U bent hier

OKV plus 2001.3

OKV plus 2001.3
'Iedereen is evenwaardig'  - Jacques Sonck - een boek te verkrijgen bij de Katholieke Universiteit Leuven.
Sinds eind'95 kan u in OKV-Plus met het werk van Jacques Sonck kennismaken. Hij fotografeert voor elke aflevering een conservator of museummedewerker. En nu is er een boek verschenen met een nieuw werk dat hij in opdracht van de Katholieke Universiteit Leuven maakte. Hoewel de tentoonstelling met zijn werk al zal afgelopen zijn op het moment dat u dit nummer in handen krijgt, leek het toch opportuun onze 'huisfotograaf' voor het voetlicht te halen. Jacques Sonck heeft geprobeerd met zijn foto's een beeld op te roepen van wie er zoal rondloopt  op een universiteit, hij ging daarvoor zelfs enkele maanden op kot wonen. Studenten en professoren uiteraard, maar ook werklui, poetsvrouwen en administratief personeel. De stijl die Sonck hierbij gebruikt is bijzonder, want hij haalt alle betrokkenen naar zijn studio. Het zijn geposeerde foto's en de modellen zijn weggerukt uit hun dagelijkse omgeving. Wél dragen ze hun werk-, feest- of sportkkledij. In die kleding heeft Sonck ze ontmoet, en zo wil hij ze ook fotograferen. Dat heeft als vreemde bijwerking  dat je als kijker je fantasie laat gaan en per foto een heel verhaal kan opbouwen. Soms is het wel duidelijk wie de mensen zijn, maar vaak helemaal niet. Dàt is het sterke van deze reeks. Je kijkt naar mensen, met hun eigenaardigheden en hun soms opvallende verschijning.
De personen die Jacques Sonck aanspreekt weigeren zelden.
Door tegen de mensen te zeggen wat hij precies wil heeft hij ook meestal geen probleem ze nadien voor zijn camera te halen. Voelen ze ze zich niet zo goed voor de lens, het zij zo, dat is ook niet altijd nodig. Deze combinatie geeft deze foto's iets bijzonders. Alles wat de kijker zou kunnen afleiden is er niet meer. Er wordt ook geen oordeel uitgesproken, geen stelling genomen, iedereen komt evenwaardig in beeld. En je wil steeds meer.
MICHEL PEETERS
____________________________________________
 
Geuren en Kleuren. Een sociale en economische geschiedenis van Vlaams-Brabant in de 19de en de 20ste eeuw .
 nog tot 9 december in het Stedelijk Museum, Savoyestraat 6, 3000-Leuven.
 
Net als de publicatie richt de tentoontelling zich tot een breed publiek. De inhoud is gebaseerd op de tekst van het gelijknamige boek. Dus dezelfde gedegen wetenschappelijke onderbouw.
 
    Maar de inhoud is vertaald naar een ander medium en valt bijgevolg niet volledig samen met deze van de publicatie. De grote lijnen - de krachtlijnen - zijn wel degelijk dezelfde.  De structuur is anders en het verhaal is - gezien het medium - ook minder genuanceerd. 
Een tentoonstelling werkt immers anders dan een boek. Het is een beeldverhaal, opgebouwd met de meest uiteenlopende tastbare elementen, met beelden en impressies. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van een grote diversiteit aan documenten en stukken: foto's, filmfragmenten, litho's, gravures, schilderijen, vlaggen, geluiden, materiële relicten en zelfs geuren. Ook in de presentatie is er een grote verscheidenheid. Er wordt voornamelijk gewerkt met originele stukken, omwille van de authenticiteit, de historische en culturele waarde. Om een bepaalde sfeer op te roepen of om de beeldende kracht van sommige stukken te versterken wordt daarnaast ook gewerkt met vergrotingen (foto's), reconstructies of ensceneringen. Bij de multimediatoepassingen wordt het accent gelegd op interactiviteit.
Er wordt ook frequent gebruik gemaakt van materiële relicten, gebruiksvoorwerpen of werktuigen. Uit de werktuigen die gebruikt werden in de vroegere manuele papiernijverheid werd een uniek schepraam uit 1853 opgediept, bestemd voor het maken van papier met watermerk voor de Nationale Bank. Een authentieke oorkonde uit 1752 van Maria-Theresia verbiedt in dat verband de uitvoer van oude vodden. Tot diep in de 20ste eeuw werden die in elk huisgezin ter ophaling bewaard.
 
    De seizoen- en pendelarbeid wordt tastbaar via onder meer een oude derdeklasse treincoupé met zijn harde, oncorfontabele houten banken.
Net als de brouwers destijds kan de bezoeker de verse hoppe ruiken, of de zoete geur van de vers geplukte aardbeien. Witloof groeit er (zogezegd) onder de golfplaten. De paddestoelen uit het Zoniënwoud geuren in een authentieke hondenkar waarin ze vervoerd werden. En in de krotwoningen in de steegjes ligt de haring op het potkachteltje te bakken. Een maquette toont een algemeen beeld van de vaartzone in Vlaams-Brabant, authentieke folders en affiches maken reclame voor conserven van Marie Thumas, stijfsel van Remy, koekjes van Delacre, cichorei van Pacha enz.
En dan zijn er de volkshuizen, gildenhuizen, liberale huizen, centra van het verenigingsleven van alle drie de kleuren (rood, blauw, geel). Vermits die - uiterlijk - zoveel gemeen hadden en hun sociaal culturele verenigingen dezelfde waren: fanfares, turngroepen, toneelkringen, zangkoren en noem maar op, wordt er één grote reconstructie gemaakt 
van één café, één decor met één muur voor elke partij waaraan attributen, affiches, mededelingen enz. opgehangen zijn. Op de tafeltjes liggen de liberale, socialistische en katholieke dagbladen, en als een metafoor voor het steekspel tussen de partijen, een biljart met gele, rode en blauwe ballen. Het verenigingsleven zelf wordt dan weer geëvoceerd door de kleurige wimpels en vlaggen, van de vele grote en kleine lokale groepen. Een opsplitsing wordt hierbij niet betracht. Wel telkens een gezamenlijk uitgangspunt met allerlei 'materiële' accenten eigen aan elke zuil. Met de nieuwe sociale bewegingen wordt de bezoeker geconfronteerd via televisiebeelden van de Vietnam-demonstraties of van de anti-atoom marsen. Uit de tijd van "Leuven Vlaams" wordt een reconstructie gemaakt van een gemeenschappelijk studentenkot waar, tussen de gebruikelijke rommel, de stapels pamfletten en de spandoeken liggen. Dit is maar een heel kleine greep uit wat belooft een kleurige en geurige tentoonstelling te worden. 
    Een publiek dat zwijgend langs het tentoongestelde schuifelt is helemaal passé. Bij de multimediatoepassingen wordt het accent gelegd op interactie met de bezoekers via touchscreens. Bij het aanraken gaat de bezoeker als het ware een poort door naar een verhaal dat, naast wat hij 'gewoon' ziet, op een volgend niveau wordt uitgewerkt met weerom beelden en teksten. De visuele confrontatie van de Vlaams-Brabander met zijn eigen ver en vrij recent verleden, met alle aspecten daarvan: werk, vrije tijd enz., maakt deel uit van een zoektocht naar een eigen identiteit. Ruimer gezien is dit geen nieuwigheid, noch is het verzamelen van bronnen daaromtrent, teneinde alles eens wetenschappelijk op punt te stellen, een 'geforceerde' bezigheid. Integendeel, het is een natuurlijk proces, een behoefte, een drang van individuen, groepen en instellingen om de fameuze 'roots' terug te vinden, om van daaruit vol zelfvertrouwen in de maatschappij te staan of daarin een plaats op te eisen. Ook de pas opgerichte provincie Vlaams-Brabant zoekt die eigen identiteit. Wellicht kan dit project daartoe bijdragen. 
 
FOTO'S(Collectie R.Uyterhoeven):  - VEEVOEDER REMY
                                                     - ARBEIDERS VAN DE GRAND CENTRAL BELGE, LATER CENTRALE WERKPLAATSEN VAN DE BELGISCHE SPOORWEGEN, LEUVEN
_____________________________________________
 
Amandine gered van roestige dood in Visserijdok.
Vindictivelaan 35-Z (rechttegenover het station, aan het Mercatorterras) 8400-Oostende.
 
VZW Maritieme Site Oostende
De v.z.w. Maritime Site Oostende werd in november 1997 gesticht met als doel een terwerkstellingsproject i. s. m. de drie andere v.z.w.'s , de VDAB, de stad Oostende en de sponsoren Baggerwerken Decloedt & Zoon en Daikin Europe. Financiële steun kwam van de Europese Gemeenschap en Kust Actie Plan. Dit leidde tot de succesvolle renovatie van de laatste Ijslander, de "Amandine" O 129, die in 1995 na 32 jaar dienst de laatste keer Oostende was binnengelopen en sindsdien armzalig wegkwijnde in het Visserijdok. Een onwaardige dood voor een heroïsch (zee)werkpaard.
 
O.129 Amandine
Niet alleen de restauratie van de Amandine startte in 1997 als een (her)tewerkstellingsproject. In 1959 werd ernstig getwijfeld aan de rentabiliteit van een nieuwe Ijslandvaarder, maar omdat er dringend nieuwe werkplaatsen moesten worden gecreëerd in het Oostendse, kon de kiellegging plaats vinden op 16 november 1960. De opdrachtgever telde toen 8.861.087 BF neer voor een stalen treiler van 36 m lang en 6,7 meter breed. Een 6 cylinder dieselmotor van 510 PK zorgde voor de vaart. Het visruim heeft een capaciteit van 1.400 bennen of 65 ton vis, een hoeveelheid die in 1962 een half miljoen waard was, maar in 1994 voor 3,5 miljoen BF kon verkocht worden. Ondanks de pessimistische prognoses, heeft de Amandine altijd goed haar brood verdiend en samen met haar de acht bemanningsleden. In de zomer werd gevist op de visgronden rond Zuid-Ijsland, een reis van 1005 zeemijlen(1862 km) die op vier dagen werd afgejakkerd tegen een snelheid van een goede 10 knopen. Er wordt een flinke twee weken gevist op vooral kabeljauw, maar ook op andere vis. Tel daarbij de terugreis van 4 dagen en de bemanning is drie weken weg. Dagen van continu hard en vaak gevaarlijk labeur aan dek, dikwijls in extreme noordelijke koude met massa's water die een onoplettende visser kon meesleuren. Maar het betaalde goed en de ijslandvaart gaf prestige. Op 4 april 1995 komt de Amandine definitief thuis en hiermee valt voor goed het doek over "d'Osensjhe Ieslandvisjherie", want zij was de enige overblijvende ijslandvaarder van een vloot van 19 schepen.
 
Een tweede leven.
Een "schoon schip" actie bracht meer dan 50 ton allerhande vuil, vistuig, oud gereedschap.... aan wal. Visruim, machinekamer, logies werden helemaal leeggehaald en nadien terug opgebouwd. De scheepsconstructie werd tot op het blote staal ontroest en van vijf lagen verf voorzien. Kostenplaatje: 13 miljoen BF. Geen gering bedrag, maar vergeet niet dat 58 cursisten een opleiding kregen als all-round scheepsherstellers en een 60 %van hen direct na de opleiding werk vond. De renovatie van het schip startte in april 1998 en nam twee jaar in beslag. De stad Oostende investeerde 40 miljoen BF voor het bouwen van een droogdok. Nog eens 25 miljoen werd uitgetrokken voor de plaatsing van het schip en de inrichting van het Amandinemuseum. Sinds maart 2001 mag het resultaat gezien zijn en zijn de bezoekers welkom.
 
Het Amandinemuseum.
Laat ons niet kniezen over de ietwat rommelige site: een drukke verkeersweg, net in de bocht van de weg, het station in de steigers, de gruwelarchitectuur van het Hooverspeed paviljoen,...Laat ons ook niet zeuren over het ietwat eigenaardige "veranda-glas rokje" dat de Amandine op haar waterlijn aangemeten kreeg. Er is genoeg om dit allemaal vlug te vergeten. Zelfs wie niet betalen wil, komt buiten aan zijn trekken en kan de treiler bewonderen. Alleen al even onder de boeg staan maakt indruk; de deuken van de Atlantische golven zijn nog te zien en roepen onmiddellijk het beeld op van een zwoegende vissersboot die zich doorheen de watermuur beukt. Wie 100 BF inkomgeld veil heeft, wordt veel rijker beloond. De bezoeker duikt tot op het niveau van het onderwaterschip onmiddellijk de "veranda" in die het droogdok overdekt en die wellicht de watergolven symboliseert (of is het ook een valnet voor de onvoorzichtige bezoeker?). Hier begint een klein maar fijn museum over de Oostendse 20ste-eeuwse ijslandvisserij. Een zorgvuldige mix van tekstpanelen, filmfragmenten op monitor, toonkasten met realia, foto's, reconstructies met levensechte poppen, een documentaire film van ca. 15 minuten,...geven een beknopt en sluitend beeld over diverse aspecten van de ijslandvaart: de vloot, situering op kaart, de manier van vissen, het kuisen (gutten) van de vis, de opleiding en de taak van de diverse bemanningsleden, het leven aan boord, de territoriale wateren (Kabeljauwoorlog).... De informatie is perfect gedoseerd op maat van de doorsneebezoeker wiens aandacht gaande wordt gehouden en die met een ervaring rijker buiten komt. De smaakvolle panelen zijn niet overladen en bieden een mix van tekst en beeld in een duidelijke relatie, de Nederlandse tekst is groot, de teksten zijn zuiver geformuleerd en beperkt; er is een vertaling in het F, E en D. Iedere taal heeft een kleur en dit is handig bij de interactieve videoschermen die door aanraking geactiveerd worden; mooi is ook het "paneel" waar de functies van schipper, stuurman, bootsman, motorist, matroos en scheepsjongen kunnen worden beluisterd in een taal naar keuze via een 'brugtelefoon", een hoorapparaat aan een darm. Dat er maar twee "telefoons" beschikbaar zijn, is een minpunt dat bij grote drukte en door onsociale collega-bezoekers die blijven luisteren voor ergernis kan en zal zorgen. Het is niettemin duidelijk dat de initiatiefnemers niet over één nacht ijs zijn gegaan, er werd overigens een beroep gedaan op de Engelse museumbouwer Gordon Meredith. Rond het onderwaterschip is er verder een fotogalerij met oude en nieuwe beelden over Oostendse vissersschepen en de haven.
De "Charlesstraat" biedt een evocatie van het zeemansleven aan wal met de façades van een schipperscafé, een kaberdouze, een viswinkel, een souvenirwinkel, een affiche voor een boksmatch, mooie email reclameborden, ... Dit haalt niet het niveau van het tentoonstellingsgedeelte en is m.i. een overbodig aanbod dat nagenoeg geen informatie toevoegt. 
Toonkasten met scheepsmaquettes en vooral met meetbrieven, zeemansboekjes, survivalkits, ... zeggen dan weer veel meer en leiden naar de pièce de résistance: de Amandine.
 
