot dat ze de museumcollectie aanvulden met schenkingen en nieuwe waardevolle bijdrages leverden aan de huidige collectie.”

 

Uit het idee van deze kamer vloeide nog een ander boeiend educatief project?

“Inderdaad. Senioren zijn onze bron van de verhalen. Zij hebben  in die specifieke  tijd geleefd en kennen ongetwijfeld iets of iemand die met een bepaald voorwerp in contact is gekomen. Spijtig genoeg kunnen niet alle senioren naar het Huis komen. Daarom  hebben  we de identificatiekoffer ontwikkeld.  Deze koffer bevat de twaalfvoorwerpen en wordt  iedere maan dag op locatie gebracht. Toen we onze plannen voorstelden aan de bejaardentehuizen en dienstencentra waren de reacties overweldigend. We zijn tot en met april 'volgeboekt'. Het succes zit volgens mij in het animerende  aspect van de koffer. De mensen  kunnen hun verhalen  met elkaar delen en ongebreideld fantaseren.”

 

Kan je een tipje van de sluier oplichten over enkele plannen voor de toekomst?

“We willen het concept van de identificatie uitbreiden. Onze stagiaire is momenteel bezig om de identificatiekoffer te introduceren bij scholen (derde tot zesde studiejaar). Uiteindelijk is het de bedoeling dat ook de leerkrachten de kinderen  motiveren om na te denken over de oorsprong van de voorwerpen en te fantaseren.

 

Ik vind het idee van een aparte kamer als rustpunt heel aantrekkelijk, het doorbreekt de toon van de vaste collectie en maakt de bezoekers aandachtiger. Op termijn wil ik meervan zulke kamers  realiseren.  Een van de concrete plannen is onze 'Taalkamer'. In deze kamer zal het publiek allerlei dialecten en geluiden te horen krijgen.

 

Daarnaast dromen we van steekkaarten met informatie en begeleidende foto's, in plaats van het traditionele  plaatje-aan-de-muur. Persoonlijk vind ik dat de magie van veel voorwerpen verdwijnt door er een heleboel uitleg naast te hangen.  Met het systeem van de steekkaarten kunnen de bezoekers zelf beslissen welke informatie ze willen en welke niet.”

 

Wie interesse heeft, kan altijd terecht bij Het Huis van Alijn. Diegenen die een gokje willen wagen kunnen alvast surfen naar: www.huisvanalijn.be

 

Els De Bruyn  


Praktisch:

Het Huis Van Alijn

Kraanlei  65

9000  Gent

tel. 09/269.23.50

huis.alijn@gent.be

www.huisvanalijn.be


EXPO: dead.lines oorlog, media en propaganda in de twintigste eeuw

 

 

Het thema van Het in Flanders Fields Museum, de Grote Oorlog in de Westhoek van België, is niet louter een gegeven uit het verleden. In de benadering van het museum overstijgt die Grote Oorlog zijn tijdvak van 1914 tot 1918.

 

 

historisch gegeven

 

Het is een les van de geschiedenis, het historisch  gegeven verschaft inzichten die in essentie nog altijd erg nuttig want hanteerbaar zijn vandaag. De Eerste Wereldoorlog zoals die zich manifesteerde in leper en de Westhoek is uiteindelijk evengoed ook een metafoor voor de universele relatie tussen mensen en hun gewapende conflicten. Een gevolg van dit principe is dat de permanente opstelling op de eerste verdieping van de Lakenhallen weliswaar de hoeksteen van de museumwerking is, maar dat die ook telkens  moet worden  gecompleteerd in de rest van de werking. Permanente histori sche research en een doorgedreven jaarprogrammering actualiseren telkens het louter historische gegeven. We verruimen onze blik van gisteren naar vandaag.  Het historisch gegeven wordt essentieel onderdeel van ons handelen. Zo komen we bij de tijdelijke tentoonstelling dead.lines.

 

dead.lines  bekijkt de relatie tussen de gewapende conflicten en de massamedia van de twintigste eeuw. Het is van beide zijden uit een  heel intense relatie. Naties in oorlog  hebben altijd al gepoogd om de massamedia in te zetten bij hun oorlogsvoering. Verslag uitbrengen van oorlog is anderzijds altijd een essentiële activiteit van de massamedia geweest. In tijden van spanning en conflict willen we beter dan ooit geïnformeerd worden.  In  de tentoonstelling bekijken we systematisch  hoe de relatie  tussen oorlogsvoerende partijen en massamedia verlopen  is in de afgelopen eeuw.

 

Verandert die relatie fundamenteel, of blijft ze min of meer gelijk? En in hoeverre is die relatie een essentieel on derdeel van de oorlogsvoering zelf?

 

 

chronologisch en thematisch

 

In  een  moderne  opstelli ng doorlopen  we de hele eeuw, van 1900 tot vand aag,  en richten de schijnwerper op telkens andere media. Een tentoonstelling kan onmogelijk op elk tijdstip alle media tegelijk belichten, een tentoonstelling kan ook niet alle conflicten behandelen.  We hebben  dus keuzes  moeten maken en die chronologisch  en thematisch geordend.

 

De eeuw wordt opgedeeld in vijf grote periodes en binnen elke periode wordt telkens  de voornaamste aan dacht gegeven aan  één  medium dat erg belangrijk was voor die periode.

 

De Eerste Wereldoorlog wordt zo gekoppeld aan de Grafische Media; het Interbellum aan Film; de Tweede Wereldoorlog aan Radio ; de Koude Oorlog aan de Televisie en de Hedendaagse Conflicten aan het Internet. Het zal duidelijk zijn dat eens een  massamedium geïnstalleerd is, het ook blijft doorwerken. Vandaag  lezen we nog altijd kranten en nooit eerder was televisie zo sterk  bepalend in de berichtgeving over oorlogen.

 

Onze opdeling is in de eerste plaats een tentoonstellingstechnisch gegeven.

 

 

inleiding en standpunt

 

De vijf afdelingen  worden  ook nog eens voorafgegaan door een in leid ing die uiteraard  gedateerd is op het jaar o van de vorige eeuw, het jaar 1900. De afdeling Koude Oorlog krijgt ook nog eens een onderafdeling voor één heel bijzondere oorlog in relatie met de media. Dat is de oorlog in Vietnam. Op het einde van de tentoonstelling schenken we ook nog één moment aandacht aan de vergeten oorlogen van de afge lopen eeuw.

 

In de in leiding gaan we op bezoek naar de Wereldtentoonstelling van 1900 in Parijs. Zo'n Exposition universele was  in feite het allereerste echte massamedium. De versie anno 1900 was bovendien de grootste in aantallen bezoekers ooit. Tijdens dat bezoek leren we het standpunt innemen van de tentoonstelling: het gaat niet zozeer om wat we zien, maar wel om de manier waarop we kijken. De panoramische blik van de wereldtentoonstelling staat in groot contrast met de close ups van de oorlogsverslaggeving die we in de rest van de tentoonste lling ontmoeten.

 

We ontmoeten de close up letterlijk het dichtst in de oorlogsverslaggevi ng over Vietnam. Fotoreportages van die vuile oorlog waren ook de aanzet om onze perceptie over die oorlog te veranderen en zo uiteindelijk ook een massaal protest ertegen te ontketenen. De massamedia leken voor één keer ook het verloop van een oorlog te kunnen bepalen, al kunnen ook hierbij weer kritische bedenkingen gemaakt worden.

 

In de slotbeschouwing tenslotte leren we het opnieuw af om  met  het oog van  de media te kijken, en ons opnieuw te richten naar de echte essentie: de slachtoffers van al die oorlogen.

 

 

wetmatigheden...

 

Doorheen de hele tentoonstelling ontdekken we in om het even welke periode vele ge lijkenissen in de relatie tussen informatiemedia  en gewapende conflicten.

 

"De techniek om de vijand van elk denkbare gruwel te beschuldigen, behoort evengoed tot het arsenaal van een  oorlog als munitie ofvliegtuigen, en bij elke oorlog wordt ze in de eerste dagen wel weer uit de voorraad gehaald. Oorlog gaat niet samen met verstand en rechtvaardigheidsgevoel. Er is een  opstand van de gevoelens voor nodig, enthousiasme voor de eigen zaak en haat tegen de tegenstander. "

 

Deze woorden  van Stefan Zweig, geschreven over de eerste  dagen van het eerste conflict dat we behandelen, de Eerste Wereldoorlog, hadden  over de huidige omstandigheden kunnen zijn geschreven . De middelen van de media, de mythes  van de oorlog... in 100 jaar zijn ze nauwelijks veranderd. Een reeks van CD-roms  opgesteld doorheen  de tentoonstelling, laten ons toe om door de tijd en door de verschillende media te snijden op zoek naar gelijkenissen en terugkerende mechanismen  die bijna wetmatigheden lijken.

 

 

…en gidsen

 

Anderzijds worden  de media ook bevolkt door mensen  die in elke nieuwe situatie eigen keuzes  moeten maken. Zij volgen de wetmatigheden, plooien zich naar de voorschriften en de praktische mogelijkheden; of ze gaan er tegenin.  In elke periode ontmoeten we oorlogsverslaggevers die vertellen over de vaak gevaa rlijke en verscheurende keuzes die zij moeten maken. Twee belangrijke hedendaagse oorlogscorrespondenten gaan  ons voor in de hele tentoonstelling. Kate Adie van de BBC (in het Engels, Duits ondertiteld)  en Rudi Vranckx van de VRT (in het Nederlands, Frans ondertiteld) leiden elk van de periodes in en duiden de relatie tussen de oorlog en media.

