U bent hier

OKV 2005.4 tento

OKV 2005.4 tento

 

EDITO: Gratis of niet?
 

Terwijl het toekomstige Museum aan de Stroom nog heel wat euro's zoekt om het grootse project te financieren, woedt er tegelijkertijd een debat of de museumbezoeker iets zal moeten betalen voor de vaste verzameling. Het is een oude discussie: lokt 'gratis toegang' meer mensen en een ander publiek naar de musea?

 

Buitenlandse topmusea vragen tegenwoordig meer en meer aan hun bezoekers. Prijzen tussen €15à 20 zijn eerder legio dan uitzondering. Nochtans is er geen twistgesprek als het gaat over uitvoerende kunstenaars. Iedereen vindt het normaal dat we voor een theater- of dansvoorstelling moeten betalen. Het lijkt alsof we graag meebetalen voor de gage van zangers, acteurs of dansers. Maar men vergeet dat musea aan ons kunstbezit een stem geven en dat diezelfde musea al decennia lang investeren in het bewaren van dat erfgoed. Wie de conservatiekosten (aankoop, verwarming, restauratie...) van een museumcollectie optelt, valt allicht achterover bij het zien van de totale som. Het is niet meer dan billijk dat musea daar een fractie van terugvragen telkens iemand een museum bezoekt.

 

In de gratisdiscussie verwijzen de voorstanders steevast naar Groot-Brittannië, waar bijna alle vaste collecties gratis toegankelijk zijn. Er heerst over de plas wel een andere mentaliteit. Vele Britten geven op vrijwillige basis financiële steun aan musea, zetten zich in als vrijwilliger of sluiten aan bij de National Trust. In ruil voor gratis toegang krijgen de musea dus veel terug. Er heerst daarenboven ook een ander fiscaal regime dat de steun door particulieren of bedrijven aan musea beloont. Dergelijke mentaliteit bestaat niet op het continent en in plaats van zich blind te staren op dit exotisch model zouden onze musea beter wat duurder worden en niet teveel dromen van gratis toegang. Juist door geld te vragen hebben musea nog de mogelijkheid om op bepaalde momenten alsnog gratis toegang te verlenen of extra diensten aan hun vriendenkring aan te bieden. Wat denkt u: gratis of niet? Laat het ons weten via info@okv.be.

 

Peter Wouters
 


INHOUD

INTERVIEW: Carl Depauw: MAS, een museum heruitvinden
TALENT: Koen Van den Broek
KUNSTWERK van DICHTBIJ: Unieke tekening van Jan Van Eyck
MUSEUM APART: Het huis Autrique


IN BEELD:

  • Meestertekeningen van Rubens, Jordaens en Van Dyck
  • De glimlach van Bratkov

KEUZE VAN DE REDACTIE
WEBSTEK: Vlieg er eens uit
DE MUSEUMPRIJS
UIT DE BOEKEN
KUNST ONDER DE KERSTBOOM
KLARA
AGENDA

TENTO-BIJLAGE: Jongeren & Musea


STADSMUSEA IN DE STEIGERS MAS


Museum aan de Stroom - Een museum heruitvinden
 

 

Onlangs zette minister Anciaux definitief het licht op groen voor de steun aan het toekomstige Museum aan de Stroom. Niet minder dan € 21 miljoen trekt de Vlaamse regering hiervoor uit. De totale investering voor het nieuwe museum zal uiteindelijk € 52.000.000 (een slordige twee miljard oude Belgische franken) bedragen. Het hele team onder leiding van directeur Carl Depauw slaakte een zucht van verlichting toen het nieuws bekend werd. Sinds 1998 leeft immers de idee om een nieuw stadsmuseum te bouwen. De aanloop was lang maar de eindspurt lijkt nu toch definitief ingezet.