AMANDINE: WELKOM AAN BOORD 
Er is als toegift aan het hedendaagse toeganscomfort een stuk uit haar flank gezaagd; een bord geeft toch nog een veiligheids­waarschuwing: lage doorgangen, metalen trappen die bij regenweer écht gevaarlijk zijn, ... Hoewel het nooit kan zijn zoals het was, werden toch allerlei middelen toegepast om de illusie te versterken mocht de eigen fantasie tekort komen. ln het visruim valt de koude op je lijf (sponsor Daikin) en ruikt het net niet naar vis, levensechte poppen met Toussaud-kwaliteit zijn ijs aan het scheppen en de vis aan het opbergen. In het motorruim is het merkelijk warmer en ruikt het naar olie; het dieselgedreun overheerst. De motoren zelf zijn irreëel proper, evenals de bemanningverblijven, maar de evocatie is realistisch: zeelui liggen op bed, kooien zijn onopgemaakt, tijdschriften en stationsromans , pakjes sigaretten, een jeneverpul ... slingeren rond. De pin-ups zijn te braaf om echt te zijn; een overbodige video stoort de authenticiteit. Maar vooral, en dit zal ongetwijfeld realistisch zijn: het ruikt er naar zweetvoeten. lk hoop nu dat dit zo bedoeld is en niet te wijten aan een vorige bezoeker. In de kombuis is de kok vis aan het bakken, je hoort het pruttelen en het ruikt naar de keuken. Ook in de nabijgelegen eetruimte werd voor die geur gezorgd en overal dringt het eeuwige motorengeronk door. Een bezoek dat inderdaad diverse zintuigen stimuleert. Aan dek is het natuurlijk te proper, maar heel even kan men zich toch inbeelden, dankzij zij de diverse filmfragmenten, wat zich hier heeft afgespeeld. Op de brug staat de koffie nog in de mokken. Als een echte schipper kijk je uit over de Visserskaai. Het ware interessant om in de diverse apparatuur: radar, sonar, decca ... een simulatiewerking in te bouwen, zoals bij de radio in de kaartenkamer. Een almanak van 1995, met pinup, zorgt voor de afwerking. Niet wegens de pinup, maar wegens de aanduidingen op het calendarium: 6 maart/bijliggen; 10 maart/varen; 19-30 maart/vissen; 31 maart/naar huis. Wat zegt u de datum 4 april 1995? 
RUDY VERCRUYSSE 
 
FOTO'S: - DE AMANDINE OP WEG NAAR DEFINITIEVE RUSTPLAATS.
              - EEN KIJKJE IN HET MUSEUM.
              - DE KEUKEN.
              - EEN KAJUIT.
              -HET UITSTIPPELEN VAN DE ROUTE
(alle foto's: vzw Maritime site Oostende)
_______________________________________
'HET BREIN'-MUSEUM VOOR NATUURWETENSCHAPPEN, Vautierstraat 29, 1000-Brussel - van 3 oktober 2001 tot 2 juni 2002 - 
Krijgt u er een punthoofd van?
Natuurlijk zult u wel een beetje moeten nadenken, maar ook - en vooral - rondlopen, voelen, aanraken, kijken? In totaal staan er ruim 70 experimenten en 12 multimediaterminals op u te wachten! De tentoonstelling is onderverdeeld in vier zones. De eerste zone, over de dierenhersenen, is uitgewerkt in samenwerking met het Muséum National d'Histoire Naturelle in Parijs (Nationaal Natuurhistorisch Museum). De volgende drie, over de menselijke hersenen, komen van het Experimentarium (in Denemarken).
Hebt u enig idee van het gewicht en de grootte van de hersenen van de mens? Nee? Dan krijgt u straks de kans echte mensenhersenen in uw handen te nemen! Maar, wees gerust, er zit een dun laagje siliconen rond. Om van de emotie te bekomen bieden wij u daarna een korte relaxatie aan. Tenzij u liever wat hersengymnastiek doet. Of een wedstrijdje tegen uw zenuwcellen. U ziet maar!
In de zone 'denkende hersenen' kunt u al uw verschillende vaardigheden testen: op de tast herkennen van voorwerpen, moeilijke vraagstukken oplossen, inktvlekken interpreteren, een reeks losse beelden zonder enig verband onthouden, ontdekken welk uw dominante oog is, pijn onderdrukken, uw zintuigen om de tuin leiden, uw algemene kennis testen, anekdotes vertellen. Over een rechte lijn lopen, steppen of op een touwladder klimmen is helemaal niet zo moeilijk. En met een bril die alles wat uw twee ogen zien omkeert, of met een step waarbij geknoeid is met het stuur, of met een ladder die rond haar as draait bij het minste onevenwicht? Dan wordt het al heel wat minder vanzelfsprekend ! Uw hersenen zullen zich moeten aanpassen, vergeten wat ze hebben geleerd, en zelfs dan is het nog niet zeker dat het lukt.
 
________________________________________
"CASINO 2001"-S.M.A.K.,Citadelpark 9000-Gent - van 14 oktober 2001 tot 13 januari 2002.
In oktober 2001 stelt het Stedelijk Museum voor Aktuele Kunst de eerste Quadriënnale voor, een grootschalige tentoonstelling  met internationaal opkomende kunstenaars. De eerste Quadriënnale , die de titel 'Casino 2001' en een zestigtal kunstenaars groepeert, vindt plaats in het SMAK en in het Bijlokemuseum, beide gelegen aan het Citadelpark.
 
Een Quadriënnale in Gent.
Al van bij de opening van het nieuwe museumgebouw in 1999 had het SMAK de intentie om naast de tentoonstellingsprogrammatie, ook een forum op te richten voor jonge of minder bekende kunstenaars. Dit 'forum' zou met een zekere regelmaat ingericht worden en een platform geven aan kunstenaars waarvoor het museum zich nog niet (of amper) engageerde in het verleden.
Er wordt ruimte gecreëerd voor kunstenaars wier werk de discussie over hedendaagse kunst en de gangbare opvattingen hieromtrent op een zinvolle manier invult.  Door een veelheid aan kunstenaars en projecten aan bod te laten komen, ontstaat de mogelijkheid  om contacten te creëren, op zoek te gaan naar interessante gelijkenissen en verschillen, en op verschillende niveaus aan uitwisseling te doen. De Quadriënnale is in die zin een uitdaging voor het museum, dat op die manier om de vier jaar gedwongen wordt om iedere keer opnieuw van nul te starten. Elke editie zal door een andere curator, die tijdig benoemd wordt  zodat er voldoende voorbereidingstijd is, geleid worden. Het S.M.A.K. kiest er bewust voor om een tentoonstelling te lanceren die het 'traditionele tentoonstellingsritme', dat bepaald wordt door het opzetten van tijdelijke exposities in het museum naast de presentatie van de permanente collectie, doorbreekt. De Quadriënnale wordt op die manier een complementaire instelling naast het museum.  Het vierjaarlijkse tentoonstellings-gebeuren ligt in het verlengde van de ervaring die het museum reeds heeft met events. Internationaal gezien merkt men dat de twee- of meerjaarlijkse tentoonstellingen  als events steeds meer aan belang winnen, en zelfs op gelijke voet komen te staan met de permanente musea die over een vaste collectie beschikken. De Quadriënnale wordt dan ook een soort draaischijf, een 'event' dat ervoor zorgt  dat het museum de eigen werking continu ondervraagt. Het wordt een structureel mechanisme, dat bepaalde openingen creëert in de normale werking van het instituut.
De eerste Quadriënnale: 'Casino 2001'
Voor de eerste Quadriënnale werd Jeanne Greenberg Rohatyn, een onafhankelijke curator en kunstadviseur uit New-York, aangeduid als artistiek directeur.  In 1997 presenteerde ze de tentoonstelling 'American Artists in Paris' in de residentie van de Amerikaanse ambassadeur in Parijs.  Ze was tevens intensief betrokken bij de installatie van hedendaagse kunstwerken  op alternatieve locaties, en ze was curator van 'WallWorks', een project met muurinstallaties voor Edition Schellmann. 'CASINO 2001' wordt haar eerste grootschalige internationale tentoonstelling. 
De titel van de tentoonstelling verwijst naar de oorspronkelijke functie  van het gebouw waarin het SMAK sinds 1999 gehuisvest is. In het verleden was er in het huidige museumpand immers een casino ondergebracht.''CASINO 2001' verwijst tevens naar het symbolisme en de mythologie van de Amerikaanse populaire cultuur, met het casino als metafoor bij uitstek. Als extravagante en theatrale plek waar populariteit en geld centraal staat, functioneert het casino als een soort 'modellocatie' voor de tentoonstelling. Het casino refereert aan glitter en oppervlakkigheid, maar eveneens aan het feit dat verslaving, corruptie en geweld alom tegenwoordig zijn in dit soort goktempels. De kunstenaars die voor de tentoonstelling uitgekozen werden nemen het populaire, of aantrekkelijke als thematisch uitgangspunt en benaderen dit gegeven op een kritische manier. Het overgrote deel van de participerende kunstenaars groeide op in de jaren '70, in de periode waarin talrijke stromingen of '-ismen' elkaar in snel tempo opvolgden. De koude esthetica van de Pop Art wordt door hen hervertaald naar de hedendaagse cultuur. Hun generatie is opgevoed met noties zoals conceptualisme, consumeren, amusement en technologie. Het merendeel van de kunstenaars beschouwt televisie, film of een videospel als een belangrijke, soms zelfs esthetische ervaring. Vaak wordt de grens tussen kunstenaar en 'celebrity' erg klein, en in het werk lopen de privé- en de publieke sfeer in elkaar over. Keith Edmier bijvoorbeeld, zal voor zijn werk in 'CASINO 2001 ' samenwerken met Farah Fawcett, de glamoureuze televisiester die onder meer bekendheid verwierf in de jaren zeventig  toen ze de rol van één van Charlie's Angels vertolkte. Mike Bouchet 
 werkte gedurende drie jaar aan het construeren van een soort filmset, een 'dry wall'. Na afloop engageerde hij een modefotograaf om zijn werk te documenteren. Zijn studio annexe Hollywoodset zal door middel van foto's op behangpapier in het SMAK gereconstrueerd worden.
 
LOCATIES
 'CASINO 2001' zal zowel de gelijkvloerse verdieping van het SMAK  als het Bijlokemuseum in beslag nemen. Dit zal een dialoog tussen twee architecturaal verschillende instituten tot stand brengen: de moderne 'witte kubus' versus het historische stadsmuseum.
Het  SMAK werd in 1999 verbouwd en is het eerste museum in België dat aan hedendaagse kunst gewijd is. De notie van de witte kubus wordt er versterkt door het natuurlijke licht dat door het glazen dak en langs verschillende gangen binnenstroomt. 
 De Amerikaanse kunstenaar Ricci Albenda zal hier de rol van de museumgalerij herdefiniëren door de ongerepte witte muren te laten kronkelen en eigen portalen en voetstukken toe te voegen. 
Het Bijlokemuseum zal voor deze gelegenheid omgevormd worden tot een soort 'Wassenbeelden Museum'. Aanvankelijk was dit museum een 13de-eeuws klooster, beter bekend als de abdij van Bijloke. ln een latere fase werd het gebouw toegevoegd aan het aanpalende ziekenhuis. Het museum herbergt een aantal specifieke artefacten nl. standbeelden, schilderijen, curiosa, objecten en decoratieve elementen die stuk voor stuk verbonden zijn met de geschiedenis van de Arteveldestad. Tijdens 'Casino 2001' zullen hedendaagse objecten en werken deze museale voorwerpen vervangen. De Bijloke wordt de site voor een experiment waarbij de voormalige abdij wordt omgevormd tot een huis van plezier ('funhouse'), een soort wassenbeelden museum waar vertekeningen van de realiteit geboden worden, waar kunstenaars hun verbeelding de vrije loop laten, en waar de bezoeker een gevoel van desoriëntatie gewaar wordt. Het werk 'Transformer, Second Mission Project ko2' van de Japanse kunstenaar Takashi Murakami werd gemaakt voor een kerk, en zal opnieuw opgesteld worden in een grote zaal op de eerste verdieping. De Amerikaanse schilder Kurt Kauper zal de 18de-eeuwse portretten in de gildezaal van het museum vervangen door eigen hedendaagse portretten. 
______________________________________________________
 