 

 

multi-media

 

Naar goede gewoonte binnen het IFFM, maar vooral inherent aan dit onderwerp, wordt de tentoonstelling opgebouwd met en vanuit vele beelden. Vaak bekend,  maar even vaak te weinig gekend  in hun context. Maar ook muziek, voorwerpen, en een beklijvende scenografie (Event Communications) maken van dead.lines een tentoonstelling die een helaas blijvend actueel thema  hoog op de agenda plaatst.

 

 

educatief

 

dead.lines wordt  niet bezocht met gidsen, de bezoeker beleeft een individuele ervaring. De tentoonstelling richt zich naar een publiek vanaf 14 jaar. Scholen zijn uiteraard belangrijk, de missie van het In Flanders Fields Museum hecht groot  belang aan vredeseducatie. Om een klas of groep optimaal te kunnen begeleiden en voorbereiden zonder gids zal vanaf 1 maart een educatieve    brochure klaarliggen ten behoeve van leerkrachten  en begeleiders van schoolgroepen.  Tussen  20 en 30 maart 2002 wordt proef gedraaid met 1.000 leerkrachten uit het secundaire onderwijs.

 

Michel Peeters


Praktisch:

IN FLANDERS FIELDS MUSEUM

Lakenhallen

Grote Markt 34

8900 leper

30 maart - 17 november 2002

tickets in voorverkoop: € 7.50 - € 3,50 tijdens de tentoonsteling: € 1o,oo - € s,oo

Korting met OKV-Museumkaart


UNDERCOVER: Over Spino Dino en de anderen

 

 

Het vooruitzicht van een bezoek aan het "Dino-museum" brengt een gesprek op gang  tussen mijn kinderen Jules (6 jaar) en Ona (4 jaar): Jules: Ona, wat eet de vleeseter? Ona: Vlees.

J.: Hoe noemde de vleeseter? (hij denkt na) Dat weet ik zelf niet.

0.: Dat weet ik ook niet.

J.: De allergrootste vleeseter?

Ona merkt een bon voor chocoladekoeken op.

0.:  Ik wil nog wel eens koekjes met chocolade tussen.

J. : (kijkt streng) Ona, de allergrootste vleeseter...

0. : Dat weet ik niet.

J.: Jawel, die helemaal op 't eerste is bij Platvoet. (een tekenfilm over dino 's n.v .r.)

0. : Waar dan?

J.: Het is de allergevaarlijkste...

Ona zwijgt. Ik zie aan haar gezicht dat ze wel nadenkt.

J.: Ik doe niet meer mee.  O.K., ik tel tot 100... 1,2, ....... 31,32…

Ik help even: De gevaarlijkste, hoe heet die?

0. : De Rex.

J.:  Ja, de Rex. Hoeveel klauwen had de Rex ?

0.: Twee.

J.:  Ja, twee.

0.: Twee klauwen..

 

Jules en Ona zijn heel enthousiast als we voor de derde keer een bezoek brengen aan het museum waar voor hen het dier dat al zo dikwijls een hoofdrol heeft  gespeeld in hun fantasierijke leefwereld centraal  staat, nl. de Dinosaurus. Het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen staat bij hen dan ook bekend als het "Dino-museum".

 

Op de te kleine parking, we moeten onze auto in één van de omliggende straten parkeren, heet een grote houten dinosaurus ons welkom.

 

 

Over jassen mutsen en mineralen

 

Het begin van het museum  is niet bepaald overzichtelijk omdat we achtereenvolgens trappen af en op gaan en het niet onmiddellijk duidelijk is welke richting we uit moeten. Ik loop al snel met mijn armen vol jassen en mutsen wat notities nemen onmogelijk maakt. Een vestiaire brengt de oplossing.

 

Beneden in de mineralenzaal liggen in vitrinekasten grote hoeveelheden meteorieten en maangesteenten tentoongesteld voor een minder geslaagde paarsblauwe achtergrond. Sulfaten,  buraten, oxiden en nog vele andere geven hier al hun geheimen prijs. Ondertussen hebben  Jules en Ona zich al verdiept in de wereld van de lguanodons.

 

In een eerste glazen kast  die over twee verdiepingen  reikt staan grote zwarte skeletten van lguanodons imposant te wezen. Een tweede, even grote, glazen kast toont lguanodons zoals ze ontdekt werden in de natuurlijke put tijdens de ontginning van de steenkoolmijn van Bernissart in 1878.

 

Ingekaderd aan de muur hangen  handgeschreven verslagen. Uit de korte zinnen  blijkt de verbijstering die zich toen van de ontdekkers meester gemaakt moet hebben. Ik begin het zelfs allemaal spannend te vinden, wat het toen toch op zijn minst geweest moet zijn.

 

 

Een dino met een sjaaltje

 

In een décor van houten palmbomen en groene camouflagenetten van het leger staan vijf dinosaurussen opgesteld. Drie dinopoppen  worden door een ingebouwde machine enigszins tot leven bewogen en ze zijn allemaal aan een opknapbeurt toe.

 

Als de Parasaurolophus geen keelontsteking heeft, dient het sjaaltje enkel om een grote scheur in zijn hals te camoufleren.

 

De Tyrannosaurus Rex staat apart opgesteld en maakte bij onze vorige bezoeken met een schrikwekkend gebrul en een dreigende pas voorwaarts vele kinderen bang. Hij is dan ook een vleeseter die men misschien het zwijgen heeft moeten opleggen?

 

De Ultrasaurus wordt vertegenwoordigd door één van zijn 6,8m hoge poten. Hier ervaar ik dat grootte enkel een verho uding is van wat er tegenover wordt gesteld.

 

 

Open mij/ouvrez moi

 

"Van mensen en mammoeten" staat verdeeld over enerzijds een houten constructie waar de evolutie van de primaten op een boeiende, leerrijke en interactieve manier wordt voorgesteld . Zo zijn er driehoekige zuilen die rond hun as draaien en waarvan één een spiegelkant heeft.  Kwestie van jezelf als resultaat van deze evolutie te aanschouwen. Schuiven vragen om geopend te worden  (open mij/ouvrez  moi)

 

Op de grond kan je je voetafdruk vergelijken met 3,5 mi ljoen jaar oude voetsporen van één  jonge en twee volwassen tweevoeters. De evolutie wordt uitgebeeld in een stripverhaal, met beeld  en geluid, een wand met tandwielen,  met kleurpotlood uitgewerkte tekeningen op hout gecombineerd  met skeletonderdelen, een touch-screen en een wand met schuifdeurtjes.

 

Levensgrote poppen  en decors  in miniatuur verbeelden leven uit een andere tijd. Anderzijds staan mammoeten  te midden van een natuurgetrouw geschilderd landschap waar we als bezoeker deel van uitmaken. Een babymammoet komt uit de achtergrond naar voren, beweegt oren, slurf en kop en maakt een klagend geluid. Ik kan de kinderen moeilijk overtuigen dat dit geen levende dieren zijn.

 

In verschillende kasten wordt informatie over dino's op een duidelijke, kindvriendelijke manier aan schouwelijk gemaakt. Zo stelt bv. een tafereel in miniatuur het verloop van een opgraving voor.

 

We begeven ons naar de bodem van de zee tijdens de Jura en het Krijt. Volledig door blauw omringd zien we vreemde geschilderde zeedieren, skeletten en dieren op ware  grootte nagemaakt die bijna onzichtbaar zijn opgehangen en die met hun schaduw alles net echt maken.

 

Twee trappen rond een dubbele  DNA helix brengen  ons naar de verschillende verdiepingen.

 

Op de eerste verdieping staan we ter hoogte van de kop van de eerder beschreven lguanodons.  Hier zien we nog enkele skeletten van dinosauriërs voor een geschilderde achtergrond die op de grond vervolledigd wordt met rots partij en, zand en gras. In een gang waar enkele zoogdieren en skeletten van de eerste vogels in kasten staan,  lopen ]ules en Ona in hun T-shirt. Buiten mag de winter dan eindelijk begonnen zijn, hierbinnen is het eigenlijk veel te warm.

 

De tweede verdieping biedt een overzicht van de fauna van België maar is gesloten door de lopende tentoonstelling. Enkele opgezette herten  en een everzwijn staan er verlaten bij.

 

Hoger naar de derde verdieping krijgen we een gedetailleerd overzicht van de zoogdieren. Snaveldieren en buideldieren, zorgvuldig opgezet welteverstaan, poseren in kasten naast een  bordje waarop ze in tijd en ruimte gesitueerd worden.

 

De voortplanting en het zogen van de jongen worden op een pedagogisch verantwoorde manier uitgebeeld.

 

We wandelen rustig verder zonder alle bordjes te lezen want het museum voorziet geen mogelijkheid om te overnachten ...

 

Een "Chinchilla" trekt  mijn aan dacht. Ik schrik een beetje bij de aanblik van dit diertje want dit was  mijn totem  in een ander leven bij de scouts. Gelukkig zagen de eigenschapen die erbij horen er beter uit. Omdat het voor de kinderen  niet snel genoeg vooruit gaat spelen we een spelletje waarbij we merken dat de, volgens ons, Bruine beer eigenlijk de Grizzly is en dat we de Jaguar of de Poema niet zo gemakkelijk uit een negental soortgenoten herkennen.

 

De muren en het plafond van de walvissenzaal zijn zwart en geven een mooi contrast met de reusachtige witte  skeletten. Van op een heus scheepsdek kijken we naar de zee en octopusachtige armen tonen ons op een scherm prachtige beelden van walvissen en dolfijnen.

 

Aan een wand hangt een reuzenboek waar beeldend  wordt aangetoond dat een blauwe vinvis evenveel kan wegen als 22 olifanten en dat het darmkanaal van een potvis even lang kan zijn als de Eiffeltoren.