 

 

Alles wat de mensen, de dingen en de verhalen van de stad bijeenhoudt

 

Vlaanderen heeft talloze stadsmusea. In De Museumgids. Vlaanderen & Brussel vind je er tientallen. Elke zichzelf respecterende stad of uit de kluit gewassen dorp heeft wel ergens een ruimte, een 'museum' waar de geschiedenis van de eigen stad een plaats krijgt. Meestal beperken die musea zich tot de eigen bodem. Dikwijls letterlijk met een afdeling archeologie die illustreert wie er vroeger woonde. Een maquette of enkele plannen tonen de evolutie van het vroegere naar het huidige territorium. Een afdeling schone kunsten brengt hulde aan de plaatselijke kunstenaars. Museologisch niet altijd het neusje van de zalm, maar dergelijke musea bevatten dikwijls ongekende pareltjes.

 

De laatste jaren beweegt er veel in het landschap van de stadsmusea. De stad is opnieuw in de mode. Beleidsvoerders investeren in een aangenaam stadscentrum met opnieuw groen en aandacht voor voetgangers en fietsers. De groeiende mobiliteitsproblemen en het quasi volgebouwde platteland zorgen ervoor dat meer mensen opnieuw naar de stad trekken om er te leven, werken en wonen. Met die instroom groeit ook de interesse naar het verleden en de plaats van de stad in de regio, in het land en in Europa. Nieuwe stadsmusea spelen hier op in maar enten zich ook op het nieuwe erfgoedverhaal dat de overheid aanmoedigt hier en elders in Europa en dat ook door de Unesco aangewakkerd wordt. Dit integraal erfgoedverhaal heeft niet alleen oog voor de 'schone kunsten', voor al het materiële erfgoed zoals de toegepaste kunsten maar wil ook het immateriële erfgoed en volkscultuur bij het verhaal betrekken.

 

Dit betekent dat toekomstige stadsmusea niet alleen meer aandacht hebben voor de topstukken uit hun collectie of zich beperken tot hun kunstenaars maar dat er ook aandacht is voor lokale gebruiken, voor processies, voor het culinaire erfgoed. Kortom voor alles wat de mensen, de dingen en de verhalen van die stad bijeenhoudt. De inwoner staat er dikwijls centraal zoals in de communicatie rond het nieuwe stadsmuseum in Hasselt: stadsmus, maar in vele gevallen ook de toekomst van de stad in al haar functies. Het museumgebouw staat ook niet meer op zich zoals vele negentiende-eeuwse musea voor Schone Kunsten maar maakt deel uit van een groter urbanistisch plan waarbij het museumgebouw als hefboom fungeert voor de ontsluiting van de omliggende wijken.

 

Het is in deze context dat we de ontwikkelingen van allerlei nieuwe stadsmusea in Vlaanderen moeten zien waarvan het Museum aan de Stroom het meest ambitieuze is. Stadsmusea dragen de kiem in zich voor de evolutie van onze toekomstige musea. De wijze waarop deze nieuwe musea tot stand komen zal bepalend zijn voor de evolutie en definiëring van het begrip museum in de toekomst. Het is niet toevallig dat zowel het MAS als het STAM zich uitdrukkelijk richten tot jongeren en scholen en de omgang met het publiek als uiterst prioritair beschouwen. Ze vinden als het ware hét museum opnieuw uit. Het grootste probleem is hoe stadsmusea een lokaal verhaal vertellen dat toch nog bovenlokaal of zelfs internationaal interesse moet kunnen opwekken.

 

 

Uit het stadsweefsel rijzen
 

Vele buitenlandse steden zoals Parijs, Amsterdam en Londen hebben ook hun stadsmuseum. Meestal zijn het kleine bescheiden musea. Waarom moet Antwerpen zo'n groot museum hebben terwijl er nog twee musea leeg staan: Museum Smidt Van Gelder en het Brouwershuis?

 

Je kan het toekomstige MAS niet vergelijken met die stadsmusea. Zij zitten dikwijls verscholen in de stad en tussen andere musea. Het MAS zal figuurlijk en letterlijk uit het stadsweefsel rijzen. De aanpak van het MAS zal ook fundamenteel verschillend zijn van de klassieke stadsmusea die meestal een fragmentair verhaal vertellen. Het MAS wil zowel het verleden, het heden als de toekomst van Antwerpen vertellen. Het idee ontstond in 1993 naar aanleiding van de tentoonstelling Het verhaal van een Metropool, toen Antwerpen Culturele Hoofdstad van Europa was. Men besefte toen de nood aan een geïntegreerde en permanente presentatie. Daarenboven bleek uit een analyse van de museale noden en sterktes de uitdrukkelijk wens om te komen tot een stedelijk historisch stadsmuseum. Het is wel een hardnekkig misverstand dat het MAS louter en alleen zou bestaan uit de drie collecties van het Volkskundemuseum, het Scheepvaartmuseum en Vleeshuismuseum.