 
'MICHEL SEUPHOR' - Hessenhuis, Falconrui 53, 2000-Antwerpen - nog tot 21 oktober 2001
Fernand Berckelaers (1901 -1999) koos voor Michel Seuphor als artiestennaam, een anagram van Orpheus. Hij manifesteerde zich in de loop der jaren als graficus, schilder, ontwerper, publicist, dichter, filosoof, criticus, vertaler ... Toen hij twintig was publiceerde hij al het revolutionaire tijdschrift 'Het Overzicht', een juweeltje op typografisch en kunsthistorisch vlak. 
    Omdat Vlaanderen te bekrompen en te provincialistisch was, vestigde hij zich in Parijs (1925) en raakte bevriend met belangrijke kunstenaars uit de internationale scène: Mondriaan, Delaunay, Larionov, Marinetti, Van Tongerloo, Van Doesburg e.a. Er volgde een welgevulde carrière. Naast teken-en schilderwerk publiceerde Seuphor het toneelstuk "L' éphémère est éternel". ln 1929 stichtte hij de artistieke groep 'Cercle et Carré'. Hij publiceerde "Un renouveau de la peinture en Belgique flamande".
    In 1939 verscheen zijn autobiografische roman "Les évasions d'Olivier Trickmansholm". ln opdracht van Jean Paulhan vertaalde hij in 1943 de gedichten van Guido Gezelle in het Frans. Tot op hoge leeftijd scandeerde hij die zelfs nog uit z'n hoofd. Het encyclopedische standaardwerk "L'art abstrait, ses origines, ses premiers maîtres" verschijnt in 1948. 
Zes jaar later verschijnt zijn monumentale studie over het werk van Mondriaan. 
    Zijn diepgaande en grondige kennis over de abstracte kunst krijgt een neerslag in twee boeken: "Dictionnaire de la peinture abstraite" (1957) en "La peinture abstraite, sa génèse, son expansion" (1962). In de laatste dertig jaar bleef hij schilderen en publiceren, studeerde Sanskriet en correspondeerde hij in het Latijn, Grieks en Hebreeuws. Het indrukwekkende archief en de uitgebreide bibliotheek van Michel Seuphor werden verleden jaar verworven door het Middelheimmuseum. Het belangrijkste onderdeel van dit archief bestaat uit Seuphors briefwisseling met bevriende kunstenaars, gallerijhouders, curatoren, conservatoren en uitgevers uit heel de wereld. Bij sommige belangrijke publicaties had Seuphor ook foto's verzameld: hij bezat ongeveer 10.000 van die originele foto's. Het archief van de tijdschriften "Het Overzicht" en "Cercle et Carré" werden nauwkeurig bijgehouden en wordt geschat op zo'n 20.000 brieven, vaak met de belangrijkste prominenten uit de kunstwereld. Ook boeken, brochures en overdrukken  van z'n eigen werk behoren tot het archief. Plakboeken, kranten en tijdschriftknipsels van en over Seuphor vervolledigen het geheel.
    Door deze belangrijke verwerving en omdat het in 2001 de honderdste verjaardag van Seuphors geboorte is, organiseert het Middelheimmuseum een dubbeltentoonstelling. Met de beelden uit de collectie van het openluchtmuseum wordt een parcours gemaakt waarbij verbanden worden gelegd  naar werken van kunstenaars uit de kring van Seuphor (zie artikel in Publiek en Museum p.40). In het Hessenhuis worden kunstwerken getoond van vrienden van Seuphor. Een apart gedeelte met eigen werk van Seuphor zelf vormt het sluitstuk  van deze uitzonderlijke tentoonstelling.
Foto: -  MICHEL SEUPHOR (©Linda Greeve)
_________________________________________
DE BIËNNALE VAN VENETIË:'HET PLATEAU DER MENSHEID' OF WAT DAARVOOR MOET DOORGAAN - Giardini di Castello, Venetië
Over de geschiedenis en de organisatie van de Biënale  kon u al meer vernemen  in de vorige OKVPlus, maar wat is er nu eigenlijk te zien op deze editie?
    Traditiegetrouw zit het gros van de deelnemende landen bijeengepropt  in de Giardini (de paviljoenen) en het Arsenale (waar de grote thematentoonstelling loopt). Daarnaast zijn er nog een flink aantal landen die zich in een paleis ergens in de stad genesteld hebben. Het thema van deze 49ste Biënnale is deze keer 'Plateau der mensheid'. Harald Szeemann koos deze titel  om aan te geven dat er deze keer eigenlijk geen bindend thema is, dat iedere kunstenaar vrij is om zijn onderwerp te bepalen. Dat zoiets niet altijd even goed uitdraait moge al van meteen duidelijk wezen. 
 
Het Arsenale.
    In dit voormalige militaire bolwerk heeft de stad Venetië sinds een paar jaar een schitterend onderkomen gevonden voor zijn tweejaarlijkse kunstmanifestatie. Vooral de 300 meter lange centrale gang van de corderia, de voormalige touwmakerij, is zonder meer indrukwekkend. En het allereerste werk dat je te zien krijgt is dat zeker ook! Ron Mueck realiseerde er een reusachtig kind. De enorme jongen zit gehurkt en doet zelfs tot in de kleinste details zeer levensecht aan. Zwaar onder de indruk van dit werk komt men dan in de lange centrale gang en ....tja, en wat eigenlijk? Allemaal hokjes. Een lange, eindeloze rij hokjes. Video doet het nu eenmaal beter in het donker en dat zal je als bezoeker geweten hebben ook! Zeker de helft van alle werken in het Arsenale hebben op een of andere wijze met video te maken. Op zichzelf hoeft dat geen probleem te zijn, een video-installatie doet het meestal wel goed op een dergelijke manifestatie. Daar loop je doorheen of die onderga je. In deze hokjes, waar vaak alleen maar een videofilm getoond wordt, zit je na een uur als een zombie te staren  naar het zoveelste werkstukje. Niks tegen de video, maar in deze context werkt het van geen kanten. Een snelle  berekening van de totale speelduur van alle films samen brengt ons op zo'n 23 uur! Dat brengt niemand op.Een paar werken zijn van een zodanige kwaliteit  dat je wél de totale speelduur uitzit, maar ze blijven een strikte minderheid. Chris Cunningham realiseerde 2 video's waarin tederheid en geweld vlijmscherp tegenover mekaar geplaatst worden. In het eerste deel zien we een man en een vrouw die elkaar tot bloedens toe slaan om uiteindelijk heel verliefd in mekaars armen te vallen. Brutaal, gemeen, keihard, maar vooral ook zeer ontroerend. Het tweede deel laat ons een vrouwelijke robot zien, die de liefde ontdekt  maar uiteindelijk moet aanvaarden dat ze de echte intimiteit  nooit zal leren kennen. Vooral het tweede deel, met muziek van Björk en met haarzelf in de hoofdrol als robot, is bloedstollend mooi! Ook Georgina Starr weet de toeschouwer in het hart te raken. Letterlijk dan! Ze toont een modeshow waarbij ieder model dat op de catwalk verschijnt  meedogenloos wordt neergeschoten.  De bebloede kleren bleven liggen als bewijs. Je kijkt ernaar en je bent er even niet goed van. Verder wordt het allemaal al snel anekdotisch. Aardige vondsten, maar beklijven doet het allemaal niet. De 'Uomoduomo'  van Anri Sala, een man die in slaap valt in de kathedraal van Milaan, is daar zo'n voorbeeld van. Het filmpje duurt zo'n minuut en wordt eindeloos herhaald. Een kleine praktische hindernis is ook nog wel de warmte. Van het moment dat de temperatuur de 25 graden overstijgt, wat in Venetië nu wel meer gebeurt, zijn deze videohokjes echte sauna's. Leuk is anders. Dit is geen pamflet  tegen het gebruik van video of film in de kunst, het is nu eenmaal één van de nieuwe media, maar als je het aanpakt zoals in het Arsenale, alles netjes op een rij, kan je evengoed een goed ingerichte filmzaal ter beschikking stellen  en de werken daar tonen. Waarom het op deze manier moet blijft me een raadsel.
 
De Giardini
De landenpaviljoenen toonden deze keer vooral veel...juist ja! Video! Hoewel minder prominent aanwezig dan in het Arsenale, was de tendens toch duidelijk: ook het voormalige Oostblok heeft zich volop in de film gestort. Wat opvalt is dat het Belgische paviljoen, met Luc Tuymans (zie ook OKVPlus 2) een zeer prominente rol opeist! Mooi opgehangen werken met in de zijzalen enkele zeer goed gekozen oudere werken maken er een mooi en zeer sereen geheel van. Wat dan weer niet kan gezegd worden van het Italiaans paviljoen. Normaal gezien toch het paradepaardje van de Giardini.  Er bevinden zich best knappe werken in de zalen, maar het geheel komt nogal rommelig over. Opvallend is wel dat de fotografie hier met de meeste eer gaat lopen. Cristina Garcia Rodero toont een reeks foto's van Voodoo-rituelen. Zonder meer indrukwekkend. De koude, bijna steriele foto's van Lucinda Devlin die overal in de Verenigde Staten de terechtstellingskamers ging fotograferen vormen een macaber maar schitterend geheel. Zeker ook omdat ze in de kelders van het paviljoen hangen. Paul Graham bezocht dan weer een ander soort kamers: toiletten. Hij toont ons de (vaak gore) lectuur die men doorgaans in de herentoiletten wel kan terugvinden. Maar de grote namen, en zoveel zijn het er ook weer niet, ontgoochelen toch. Het geheel dat Cy Twombly laat zien is zonder meer zwak en ruikt meer naar commercie dan naar inspiratie. Alleen Marisa Merz weet echt te overtuigen met haar kleine ceramieken hoofdjes die je her en der ziet staan en die zich in een soort van tijdloze beweging naar de hemel richten. Mooi! De andere paviljoenen bieden een zeer gevarieerde aanblik, maar echte uitschieters zijn er ook hier zelden. De Belgen, we zeiden het al. En de Canadezen, zonder twijfel. Een video-installatie (jawel) van George Miller  en Janet Cardiff, waarbij je in een theatertje plaatsneemt met een koptelefoon. Terwijl de film loopt hoor je allerlei commentaren van de mensen 'rondom' je, die chips willen, die zich afvragen of de gasbrander wel uit staat, gsm's die rinkelen, gekuch, gehoest. De hele tijd vraag je je af of het echt gebeurt of alleen in je koptelefoon. Enig nadeel is dat deze installatie slechts 10 mensen per keer kan hebben, met wachttijden die aardig oplopen dus. Het best daarin zijn deze keer de Duitsers. Gregor Schneider bouwde het Duitse paviljoen om tot een gewoon woonhuis. Enig nadeel: je mag er telkens maar per twee in. Voorwaar een briljant idee op een tenstoonstelling waar per dag enkele duizenden mensen rondlopen! En dan ja, de Engelse bijdrage. Waanzinnig mooi in zijn eenvoud. Het Engelse paviljoen is één van de grootste en indrukwekkendste  gebouwen in de Giardini.  Maar deze keer liet men de centrale hal gewoon leeg. Of beter, bijna leeg. Centraal staat een naakt wassen beeld met een doornenkroon: Ecce Homo, ziedaar de mens. Met zijn figuur leverde Mark Wallinger één van de opmerkelijkste bijdragen van heel de Biënnale. eenvoudig, pakkend, confronterend.
 
De bijdragen in de stad.
    Traditioneel zijn een aantal landen vertegenwoordigd buiten het vroegere tentoonstellingsterrein. Her en der verspreid in de stad huren zij vaak schitterende locaties af om hun kunstenaars voor te stellen. Onnodig te zeggen dat een bezoek aan deze tentoonstellingen de moeite waard is. 
    Vlakbij San Marco, in het Palazzo delle Progioni, 'zitten' sinds een paar jaar de Taiwanese kunstenaars. Hun bijdrage is altijd opvallend en origineel en dat is deze keer niet anders. Rond het thema 'Living Cell' bouwden zij vier installaties op, die de mens in 'hokjes' stoppen. Opmerkelijk is het wel. De vloerinstallatie met hologrammen, een ontwerp van Shi-min-Lin, waardoor je het idee hebt dat je over een bijenraat met mensen loopt, is alvast een heel erg bevreemdende ervaring. 
    Vlakbij zijn ook werken uit Signapore te zien, in de Schola Santa Apollonia. Uitschieter en blikvanger daar is de installatie van Suzann Victor, die vier kleine luchters aan een stang heen en weer doet zwieren tot ze bijna een grote centrale kroonluchter raken, die van glas is, toch hét exportproduct van Venetië.
    Zeker ook het vermelden waard is de tentoonstelling van de Portugezen, in het Palazzo Vendramin, waar João Penalva te gast is. Hij ging zeer lyrisch te werk met veel zwart-wit beelden van de 19de eeuwse componisten. In de grote centrale salon wordt een film getoond die enkel en alleen het zicht op een meer toont, bekeken vanop de steiger.  Klinkt saai maar is het niet. Terwijl je kijkt hoor je een vrouw een brief voorlezen  waarin een man haar schrijft waarom hij wegging naar Amerika en waarom hij ook zal terugkeren. Een heel mooie tekst die er in slaagt je de volle 15 minuten te laten uitzitten.
 