 

Nu we ook alles weten over walvissen willen we een  kajuitdeur openen waarboven staat: "Welkom aan boord, wacht op het groene licht". Zo welkom zijn we niet want de deuren zijn vergrendeld.

 

Dan maar verder naar de uitersten van de wereld  in één gang samengebracht: de Noord- en Zuidpool waar weer verschillende zintuigen worden geprikkeld. Zo horen we de wind gieren, voelen we de temperatuur dalen en zien we het noorderlicht schijnen. De opgezette moederpinguïns houden liefdevol hun opgezette baby's warm. Een enorme walvisstaart met plankton  insinueert een walvis die net in het water gedoken is. Ik ben nog nooitop de polen geweest maar alles ziet er vrij realistisch uit, zelfs de witte uitwerpselen op de rotsen.

 

Langs een donkerblauwe gang dalen we af naar het leven in zee en op een bepaald moment krijg ik een benauwd gevoel want ik bevi nd mij tussen ijsschotsen onder een bevroren wateroppervlak dat nog een flauw licht doorlaat.

 

Snel verder naar de schelpenzaal en even rusten in een zetel voor een aquarium met levende (!) vissen.

 

 

De verdwenen vogelspin

 

In de insectenzaal lopen we onder de poten van een sprinkhaan door en houdt een reuzengrote bidsprinkhaan  de wacht voor glazen  wanden waartussen vele prachtige vlinders te kijk hangen.  Een doorsnede van een huis op schaal toont welke ongenode gasten zich waar in huis schuil houden. We zien het  leven  in een bijenraat  en spintepels die 140x vergroot zijn. Hier laten we ons niet door afschrikken en we gaan  15 soorten vogelspinnen bewonderen.  Ook hier is aan de kleine bezoekers gedacht want zij kunnen alles goed  zien als ze op de loopplank lopen.

 

Toch een beetje bezorgd want in één kast hebben we de vogelspin niet gezien, dalen we de trappen af en komen zo bij de uitgang.

 

 

Splno Dino

 

Dit is een museum dat een verscheidenheid van tentoonstellen  biedt. Je wordt als bezoeker van alle leeftijden uitgedaagd om soms actief deel te nemen aan het gegeven, soms gewoon kijken, soms meegaan in de fantasie dat je je echt op de gecreëerde plaats bevindt. Aan alles is gedacht om de sfeer zo optimaal mogelijk te maken. Zo zijn de ramen in de zee van een discrete witte matte laag voorzien  en wordt  het geluid en de temperatuur ook aangepast. Behalve in de zaal van de ijstijden en de Noord- en Zuidpool is het wel overal veel te warm!

 

De enorme  hoeveelheid opgezette dieren kan nooit levend in één natuurpark samengebracht worden en je ziet dieren die je nog nooit gezien hebt maar ze hebben wel allemaal hun prijs betaald.

 

In het winkeltje bij de vestiaire  kan je allerlei spullen kopen van boeken en posters tot knuffels en spelletjes.

 

Met een verhaal  over "Spino Dino" trekken we naar de cafetaria die ik persoonlijk niet echt gezellig noem.

 

Lea Van De Wijngaert

 


Praktisch:

Museum voor Natuurwetenschappen

Vautierstraat 29

1000 Brussel

Tel. 02 627 42 38

van dinsdag tot vrijdag van 9u30 tot 16u45 zaterdag, zondag en schoolvakanties van 10u tot 18u

€ 6,50 - € 5,50 - € 4,00


EXPO: De vrouw in de prehistorie

 

 

De traditie om iets te leren over de levenswijze van onze voorouders door de nu (of tot voor kort) nog levende jagers verzamelaars te bestuderen, bestaat al lang.

 

Het is verleidelijk om parallellen te trekken tussen de lnuïts (arctische groep) en de primaten uit de laatste Ijstijd Soms tracht men zelfs iets te leren uit de gebruiken van de Bosjesma nnen (en vrouwen) of de !Kung.

 

Samenvattend zou men kunnen zegge n: mannen jagen en vrouwen verzamelen. Het is zelfs zo dat er een taboe bestaat tegenover het aanraken van bloed  door vrouwen. Vrouwen gaan niet op jacht. Ze bewerken wel de huid van de buit nadat deze van vet en bloed  is ontdaan.                                           

 

Jacht biedt echter geen garantie op succes (eten). Wanneer de man met lege handen terugkeert, is het de vrouw die zorgt dat er toch nog eten op tafel komt. ln de natuur valt altijd wel iets te rapen, of liever te verzamelen.

 

Als er al een strikte arbeidsverdeling is, dan staat de vrouw - zowel op economische, sociaal als maatschappelijke vlak - haar mannetje. Zo d raagt ze bij tot de opbouw en het in stand houden van de leefgemeenschap.  Op basis van deze vaststellingen en archeologisch  onderzoek komt 'Women  in Prehistory' tot het besluit dat de vrouw in de prehistorie minstens  de gelijke was aan de man. Hoe later het aanzien van de vrouw in onze cultuur verminderde,  is een verhaal  dat buiten het tijdskader van deze tentoonstelling valt.

 

 

Fysische evolutie en begrafenisrituelen

 

Hoe zagen  onze voorouders eru it? In ieder geval waren het geen voorovergebogen, harige, oe-a klanken uitstotende wezens die gehuld in een lendenlap  en met knot op de schouders hun vrouw bij de haren voortsleepten.

 

Een analyse begint bij de vraag hoe we op basis van botten (andere  diagnostische kenmerken bleven nooit bewaard) mannen van vrouwen kunnen onderscheiden.

 

Bij de vroegste mens worden we geholpen door de aanwezigheid van een duidelijk seksueel dimorfisme (twee verschillende vormen) waarbij de vrouwelijke individuen beduidend kleiner en gracieler zijn dan de mannelijke. Op basis van fragmenten van schedels en beenderen is het vaak zeer moeilijk om het onderscheidt te maken.  Bovendien neemt dit dimorfisme in de loop van de tijd af. Bij de moderne mens wordt dit criterium bijna geheel onbruikbaar. We moeten het dan  vooral hebben van verschillen in de schedel en het bekken.

 

Het onderscheid tussen de seksen is van belang wanneer we begravingen bestuderen. Bij de vroegste begravingen (vanaf 100.000 jaar geleden) konden man en vrouw op een gelijke behandeling rekenen.  Pas tijdens het Mesolithicum, aan de vooravond van de introductie van landbouw en veeteelt, zien we dat vrouwen andere bijgiften in hun graf meekregen dan mannen. Daarnaast zijn er heel wat voorbeelden aangetroffen waaruit blijkt dat ook vrouwen hoog sociaal aanzien genoten.

 

 

De vrouw in de kunst

 

De hoofdmoot van de tentoonstelling is opgebouwd rond een bijna complete verzameling van afbeeldingen van vrouwen die ons uit de prehistorie zijn overgebleven. Natuurlijk ke nnen we die ronde voorstellingen van dames  die ook wel 'venussen' worden  genoemd. Naast deze  kunstuitingen bestaan nog vele andere voorbeelden van vrouwelijk schoon.

 

Om het geheel te duiden, brengt men eerst een  inleiding rond de algemene tendensen binnen de 'kunst' tijdens het Paleolithicum en Mesolithicum. Vervolgens licht men de evolutie van de afbeeldingen van vrouwen  in detail toe.

 

Zo valt het op dat bij het verschijnen van de eerste uitingen deze 'kunst' zich meteen als volwassen openbaart. Naast een rijke vormentaal blijkt men ook alle technieken van plastische expressie zoals graveren, sculpteren en schilderen onder de knie te hebben. Zij uiten zich in stijlen die gaan van realisme over expressionisme tot schematisering. Wie sprak van een  bende  primitieve barbaren?

 

De betekenis van dit alles blijft echter zorgen voor verhitte discussies. Het is moeilijk, zoniet onmogelijk, om aan de hand van materiële resten de denkwereld van onze voorouders te doorgronden. Moeten we deze vrouwenbeeldjes interpreteren als vruchtbaarheidssymbolen, betreft het sjamanisme of hebben  we te doen met de centerfold van een mannenblad van een paar tienduizend jaar geleden? We zullen het wellicht nooit te weten komen.

 

Toch stellen we vast dat meer dan 90% van de afbeeldingen dieren betreffen en slechts 3% de mens. Is het niet veelbetekenend dat binnen deze laatste groep afbeeldingen van mannen bijzonder zeldzaam zijn?

 

 

Kledij en smuk

 

Madammen met een bontjas waren tijdens de Ijstijd de gewoonste zaak van de wereld. Geen lenden lap maar wel aan het koude klimaat aangepast kledij bestaande uit laarzen, broek en jas met capuchon. Het bewerken van huiden, het versnijden ervan en het naaien tot goed sluitende  maatkledij beheersten ze perfect. Ook de vrouwenbeeldjes die aanduiding van kledij geven,  bevestigen dat deze mode dichter staat bij wat eskimo's tot voor kort droegen, dan bij de kledij van Wilma en Betty uit de Flintstones.

 

Pas bij het verwarmen van het klimaat tijdens het Mesolithicum kunnen we aannemen dat er zoiets  als een rok werd  uitgevonden. De schilderingen uit de Spaanse Leva nt geven echter geen uitsluitsel over het typisch vrouwelijke ervan.

 

Tijdens het Paleoliticum dirkten zowel mannen als vrouwen zich graag op met kralen, armbanden, halssnoeren, enkelringen ... Op basis van bijgiften van sierraden in graven kan men niet opmaken  van welke sekse de eigenaar is .Vanaf het Mesolithicum zien we dat er typisch vrouwelijke en mannelijke vormen van smuk ontstaan.