 

 

Wat zat er dan juist te zien zijn in het MAS?

 

Het ontwerp van Neutelings-Riedijk telt tien verdiepingen die elk een specifieke functie krijgen. Het onthaal op het gelijkvloers zal een bookshop bevatten en een Mascafé dat ook via het plein voor het museum toegankelijk is. De cafébezoeker zal voelen dat hij tegelijk in een café en in een museum zit. We onderzoeken of we een aantal stukken ook niet in het café kunnen plaatsen op een verantwoorde museologische manier.

 

Uniek is ook een wandelpromenade en galerij die doorloopt tot op het hoogste niveau. Deze zal ook toegankelijk zijn wanneer het museum gesloten is. De wandelpromenade nodigt uit om de stad panoramisch te ontdekken en moet worden ervaren als een belevingslint. De wandelaar zal enerzijds in het museum kunnen kijken naar een reeks voorwerpen en anderzijds de stad en de stroom al wandelend vanuit de hoogte ontdekken. Vanaf het eerste verdiep starten dan museumboxen waarin telkens een ander verhaal van de stad wordt verteld. Zo is er het verhaal van de groei en ontstaan van de stad. Niet alleen een situering, ruimtelijk, geografisch en in de tijd maar ook hoe de stad zich heeft aangediend voor bezoekers in de loop der eeuwen. Andere verdiepingen presenteren het dagelijks leven van de Antwerpenaars binnenshuis en buitenshuis. Ook het verhaal van de plaats van Antwerpen in de wereld en de wereld in Antwerpen krijgt een aparte verdieping.

 

 

Ook Rubens in het MAS?
 

U bezit nu zo'n 370.000 objecten, of de optelsom van het museum voor Volkskunde, het Nationaal Scheepvaartmuseum, maar zullen buitenlandse bezoekers ook geen andere topstukken verwachten waarmee men Antwerpen associeert zoals schilderijen van Rubens, juwelen in diamant enz...?

 

Dat is inderdaad een probleem. Er zal een stuk solidariteit moeten ontstaan binnen de Antwerpse musea en een aantal (top)stukken - projectcoördinator Jef Vrelust spreekt zelfs van lijstduwers - zullen eerder hier thuis horen in dit verhaal dan op hun huidige plaats. Voor de bezoeker is het niet relevant wie de getoonde objecten beheert, wel wat en in welke context hij ze te zien krijgt. Men zal het inderdaad moeten aandurven om Rubens zichtbaar te maken in het Museum aan de Stroom, er zilver en mode of een zestiende-eeuws kuras uit het museum Mayer van den Bergh te herbergen of het privilegieboek van de natie van goudsmeden uit 1575 van het stadsarchief... Het heeft ook met een mentaliteit rond de mobiliteit van een collectie te maken. Discussies rond het toekomstig beheer van sommige Antwerpse deelcollecties moeten binnen deze context gebeuren.

 

We beperken ons ook niet tot het verleden of het heden. Ook de toekomst van Antwerpen moet kunnen centraal staan in het MAS. Utopische ingrepen in de stad zoals van Corbusier of Luc Deleu moeten een plaats krijgen in het MAS. Een verdieping zal in elk geval fungeren als 'open depot'. Met 'open' bedoelen we dat de depotwerking gedeeltelijk zichtbaar en de depot zelf gedeeltelijk toegankelijk zal zijn voor het publiek. De depotbeheerder en registratoren zijn actief in dit voor het publiek zichtbaar gemaakte gebied. De aanpak en uitwerking van dit 'open' depot wil toonaangevend zijn voor Vlaanderen.

 

 

Zijn er buitenlandse voorbeelden waaraan u zich kan spiegelen of waar u inspiratie haalt voor het MAS?