Besluit
   In vergelijking met de vorige keren is deze Biënnale wat rommeliger, valt ze ook wat tegen eigenlijk. Dat ligt eerder aan het ontbreken van een duidelijke visie dan aan de bijdragen zelf. Iedereen de vrijheid laten lukt  dus duidelijk niet binnen een concept als dit. Maar ook een ander probleem dringt zicht nu al sinds een paar edities op. Heeft het eigenlijk wel zin om een kunstmanifestatie  van dit kaliber om de 2 jaar te organiseren? Is de interval van vier jaar die Documenta gebruikt niet veel zinvoller? En ook, is met het gebruik van allerlei nieuwe media het nog langer verantwoord binnen een zo strikte begrenzing als de Giardini en het Arsenale te werken? Met het oog op de 50ste Biënnale  binnen twee jaar zal men de formule nu niet wijzigen, dat staat wel vast. Jan Hoet werd trouwens al aangezocht om die jubileumeditie te maken. Maar als men er nog eens 50 edities wil aan toevoegen dan zal het hokjesdenken toch echt plaats moeten maken voor een meer open en vernieuwend concept.
MICHEL PEETERS
 
FOTO'S:   - RON MUECK,BOY
                -SHI-MIN-LIN, LIVING CELL
                -CHRIS CUNNINGHAM, PASSION/HATE
                -SHIH-FEN LIU, LUNATIC ASYLUM
                - CRISTINA GARCIA RODERO, VOODOO-RITUALS
                -GEORGINA STARR, Z.T.
(alle foto's ©LA BIENNALE DI VENEZIA)
_____________________________________________
'EUROPALIA POLSKA' _- Koningsstraat 10 1000-Brussel
Het kunstenfestival Europalia bestaat reeds 32 jaar, maar de laatste edities zijn nog maar een flauwe afspiegeling van wat het multidisciplinaire festival ooit betekende. De naam van het festival ontstond uit de samentrekking van Europa en Opalia (de overvloed van de oogst).
   Iedereen herinnert zich nog wel zo'n overvloedig festival  zoals Europalia België in 1979 met een Bruegheltentoonstelling  waar de mensen in dikke rijen op straat aanschoven aan het Paleis voor Schone Kunsten (vermoedelijk de meest succesvolle tentoonstelling ooit in België), of Europalia Griekenland in 1981, een verplichte stop voor de humaniorastudenten.  In een tijd van groeiende Europeanisering pikte de festivals goed in op de leerplannen van de Belgische scholieren die dan ook tot voor kort een belangrijk deel van de bezoekers waren. Maar Europalia was in het begin een uitdrukkelijk Belgisch festival en naarmate de Belgische staatsstructuur  veranderde en belangrijke bevoegdheden zoals cultuur  niet meer bij de federale overheid zat, kwam het festival in nauwe schoentjes. Vooral van Vlaamse zijde rees de vraag of men het festival moest blijven steunen en het scheelde geen haar of de Vlaamse Gemeenschap had zich uit het hele festival teruggetrokken. Vooral de hele politieke sfeer rond het culturele festival stuitte de critici tegen de borst. De keuze van de landen had immers zelden te maken met pure kunst- of culturele criteria maar meestal was er wel een belangrijk politiek of economisch parallel verdrag dat mee de keuze bepaalde zoals bij Spanje (toetreding tot de Europese Unie), Japan en Mexico (belangrijke handeslverdragen). Zo schoof  het festival meer en meer in de armen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en bepaalde de Ostpolitiek van dat departement mee de keuze  van de laatste edities.  Het mogelijke lidmaatschap  van de EU en de toekomstige toetreding tot de NAVO weerspiegelde zich in de keuze van een aantal Europaliagegadigden: Tsjechië, Hongarije, Polen, Bulgarije. En iedereen weet wat het betekent als cultuur terechtkomt bij politieke departementen  wiens core-business  eigenlijk iets anders is: een politieke speeltuin voor de ministers, diplomaten en de vele commissarissen  die traditioneel rond elk Europalia-festival zweven. Het hoefde dan ook niet te verbazen dat de diplomaten   in hun overijver met de keuze voor een Turkije-editie, na veel politiek getrouwtrek, werden teruggefloten. Het prestige van het festival kreeg meteen een gevoelige knauw, maar vooral de financiën. Maar ook de culturele wereld veranderde en ook het gedrag van de hedendaagse cultuurconsument. Elk zichzelf respecterend cultureel centrum organiseert  wel elk jaar een mini-festival met tentoonstellingen en optredens rond één of andere cultuur of etnische groep. Het angstvallig vasthouden aan de 19de eeuwse nationale grenzen levert immers niet altijd per definitie de beste kunstuitingen op. Integendeel na de landen kwamen immers de Europese hoofdsteden, nu krijgen regio's meer en meer aandacht en in de toekomst zullen geografische landmarks zoals rivieren, gebergten, wouden als onderwerp culturele festivals gaan bepalen. In elk geval zal het ook afhangen van de nieuwe baas van het Paleis van Schone Kunsten, Paul Dujardin om te weten waar Europalia in zijn masterplan voor het PSK staat.
    De sterkte van Europalia zit in de ervaring van de ploeg en een ingenieus samenspel  met allerlei culturele partners over heel de Benelux. Die ploeg slaagt erin ondanks alle turbulenties om gedurende enkele maanden een aantal parels uit één land naar België te halen. Het Paleis voor Schone Kunsten ontvangt traditiegetrouw de grote belangrijkste historische tentoonstellingen: "Voorlente", een naam die enerzijds verwijst naar een kort tussenseizoen tussen de winter en de lente maar anderzijds ook naar de periode in de Poolse geschiedenis tussen 1880 en 1920. Die periode kenmerkt zich door de eerste tekenen van een nationale wederopbouw en terzelfdertijd een nieuwe opening naar de Europese cultuur, nadat Polen in 1795  tussen de drie grootmachten Oostenrijk, Rusland en Pruisen was verdeeld. De tentoonstelling omvat zo'n 150 schilderijen en 15 beeldhouwwerken uit 16 musea en 7 privé-collecties, waaronder de Nationale Musea van Warschau en Krakau. In het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Gent loopt vermoedelijk de meest interessante tentoonstelling: Europees Modernisme. De collectie van het Muzeum Sztuki Lodz is één van de origineelste verzamelingen moderne kunst in Polen. Ze ontstond reeds in 1931 toen een reeks Poolse avant-gardekunstenaars zelf de verzameling in het leven riep en aan de stad Lodz schonken. De kunstenaars deelden de revolutionaire idealen van de Russische avant-garde en onderhielden contacten met de andere centra van het modernisme in Europa, vooral Parijs. Tussen de werken uit die periode bevinden zich schilderijen van Frans Arp, Theo van Doesburg, Max Ernst, Fernand Léger en Pablo Picasso. Ook nadien kreeg het museum nog regelmatig schenkingen zoals onder meer in de jaren vijftig met vooruitstrevende werken van Enrico Baj, Victor Vararely, enz...Eén van de bekendste schenkers was ongetwijfeld Joseph Beuys die in 1981, de periode van de Solidariteit niet minder dan 700 stukken uit zijn persoonlijk archief aan het museum schonk. Traditioneel brengen ook twee banken elk een Europaliatentoonstelling rond de Art Deco uit Polen. Deze kunstrichting bracht in Polen grootse bouwwerken voort.  Maar de vernieuwing kwam ook in andere disciplines tot uiting zoals in de affichekunst, de grafiek, de textielkunst en in de ceramiek. De Bank Brussel Lambert  tenslotte toont het wereldberoemde retabel 'Het Laatste Oordeel' van Hans Memling, dat weliswaar niets met Polen te maken heeft ware het niet dat een handige piraat het in 1473 van een Italiaans schip kon ontfutselen. Het meesterwerk was immers bestemd voor de kerk van de Medici in Firenze. De BBL stelt het gigantische altaarstuk dat ook op de grote Memlingtentoonstelling  in Brugge te zien was tentoon  ter gelegenheid van een colloquium "De Europese beschaving op proef". De volledige Europalia-agenda met o.a. ook een reeks tentoonstellingen in Wallonië vindt men op internet.
    Na Bulgarije in 2002 wenst Europalia terug te beginnen in 2003 met het allereerste land, namelijk Italië, maar de vraag is of dertig jaar oude formats nog wel zullen werken in een  tijd dat de jeugd voor een handvol Euro's naar Italië kan vliegen.
PETER WOUTERS
________________
'VOORLENTE-POLEN 1880-1920', Paleis voor Schone Kunsten Brussel, van 3 oktober 2001 tot 6 januari 2002
Deze tentoonstelling stelt ongeveer 175 werken voor uit de periode 1880 - 1920 in Polen, periode tijdens dewelke een mentaliteitswijziging plaatsvond in de Poolse maatschappij en cultuur.
   De beweging Mloda Polska (Jonge Polen) trachtte de Poolse culturele identiteit te vrijwaren. De kunstwerken bevatten symbolen van de Poolse cultuur en tradities en getuigen van de tijdsgeest. De expositie omvat voornamelijk werk van bekende Poolse schilders , o.a. Jacek Malczewski, Józef Mehoffer, Stanislaw Ignacy Witkiewicz(Witkacy), Wojciech Weiss, Witold Wojtkiewicz en Stanislaw Wyspialski. Verder worden ook foto's, sculpturen en werken op papier getoond. Parallel met deze tentoonstelling (en in het parcours) zullen lezingen gehouden worden in het literair café, een reconstructie van het bekende cabaret Jama Michalikowa te Krakau. De thema's die aan bod zullen komen behandelen voornamelijk de Poolse kunst, maar ook de Poolse geschiedenis en politiek in de 19de en 20ste eeuw. Dankzij de tentoonstelling en de lezingen zal de bezoeker een beter inzicht krijgen in de geest van de tijd. Polen was sinds een eeuw verdeeld over drie grootmachten wanneer de voorlente, periode van artistieke opwelling, de herovering van de vrijheid in 1917 - 1918 aankondigt, na de val van de Russische, Duitse en Oostenrijks-Hongaarse Rijken. De bezoeker kan zijn kennis over de West-Europese artistieke bewegingen, o.a. het symbolisme en de art nouveau in België, toetsen aan de werken van tal van Poolse kunstenaars, die hier te weinig bekendheid genieten. Het wordt een boeiende ontdekking van een land, dat vijftig jaar lang van ons gescheiden werd door een totalitair regime maar ons nader ligt dan men gewoonlijk denkt.
___________________________________
'EUROPEES MODERNISME. DE COLLECTIE VAN HET MUZEUM SZTUKI LODZ', Museum voor Schone Kunsten van Gent, van 10 oktober 2001 tot 30 december 2001
Lodz, tijdens de 19de eeuw een belangrijke industriële stad, werd tijdens de 20ste eeuw een even belangrijk artistiek centrum, en dit vooral dankzij de oprichting en de activiteiten van het Muzeum Sztuki (Museum voor Schone Kunsten).
   De geschiedenis van dit museum is merkwaardig, want het dankt zijn ontstaan aan de actie van enkele kunstenaars, waaronder Wladyslaw Strzemilski en Katarzyna Kobro, die een internationale verzameling moderne kunst samenbrachten tijdens de jaren 1930 - 1931. Het Muzeum Sztuki werd alzo het eerste museum van moderne kunst in Europa. Van de oorspronkelijke collectie van 112 werken bleven er na de tweede wereldoorlog nog 86 over. Deze belangrijke verzameling, met namen als Piet Mondriaan, Georges Van Tongerloo, Hans Arp, Sonia Delaunay, Max Ernst, Fernand Léger e.a., wordt integraal getoond in het Museum voor Schone Kunsten van Gent. Ze wordt aangevuld met 3 groepen werken, die te maken hebben met de verdere uitbouw van de museumverzameling na 1945: werk van de Poolse kunstenaars als Roman Opalka, maar ook een installatie, "Polentransport", van Joseph Beuys, die in 1981 de helft van zijn persoonlijk archief aan het Muzeum Sztuki schonk.
__________________________
'ARABISCHE CULTUUR EN OTTOMAANSE PRACHT TIJDENS ANTWERPSENS GOUDEN EEUW', Museum Plantin-Moretus Vrijdagmarkt 22 2000-Antwerpen, van 1 december 2001 tot 1 maart 2002
Vanaf de 16de eeuw werden meer en meer diplomatieke betrekkingen en handelsrelaties met Noord-Afrika en het Oosten aangeknoopt. In deze context ontstond een groeiende interesse voor de Arabische wereld, die zich eers manifesteerde in talrijke reisverhalen, kostuumboeken en cartografische werken.
   Onder invloed van het humanisme evolueerde de arabistiek tot een volwaardige discipline, die belangrijk was voor de overlevering van de Griekse beschaving en haar bijdragen over geneeskunde, wiskunde, filosofie en astronomie. Onder impuls van de Officina Plantiniana, en meer bepaald de Leidse drukkerij van Plantijns schoonzoon Raphelengius, werden Arabische grammatica's en woordenboeken uitgegeven. Het is dank zij de Antwerpse drukkers  en de Fransman Guillaume Postel, die als de grondlegger van de arabistiek kan beschouwd worden, dat meer en meer Europeanen zich gaan toeleggen op de studie van het Arabisch, het Ottomaanse rijk bezoeken en door hun publicaties getuigen van hun groeiende symphatie voor de islamitische cultuur. N.a.v. '125 jaar Museum Plantin-Moretus' en '125 jaar Vereniging der Antwerpse Bibliofielen' wil deze tentoonstelling een beeld schetsen van de cruciale rol die het Plantijnse Huis en Antwerpen in deze culturele uitwisseling gespeeld hebben. Als internationaal centrum van de boekproductie gaven zij de aanzet tot een beter begrip van de Arabische cultuur en tot grotere tolerantie.
FOTO:  - KAART VAN NOORD-AFRIKA,©MUSEUM PLANTIJN-MORETUS
____________________________
'KRONAN 1676,SCHATTEN UIT DE OOSTZEE', Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis, Jubelpark 3, 1000-Brussel - nog tot 14 oktober 2001
Het Koninklijk Legermuseum werkt nauw samen met het Kalmar Läns Museum uit Zweden om het Belgisch publiek een mooi overzicht aan te bieden van de vondsten uit een wrak dat zonder twijfel behoort  tot een van de mooiste ontdekkingen  van de laatste jaren in de onderwaterarcheologie.
    De Kronan, het admiraalschip van de Zweedse vloot, zonk op 1 juni 1676, tijdens de zeeslag bij het eiland Öland  in de Oostzee. Het schip werd ontworpen door de Engelse scheepsbouwer Francis Shelton, tijdens de regering van Karel XI(1660 - 1697). Op 31 juli 1668 werd de Kronan te water gelaten. Met een waterverplaatsing van 2.200 ton was de boot 53,5 meter lang bij de waterlijn. Boven water mat zij maximaal 60 meter lengte bij 13 meter breedte. Zij werd bewapend met meer dan 120 bronzen kanonnen van uiteenlopende herkomst. Het volledig uitgeruste schip zonk na een zware explosie. Een 800-tal manschappen vond de dood en slechts 42 overleefden het. Anders Franzen, die de Vasa ontdekte in 1956, vond in 1980 ook het wrak van de Kronan. In tegenstelling met de alom gekende Vasa, waarvan de romp intact bleef zodat ze kon worden gelicht en daarna onderzocht, bleven de restanten van de Kronan op 26 meter diepte op de zeebodem liggen. Elk jaar opnieuw werd er gedoken en verschenen er telkens een duizendtal voorwerpen aan de oppervlakte. Tot die vondsten behoren ondermeer de grootste schat aan gouden munten ooit gevonden in Zweden, kledingstukken, bronzen kanonnen, menselijke beenderen, meubels, navigatie-instrumenten en allerlei beeldhouwwerk dat deze machtige oorlogsbodem versierde. De tentoonstelling 'Kronan 1676'. Schatten uit de Oostzee' toont een schitterende selectie  uit de 25.000 in het wrak teruggevonden voorwerpen
______________________________
'JHERONIMUS BOSCH', Museum Boijmans Van Beuningen, Museumpark 18-20, 3015 CX Rotterdam - nog tot 11 november 2001
Museum Boijmans Van Beuningen brengt met 'Jheronimus Bosch' de belangrijkste tentoonstelling  ooit aan deze laatmiddeleeuwse schilder uit de Nederlanden gewijd.
   Achttien aan Jheronimus Bosch toegeschreven panelen zijn in Rotterdam te zien, waaronder absolute topstukken als 'Het Narrenschip'(Musée du Louvre, Parijs), 'De Dood van een Vrek'(National Gallery of Art, Washington) en 'Johannes de Doper' (Fundacion Lazaro-Galdiano, Madrid). Met zeven als onbetwist eigenhandig te boek staande tekeningen vormen ze de kern van de tentoonstelling. Daarnaast wordt er een veelvoud aan schilderijen uit het atelier en naaste omgeving van Bosch getoond. Dat de fascinatie voor Bosch tijdloos is, blijkt uit de moderne en hedendaagse kunstwerken die in de tentoonstelling zijn opgenomen van onder anderen Bill Viola, Salvador Dali, Jörg Immendorff, Robert Gober, Pipilotti Rist, William Kentridge en James Ensor. Deze unieke tentoonstelling is alléén in Rotterdam te bezoeken en is de enige gelegenheid om werken van Bosch samen te zien. De expositie is een van de hoogtepunten van Rotterdam 2001, Culturele Hoofdstad van Europa. Jheronimus Bosch (ca. 1450 - 1516) is van de beroemdste schilders uit de late middeleeuwen een van de meest intrigerende. Als schepper van een hoogst origineel en wonderlijk oevre, door de duivels en gedrochten dikwijls angstaanjagend, vol merkwaardige symbolen en satire blijft Jheronimus Bosch ons aanspreken. Zijn leven is en blijft mysterieus, net zoals de betekenis van zijn schilderijen. Bosch'fantasieën hebben een universele aantrekkingskracht. Elke generatie ervaart hem anders.
 