 

Bij zoveel onbeantwoorde vragen is het dan ook logisch dat we in tekenfilms en stripverhalen beelden opgehangen krijgen van vrouwen die het midden houden tussen forse, lompe wezens en sexy stoeipoezen. De tentoonstelling besluit dan ook met een bloemlezing uit deze 'moderne' manier van voorstellen.  De werkelijkheid zal wel ergens tussenin hangen.

 

‘« La femme est l'avenir de l'homme » écrivait Louis Aragon. Elle est aussi son passé, sans parler du présent... ', besluit de tentoonstelling.

 

Peter van der Plaetsen

 


Praktisch:

PAM Site Velzeke

Paddestraat 7

 9620 Velzeke

Te l: 09/360 .67.16

pamzov@oost-vlaanderen.be

16 november 2001 - april 2002

maandag tot vrijdag van 9 tot 12 u en 14 tot 17 u, zaterdag, zondag en feestdagen van 14 tot 18 u

€ 2,48 (met hetzelfde ticket kunt u ook naar het PAM Ename)                 


EXPO: Reve, Revisten, Revisme, Reviana, .. …

 

 

Je moet het maar doen ! In hetzelfde jaar vereerd worden met de Prijs der Nederlandse Letteren en met een grote tentoonstelling in ‘het’ literaire museum van Nederland!

 

De affaire rond Nederlands' grote (misschien in de toekomst wel 'grootste') volksschrijver, die de Prijs der Nederlandse Letteren, hem toegekend voor ruim een halve eeuw rijk en vruchtbaar schrijverschap, niet uit handen van de Belgische koning Albert mocht ontvangen, zorgde  voor de medi a-aandacht die de meester zelve in het verleden  di kwijls handig naar zich toe wist te halen. Paradoxaal genoeg ontstond al dit trammelant niet rond de figuur van de mediagenieke auteur zelf, maar wel rond zijn levensgezel Joop Schafthuizen, die onderhand  wellicht even grote bekendheid (of liever beruchthei d?) geniet als de veelvuldig bekroonde Reve himself.

 

 

Gerard Reve, Leraar en Belijder

 

De timing voor de overzichtstentoonstelling 'Gerard Reve, Leraar en  Belijder' in het Letterkundig Museum in Den Haag, waarvan de opening plaatsvond op 30 november ll. kon niet beter. je moet het maar doen! In hetzelfde jaar vereerd worden met de Prijs der Nederlandse  Letteren én met een grote tentoonstelling in 'hèt' literaire museum van Nederland! De plannen voor de tentoonstelling dateren reeds van midden vorig jaar. Er dreigde echter een kink in de kabel te komen toen Joop Schafthuizen in februari  dit jaar besloot geen bruiklenen voor de tentoonstelling beschikbaar te stellen. Nop Maas en Wim Crouwel, de respectievelijke samensteller en vormgever van het project, besloten toch door te gaan omdat ze over al heel wat prachtig materiaal van elders  beschikten.  Het uiteindelijke resultaat van hun inspanningen is nog tot 26 mei 2002 te zien.

 

"De titel is gekozen omdat die op verschillende manieren op Reve te betrekken is. Reve heeft  met een zekere regelmaat ­ ongetwijfeld ook met een dosis ironie ­ opgemerkt dat hij volgens zijn horoscoop heilig zou worden.  Er zijn twee soortenheiligen: de martelaren die stierven  voor het geloof en de anderen die leraar en belijder genoemd worden en die het geloof verdedigden en uitlegden. Reve hoort bij de tweede groep. Vandaar dat hij aan de verklaringen van echtheid  bij de relikwieën, maar ook wel in opdrachten, de aanduiding 'leraar en belijder' aan zijn naam toevoegt.

 

Daarnaast kun je vaststellen dat Reve in de loop van zijn leven inderdaad als leraar en belijder optrad, door zijn zieleroerselen en zijn religieuze, politieke en maatschappelijke opvattingen uit te dragen" aldus Nop Maas, neerlandicus en Reve-kenner bij uitstek.

 

 

Motto

 

Van zodra je de tentoonstelling binnenwandelt sta je oog in oog met Reve, weliswaar via een portret waarop hij wordt afgebeeld als de apostel Ezechiel. lne Lament schilderde dit in een serie voor het boekenbal van 1997 (thema: 'mijn God'). De reviaanse sfeer die van het schilderij uitgaat wordt versterkt door de tekst erboven, waarin Reve,zelf de positie die hij in neemt schetst. Deze tekst is trouwens bedoeld  als motto  voor de tentoonstelling in haar geheel. "Door zijn paradoxale uitspraken en zijn dikwijls uitdagende optreden is Gerard Reve afwisselend uitgemaakt voor een goddeloze spotter, een rechtse racist, een chauvinistische royalist en een  bijgelovige occultist; velen echter zien in hem  een  martelaar en heilige, en de apostel van een nieuwe en waarachtige moraal. '

Gerard Reve  'Levensloop van de schrijver' in Een  circusjongen.

 

 

De periodes

 

Het werk van Reve is de leiddraad bij de chronologische opbouw van de tentoonstelling . Daarnaast hebben de makers ernaar gestreefd een beeld te geven  van de niet onbelangrijke deelname van  de kunstenaar aan het maatschappelijk debat.

 

Hoewel Reves schrijversleven tot  nu toe altijd in vijf periodes werd ingedeeld,  komen in de tentoonstelling zes periodes aan bod. Of de ene periode al belangrijker was dan de andere hangt vermoedelijk grotendeels af van de persoonlijke ervaring van de lezer­bezoeker of de bezoeker-lezer (waarom niet?). Nochtans werden, mede  door de vormgeving van Wim Crouwel accenten gelegd.  Zo is het bijvoorbeeld niet toevallig dat de violette  periode de meeste rui mte krijgt. Dit zijn nl. de jaren waari n Reve de zogenaamde 'reisbrief' ontwikkelde.

 

De brievenboeken 'Op weg naar het Einde' en 'Nader tot U' mogen tot mijlpalen in de Nederlandse  literatuur gerekend worden. Men spreekt van 'bekentenisliteratuur'. Het is de periode waarin hij openlijk voor zijn homoseksuele geaardheid ('heren­ liefde')  uitkomt en waarin hij zich ontpopt als media-figuur. Aanzet hiertoe was ongetwijfeld zijn veelbesproken optreden in het programma 'Literaire ontmoeting' op 11 december 1963. In 1966 verscheen de reeds genoemde  bundel 'Nader tot U' met als afsluiter de serie gedichten 'Geestelijke liederen'.

 

Twee fragmenten wil ik de lezers toch niet onthouden omdat ze zowel de plechtstatigheid en de bittere ernst als de verholen zelfspot  en humor van Reve weergeven. Ze zijn trouwens ook een illustratie van zijn onnavolgbare stijl, waarvan we in de tentoonstelling tal van voorbeelden vinden.

 

Uit 'Nader tot U':

Eigenlijk geloof ik niets

en twijfel ik aan alles, zelfs aan U

Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft

dan denk ik,  dat Gij Liefde zijt, en

eenzaam

en dat, in dezelfde wanhoop,

Gij mij zoekt zoals ik U.

 

 

De gewraakte passage die verscheen in het tijdschrift Dialoog. Dit leverde hem een aan klacht wegens godslastering  op, wat uitmondde  in het 'Ezelproces'.  Reve werd vrijgesproken.

‘Als God zich opnieuw in de Levende Stof gevangen heeft, zal hij als Ezel terug keren, hoogstens in staat en paar lettergrepen te formuleren, miskend en verguisd en geranseld, maar ik zal Hem begrijpen en meteen met Hem naar bed gaan, maar ik doe zwachtels om zijn hoefjes, dat ik niet te veel schrammen krijg als Hij spartelt bij het klaarkomen’

 

Datzelfde jaar trad hij toe tot de katholieke kerk en mocht hij de P.C. Hooftprijs 1968 in ontvangst nemen. Hij kocht in 1969 in Dröme (Zuid-Frankrijk) het 'Geheime Landgoed', dat in zijn verdere leven en werk een belangrijke rol zou spelen. Het waren dus zowel turbulente als productieve jaren!

 

Volgens Nop Maas vond Reve het vroeger ook wel chique als zijn werk in kleurenperiodes werd  ingedeeld. Zo werd  zijn vroege werk wel eens  aangeduid als de grijze of zwarte periode, gevolgd door de violette periode. Daar hield het echter op.

 

Het toekennen van toepasselijke kleuren aan de volgende periodes gebeurde dus louter ter gelegenheid van de tentoonstelling. Een structurerend element, waar dankbaar gebruik van gemaakt werd.

 

 

Kleine dingetjes

 

Een logisch geheel  maken van al het verzamelde materiaal  kan geen  eenvoudige opdracht geweest zijn. Er zijn nl. ontelbare kleine dingetjes. Alleen door een zorgvuldig arrangement en een goed  doordachte vormgeving konden Nop Maas en Wim Crouwel erin slagen alles te kaderen in een totaalbeeld dat de gemiddelde bezoeker gedurende een tweetal uur kan blijven boeien. Echte Reve-fanaten, voor wie deze tentoonstelling wel een feest moet zijn, trekken  er best nog wat meer tijd voor uit. Natuurlijk kan men ook alleen even de sfeer opsnuiven, de topstukken langslopen, of als lezer nu wel eens de personen en locaties die in Reves boeken voorkomen en voor deze gelegenheid in het Letterkundig museum gevisualiseerd zijn, bekijken.