 

Neen, eigelijk niet. Het zal een nieuw en uniek concept worden. Hier en daar pikken we wel ideeën op. Zo is er in Parijs een enorme beeldbank waar je bij wijze van spreken dag en nacht allerlei beelden en films kan opvragen. Het zit er voortdurend stampvol. Eén van de verdiepingen van het MAS moet een kenniscentrum worden over Antwerpen. Het geheugen van Antwerpen en van het MAS als het ware. We integreren er de bibliotheken van de huidige musea maar ook digitale en audiovisuele info. Een soortgelijke beeldbank zoals in Parijs moet beelden bevatten van de collectiestukken, van de fotoverzamelingen van het MAS, maar ook al het filmmateriaal (fictie en non-fictie) met Antwerpen als decor of dat te maken heeft met Antwerpse geschiedenis. Er komt ook een verdieping waar we grote tentoonstellingen kunnen plaatsen van ons zelf of waar we reizende tentoonstellingen kunnen ontvangen. Dit ontbreekt nu in Antwerpen. In 2008 openen we trouwens met een tentoonstelling over Stadslandschappen en een project in samenwerking met Sint-Petersburg.


 

Interactie met de stedelijke evolutie
 

Musea evolueren naar attracties en attracties worden educatiever. Het nieuwe ordewoord in de museumwereld is beleving. Hoe gaat het MAS het belevingsverhaal invullen?
 

Ons sleutelwoord in de publiekwerking is dialogeren in plaats van declameren. Ik vind dat musea dikwijls teveel met zichzelf bezig zijn en te weinig contact hebben met hun publiek. Binnen onze publiekswerking zal er veel aandacht gaan naar betrokkenheid en de mogelijkheid voor het publiek om feedback te geven.

 

 

Hoe ziet u dat dan concreet?

 

Veel zal afhangen van de opleiding van onze gidsen en van de rol van de educatieve dienst. We mikken absoluut op scholen en op jeugd binnen ons doelgroepenbeleid. We gaan in ons aanbod rekening houden met de eindtermen van de verschillende scholen maar we denken ook aan projecten extra-muros. De werking van het MAS mag zich niet beperken tot het gebouw zelf. Waarom zou een klas metaalbewerking geen bezoek kunnen brengen aan één van de droogdokken om daar zelf te ontdekken hoe die oude schepen worden hersteld?

 

We gaan ook nauw samenwerken met de erfgoedcel Antwerpen. De interactie met de stedelijke evolutie mag niet uitsluitend intra-muros worden ontwikkeld, maar is een uitgesproken extra-muros gegeven. Een volledige verdieping zal plaats bieden aan de educatieve dienst met ateliers en andere polyvalente ruimten. Maar het Museum aan de Stroom wenst een maximale toegankelijkheid van het gebouw en de boxen te garanderen. Concreet betekent dit dat het museum alle dagen behalve maandagen en feestdagen geopend zou zijn van 10 tot 18 uur terwijl de zone van de wandelpromenade tot 24 uur toegankelijk blijft ondermeer om de toegang tot het restaurant te garanderen. Het Museum en wandelzone zijn in principe gratis, maar de tentoonstellingen zijn betalend.

 

 

Handenvol geld
 

Over geld gesproken: u heeft nog € 11 miljoen tekort. Vanaf nu tot 2008 komt dit neer op zo'n € 80.000 per maand te werven. Vanwaar kan dat geld allemaal komen?

 

Om te beginnen organiseren we binnenkort al een actie rond metalen handjes die je kan kopen voor € 1000 en waar de naam van de gever, zij het een particulier of een organisatie in zal staan. De handjes worden dan tegen de gevel geplaatst. We rekenen op de verkoop van zo'n 3000 handjes of  € 3 miljoen. Iedereen kan ons een 'handje helpen' en we verwachten en hopen ook op respons van de Antwerpenaren zelf die als vereniging of wijkcomité bijvoorbeeld mee engageren. We rekenen verder ondermeer op een drie miljoen sponsoring via bedrijven, een deel komt uit BTW-recuperatie en van de concessies die we geven aan vier paviljoentjes die op het museumplein zullen staan.