Speculatie
   Over het leven van Jheronimus Bosch is weinig gekend en veel gespeculeerd. rond 1450 werd hij als Jheronimus  van Aken in 's Hertogenbosch geboren. Naar deze Brabantse stad, waar hij zijn hele leven woonde en werkte, noemde hij zich Bosch. Zijn vader Antonius was eveneens schilder. Als lid van de Lieve Vrouwe Broederschap in Den Bosch ontwierp hij een borduurwerk, een kaarsenkroon en een gebrandschilderd raam voor hun kapel in de Sint-janskathedraal.Tegelijk met Bosch werkte daar Alart Duhameel, de bouwmeester van de kapel en de laatgotische Sint Jan, die in die tijd nog volop in aanbouw was. Daarnaast spreken de archieven over financiële transacties - Bosch was niet onbemiddeld - en over de adviezen die hij gaf over de beschildering van het beroemde, door Adriaen van Wesel gesneden altaarretabel in de kathedraal. Ook is er sprake van een betaling van Philips de Schone, hertog van Bourgondië aan Bosch voor één schilderij, 'Het Laatste Oordeel'. 
 
Topstukken
De eigenhandige panelen en tekeningen vormen het hart van de tentoonstelling. Letterlijk: ze staan centraal gegroepeerd in het midden van de expositieruimte. Naar de buitenkant toe, telkens rondom een origineel werk van Bosch, wordt een facet van zijn oeuvre, techniek, stijl en motief, van de cultuur in zijn tijd of een ander thema uitgewerkt. Onder de schilderijen bevinden zich topstukken uit Europese en Amerikaanse musea als de 'Ecce Homo' uit het Städelsches Kunstinstitut und Städtische Galerie in Frankfurt, 'De 
Keisnijding' uit het Museo Nacional del Prado in Madrid en 'De vier Visioenen uit het Hiernamaals' uit Palazzo Ducale in Venetië. 'Johannes de Doper' van het Fundacion Lazaro-Galdiano in Madrid en de 'Johannes op Patmos' van de Gemäldegalerie in Berlijn zullen voor de gelegenheid worden herenigd, evenals 'De Dood van een Vrek' uit de National Gallery of Art in Washington en het befaamde 'Narrenschip' uit het Musée du Louvre in Parijs. Het Kunsthistorisches Museum in Wenen staat voor de duur van de tentoonstelling 'De Kruisdraging' en 'Spelend kind' af. Museum Boijmans Van Beuningen zelf bezit vier originele panelen van Bosch, waaronder 'De Marskramer'-ook wel 'De Landloper' of 'De verloren zoon' genoemd -en 'De heilige Christophorus'. Tot de zeven door Bosch in bruine inkt gemaakte pentekeningen behoren onder meer 'Het Woud heeft oren, het Veld heeft ogen' uit Berlijn en 'Boommens' uit de Graphische Sammlung Albertina in Wenen. Daarnaast is er een ruime keuze schilderijen van navolgers en kopiisten. Met de prenten van kunstenaars die zich door Bosch lieten inspireren vormen ze een aanwijzing voor de artistieke invloed en populariteit van Bosch in zijn tijd. Een waardering die evenzeer 
spreekt uit zijn voorname opdrachtgevers en het feit dat in Brussel zeer kostbare, metersgrote wandtapijten van wol, gouddraad en zijde naar zijn voorstellingen werden vervaardigd. Vier van deze tapijten zijn bewaard in Koninklijk Spaans bezit en hangen op de tentoon­stelling: 'De Hooiwagen', de 'Tuin der Lusten' en twee met taferelen uit het leven van de heilige Antonius. 
 
Tijdgenoten 
    Hoe oorspronkelijk en weinig conventioneel Jheronimus Bosch ook geweest moge zijn, hij stond tegelijkertijd in een artistieke traditie van zijn eigen tijd. Dat benadrukt de tentoonstelling door Bosch in de stedelijke cultuur van zijn tijd te plaatsen; de overgang van late gotiek naar de renaissance. Er hangen schilderijen van tijdgenoten als Dirk 
Bouts, Geertgen tot St.jans, Gerard David en Jan Gossaert. Nog dichterbij Bosch komt de bezoeker dankzij de uitgebreide presentatle van het culturele leven van 's-Hertogenbosch rond 1500. Een stad rijker aan zilversmeden, boekverluchters, bouwers en beeldhouwers dan aan schilders. Originele steensculpturen van de Sint-Jans­
kathedraal, edelsmeedwerk, beelden en verluchte manuscripten geven met archeologische vondsten als alledaagse gebruiksvoor­werpen en pelgrimsinsignes een indruk van de materiële cultuur en het kunstzinnige leven in wat toentertijd een 'vrome en playsantelycke stadt' werd genoemd. 
 
Verbeeldingswereld
    Bosch schilderde twee categorieën onderwerpen: godsdienstig en werelds-moraliserend. Beide overlappen elkaar wanneer religieuze voorstellingen een waarschuwende boodschap bevatten. Als geen andere kunstenaar schiep Bosch de meest fantastische vergezichten en helse angstvisioenen. Vol satire en ironie verbeeldde hij van mensen hun goede, maar vooral hun slechte eigenschappen. Op ongeëvenaarde manier doorgrondde hij de boosheid van de wereld. Daartegenover stelde Bosch een andere dimensie. Hij had een voorliefde voor heremieten, die zich hadden teruggetrokken uit de aardse wereld vol ondeugden. Ook het leven en lijden van Christus en de heiligen boden Bosch als religieus kunstenaar stof tot het schilderen. Op de tentoonstelling wordt de complexe verbeeldings­wereld van Bosch vol symbolen en bizarre beeldspraak opnieuw geïnterpreteerd en helder gemaakt. Prof. dr. jos Koldeweij, curator van de tentoonstelling: "Een schilderij van Bosch is niet alleen om te kijken, maar ook om te lezen. Beeldlezen bedoel ik, want er zit allerlei beeldtaal in waar men indertijd vertrouwd mee was." Nieuw bronnenonderzoek en iconografische interpretaties helpen om zicht te krijgen op Bosch' wereldbeschouwing, zijn manier van componeren en zijn beeldtaal, die doortrokken is van tegen­stellingen: deugd tegenover ondeugd, verheven naast obsceen, positief en negatief. Dendrochronologisch onderzoek -waarbij de jaarringen in de houten schilderpanelen worden geteld -en ander technisch onderzoek leverden nieuwe bevindingen op omtrent de 
precieze datering van Bosch' paneelschilderingen en zijn schilder­techniek. Ook is er meer duidelijkheid ontstaan inzake oorspronkelijk werk van Bosch en alle door anderen vervaardigde kopieën op paneel en papier. 
 
Bosch-website
    Ter aanvulling op de expositie is de speciale Bosch-website ontwikkeld: www.BoschUniverse.com. Deze website vol educatieve en historische informatie heeft als hoogtepunt de interactieve Jheronimus Bosch Adventure Game. Spelers kunnen wereldberoemde drieluiken 'openen' en inzoomen op de vele bizarre details die zijn schilderijen kenmerken, met als einddoel Bosch' hemel of hel. 
_______________________________
HET PROVINCIAAL GALLO-ROMEINS MUSEUM VERWERFT DE SCHAT VAN AMBIORIX, Kielenstraat 15, 3700-Tongeren.
Het provinciebestuur van Limburg heeft een Keltische muntschat aangekocht die vanaf 21 juni  2001 tentoongesteld wordt in het Provinciaal Gallo-Romeins Museum van Tongeren.
    De muntschat omvat 102 gouden munten waarvan 78 munten van de Eburonen, 21 munten van de Nerviërs, telkens één munt van de Trevieren en van de Bellovaciërs en één onbeslagen muntplaatje. De muntschat is aangemaakt in de tijd van Ambiorix (eerste eeuw voor Christus), rond de periode van de veroveringstochten van Julius Caesar in onze streken.  De munten zijn gevonden in Heers (in de buurt van Tongeren). Het provinciebestuur van Limburg heeft er 7.050.000 BEF voor over om 94 van de 102 munten te verwerven. De vinder wenst de overige 8 munten zelf te behouden. De omvang van de schat is uitzonderlijk en kent geen parallellen in Vlaanderen. De Eburonenstaters  werden vermoedelijk uitgegeven door Ambiorix, de leider van de Eburonen. De ontdekking is voor onze regio en voor de geschiedenis van het West-romeinse Rijk van uitzonderlijk historische belang. De vondst kan waarschijnlijk in verband worden gebracht  met de oorlogen tussen Julius Caesar ( de munten in deze periode werden immers uitgegeven  o.a. om de oorlogen te financieren). Mogelijk is er een rechtstreeks verband met de opstand van de Eburonen tegen Julius Caesar. Voor het GalloRomeins Museum is dit het scharnierpunt tussen de 'prehistorie' en 'echte' geschiedenis die aanvangt met de geschriften van Julius Caesar ('De Bello Gallico'). Deze vondst geeft de nu al rijkste prehistorische collectie van Vlaanderen nog een extra dimensie. Na de ontdekking van de vorstengraven van Wijshagen in 1985, het bijendepot van Heppeneert in 1990  en de Keltische goudschat van Beringen in 1995 zijn de gouden munten die eind 2000 gevonden zijn, de vierde prehistorische topvondst  op rij voor het Gallo-Romeins Museum. De bekendmaking van deze Keltische vondst die mogelijk in verband staat met Ambiorix valt mooi samen met de tentoonstelling 'Asterix en Europa'. Daarin staat de opstand van een fictieve Keltische stam tegen de Romeinen centraal. Van een toeval gesproken. Waarheid en fictie kan u naast elkaar gaan bewonderen in het Provinciaal Gallo-Romeins Museum, want deze topstukken krijgen uiteraard een vaste stek in de publiekscollectie  van het museum.
___________________________
'SINT-HERMES. VAN ROME TOT RONSE', cultuurgids uitgegeven door het Provinciebestuur Oost-Vlaanderen, W.Wilsonplein 2, 9000-Gent
   In 1990 startte het Oost-Vlaamse provinciebestuur met de uitgaven van een reeks Kleine Cultuurgidsen. De reeks wil het grote publiek  - via aantrekkelijke en erg toegankelijke publicaties  - laten kennismaken met minder bekende, maar daarom niet minder belangrijke aspecten van het Oost-Vlaamse erfgoed. Zopas verscheen het 27ste deel: 'Sint Hermes, van Rome tot Ronse'.
    Sint-Hermes, patroonheilige van de stad Ronse, behoort zeker niet tot de galerij van bekende heiligen. Hij zou in de 2de of 4de eeuw prefect van Rome geweest zijn en omwille van zijn geloof gemarteld. In de 9de eeuw kwam een belangrijk deel van zijn relieken in Ronse terecht. Ze genoten de faam geestesziekten te kunnen genezen en Ronse werd een befaamd bedevaartsoord, waarvan het succes pas in de 16de eeuw, onder invloed van het humanisme, reformatie en contrareformatie sterk terugliep. Dat het levensverhaal van Sint-Hermes  vandaag in een Kleine Cultuurgids terug wordt opgerakeld  is nochtans niet te danken aan een of andere vorm van belangstelling voor het pittoreske of het irrationele. In tegendeel. Al doen die details uit het verhaal van Sint-Hermes en zijn verering meer dan eens glimlachen; de bedoeling van de Kleine Cultuurgids is vooral de lezer te laten kennismaken met de middeleeuwse context. Niet alleen wanneer precies en hoe de relieken van de Romeinse prefect in Ronse terechtkwamen, maar  vooral het waarom krijgt aandacht. Wie schonk ze en waarom deed hij dat? Welke behoefte zag Ronse daarmee vervuld? Wie ging op bedevaart en wat hoopten ze daardoor te bekomen? Wie exploïteerde de bedevaart en wat was hun belang?
    Het boekje tracht niet enkel Sint-Hermes uit de vergeethoek te halen, maar ook de volledige site rondom de aloude Sint-Hermeskerk. Op minder dan honderd meter van elkaar verwijderd stonden er tot in de 19de eeuw drie kerken: De nog gedeeltelijk bewaarde oude Sint-Martinuskerk, de weer opgegraven Sint-Pieterskerk die mogelijk uit de 10de eeuw stamt en de nog gedeeltelijk Romaanse Sint-Hermeskerk. Zelden bleef een middeleeuws kerkelijk complex zo goed bewaard; De geschiedenis  ervan is ook uitzonderlijk goed bekend. Opgravingen  gingen van start in de veertiger jaren en gaven aanleiding tot heel wat historisch onderzoek. De resultaten ervan bleven tot nu toe echter verborgen voor het grote publiek. Ze vonden hun weerslag  in niet gepubliceerde verhandelingen die enkel onder specialisten bekend waren en in talloze kleine detailstudies gepubliceerd in de jaarboeken van de oudheidkundige kring van Ronse. In de goede traditie van de Kleine Cultuurgidsen worden ze ordelijk samengevat met het oog voor vlotte leesbaarheid  en geïllustreerd  aan de hand van talrijke foto's van de kerk zelf en van voorwerpen, vooral reliekhouders en archeologica. 
JAN VAN DAMME
 