 

De aandacht gaat in dat geval bij voorkeur uit naar materiaal  dat nog nooit getoond werd: bv. Het handschrift van Werther Nieland in twee versies en verschillende kladversies van enkele gedichten uit 'Nader tot U'. Wat de voorwerpen aangaat is er het konijn uit 'De Avonden', de beer uit  Bezorgde Ouders' en het enige overgebleven voorwerp van de joodse familie 'Boslowits', een spiegel. Het trieste lot van dit gezin, dat in de Tweede Wereldoorlog werd gedood door de Duitse bezetter wordt door Reve besch reven in zijn boek 'De ondergang van de familie Boslowits' (1946). Verder zijn er verschillende jeugdportretten, enkele etsen van Reve zelf, het begin van het originele manuscript van 'De Avonden' (het duurste manuscript van Nederland), het beroemde drieluik van Albert Knoop waarop de auteur  in militair uniform aan de zijde van Koningin Juliana is afgebeeld, een heleboel foto's van de sch rijver en zijn vrienden en van de huizen waar de auteur verbleef, enz.

 

Aan het eind van de tentoonstelling vinden we een vitrinekist met daarin een collectie Reve-relikwieën: plukjes schaamhaar, een druppel bloed op een doekje, een pillendoosje,  een rozen kra ns met kralen van rode hartjes, ... Dit maakt  de cirkel rond en doet ons letterlijk én figuurlijk belanden  bij het uitgangspunt: de mix Reve, kernachtig weergegeven in titel en motto.

 

Viviane De Muynck

 


Praktisch:

DEN HAAG

LETTERKUNDIG MUSEUM/KINDERBOEKENMUSEUM

is gehuisvest in het Koninklijke Bibliotheekcomplex, naast station Den Haag Centraal. In drie minuten loopt u van het station naar het museum: halverwege spoor 12 de weg oversteken en rechtdoor lopen. Er is gelegenheid tot betaald parkeren in de nabije omgeving.

Openingstijden: di. t/m vr. 10-17 uur, weekend en feestdagen 12-17 uur;  gesloten: maandag, eerste Kerstdag en nieuwjaarsdag.


INFORMATIEF: Het handboek van de kunstenaar "Il Libro dell' Arte" Cennino Cennini

 

 

Hoe bouw je een schilderij op? Op welke wijze kan je een paneel vergulden? Hoe maak je een fresco? Vragen die een kunstenaar of restaurateur zich stelt.

 

In 'll libro dell'Arte' neemt Cennino Cennini de aspirant bij de hand. Stap voor stap legt hij het ambacht uiterst gedetailleerd en helder uit. Dit unieke traktaat, rond 1400 geschreven, wordt beschouwd als het "oerboek" van de schildertechniek. Tot voor kort kon men enkel het Italiaanse origineel en de Engelse vertaling raadplegen. Nu is er de Nederlandse vertaling.

 

 

Naar Giotto

 

"Een onbelangrijk beoefenaar van de schilderkunst" zo beschrijft Cennino d'Andrea Cennini (1360?-1427?) zichzelf in de inleiding. Over de auteur is maar weinig bekend. Hij werd geboren in Colle di Valdelsa-Siena en opgeleid in een aantal werkplaatsen in Toscane. Omstreeks 1388 werkt hij aan een uitvoering van de Sint-Stefanusreeks in de Sint-Lucchesekerk in de buurt van Poggibonsi. Later werkt hij in Padua aan zijn boek.

 

Hij treedt als schilder in dienst van een voorname heer en vervaardigt in zijn geboortedorp een aantal werken die verloren zijn geraakt. Cennino Cennini was 10 jaar in de leer bij Agnollo Gaddi, zoon een leerling van Taddeo Gaddi, die op zijn beurt leerling was van Giotto (1267?-1336/7). Il libro dell' Arte geeft ons een beeld van stijl en werkwijze van de grote meester en zijn volgelingen.

 

Zeer gestructureerd wordt de werkwijze uit de doeken gedaan, van het prepareren van gronden tot de slotvernis. "De basis van het beroep ( ... ) is tekenen en schilderen."

 

Voor de beheersi ng van deze twee onderdelen is kennis vereist. In de lange opsomming lezen we o.a. "hoe je moet in lijmen, hoe je gips moet mod elleren, hoe je moet vergulden,  polijsten, temperen, inleggen, granuleren,  markeren,  schilderen, verluchten,  ..." Stappen die hij " uitgebreid onderdeel voor onderdeel zal behandelen". Dat dit traktaat een onschatbare bron van informatie is voor restaurateurs behoeft weinig verklaring. Voor de liefhebber en kunstenaar vandaag de dag biedt dit historisch handboek met zijn plastische, zinnelijke beschrijvingen tal van invalshoeken, gaande van het verband  van een aantal bereidingswijzen met de alchemie tot de kennismaking met de oorsprong van voor ons vanzelfsprekende -kant en klare- materialen.

 

 

Een pleidooi

 

 Il Libro dell’ Arte is meer dan louter en opsomming van ingrediënten, recepten en wenken. Immers, “ De theoretische kennis is de meest waardevolle, daarna volgt een bezigheid waarvoor een theoretische basis gekoppeld aan vaardige hand nodig is, en dit is de bezigheid die bekend staat als schilderen , waarvoor zowel verbeelding als handvaardigheid nodig is…” Een vooruitstrevend standpunt voor een kunstenaar die nog verankerd is in het middeleeuws concept van de kunstenaar als ambachtsman (Artes Mechanicae). De inleiding is een krachtig pleidooi voor de toetrede van de beeldende kunst tot de “Artes Liberales”.

 

Verder moedigt hij schilders aan de fantasie de vrije loop te laten en een individuele stijl te ontwikkelen. Hij adviseert om "constant te kopiëren naar de natuur". Met deze visie bevindt Cennini zich op het scharnierpunt van gotiek naar vroege renaissance.

 

 

Tijdsbeeld

 

"Je moet weten welk been goed  is. Neem beenderen van de poot en vleugels van gevogelte of van een kapoen; en hoe ouder ze zijn, hoe beter. Zoals je ze vindt onder de eettafel steek je ze in het vuur..." zo kan je lezen in het hoofdstuk waa rin besch reven wordt welk soort  been  goed  is voor het prepareren van panelen om op te tekenen. Naast de historische en schildertechni sche waarde is dit ook een amusant boek, dat een levendig tijdsbeeld  schetst. Zo ben je verwonderd te lezen dat zelfs in de 14/15de eeuw stadskippeneieren een lichter eigeel hebben  dan eieren gelegd door plattelandskippen, die vanwege hun rood heid, goed zijn voor het aanlengen -in eitempera- van de vleeskleur van oudere  personen en personen met een donkere huid.

 

Verder vernemen  we onder meer hoe men kan verhinderen dat hermelijnstaarten worden opgegeten door de motten, hoe trillende handen veroorzaakt worden door te veel te genieten van het gezelschap van vrouwen, en welke levensstijl de meest aangewezen is voor een kunstenaar. En dan is dit nog maar een keuze.

 

 

De vertaling

 

Hendrik Van den Bossche is schilder, restaurateur en directeur van de academie van Liedekerke. Zijn vrouw, Hilde Theuns, is germaniste. Met zijn kennis van de oude technieken en haar liefde voor de taal vormden zij het ideale koppel om dit traktaat te verta len. Ze zijn secuur te werk gegaan. Hun verta ling berust op een afschrift uit 1437, de oudste en meest originele versie, waarvoor Hilde Theuns zich toelegde op het 14de eeuws Toscaans. Die versie werd vergeleken met ‘The Craftsman’s Handbook’, de Engelse vertaling van D. V. Thompson uit 1932 (recentere uitgave 1960).

 

Van den Bossche heeft de Nederlandse vertaling aangevuld met een nuttige verklarende lijst van begrippen, technieken en procédés. Het boek is mooi geïllustreerd en uitgegeven in handig zakformaat.

 

Een hebbeding.

 

Els Nouwen

 


"Cennino Cennini, Het handboek van de kunstenaar, Il libro dell’ Arte", Vertaald door Hendrik Van den Bossche en Hilde Theuns, Uitgeverij Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2001.

ISBN 90 254 6261 8


INFORMATIEF: Impact 1902 Revisited

 

 

De belangstelling voor de kunstenaars uit de vijftiende en de zestiende eeuw groeide in de negentiende eeuw gestaag.

 

Tegen het einde van die eeuw begonnen Europese  grootsteden hun belangrijkste  kunstenaar te vieren. In Amsterdam kreeg  Rembrandt in 1898 zijn eerste grote overzichtstentoonstelling. Het jaar daarop  vierde Madrid Velazquez, Antwerpen herdacht Antoon    Van Dyck en in Dresden vond een Cranach-tentoonstelling plaats.

 

 

Er wordt hier niets uitgeleend!

 

De Brusselse  kunstkenner Phi logène Wytsman  stelde voor om, in navolging van de voorbeelden in andere  steden, een grote overzichtstentoonstelling te houden van de primitieve schilderkunst van België en de Nederlanden.  De eerste vergadering vanhet organiserend comité van de 'Exposition d'Oeuvres des Ecoles primitives de Peinture en Belgique et aux Pays-Bas' vond op 4 februari 1900 plaats in de ambtswoning van minister Auguste Beernaert. Een van de eerste daden van het Comité was het vragen van de medewerking van de Brugse kerkelijke instellingen en vooral het Sint-Janshospitaal. Dat was  meteen het einde van het project.

 

In een briefvan  13 februari 1900 lieten zowel het Brugse stadsbestu ur als het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen weten dat het onmogelijk was hun mooiste  schilderijen - hoe tijdelijk ook - uit het museum te halen.