 

 

Wat met de exploitatiekosten? Vele ambitieuze projecten beten nadien in het zand omdat de exploitatiekosten te hoog opliepen? Tegelijkertijd droomt men van een Red Star Line-project en zullen de kaden ook volledig herbouwd worden. Vissen al die projecten niet in dezelfde vijver?

 

We gaan een aanvraag indienen voor het statuut van erkend museum bij de Vlaamse Gemeenschap, verder zijn er toelagen van de stad, zijn er opbrengsten van het restaurant, van het café en van de bookshop. Hoewel het beleid hieromtrent nog een beslissing moet nemen, kan ik me voorstellen dat de tentoonstellingen niet gratis zullen zijn, dus dat is ook een bron van inkomsten. Het Museum aan de Stroom is meer dan alleen maar een museum. Het moet een platform zijn en katalysator voor een hele wijk en een stad in groei en ontwikkeling. Er zal een nauwe samenwerking zijn met andere actoren zoals het Stadsarchief in het Sint-Felixpakhuis.

 

Er is inderdaad nood om het Red Star Line duidelijk en herkenbaar te positioneren tegenover andere gelijkaardige initiatieven die men nationaal en internationaal aantreft. De gebouwen van de Red Star Line werden intussen aangekocht door de stad Antwerpen. Tegelijkertijd werd een contactpersoon aangesteld in de Verenigde Staten om een financieringsprogramma op te starten, in samenwerking met de Koning Boudewijnstichting. Het Red Star Line zal vooral een ervaringsplek worden, een herbeleven van een emotioneel nauwelijks te vatten moment in het (vroegere) leven van mensen.

 

 

Het MAS heeft internationale ambities, maar er is nooit een vacature uitgeschreven voor uw functie? U ging van het Plantijn-Moretusmuseum naar het Rubenshuis en nu naar het MAS. U bent heel mobiel in tegenstelling tot enkele van uw collega's conservators die aan hun stoel lijken vastgegroeid?

 

In theorie zou een directeur van het toekomstige MAS zelfs een buitenlander kunnen zijn. Men heeft aan mij gevraagd en ik heb een mandaat tot einde 2008. De hoofdopdracht is de hele (inhoudelijke) ontwikkeling en bouw in goede banen te leiden, daarnaast is er een deel veranderingsmanagement. Welke mensen kunnen op welke plaatsten functioneren. Het Rubenshuis is een fantastische leerschool maar van zo'n uitdaging als het MAS kan je als museummens alleen maar dromen. Er wacht ons nog verschrikkelijk veel werk maar we bouwen wel iets unieks.

 

Peter Wouters

 

 


Beknopte biografie Carl Depauw

Carl Depauw (° 1960, Antwerpen) volgde Kunsthumaniora in Antwerpen (1970-78), studeerde daarna Kunstgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Gent (1978-82). In 1983 was hij werkzaam als wetenschappelijk assistent aan het Museum Plantin-Moretus en het Stedelijk Prentenkabinet, waar hij vanaf 1987 verantwoordelijk werd voor de dagelijkse leiding en werking van het Stedelijk Prentenkabinet. In 1998-99 werd hij bij vzw Antwerpen Open, organisator VAN DYCK 1999, aangesteld tot tentoonstellingscommissaris. Sinds 1 januari 2000 is Carl Depauw directeur van het Rubenshuis & Rubenianum. Daar realiseerde hij in een snel en opeenvolgend tempo een aantal tentoonstellingen.

 

Vanaf 1 september 2004 neemt hij de functie op van directeur van het Museum aan de Stroom: een (stads)museum dat op een dynamische, innoverende en eigentijdse (hedendaagse) manier wil omgaan met steeds groeiende en diverse collecties, een actief publieks-/participatiebeleid voert en stedelijk inzicht genereert. Het museum wil zich profileren door zijn werking, met zijn architectuur en in zijn stedelijke context uitdrukkelijk als een platform waar de stad, de mensen, de stroom en de haven elkaar ontmoeten.