FOTO: - SINT-HERMESKAPEL, NOORD DWARSBEUK
_______________________________
'HET HOOFD TEN VOETEN UIT', Museum Dr.Guislain, J.Guislainstraat 43, 9000-Gent - van 10 november 2001 tot 2 juni 2002
Een overzichtstentoonstelling over de culturele verbeelding, de wetenschappelijke visies en de doctrinaire opvattingen  over het hoofd als zetel van de ziel of bewustzijn doorheen de tijd. Van prehistorische trepanaties tot de modernste hersenscantechnieken.
    De tentoonstelling 'Het hoofd ten voeten uit' gaat over een eeuwenoude fascinatie. Talloze zegswijzen  in onze taal tonen dit aan. 'Wie zijn hoofd verliest', bijvoorbeeld, is de zinnen kwijt. Wie 'liegt dat het rookt boven zijn hoofd', is een enorme leugenaar.
     Allereerst toont men de grote gelijkenissen en verschillen wanneer we het over het hoofd hebben. Blank, zwart, kind, grijsaard, man en vrouw: allen hebben een hoofd. De verschillen zijn even frappant als de gelijkenissen. 
     In de menselijke omgang neemt het hoofd een centrale plaats in. Wanneer mensen bij elkaar zijn, wordt het gezicht nauwlettend bekeken, letterlijk en figuurlijk betast. Wie is die andere? Welk karakter heeft hij? Is hij goedaardig? Stof genoeg voor interpretatie. Mensen dichten elkaar allerhande kenmerken toe. Wie er zo uit ziet is aantrekkelijk, afstotelijk, vriendelijk, moederlijk, misdadig...Elkaar via het hoofd eigenschappen toekennen, is lang geen onschuldige bezigheid. Vooroordelen zijn hardnekkig en bepalen ons meer dan ons lief is.
     Naast het spontane beoordelen van het hoofd en het karakter van anderen, is er ook de zogenaamde wetenschappelijke aanpak. Men begaf zich hierbij dikwijls op glad ijs. Uiterlijke raskenmerken worden verbonden aan karaktereigenschappen. Een grote schedelomvang gaf garantie op grote intelligentie, misvormingen van het hoofd leiden naar ziektebeschrijvingen, eerste psychiaters tekenen het hoofd van hun patiënten  op zoek naar 'types'. De antropoloog, de psychiater, de criminoloog, allen meten ze hoofden op zoek naar typische kenmerken. Het hoofd als uithangbord.
     Maar er is meer. Om zeer verschillende motieven werd aan het hoofd 'gewerkt', in het hoofd 'ingebroken': om de waanzin te laten ontvluchten, voor een betere werking van de hersenen, voor de schoonheid en aantrekkelijkheid, uit gewoonte. Het is zelfs opvallend hoe heden ten dage in de Westerse wereld piercing, tatoeage en andere soms ingrijpende versieringen deel uitmaken van jongerenculturen.
      Het hoofd, dat wisten al de Oude Grieken, is de zetel van het bewustzijn. Het gevoel, de intelligentie, de persoonlijkheid, de ziel....Wat zeggen grote filosofen over al deze 'hoofdkenmerken'? En welke discussie voor en tegen laaide op toen de guillotine onthoofding plotsklaps 'populair' maakte?
     Opvallend is dat mensen die 'ziek zijn in het hoofd' in hun plastisch werk dit hoofd op soms zeer intrigerende  manier afbeelden. Op de tentoonstelling worden markante werken op dit vlak uit verschillende belangrijke collecties art brut en outsiderkunst getoond.
_____________________________
 
 
 
 
 
'JOSÉ VERMEERSCH ', PMMK, Oostende - van 23 september2001 tot 13 januari 2002
Dit najaar vindt in het PMMK in Oostende een grote retrospectieve plaats van José Vermeersch. Na het boek nu de tentoonstelling.
      Al van in zijn prilste jeugd weet José Vermeersch (º 6 november 1922) dat hij kunstenaar wil worden. Van 1937 af is hij ingeschreven aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Kortrijk. Medeleerling en vaak medelaureaat is Octave Landuyt. Hij beproeft alle genres, maar heel vlug ontpopt hij zich als een gedegen portretschilder. Hij is een raak waarnemer met zin voor het detail. In zijn vroege composities beschrijft hij zijn omgeving, het leven van alle dag van eenvoudige lieden. In 1941 trekt hij naar de Koninklijke Academie te Antwerpen. Als leermeester kan hij kiezen tussen Walter Vaes en lsidoor Opsomer, gevierd portrettist en tevens directeur van de school. Omdat hij de virtuositeit van Opsomer wantrouwt, kiest hij voor Walter Vaes. ln 1943 worden de studies abrupt onderbroken door de oorlogsomstandigheden en in 1945 hervat hij voor één jaar zijn studies aan het Hoger Instituut voor Schone Kunsten te Antwerpen. Zijn leermeester is nu Constant Permeke. Gedragen door het tijdsklimaat van de naoorlogse jaren  ondergaat de kunst van José Vermeersch een radicale omwenteling. Het surrealisme is in de mode en die invloed is tijdelijk merkbaar.  Maar tot de abstractie zal Vermeersch zich nooit aangetrokken voelen. Hij concentreert zijn aandacht op het blootleggen van de essentie van de figuratie, het vinden van de kern zonder zich door bijkomstigheden te laten afleiden. Ook in de landschappen voert hij stilistische vereenvoudigingen door. De traditionele beoefening van de schilderkunst bevredigt hem niet. Nieuwe tijden vereisen nieuwe uitdrukkingsmiddelen. Zo verschijnen meer en meer uitgezuiverde architectuurvolumes in zijn composities. Ze bepalen de structuur van de schilderijen die hierdoor een strakkere, haast constructivistische opbouw krijgen. De belangstelling van José Vermeersch voor architectuur gaat gepaard met een radicale afwijzing van de traditionele technieken in de schilderkunst. Zo beschouwt hij het gebruik van penseel en doekals achterhaald. Hij zal er alles aan doen om daarin vernieuwing te brengen. Hij bedenkt namelijk een techniek waarin hij inderdaad zonder penseel kan schilderen. Het gebruik van afdrukken bepaalt in grote mate de stijl van zijn werken. Maar Vermeersch schept plezier in de technische uitdaging. Hij wil namelijk bewijzen  dat zijn afdruktechniek ook voor meer detaillististisch uitgewerkte schilderijen in aanmerking komt. Zo ontstaan verschillende doeken met een meer surrealistische inslag waarin hij de kleinste details  met de zorg van een fijnschilder uitwerkt. Rond 1965 gooit Vermeersch het roer om. Hij neemt opnieuw het penseel op, maar hanteert het nu op een totaal andere wijze.  Gedaan met het fijnschilderen. De verf wordt met krachtige streken, zonder aarzeling aangebracht. Het is het tastbare bewijs dat hij zijn techniek perfect beheerst. Maar ook thematisch heeft hij zich verder ontplooid. 
     Op het einde van de jaren zestig ondergaat de schilderkunst van josé Vermeersch eens te meer een grondige kentering. Eindelijk vindt hij de kracht om alle esthetische en idealistische betrachtingen overboord te gooien. 
    De volgende stap is voorspelbaar. Rond 1969 gooit de figuur de laatste beperking af en treedt uit het doek. José Vermeersch grijpt terug naar de keramiek. Maar in de voorbije jaren is hij gegroeid, inhoudelijk en technisch. In zijn schilderijen heeft hij een oerdegelijke thematiek ontwikkeld die hij probleemloos driedimensionaal kan ontwikkelen. Meer nog, hij komt met een eigen techniek voor de dag. In plaats van zijn beelden uit de massa te boetseren, bouwt hij ze uit kleiplaten op. Nadat hij de klei gemengd en gekneed heeft, rolt hij ze uit tot dunne vellen. Hieruit stelt hij voeten samen, dan benen, de romp en zo hogerop tot het hoofd. Het bouwproces wordt geregeld stilgelegd om de klei te laten drogen. Deze werkwijze bepaalt uiteraard de eigenheid van de beelden. Ze staan op eigen voeten, worden door de eigen stevige benen gedragen. Bewegingen zijn even aangezet, niet 
nadrukkelijk en weinig specifiek. De uitdrukking is die van de fundamentele verwondering over het eigen bestaan. Gaandeweg wordt Vermeersch zich beter bewust van de onuitput­telijke mogelijkheden van zijn werk. Door de beelden naast elkaar op te stellen ontstaan beeldengroepen. Het nieuwe werk van José Vermeersch slaat meteen aan bij publiek én critici. De erkenning is er eindelijk na een lange zoektocht die een kwarteeuw geduurd heeft. Hier is niet de zoveelste pottenbakker die zich aan sculpturale 
experimenten waagt. Zijn benaderingswijze is fundamenteel vernieuwend en bovendien voor een breed publiek toegankelijk. 
    Ook het buitenland ontdekt nu José Vermeersch. Zijn bijdrage tot de éénenveertigste Biënnale van Venetië in 1984 draagt sterk bij tot die doorbraak. In minder dan tien jaar vinden belangrijke tentoon­stellingen plaats in Nederland, Mexico, Frankrijk, Duitsland en de Verenigd Staten. Maar er is meer. José Vermeersch begint opnieuw te schilderen. Toen hij met keramiek begon, koesterde hij nog de hoop om gelijktijdig te blijven schilderen en zodoende zijn thema's via beide media op gelijkwaardige wijze uit te werken. In de praktijk is dat niet haalbaar gebleken. Tussen 1971 en 1982 schildert hij amper. Wanneer hij hierna het penseel weer ter hand neemt, blijkt dat de twee uitdrukkingsvormen van elkaar vervreemd zijn. De schilderijen uit de jaren tachtig zijn nauwgezet realistisch en vertonen zelfs enige verwantschap met het hyperrealisme dat in de voorbije jaren furore maakte. De laatste werken van Vermeersch zijn indrukwekkende marines, vlug en raak geschilderd. In krachtige halen geeft hij de typische zilverige weerkaatsing van het licht op het water weer. Met geestdrift heeft hij aan de fascinatie van de Noordzee gestalte gegeven, in het spoor van Artan, Permeke, Ensor, Spilliaert. Op 13 december 1997 overlijdt José Vermeersch te Lendelede na een korte ziekte, een maand nadat hij met familie en vrienden zijn vijfenzeventigste verjaardag had gevierd. 
FOTO'S: - BEWEGENDE FIGUUR, 1969 ,OLIEVERF OP PAPIER,  150 X 120 CM
              - MODEL MET HOND, 1985, HOUTSKOOLTEKENING OP DOEK? 200 X 100 CM 
foto's: Art Field, Meulebeke.
_____________________________
 
Jonge kunstenaars in Vlaanderen :Tom Bogaert 
02 /767 94 86 
 
VOOR DE GEUR VAN SOLDEERSEL ... 
Wanneer je voor de eerste keer werk ziet van Tom Bogaert is het even schrikken. Merkwaardige combinaties van speelgoed, elektronica en kitsch. Soms heel grappig, soms duidelijk met een ernstige ondertoon. 
     Bogaert schrikt er niet voor terug om Afrikaanse voorwerpen te gebruiken en deze om te bouwen met lampen en ander elektronisch spul. Een Afrikaans masker met een fladderende vleermuis erop, bijvoorbeeld. Dat sommigen daar geschokt door zijn, snapt hij wel maar dat komt alleen maar door allerlei vooroordelen. De 'kunst'­-voorwerpen die je vandaag in Afrika kan kopen zijn allang niet meer origineel maar worden massaal aangemaakt voor het Westen. Wat is er dus op tegen om ze te gebruiken in combinatie met onze 'kitsch'? Wanneer hij enkele van zijn werken aan Afrikanen toonde waren die alleen maar enthousiast! Tom Bogaert weet waarover hij spreekt als het onderwerp Afrika op 
tafel komt: hij was er jarenlang werkzaam in de vluchtelingensector. We moeten die voorwerpen niet sacraal maken, dat zijn ze ginder ook niet, alleen al het materiaal waaruit ze gemaakt zijn is verganke­lijk. En daarbij, Afrika is allang niet meer ongerept, dat beeld kunnen we dus beter maar zo snel mogelijk vergeten. 
    Soms heb je wel de neiging een boodschap of een bedenking te zien in de werken van Tom Bogaert, maar volgens hem is dat dan louter toevallig. Het maken is belangrijk, het plezier dat hij er aan beleeft. Het moet niet zwaar of serieus zijn. Het kan best dat er links ontstaan naar bepaalde (mis)toestanden, al dan niet toevallig, maar naar echte boodschappen moeten we niet op zoek gaan in zijn werk. 'Ik voel me nog het best als ik die geur van soldeersel kan opsnuiven' zegt hij. Wij snoven mee en zagen dat het goed was. 
FOTO'S: TOM BOGAERTS ©CARINE DEMETER 
_______________________________
 