 

De kerkfabriek van de Sint-Baafskathedraal in Gent somde gelijkaardige argumenten op om het hen nog resterende gedeelte van het Lam Gods-retabel van de gebroeders Van Eyck (de Adam en Eva figuren werden  in het Koninklijk Museum voor Schone  Kunsten in Brussel bewaard, de andere  luiken in de Berlijnse Gemäldegalerie) niet uit te lenen. Enkel de Leuvense Sint-Pieterskerk zag geen problemen met het uitlenen van hun drieluik van Dirk Bouts.

 

Om het Brugse 'neen' tegemoet te treden, besloot het Comité de tentoonstelling dan maar in Brugge te organiseren, maar door budgettaire problemen  werd de tentoonstelling nog bijna gekelderd. Uiteindelijk kwam hij er toch, in  de zomer en herfst van 1902.

 

 

Een onwaarschijnlijk aantal werken

 

Nu Brugge zoveel schilderijen toegezegd kreeg,  moest er een aangepast (en veili g) lokaal gevonden worden.  De oorspronkelijke locatie, het stadsmuseum in de Bogardenkapel, was niet groot  genoeg. Een andere grote tentoonstellingsrui mte was er even min. Hoewel het alternatiefvoorstel het Gruuthusepaleis was, viel Kervyns oog op het Provinciaal Hof op de Markt.

 

Het resultaat was onwaarschijnlijk: de bezoeker kwam oog in oog te staan met 413 werken, van Melchior Broederlam tot Pieter Bruegel. Op de tweede verdieping maakte hij kennis met het oeuvre van de schildersfamilies Pourbus en Claeissens.  ln het gerestaureerde paleis van de heren van Gruuthuse vond de tentoonstelling van Oude Kunstambachten  plaats.

 

 

Op wandel met een Memling

 

De dagen voor de tentoonstelling waren bijzonder hectisch. Eén week voor de opening waren nog maar drie schilderijen aangekomen. Op 11 juni  ontving men in het station de veertien werken uit Brussel en enkele uit Parijs.

 

Op 12 juni waren Antwerpen en Brugge, kerken en kloosters aan de beurt. De Antwerpse bruiklenen zouden per binnenschip via Gent in Brugge toekomen. Maar in Gent bleek het schip een te grote diepgang te hebben  om verder te kunnen varen.  De schilderijen werden terug naar Antwerpen gevaren en opni euw verstuurd, ditmaal per trein. Op 13 juni kwamen de werken  uit Berlijn, Oostenrijk en Engeland aan. Eentweede lading uit Engeland, samen met de bruiklenen uit Nederland, Italië en Oostenrij k kwamen pas de dagvoor de opening ter plaatse.

 

Voor Brugge was 14 juni een spektakeldag. De schilderijen van Hans Memling werden  in processie van het Sint-lanshospitaal naar de Markt gedragen. Henri Kervyn de Lettenhove kreeg zelf de eer het Tweeluik met Maarten van Nieuwenhove te dragen, geëscorteerd door twee leden van de Commissie van Burgerlijke Godshuizen. Voor hen werd  het Ursulaschrijn op een draagberrie gedragen, en daarvoor de andere panelen.  Enkele verzamelaars verkozen  hun kostbaar bezit persoonlijk te komen brengen.  Anderen lieten hun schilderijen dan weer zonder begeleiding per trein naar Brugge komen.

 

 

De navolging van 1902: Impact

 

De nationale  trots was  in verschillende landen gewekt, dankzij het grote succes van 'L'Exposition de Primitifs flamands'. Navolging kon niet uitblijven. Na een oproep in de Parijse kranten werd een Frans Comité opgezet. In 1904 beleefde Parijs de zomer van de 'Primitifs français', terwijl Düsseldorf toen  een 'Kunsth istorische Ausstellung' hield.

 

Op hetzelfde ogenblik organiseerde men in  het Palazzo  Publico in Siena de tot dan toe belangrijkste  tentoonstelling over Italiaanse oude meesters én tegelijk was in  Londen een overzicht over hetzelfde onderwerp opgezet. Niet allen de kunstliefhebbers kwa men de werken  bewonderen. In de daar opvolgende jaren doken verdacht veel Sienese  primitieven op in Londen. Bij nader onderzoek bleek het in de meeste gevallen om vervalsingen te gaan,  inspelend op de populariteit van het ogenblik.

 

In  Brugge werden  overzichtstentoonstellingen zoals in 1902 een traditie. De stad nam echter  de organisatie over, in tegenstelling tot 'Les Primitifs flamands' waar het stadsbestuur eerder  een remmende factor in het geheel speelde.

 

De belangrijkste tentoonstellingen in Brugge op vlak van oude schilderkunst waren:

  • 'Maîtres Anciens’ (1905),
  • 'Het Gulden Vlies' (1907),
  • 'Hans Memling' (1939),
  • 'Gerard  David' (1949),
  • 'IFiamminghi e l'ltalia’ (1951),
  • 'Het Portret in de Oude Nederlanden' (1953),
  • 'Vlaamse  Kunst in Brits bezit'  (1956),
  • 'Vlaamse  Kunst in Spaans bezit' (1958),
  • 'De eeuw  der Vlaamse  Primitieven' (1960),
  • 'Jan Gossaert genaamd Mabuse'  (1965),
  • 'Anonieme Vlaamse  Primitieven' (1969),
  • '8oo  jaar Sint-Janshosp itaal' (1976),
  • 'Pieter  Pourbus Meester-Schild er' (1984),
  • 'Lodewijk van Gruuthuse'  (1993),
  • 'Hans Memling' (1994),
  • 'Van Hans Memling tot Pieter Pourbus' (1998) en 'Jan van Eyck, de Vlaamse Primitieven en het Zuiden' (2002).

 

Eva Tahon


Praktisch:

Brugge, Arentshuis

Dijver 16

8000 Brugge

Tel: 050/44 87 11

22 februari tot 30 juni

€ 2,5 - € 1,5

 Korting met OKV-Museumkaart


IN DE KIJKER: Een nieuw elan voor het Oudenaardse stadhuis

 

 

Het Oudenaardse stadhuis is een kunstcollectie rijker! Naast een verzameling Oudenaardse wandtapijten (16de tot 18de eeuw)  en een verzameling Oudenaards zilver is er nu ook een collectie Europees Zilver.

 

Het Oudenaards profaan zilver en de nieuwe collectiestukken zijn een bruikleen van verzamelaar en kunstliefhebber de heer Ernest De Boever-Alligoridès.

 

Die idee ontstond 10 jaar geleden toen, na de restauratiewerken van het stadhuis en een tentoonstelling over Oudenaards zilver, de voormalige kapellekamer als zilverzaal ingericht werd. Ook de verschillen de kerkfabrieken uit de deelgemeenten en de naburige gemeenten besloten hun pronstukken door middel van een bruiklee n.

 

Gedurende 10 jaar bleef de heer De Boever vlijtig verzamelen.Toen hij in mei 2000 bekend  maakte dat  hij een zestigtal voorwerpen  in bruikleen zou geven,  werd onmiddellijk op zoek gegaan naar een passende locatie. Die vond men in de stemmige Voogdenkamer op de tweede verdieping van het stadhuis.

 

 

Europees zilver, de collectie De Boever­ Alligoridès

 

Op 24 mei 2000 openden op de tweede verdieping van het stad huis de deuren van de voormalige Voogdenkamer. De kleine gezellige  kamer heeft 18de-eeuwse bibliotheekkasten en een gaanderij. In deze ruimte werden  tot voor 20 jaar de Oudenaardse stadsarchieven bewaard.

 

In zes kijkkasten en centraal vier consoles zijn een zestigtal sier- en gebruiksvoorwerpen van Belgische, Nederlandse, Duitse, Engelse,  Ierse, Franse en Italiaanse origine tentoongesteld.

 

De gevarieerde en rijke verzameling biedt een overzicht van 16de, 17de en 18de eeuws gebru iks- en pronkzilver. De meeste stukken dateren echter uit de 17de eeuw.

 

De zilverstukken weerspiegelen een veranderde tijdsgeest en stijl. We zien een evolutie gaande van renaissance en maniërisme naar barok, rococo en classicisme.

 

De edelsmeedkunst stond uiteraard niet op een eilandje. De befaamde edelsmeden zijn veelvuldig en intensief in contact geweest met ander kunstenaars en hebben  elkaar sterk beïnvloed.

 

 

Pronkerig zilver

 

In  de 16de en de 17de eeuw waren  snakerijen of schertsbekers zowel in de Nederlanden als in Duitsland erg in trek. Zij komen voor in allerlei vormen en uitbeeldingen en bevatten een spel-of verrassingselement. Zij symboliseren de ludieke rol van wijn in die periode.

 

Het vaderschap, het moederschap of een bruiloft was meestal een aanleiding  tot het spelen van spelletjes met dranken. Een mooi voorbeeld is de Nederlandse molenbeker van de Meester met zespuntster uit 1655. De miniatuurmolen, staande op de klokbeker,  heeft een pijpje naast de molen­ trap. Door op het pijpje te blazen liet men de wieken draaien. De beker moest men in één teug  leeg drinken, nog voor de wieken stilvielen .Wie er niet in slaagde kon het spelletje van vooraf aan  herbeginnen.  Het is dan ook niet verwonderlijk dat menig gast dronken huiswaarts keerde.

 

Een bijzonder interessante 17de-eeuwse schertsbeker is het zogenaamde 'Hansje-in­de kelder'  uit Neurenberg,  1660. Dergelijke beker werd gebruikt om op aanstaande moeders te drinken. In het midden van de schaal zit een bolletje dat van gaatjes voorzien is.