ILLUSTRATIES

(U kan de illustraties bekijken in het PDF-formaat)

Maquette Museum aan de Stroom: "Het MAS wil zowel het verleden, het heden als de toekomst van Antwerpen vertellen."
Foto: Collectiebeleid, Michel Wuyts

Carl Depauw: "Er wacht ons nog verschrikkelijk veel werk maar we bouwen wel iets unieks".
Foto: Saskia Vanderstichele

"Er zal solidariteit moeten ontstaan binnen de Antwerpse musea en een aantal stukken zullen eerder in het MAS thuis horen dan op hun huidige plaats."
Uit de collecties van Sint-Andrieskerk en Volkskundemuseum

Maquette Museum aan de Stroom: "Een platform en katalysator voor een hele wijk en een stad in groei en ontwikkeling."
Foto: Collectiebeleid, Michel Wuyts


VERNIEUWDE STADSMUSEA IN VLAANDEREN

 

AARSCHOT
Het vroegere museum voor Heemkunde en Folklore kreeg een volledig nieuw uitzicht en verhuisde. Het bevindt zich in een 'moederhuis' uit de jaren 1950.
Tel. 016.56.84.51  

museum@aarschot.be

 

STADSMUS in HASSELT
Geopend in 2005. Eigenlijk het volledig vernieuwd stedelijk museum Stellingwerff-Waerdenhof met onder andere ook aandacht voor de processie van Virga Jesse die om de zeven jaar uitgaat.
www.stadsmus.be

Tel. +32 11.23.98.90  

hetstadsmus@hasselt.be

 

MAS in ANTWERPEN
Opening voorzien met Pasen 2008. Totale kostprijs: € 52 miljoen
www.mas.be

Tel. +32 3 338.44.00

 

STAM in GENT
Opening voorzien in september 2008. Totale kostprijs: € 12 miljoen.
De plek om een culturele verkenningstocht door Gent te starten. Het komt op de Bijlokesite die zich nog meer zal ontwikkelen tot een cultuurhaven aan de oevers van de Leie.
www.stamgent.be

Tel. +32 (0)9.267.14.98


KOEN VAN DEN BROEK


 

Het atelier in de Klokstraat te Berchem is nagenoeg leeg. Binnen enkele dagen verhuist Koen van den Broek naar een andere werkplek. Erg honkvast kan je hem niet noemen, hij reist erg veel. Het atelier in de Klokstraat is in feite een industriële opslagruimte met een grote elektrische poort. Het is er op het moment van mijn komst redelijk kaal en ontdaan van alle persoonlijke ingrepen. Geen foto's aan de muur geprikt, geen schetsen te bespeuren, wel enkele foto's achteloos op een hoopje. En hier en daar een schilderij, meestal van groot formaat alhoewel dat niet echt opvalt in die behoorlijk grote ruimte.

 

Twee schilderijen trekken de aandacht. Ze geven een beeld van een stoeprand en het onderste deel van een boomstam met steunijzers. De beide werken zijn erg gelijkend en toch verschillen ze wezenlijk van mekaar. Het gaat duidelijk om een beeld van dezelfde plek, maar er is een lichte verschuiving van standpunt. Zo ontstaat er tussen de beide werken een interessante dialoog. In ons gesprek blijkt na enige tijd dat het hier om een site gaat die hij in Japan heeft waargenomen. Dat maakt het alleen maar intrigerender.

 

 

Ingrijpende contacten en eigen initiatief

 

Koen van den Broek is geboren in 1973 te Bree. Hij ging architectuur studeren aan de KU Leuven. Het was een studie die hem niet echt lag en hij besluit naar de Antwerpse Academie te gaan. Daar hield hij het twee jaar vol, men zag er voor hem niet echt een kunstenaarsrol weggelegd en raadde hem ten zeerste aan om het instituut in te ruilen voor een andere opleiding. Fred Bervoets is zowat de enige die gelooft in zijn artistieke mogelijkheden. Hij belandt uiteindelijk aan de academie van Breda en mag er na heel wat discussie aan het derde jaar beginnen. Hij slaagt niet, maar gaat wel over naar het vierde jaar waarin hij evenmin slaagt maar desalniettemin toch het diploma verwerft.