PANDOERA, EEN CULTURELE AGENDA OP KINDERMAAT 
"De dag dat ik ontdekte dat er meer bestond dan jeugdtheater was voor mij een openbaring. Ik ontdekte dat er meer culturele activiteiten waren voor kinderen dan ik voor mogelijk hield. Ik kreeg bij wijze vanspreken een culturele slag in mijn gezicht." Lieve Eeckhout 
    Zodra de schoolpoorten eind juni dichtzwaaien, krijgen de ouders een belangrijke rol in de tijdsbesteding van hun kroost, vaak met een pak grijs haar tot gevolg. Een bezigheid vinden voor kindlief die ook nog eens het niveau van tv of videospel overstijgt, is immers een heuse uitdaging. En dan zwijgen we nog van de queeste naar dat extra toetsje cultuur. In Antwerpen is er gelukkig de Pandoera-krant . Even herhalen: pan-doe-ra. Als reporter met een missie begeef ik mij op een druilerige maandag naar HETPaleis in Antwerpen, vanwaar de redactie van Pandoera­krant opereert. Ondanks het slechte weer en de humeurverknallende regenbuien word ik aldaar heel hartelijk ontvangen door Lieve Eeckhout, eindredactrice en bezielster van de Pandoera-krant. 
-
 
PAN-DOE-RA? - HEEFT HET IETS TE MAKEN MET DE DOOS  VAN PANDORA? 
          Nee, helemaal fout! Aan de naam van onze krant is er een heel ander verhaal verbonden. Aanvankelijk was er geen naam bedacht voor de Pandoera-krant. Totdat er een plaatselijk klasje van het tweede leerjaar de naam 'Pandoera' voorstelde. Pandoera werd dan afgeleid van 'een pandoering krijgen' , waarbij pandoering een pak slaag 
betekent. Pandoera wil de kinderen en hun ouders, bij wijze van spreken, met cultuur om de oren slaan. 
 
IN DE DOOS VAN PANDOERA ZITTEN DUS GEEN VERSCHRIKKINGEN, MAAR EEN SCHAT AAN IN FORMATIE? 
    Dat zeker! Pandoera is een tweemaandelijkse cultuurkrant voor kinderen tussen 6 en 12 jaar. Op 24 bladzijden worden alle culturele activiteiten voor kinderen in één agenda samengebracht zodat de kids en hun ouders weten waar ze naar toe kunnen om een beetje cultuur op te pikken. Met 'cultuur' heeft de redactie een zo ruim mogelijk aanbod op het oog zoals muziek, podiumkunsten, musea en andere. In het middenkatern van Pandoera vind je een overzicht van alle culturele activiteiten en bijhorende technische gegevens zoals datum, plaats, de leeftijd van de kinderen en de aard van de activiteit. De overige bladzijden bevatten de inhoudelijke omschrijvingvan de activiteiten in de kalender. Het boeiende aan deze krant is dat ze volledig gericht is op kinderen, met teksten en illustraties op maat. 
 
WORDT HET DAARBIJ NIET WAT ONOVERZICHTELIJK? 
      Omdat het aanbod van culturele activiteiten heel divers en groot is, publiceert Pandoera enkel het aanbod van organisaties in groot Antwerpen die (net zoals Pandoera) gesubsidieerd worden. Grote commerciële evenementen zal je daarom niet in ons krantje vinden. 
 
PANDOERA IS NOG EEN REDELIJK JONG INITIATIEF. HOE ZIJN JULLIE OP HET IDEE VAN EEN KINDERCULTUURKRANT GEKOMEN? 
      Het idee achter Pandoera werd geformuleerd door Barbara Wijckmans (directrice van HETPaleis, jeugdtheater in Antwerpen). Door gebrek aan communicatiemiddelen bestond er nog geen centraal cultureel informatiepunt voor kinderen. En dit terwijl er zo veel te beleven valt in Antwerpen! Ze nam zelf het heft in handen en besloot om alle culturele evenementen voor kinderen tot 12 jaar te bundelen in een krant. Dit resulteerde in de eerste uitgave van Pandoera op 15 februari 1998. Sindsdien verscheen het krantje met het grappige cartoonmannetje (een creatie van de vaste illustratrice, Liesbet Slegers) elke twee maanden. Met uitzondering van juli en augustus, dan worden alle activiteiten voor kinderen gebundeld in de cultuurkrant van Antwerpen. 
 
BUITEN DE MOTIVATIE VAN BARBARA HEB JE OOK EEN HEEL EIGEN FILOSOFIE ONTWIKKELD.
      Naarmate ik meer betrokken geraakte met Pandoera, kwamen er steeds duidelijker twee soorten doelstellingen naar voor. Ten eerste wilden we alle culturele activiteiten in groot Antwerpen bundelen. Ten tweede wil Pandoera grensverlagend werken op gebied van cultuur. Dat wil zeggen dat we kinderen (en hun ouders) uit sociaal achtergestelde buurten of scholen willen stimuleren tot het ontdekken van allerlei culturele activiteiten. Pandoera fungeert hierbij als een instrument om hun interesseveld uit te breiden. 
 
PANDOERA IS HAAR DERDE JAAR INGEGAAN. ZIJN ER SINDS '98 NOG NOEMENSWAARDIGE VERANDERINGEN GEBEURD? 
     Toen de redactieleden voor de eerste keer samenkwamen stonden we als wildvreemden tegenover elkaar. Maar door ons engagement zijn we ondertussen een heel hechte groep geworden. Onze oplage is intussen aanzienlijk verhoogd. ledere twee maanden worden er ongeveer 50.000 exemplaren aan lagere scholen in Antwerpen geleverd. Daarbovenop sturen we nog 600 a 700 exemplaren naar privé-adressen. Onze krant is ook aanwezig in bibliotheken, musea, infobalies en andere openbare plaatsen. Dan is er nog de Pandoeradag. Sinds 2000 wordt er jaarlijks een speciale dag georganiseerd door Pandoera. Op deze Pandoeradag kunnen alle culturele organisaties, die publiceren in de krant, laten zien wat ze werkelijk kunnen. Pandoeradag is één groot cultureel feestwaar kinderen voor heel weinig geld veel plezier kunnen beleven. 
 
KRIJGT U REACTIES OP DE PANDOERA-KRANT OF -DAG? 
     ja, veel ouders en kinderen zijn heel enthousiast over de opzet. De krant kent zeker zijn succes. Uit ervaring weet ik dat als de krant iets publiceert over een museumontbijt, dat dit ontbijt de volgende dagen volgeboekt is. 
 
ALS U EEN BALANS ZOU OPMAKEN VANAF '98, WELKE DINGEN ZOU U VERANDEREN OF AANPASSEN? 
     Pandoera kent redelijk veel succes, maar lijkt grotendeels reeds cultureel actieve ouders en kinderen te bereiken. De meeste onder hen hebben de weg naar het museum, theater, enzovoort al gevonden. Terwijl onze tweede doelstelling alle kinderen op oog heeft. Eerlijk gezegd heeft het me altijd een beetje gestoord dat de tweede doestelling niet volledig gerealiseerd wordt. Ondanks alle goede bedoelingen blijkt het zeer moeilijkom kinderen uit sociaal achtergestelde buurten of scholen te bereiken. Tegenwoordig proberen we de krant in scholen te promoten als middel tot leesbevordering. Maar de school is niet de enige weg om kinderen uit achtergestelde buurten te bereiken. We trachten ookvia het buurtwerk te werken. Maar ook hier moeten we het hebben van enkele witte raven. Want slechts enkele mensen zijn enthousiast genoeg om hun schouders onder de krant en zijn cultuurverspreiding te zetten. 
 