 

Bovenop  het vlottertje is een dekseltje met eronder  een putto of een kinderfiguurtje. Wanneer men de wijn in de beker giet, komt het Hansje uit de bol (kelder) omhoog, een verwijzing naar de nakende  geboorte. Daarnaast waren  pronkbekers in de vorm van een schip zeer geliefd. Het hier voorgestelde zeilschip uit Augsburg, voorzien van alle zeilen en een miniatuurbemanning, dateert uit het begin van de 17de eeuw en draagt het meestermerk van Heinrich Winterstein. Dit type werd ter gelegenheid van een doopfeest of andere grote familiefeesten gebruikt om kruidenwijn te schenken

 

Pronkbekers werden  ook door gilden en stadsbesturen aan hooggeplaatste gasten aangereikt. Een uniek stuk is een liggend hert met het stadsmerk van Middelburg uit 1620.

 

Het draagt om de hals een  ketting  met het wapenschild van het stadje Veere.

 

Door de ontdekking van nieuwe continenten  kwamen ongekende en zeldzame grondstoffen op de markt. Exotische materialen zoals kokosnoten of nautilusschelpen werden in een zilveren of vergulde zetting geplaatst en zo tot schitterend pronk- en drinkgerei omgevormd.

 

De hier voorgestelde Nederlandse  Nautilusbeker uit het laatste kwart van de 16de eeuw  is in verguld zilver gezet en heeft  fraaie figuratieve elementen die naar de zee verwijzen boven Neptunus,rond de schelp een Zeemonster met opengesperde  muil, langs weerszijden tritons  en als stam  een zeemeermin ondersteund door zeepaardjes. De Nautilus, een schelp van een groep  inktvissen, werd  in de Indische Oceaan gevonden en door de Oost-Indische Compagnie naar onze streken gebracht. De schelpen werden, in tegenstelling tot Duitsland, gepolijst  en voorzien van gegraveerde decoraties.

Niet alleen schelpen  werden  tot pronkbeker omgevormd, ook kokosnoten kregen  een sierlijke versiering.

 

De 16de eeuwse kokosnootbeker is afkomstig uit Ulm en draagt het meestermerk Kesborer. Andere kostbare materialen zoals bergkristal en edelgesteenten werden tot schitterend drinkgerei verwerkt.

 

Tot het pronkzilver behoort de renaissance pronkbeker uit Antwerpen (m idden van de 16de eeuw). Het aantal bewaarde Antwerpse kunstvoorwerpen  uit die periode  is bijzonder klein. In de 16de eeuw beleefde Antwerpen een gouden eeuw,  de stad  had een internationale uitstraling en oefende een magische aantrekkingskracht uit op buitenlanders. Door de aanwezigheid van de Italianen in Antwerpen enerzijds en door de veelvuldige reizen van Vlaamse kunstenaars naar Italië anderzijds, werd de renaissancestijl er vrij vlug verspreid.

 

De vergulde  pronk­beker heeft  duidelijk een renaissancistische vormentaal: sterke horizontaal gescheiden onderdelen, een getrapte voet en een deksel met een bekronend figuurtje. Verder terugkerende vruchtenkorfjes,  leeuwemuilen, omsluierde vrouwen gezichten, rolwerk waarop saters zitten,  zeetriomfen, vissen, schelp- en schaaldieren en ingestreepte bandjes aan de profileringen van de voetrand. Al deze  kenmerken zijn typerend voor het Antwerps werk.

 

Onder Italiaanse  invloed kende men de opkomst van de "copschaele" of tazza,  een drinkschaal op hoge voet. Eenvoudige copschaelen werden  niet enkel met wijn gevuld  maar ook met zoetigheid of vruchten.  Rijkelijk uitgevoerde exemplaren kregen  louter een pronkfunctie toebedeeld en werden op een dressoor tentoongesteld.

 

De collectie Europees zilver telt twee gegraveerde tazzi. Beide zijn recentelijk toegeschreven aan J. T. de Bry en aan Abraham van den Hecken. Zij zijn uiterst zeldzaam en van een buitengewone kwaliteit.

 

De gegraveerde tazza,  toegeschreven aan Jean Theodoor  de Bry met de uitbeelding van een 'Christelicke huyshoudinge' is een van de weinige stukken die we met zekerheid aan hem kunnen toeschrijven.

 

Andere stukken bevinden zich in de parochiale kerk van Egham in Surrey, Engeland.

 

De Bry werd  in Luik geboren maar vluchtte door de godsdiensttroebelen naar Frankfurt­ am-Main. Hij was  geen goudsmid maar bij de aanvang van de 17de eeuw een veel gevraagd graveur.

 

De tweede gegraveerde tazza, met de uitbeelding van de aanbidding van de herders, mogen we toeschrijven aan Abraham van den Hecken.

 

Slechts enkele werken  zijn met grote zekerheid aan  hem toe te schrijven o.m twee tazzi, bewaard in de Lutherse  kerk van Amsterdam, een gesigneerde gravure en twee voorbeeldboeken voor edelsmeden met elk twaalf prenten.       

 

Van den Hecken werd vermoedelijk in Antwerpen geboren maar leefde en werkte in Frankenthal,  nadat  hij en zijn familie gevlucht waren voor de godsddiensttroebelen.  Rond 1608 gaf hij in Amsterdam een voorbeeldboek voor edelsmeden uit. Van den Hecken is naar alle waarschijnlijkheid door de Bry beïnvloed.

 

 

Een rijkelijk gedekte feestdis

 

Het merendeel van  het 18de eeuws gebruikzi lver is van Engelse makelij en moet in verba nd gebracht worden  met de komst van de Franse Hugenoten.

 

De komst van de Hugenoten betekende voor Engeland de beslissende breuk met de oude tradities, niet alleen in de vorm maar ook in de bewerkingstechnieken. De Engelse zilversmeden  waren  bedreven in het drijven van zilver, terwijl de grootste verdienste van de Hugenoten  hun bijna volplastische gegoten voorwerpen en hun geraffineerde versiering zijn.

 

Twee generaties zilversmeden zijn in deze collectie vertegenwoordigd: nl. Pierre Platel (vier aardbeienschaaltjes, London, 1716-1717) en David Willaume (waterketel op komfoor, London, 1724-1725) als eerste generatie en Paul de Lamerie (broodmand, London, 1748-1749) als tweede generatie. Pierre Platel, David Willaume I en Paul de Lamerie hebben  allen gewerkt in opdracht van het Engelse Koningshuis. Zo kreeg David Willaume opdrachten van George I en Platel Pierre van George II.  Maar ook buitenlandse vorsten en keizers zoals Catharina van Rusland plaatsten  bestellingen bij de Hugenoten .

 

Het belangrijkste stuk uit de Engelse collectie is een broodmand  van Paul de Lamerie, vervaardigd te Londen in 1748-1749. Het is een  hoogtepunt in de rococo­stijl. Opvallend zijn de opengewerkte ajourdecoraties. Zijn grote verdienste is dat hij erin slaagde de régence (de overgang tussen de Lodewijk XIV stijl en het rococo)  en Louis XV-motieven te combineren met de traditionele Engelse vormen.

 

Geertrui Van Kerkhoven


Praktisch:

Toerisme Oudenaarde

STADHUIS

Grote Markt

9700 Oudenaarde

tel: 055/31.72.51

fax:  055/30.92.48

toerisme@oudenaarde.be

toegangsprijs: € 4

Open vanaf 1 april tot en met 31 oktober

Maandag tot vrijdag met gids 11.00 u en om 15.00 u; zaterdag en zondag om 14.00 u en 16.00 u.


EXPO: Rik Wouters

 

 

In 1904 ontmoet hij de vrouw van zijn leven. Ze is zestien en haar bijnaam is Nel. Al gauw wordt ze zijn muze en zal hem zijn hele verdere leven inspireren.

 

Hendrik Emiel Wouters, bijgenaamd Rik Wouters, wordt in 1882 in Mechelen geboren. Als hij twaalf is begint zijn artis­ tieke vorm ing in de meubelmakerij van zijn vader waar hij wordt ingewijd in de schrij n­ werkerij en decoratieve motieven voor meubelen leert maken. Na drie jaar opleiding blijkt dat Rik artistiek begaafd is en vooral ta lent heeft voor beeldhouwen.

 

Hij beseft dat om dit talent te ontplooien een academische vorming nodig is en schrijft zich in 1897 in aan de academie voor Schone Kunsten van Mechelen.

 

In 1902 wordt hij opgeroepen voor zijn leger dienst en wordt opgenomen in de Universitaire Compagnie, waarvan de militairen het privilege  hebben om hun studies verder te zetten. Dit laat hem toe om avondlessen te blijven volgen aan de academie.

 

In 1904 ontmoet hij de vrouw van zijn leven. Ze is zestien en haar bijnaam is Nel. Al gauw wordt ze zijn muze en zal hem zijn hele verdere leven inspireren.

 

Rik en Nel wonen in Bosvoorde in een huisje aan de rand van het Zoniënwoud. Het is een lieflijke plek, maar de armoede is groot. De enige inkomsten komen van zeldzame verkopen en van de staatstoelage die Rik niet zonder moeite heeft verkregen.

 

De oorlog breekt  uit. Wouters wordt op 31 juli 1914 gemobiliseerd en naar het front in de streek van Luik gestuurd. Hij wordt in Lier opgenomen in het (militair) ziekenhuis en zijn regiment wordt vervolgens overgeplaatst naar Haasdonk, waar hij meer dan zes weken blijft. Nel zoekt haar toevlucht in Antwerpen bij Ary Delen, een vurig verdediger van Wouters' werk, en vlucht daarna met de vrouw en de dochters van haar beschermheer naar Nederland (dat in het conflict neutraal  is gebleven).