GENOEG OVER HET VERLEDEN, ZIJN ER PLANNEN VOOR DE TOEKOMST? 
      Momenteel werken we aan een gloednieuwe Pandoera, die er iets anders uit zal zien dan de oude. Het middenkatern met de agenda voor ouders blijft bestaan. Nieuw is dat de agenda wordt uitgebreid met een korte samenvatting van de activiteit zodat de overige bladzijden volledig gereserveerd worden voor de kinderen. Op die bladzijden kunnen dan, aangepast aan de leeftijd, verhaaltjes, tekeningen, kwisjes en andere leuke dingen komen. 
Maar hoe het geheel er uit zal zien, dat blijft een verrassing. 
ELS DE BRUYN 
______________________________
'PARCOURS SEUPHOR :EEN KUNST-KRISTISCHE WANDELING IN HET MIDDELHEIM', Openluchtmuseum voor beeldhouwkunst Middelheim Middelheimlaan 61 
2020 Antwerpen 
'De stijgende beIangstelling die het werkvan Arp in de hele wereld wekt, bewijst, dat in de overspannen werveling van het moderne leven, veel mensen hunkeren naar een ontspannen schoonheid en dat zij er naar streven een stille open plek te vinden waar de geest weer afstand kan nemen van dat wat voorbijgaat - en zo snel voorbijgaat - om te luisteren naar een tijdloos lied'. ( Michel SEUPHOR -1961 in een monografie over Hans ARP) 
     Dit citaat is voor meer dan een aspect revelerend : hier klinkt de bewondering door van een ervaren kunstcriticus voor het oeuvre van zijn vriend Arp dat blijkbaar voor hem een punt heeft bereikt dat het gewoel van de tijd overschrijdt . Zover is Seuphor nog niet in de jaren 60, dan staat hij nog volop op de barricaden . De laatste twintig jaar van zijn lange leven zou hij zich terugtrekken, bijna opsluiten, in zijn bescheiden appartement in Parijs. 'In bezige eenzaamheid' zoals hij dit omschreef en luisteren naar een 'tijdloos lied'. En vanuit die 'stille open plek' stuurde hij naar enkelen kleine publicaties met poëzie, aforismen en overwegingen. Onthecht, uitgepuurd, tijdloos. Het is een Seuphor die nauwelijks gekend is. Dit om duidelijk te maken dat de internationale faam die hij heeft verworven met een aantal publicaties over abstracte kunst maar een onderdeeltje is van een ongeloofl ijk veelzijdig talent. Compilatiewerk? Encyclopedische werkzaamheden? Gelegenheidsopdrachten? Misschien En dan? Zijn 'La Sculpture de ce siècle . Dictionnaire de la scul pture moderne' ( 1959 ook in het Duits en het Engels) en 'La peinture abstraite, sa genèse, son expansion' (1962 ook in het Engels, Duits, Nederlands, Italiaans en Spaans) blijven standaardwerken. 
     In meer dan één opzicht : hier is een man aan het woord die zelf een voorvechter was van de abstracte kunstbeweging, die zelf  toonaangevende tijdschriften heeft gesticht of eraan meegewerkt, die heel Europa afreisde en contacten legde met schilders en beeldhouwers . En vooral die zelf schrijver was. Zijn stijl is helder, het woordgebruik niet wollig, maar soms direct of soms poëtisch. 'La Sculpture de ce siècle' heeft een duidelijke structuur en is overzichtelijk opgebouwd in 23 hoofdstukken. Samen met enkele monografiën over individuele beeldhouwers vormt dit boek dan ook de basis voor het 'Parcours Seuphor' dat in het Openluchtmuseum voor Beeldhouwkunst Middelheim wordt voorgesteld . Het museum werd in 1950 opgericht met de bedoeling de geschiedenis en de evolutie van de moderne beeldhouwkunst te illustreren . De rijke permanente collectie vertoont hier en daar belangrijke hiaten. Hoe kan het ook ! In het archief van Michel Seuphor vonden we een met de hand geschoven en ongedateerd briefje: 'Manquent au Middelheim: Brancusi, Calder, Lardera, Hajdu, David Smith, Nevelson, Vantongerloo'. Voor Calder en Louise Nevelson is inmiddels al de wens van Seuphor ingevuld. 
     In het uitgestippelde Seuphorparcours wordt de bezoeker aan het Middelheim naar het werk van een aantal kunstenaars geleid waarover hij in zijn publicaties schrijft. 
Met sommigen was hij bevriend, met anderen onderhield hij een uitgebreide correspondentie of bezocht hij hun ateliers. Uit zijn archief blijkt hoe grondig en minutieus hij de samenstelling van een boek voorbereidde Voor 'La Sculpture de ce siècle' bijvoorbeeld zijn dit honderden brieven aan kunstenaars, galeriehouders, musea en uitgevers. Die correspondentie is soms zakelijk maar dikwijls ook heel polemisch alleszins boeiend materiaal. Voeg daarbij nog duizenden foto's, netjes gerangschikt en soms van commentaar voorzien en het zal duidelijk zijn dat het nog jaren zal duren vooraleer het volledig geïnventariseerd is. Wij zijn dus voor de samenstelling van de beeldenroute noodgedwongen aangewezen op de versie van 1959. Een momentopname dus want de visie van Seuphor op de moderne beeldhouwkunst, zijn soms scherpe bedenkingen over de toenmalige 'avant-garde' zouden nog sterk evolueren. 
     In een begeleidende folder bij het parcours wordt een selectie gemaakt van teksten van Michel Seuphor over een aantal kunstenaars, aangevuld met commentaren die zijn opvattingen weergeven over de evolutie van de beeldhouwkunst. 
      Geschreven meer dan veertig jaar geleden en nog zo actueel ! 
MARK HERMANS
___________________________________________ 
FROZEN MUSEUM :HET SPEELGOEDMUSEUM IN MECHELEN,Nekkerspoelstraat 21 2800-Mechelen 
     Suzanna 188o -« Deze badpop is volledig uit porselein vervaardigd. Omwille van de starre houding en de bleke kleur kreeg dit soort poppen de naam " Frozen Charlie ". Zo zou je het oude gedeelte van het Speelgoedmuseum in Mechelen ook kunnen noemen, " Frozen museum " dan. Want zijn infrastructuur en de presentatie van het speelgoed zijn volledig gedateerd. Ik laat me echter niet ontmoedigen door mijn eerste indruk van de gevel en de oude afdelingen en gelukkig, want de vernieuwde zalen beantwoorden wel aan de verwachtingen van de moderne museum bezoeker. 
      We komen binnen in het oude gedeelte. Pluchen beren, apen en olifanten staan opgesteld in wat je een zwakke weergave van een scène uit het jungleboek zou kunnen noemen. Door op een knop te drukken komt dit stoffige gedoe tot leven. In de volgende zaal word ik overvallen door een nostalgisch gevoel bij het bekijken van houten en plastieken speelgoed dat me herinnert aan een zorgeloze kindertijd. Mijn eigen kinderen zijn niet echt onder de indruk en lopen alvast een eindje voorop over een bruggetje naar " Beentjeskracht ". Ona, net vier, heeft meer aandacht voor de op haar maat geschilderde huizenrij dan voor de fiets die echt van Leopold III is geweest of voor het gelijkaardig exemplaar van het favoriete knuffelkuiken van prins Filip ! 
    Bij het "Creatief en leerzaam speelgoed " zien we drie zuilen met bovenaan een vermelding van de leeftijd (5, 7 en 9+) van de doelgroep waarvoor de verschillende computers bestemd zijn. Jules, vijfenhalf, zet zich vol enthousiasme aan een toestel van de eerste zuil. Maar al snel blijkt dat je voor alle oefeningen behoorlijk moet kunnen lezen. Spijtig, een juiste aanduiding van de leeftijd had hem deze ontgoocheling kunnen besparen. Voor de rest mist ook deze zaal elke allure die het geheel aantrekkelijk kunnen maken. 
Ik probeer me het land en de omstandigheden voor te stellen waarin het " Speelgoed van overal " werd gemaakt en wie ermee heeft gespeeld. Een mooie foto, zoals bij het speelgoed uit Tanzania, zou hierbij kunnen helpen. Voorbij poppenhuizen, speelgoedwinkels, -keukens en -fornuizen krijgen we de geschiedenis van Barbie in een notendop. We wonen, samen met een allegaartje van Mattel, haar huwelijksfeest bij een in fuchsia geschilderde ruimte. Aan het einde van deze zaal lees ik een merkwaardig bericht : » ... Deze afdeling wordt einde 1999 vernieuwd en uitgebreid. De plannen kan u nu al bekijken ... » Of misschien staat de tijd hier echt stil ? 
     Net wanneer de kinderen het een beetje beu worden, komen we in een vernieuwde zaal waar de eerste passagierslijn van Brussel naar Mechelen op 5 mei 1835 als uitgangspuntvoor de treinafdeling werd genomen. Deze afdeling is een echte verademing, een voorbeeld van hoe voorwerpen op een boeiende, leerrijke en interactieve manier voorgesteld kunnen worden. We zien er grote treintafels met een gedetailleerd landschap waar met een druk op een knop lichtjes beginnen branden en treinen voorbijrijden. Er staat een levensgroot verklikkerlicht, een centraal station, treinsporen zijn op de grond geschilderd, ... Jules en Ona zijn duidelijk geboeid, maar op dit plezier staat geen leeftijd. Door een lege vitrinekast die ook als raam fungeert, zien we zelfs een echte trein (schaal 1/1) langs de perrons van het station Mechelen-Nekkerspoel voorbijrijden. Alles is duidelijk en overzichtelijk voorgesteld en uitgelegd in witte letters op antracietgrijze wanden. 
     Bij de "Volksspelen " lopen we terug op vuile vloertegels. We proberen om zelf de verschillende " hersenbrekers " op te lossen maar moeten toch het touch screen raadplegen. Fijn om te weten is dat al dit materiaal ontleend kan worden. Over spel en speelgoed in de 16de eeuw, de Middeleeuwen, bij Bruegel en tijdgenoten en spelcultuur in Oud Amerika word je met behulp van een touch screen uitgebreid geïnformeerd. We zien nog miniatuurauto's, constructiespeelgoed van Meccano en Technic dat we zelf nog ergens in een doos hebben staan en nog meer knuffeldieren die gedurende 15 sec. zullen bewegen als je 5 BEF in een gleufje stopt. Honderden speelgoedsoldaatjes staan opgesteld in een heuse Slag van Waterloo. Verschillende strijdfasen worden verlicht door het knopje in te drukken naast een uitleg van wat er zich op die plaats precies heeft afgespeeld. 
     Nostalgische gevels vormen het decor voor poppen en poppenwinkels en dan komen we aan " Kermis en cirkus " dat ook vernieuwd is. Vastgeschroefde auto's en fietsen van een kermismolen lijken te wachten om ons mee te nemen langs een geschilderd spoor dat ons ons door een deur met sterren leidt. We komen midden in een miniatuurkermis terecht met lichtjes, kraampjes, draaimolens en muziek. Als we de volgende deuren openduwen volgen we opnieuw de gele sporen en komen zo in de wereld van het cirkus die ook door een druk op een knop de moeite van het bekijken waard is. In Tomystraat staan kinderfietsen, steppen en oude kinderauto's die  je soms nog in een kleuterklas ziet staan.
     Als je in het museum alles wil lezen en bekijken, trek je er best een halve dag voor uit en hou er rekening mee dat , op één bank en de cafetaria op het einde na, er nergens een plaats is voorzien om even te rusten. In het algemeen laat het oude gedeelte een slordige, stoffige en onverzorgde indruk na, zoals losgekomen informatiekaartjes, vuile vitrinekasten, speelgoed dat er afgestoft beter zou uitzien en vuile blauwe vloertegels die niet meer op de plaats liggen die hen destijds is toegewezen. De plannen om alles te vernieuwen zijn er en als ze eens verwezenlijkt zijn, zullen we niet meer de op één gezin na, enige bezoekers van die dag zijn ... 
LEA VAN DE WYNGAERT 
__________________________________
HET PLATFORM VOOR BEGIJNHOVEN, OVERLEG TUSSEN EIGENAARS EN BEHEERDERS VAN BEGIJNHOVEN, Begijnhof 26, 2320 Hoogstraten
Het platform voor Begijnhoven is ontstaan op initiatief van de vzw Het Convent, de vereniging die de restauratie van het totaal vervallen begijnhof van Hoogstraten tot een goed einde heeft gebracht. Tijdens een studiedag, die de vereniging in december '99 in Hoogstraten organiseerde, werd duidelijk  dat er nood was aan het uiwisselen van ervaringen en aan overleg tussen eigenaars, beheerders en gebruikers van de verschillende begijnhoven.
    Vooral sinds de erkenning als Unesco werelderfgoed is er een hernieuwde belangstelling voor deze sites. De begijnhoven zijn opnieuw 'een stad in de stad', zoals ze dat in het verleden ook waren. Nu zijn het meer dan ooit 'oases van rust' in de drukke steden. Velen beschouwen het dan ook als een voorrecht om er te wonen, terwijl het toenemd aantal bezoekers de rust dreigt te verstoren.
 
Eigendomstructuur
    Slechts enkele begijnhoven, zoals Mechelen, Tongeren en Sint-Truiden, zijn geprivatiseerd. De andere zijn eigendom van een OCMW, een stadsbestuur, het bisdom of een vzw. De eigenaars zijn niet altijd de beheerders, zoals in Hoogstraten waar de stad als eigenaar het beheer heeft overgedragen aan een vzw. Ook in andere steden heeft de eigenaar het beheer of het gebruik soms  overgedragen aan derden.  Niet zelden is er een spanningsveld tussen de verschillende gebruikers. Het Platform wil alle belangengroepen horen, omdat de spanningsvelden die er zouden zijn een wezenlijk onderdeel vormen van de eigenheid van het betrokken begijnhof. Naast de overheid hebben de eigenaars en de gebruikers een grote verantwoordelijkheid wat betreft het behoud, het gebruik en de ontsluiting van de begijnhoven. Zo is het overleg een noodzaak geworden en moet er ook een koepel bestaan die het overleg coördineert. Omdat de eigendomstructuur  van de begijnhoven zo verschillend is kon men zich, wat dit laatste betreft, niet beroepen op bestaande instanties of verenigingen en is het Platform van Begijnhoven een zelfstandige vereniging , los van het Convent ontstaan
 
Onroerend en immaterieel erfgoed.
Het Platform zet zich in voor het behoud en een kwaliteitsvolle ontsluiting van het onroerend, roerend en immaterieel erfgoed. Wat de zorg voor het monument zelf betreft werkt Het Platform nauw samen met de afdeling Monumenten en Landschappen. Naast thema's die voor de hand liggen, zoals herbestemming, onderhoud en restauratie, wordt veel aandacht besteed aan praktische problemen en de leefbaarheid van de sites. Het authentiek behoud van de interieurs, de tuinen en het publiek domein is daarbij zeer belangrijk. Door onderling overleg moeten er oplossingen gevonden worden voor het autovrij karakter van de begijnhoven, de bereikbaarheid door hulpdiensten, het ophalen van huisvuil enz...Wat de bestemming betreft evolueert de 'sociale woonfunctie' steeds meer naar een 'patrimoniumbeheer'. Steeds vaker worden 'renovatie-huurcontracten' gebruikt of worden de woningen in 'erfpacht' overgedragen. Een begijnhof is meer dan een 'monument van steen'. Verschillende begijnhoven beschikken over een belangrijke collectie  roerend erfgoed. Het Platform zoekt naar de mogelijkheden van een museale samenwerking.
 
 
Ontsluiting en promotie
 De begijnhoven zijn ook drager van belangrijk immaterieel erfgoed. Bij de ontsluiting moeten de begijnenbeweging en de begijnhoven geplaatst worden in hun historische context. Binnen de evolut1e van de maatschappij getuigen de begijnhoven van het bestaan van generaties ongehuwde vrouwen die zich bewust waren van hun culturele en sociale rol en hun vermogen om een gemeenschap met zelfbestuur uit te bouwen. Het Platform wil het brede publiek een juist beeld geven van wat begijnhoven waren en wat ze zijn, met respect voor de eigenheid van elk hof, de draagkracht ervan, de evolutieve authenticiteit en de rust van de huidige bewoners.
FRANS HORSTEN
 
Albenda Ricci, Ambiorix, Arp Hans, Arsenale Venetië, Artan, Baj Enrico, Begijnhoven, Berckelaers Fernand, Beuys Joseph, Bewegende Figuren, Biënale van Venetië, Bogaert Tom, Boommens, Bouchet Mike, Cardiff Janet, Cercle et Carré, Cunningham Chris, Dali Salvador, David Gerard, De Bruyn Els, De Dood van een Vrek, De Europese Beschaving op proef, De heilige Christophorus, De Hooiwagen, De Keisnijding, De kruisdraging, De Landloper, De Marskramer, De Tuin der Lusten, De verloren Zoon, De vier Visioenen uit het Hiernamaals, Delaunay, Delaunay Sonia, Devlin Lucinda, Dictionnaire de la peinture abstraite, Dujardin Paul, Edition Schellmann, Edmier Keith, Eeckhout Lieve, Ensor James, Ernst Max, Fawcett Farah, Franzen Anders, Geertgen tot St.Jans, Gezelle Guido, Giardini Di Castello Venetië, Gober Robert, Gossart Jan, Graham Paul, Greenberg Jeanne Rohatyn, Hameel Alart du, Heers, Hermans Mark, Het Convent Hoogstraten vzw, het Laatste Oordeel, Het Narrenschip, Het Overzicht, Het spelend Kind, HETPaleis, Horsten Frans, ijslandvaart, Immendorff Jörg, Jama Michalikowa, Johannes de Doper, Johannes op Patmos, Julius Caesar, Kauper Kurt, Kentridge William, Kobro Katarzyna, Kolderweij Jos, Krakau, L'art abstrait ses origines ses premiers maîtres, L'éphémère est éternel, La peinture abstraite sa génèse son expansion, Landuyt Octave, Larionov, Leger Fernand, Les évasions d'Oliver Trickmansholm, Living Cell, Lunatic Asylum, Malczewski Jacek, Marinetti, Maritime site Oostende vzw, Mehoffer Jozef, Memling Hans, Meredith Gordon, Merz Marisa, Miller George, Mloda Polska, Model met Hond, Mondriaan Piet, Mueck Ron, Murakami Takashi, Museum Sztuki Lodz, Oland, Oostzee, Opalka Roman, Opsomer Isidoor, Palazzo Vendramin Venetië, Pandoura-krant, Passion/Hate, Paulhans Jean, Peeters Michel, Penalva Joao, Permeke, Philips de Schone hertog van Bourgondië, Picasso Pablo, Platform voor Begijnhoven, Poster Guillaume, Raphelengius, Rist Pipilotti, Rodero Cristina Garcia, Sala Anri, Schneider Gregor, Schola Santa Apollonia Venetië, Seuphor Michel, Seuphor Michel, Shelton Francis, Shi-min-lin, Sint Hermes, Sint-Hermeskerk Ronse, Sint-Janskathedraal s'Hertogenbosch, Slegers Liesbet, Sonck Jacques, Spilliaert, Städelsches Kunstinstitut und Städtische Galerie Frankfurt, Starr Georgina, Strzemilski Wladyslaw, Szeemann Harald, TongerenDe Bello Gallico, Transformer second mission Project ko2, Tuymans Luc, Twornbly Cy, Un renouveau de la peinture en Belgique flamande, Uomoduomo, Vaes Walter, van Damme Jan, Van de Wyngaert Lea, Van Doesburg, Vantongerloo Georges, Vasarely Victor, Vercruysse Rudy, Vermeersch José, Victor Suzann, Viola Bill, Voodoo-Rituals, Wallinger Mark, Weiss Wojtkiewicz, Wesel Adriaen van, Wijckmans Barbara, Witkacy, Witkiewicz Stanislaw Ignacy, Wouters Peter, Wyspialski Stanislaw, OKV2001, Museum Boijmans Van Beuningen, Bosch Jheronimus, Bouts Dieric, OKV2001.3+