 

Een deel van het Belgische leger wijkt voor de Duitsers en trekt zich terug over de Nederla ndse grens.  Daar worden de Belgische soldaten krijgsgevangen genomen en midden oktober wordt Wouters in het kamp van Amersfoort geïnterneerd . Hoewel hij opnieuw werkt gaat zijn gezondheid er snel op achteruit.

 

De geregelde bezoeken aan het ziekenhuis van Utrecht en de steeds heviger wordende pijn, weerhouden hem niet van zijn enthousiasme en ongeduld om de stad die hem bevalt te schilderen. In oktober 1915 verergert zijn kwaal en de kunstenaar lijdt aan de pijnlijke gevolgen van een operatie. Daarbij werd een groot stuk van zijn kaak weggenomen en werd hij aan een oog blind. Hij moet een ooglap dragen en kan niet normaal eten  of praten.  Zijn laatste werken, geschilderd in sombere kleuren, getuigen van zijn wanhoop. Hij moet een derde operatie ondergaan. De laatste maanden van zijn leven zijn nog slechts gevuld  met pijn en verscheurdheid. Hij sterft in juli 1916. Voor Nel, die hem de hele tijd heeft bijgestaan, begint een  nieuw leven, dat volledig gewijd zal zijn aan de strijd voor erkenning van het werk van haar man.

 

Michel Peeters


Praktisch:

PALEIS VOOR SCHONE KUNSTEN

Ravensteinstraat 23

1000 Brussel

tel. 02/507.84.66

E-mail: expopba@netpoint.be

www.rikwouters.com

Van 23 februari tot 26 mei 2002

Alle dagen van 10 uur tot 18 uur, vrijdag tot 20 uur

€ 9, € 7, € 5


EXPO: Van Gogh en Gauguin samen in één huis

 

Als Vincent van Gogh en Paul Gauguin elkaar in Parijs ontmoeten,  is dat het begin van een van de meest besproken artistieke vriendschappen in de kunstgeschiedenis.

 

Als Vincent van Gogh en Paul Gauguin elkaar in Parijs ontmoeten,  is dat het begin van een van de meest besproken artistieke vriendschappen in de kunstgeschiedenis. Het is een verbi ntenis waarin  hoop en teleurstelling, kameraadschap en wedijver, bewondering en jaloezie elkaar voortd urend afwisselen. Een onontkoombare verbi ntenis, die beide kunstenaars tot aan hun dood in de ban houdt, zowel emotioneel als a rtistiek.

 

 

November 1887

 

In november 1887 is Gauguin juist in Parijs , teruggekeerd van een reis naar Martinique. Van Gogh woont  bij zijn broer Theo, die werkt in de kunsthandel Boussod, Valadon et Cie aan de Boulevard  Montmartre. Van Gogh heeft een groepstentoonstelling georganiseerd  in Grand Bouillon-Restaurant du Chalet aan de Boulevard de Clichy. De exposerende sch ilders, die Van Gogh de 'lmpressionnistes du Petit Boulevard' noemt,  zoeken  ieder op eigen wijze naar alternatieven voor de impressionistische stijl. Gauguin bezoekt de tentoonstelling in Restaurant du Chalet en ruilt met Van Gogh twee studies met zonnebloemen tegen een van zijn eigen doeken uit Marti nique. Op  aanraden van Vincent gaat Theo bij Gauguin op atelierbezoek. Zijn werk raakt de beide broers recht in het hart.

 

 

Kunstenaarskolonie

 

Intussen ontwikkelt Van Gogh het plan om in februari 1888 naar het warme Zuid-Frankrijk te reizen, waar  hij landschappen hoopt te vinden die aan zijn geliefde Japanse prenten doen denken.  Hij wil in Arles een  kunstenaarskolonie stichten die de Franse kunst een nieuwe  impuls moet geven: het atelier van het zuiden.

 

Eenmaal aangekomen in Arles raakt Van Gogh steeds meer van dit idee overtuigd. Begin mei hu urt hij vier kamers in een pand aan de Place La martine, het 'Gele Huis', dat hij als atelier van het zuiden wil inrichten. Hij schrijft niet alleen Theo over zijn plannen, maar ook Gauguin, die op dat moment in slechte gezondheid en zonder geld in Bretagne verblijft. Samenwonen in het  Gele Huis ziet Van Gogh als de beste oplossing voor de financiële problemen die hijzelf en Gauguin voortdurend onder­ vinden.

 

Samen met Theo beraamt hij een reddingsplan voor Gauguin. Deze reageert tamelijk lauw op de steeds dwingender  wordende brievenstroom uit Arles. Hij schrijft vaak laat terug en verschuilt zich achter zijn ziekte en geldgebrek. Vincent blijft intussen hoopvol gestemd en bereidt zich voor op Gauguins komst door het Gele Huis met schilderijen te versieren.  Voor de kamer van Gauguin schil­ dert hij een aantal prachtige stillevens met zonnebloemen. Door Gauguin een gunstige financiële regeling te beloven  weet Theo hem tenslotte over te halen zich in Arles bij zijn eenzame broer te voegen.  Daarmee begint de korte,  maar intensieve periode van samenwerking die in totaal negen  weken duurt: van 21 oktober tot 24 december 1888.

 

 

Nieuwe uitdagingen

 

In  het begin zijn zowel Van Gogh als Gauguin vol goede moed. Van Gogh heeft  tijdens zijn verblijf in Arles als een bezetene gewerkt. Zijn enthousiasme werkt aanstekelijk en Gauguin krijgt nauwelijks tijd om te acclimatiseren.  Er moet geschilderd worden! De onbegrensde bewondering van de Hollandse schilder vlijt hem en zijn zonnebloemendecoratie waardeert hij zeer (later zal Gauguin in zijn memoires melden dat Van Gogh deze schilderijen onder zijn invloed heeft  gemaakt!).

 

 

Oplopende spanningen

 

Het slechte weer van november dwingt van Gogh en Gauguin voornamelijk binnen te schilderen, in het atelier op de benedenverdieping van het Gele Hui s. Daar werken ze eerder gemaakte studies uit en schilderen ze naar stilleven en model.

 

In de kleine woning, waar wei nig privacy is, zijn Van Gogh en Gauguin letterlijk tot elkaar veroordeeld.

 

De spanning stijgt en de twistgesprekken nemen toe.  De verschillen in karakter worden steeds duidelijker zichtbaar. De schilders hebben onenigheid over kunstenaars en kunst in het algemeen en over principekwesties als wel of niet uit het hoofd werken. Vaak spreekt Gauguin verlangend over zijn voorgenomen reis naar de tropen. Van Gogh voelt de dreiging van het vertrek sterker worden  en stelt zich, in een wanhopige poging de zaak te redden, steeds dwingender op. Terwijl hij zich vastklampt aan zijn kameraad, neemt bij Gauguin de behoefte om te ontsnappen toe. Op de avond van 23 december gaat het mis. Er vindt een drama plaats in de woning aan de Place La martine 2 waarvan de ware toedracht tot op heden nog steeds niet precies  bekend  is. Volgens Gauguins versie  van het verhaal snijdt Van Gogh zichzelf in een vlaag van razernij een stuk van zijn oor af en brengt het naar een prostituee in een belendend bordeel. Gauguin vlucht naar Parijs, nadat  hij Tho via een telegram van het drama op de hoogte heeft  gesteld.

 

 

Na het drama

 

Van Gogh wordt opgenomen in het ziekenhuis van Arles. Op 7 januari keert hij terug naar het Gele Huis. Hij is diep teleurgesteld dat Gauguin zonder een woord  is vertrokken. Als Van Gogh weer  in staat is om te schilderen, portretteert hij zichzelf met zijn hoofd in het verband. Vervolgens pakt hij een aantal thema's op van vóór het incident, waarvan de onderwerpen herinneren aan de samenwerkingsperiode met Gauguin. Ook stilistisch is de invloed van Gauguin onmi kenbaar aanwezig.

 

Gauguin kan zich omgekeerd evenmin aan de invloed van zijn vriend onttrekken. Vooral Van Goghs religieus getinte denkbeelden over de kunstenaarsvereniging hebben bij hem postgevat. De leidersrol die Van Gogh hem heeft toebedeeld, aan het hoofd van een groep kunstenaars die hem als discipelen volgt, laat hem niet los. Verder schildert Gauguin verscheidene Christusvoorstellingen waarin verwijzingen naar het werk en de ideeën van Van Gogh zijn opgenomen.

 

 

Weg uit Arles

 

De buurtbewoners in Arles zijn niet blij met de terugkeer van de labiele Van Gogh op de Place La martine. Middels een petitie, waarin ze stellen dat Van Gogh 'gevaarlijk' is, weten ze hem opnieuw te laten opnemen. Op 3 maart wordt het Gele Huis gesloten. Enkele weken later wordt Van Gogh overgebracht naar een privé-kliniek in Saint-Rémy-de­-Provence, niet ver van Arles.

 

Iets meer dan twee maanden  later, op 27 juli, schiet hij zichzelf door de borst.  Na twee dagen  overlijdt hij, in het bijzijn van Theo, aan zijn verwondingen.

 

Michel Peeters


Praktisch:

AMSTERDAM

VAN GOGH MUSEUM

(bij het Museumplein)              

Paulus Potterstraat 7

Amsterdam

Tel.: +31 (0)20 570 52 52             

Fax +31 (0)20 673 50 53               

9 februari - 2 juni 2002

van 9 tot 21 u / ma. en do. tot 18 u

€ 13