 

Hij bezit blijkbaar wel enige overtuigingskracht en weet zich aanvaard om verder te studeren aan het HISK (Hoger Instituut voor Schone Kunsten) dat een broeinest is van interessante figuren en coming people. Het Hoger Instituut is immers een uniek gegeven in Vlaanderen, de jonge kunstenaars hebben er een atelier en worden persoonlijk begeleid, ze worden geconfronteerd met tal van eminente gastdocenten uit de internationale kunstwereld. Kortom dit is een schitterende leerschool. Het is hier dat Van den Broek onder anderen Raoul De Keyser, Luc Tuymans en Jan Debbaut ontmoet, mensen met wie hij het uitstekend kan vinden. Hij laat het niet bij die ongemeen boeiende en ingrijpende contacten, hij neemt zelf ook initiatief en trekt nog tijdens zijn laatste jaar aan het HISK naar Amerika. Dankzij tussenkomst van Jan Debbaut ontmoet hij er John Baldessari, er ontstaat een blijvende vriendschap die zeer inspirerend werkt op de jongeman.

 

In 2001 is hij één van de gelauwerden in de Prijs Jonge Belgische Schilderkunst. Diezelfde winter van 2001-2002 heeft hij zijn eerste solotentoonstelling in de Londense galerie White Cube waar Jay Jopling hem met overtuiging aan het publiek voorstelt. Vergeten we niet dat de White Cube niet de eerste de beste galerie is maar bekende namen als bijvoorbeeld Jeff Wall, Elsworth Kelly, de gebroeders Chapman en vele anderen in haar 'stal' heeft.

 

 

Poëtische beelden

 

Daar waar hij zich in zijn beginperiode tot een adept van het minimalisme bekende, beseft hij dat dit voor hem een doodlopend straatje betekent. Hij wil evenwel blijven schilderen zonder in de anekdotiek en het epigonisme te vervallen. Hij gaat op reis om informatie te verzamelen, hij maakt foto's, veel foto's. Ze vormen, net als bij zoveel andere schilders van deze tijd, zijn werkmateriaal. Hij fotografeert niet dat wat wij als typisch zien voor een bepaald land of een bepaalde streek. Zeer integendeel richten zijn blik en zijn lenzen zich net naar die plekken die je om het even waar zou kunnen fotograferen. Exotisme is volkomen afwezig. Hij maakt foto's van wegen, straten, stoepen, stoepranden, alledaagse dingen, maar niet wat je alledaagse foto's noemt. Vanuit die honderden, duizenden beelden selecteert hij zijn schilderonderwerpen. Zijn doeken respecteren de foto zoals hij ze gemaakt heeft, er wordt niets aan de afstelling veranderd.

 

Hij transponeert de foto op een groter formaat en de afmetingen zullen steeds exacte veelvouden zijn van die van de echte foto's. Sommige details worden weggelaten en er wordt met kleur gewerkt. Hier toont zich de echte schilder, de kunstenaar die met verf (of het weglaten ervan) een beeld creëert dat uw aandacht grijpt en vasthoudt. Want het mogen dan beelden van alledaagsheid zijn, ze overstijgen in hoge mate de banaliteit ervan.

 

Van den Broek is ook absoluut geen hyperrealist, zijn beelden zijn er te abstraherend en te poëtisch voor, en ook te vlak. Hier wordt niet gewerkt aan een illusie van diepte, integendeel wordt het vlak benadrukt. De huid van het schilderij is eerder spaarzaam maar adequaat met olieverf bewerkt, soms wordt het wit van het geprepareerde doek als medespeler in het geheel benut vanuit een doelbewuste keuze. Ik kan me perfect inbeelden waarom Raoul De Keyser - een kunstenaar die ik onder de groten reken - enkele jaren geleden Koen van den Broek aan het lezerspubliek van De Morgen heeft aanbevolen.

 

 

Matisse

 

Koen van den Broek gaat graag naar Los Angeles en San Francisco, het zijn plaatsen waar hij zich goed voelt, waar er nog een dynamische kunstscène is, in tegenstelling tot de meer gesettelde scène in New York, en waar hij ook zijn vriend Baldessari ontmoet om over kunst te discussiëren. Laten we niet vergeten dat deze laatste één van de hoofdfiguren is van de conceptuele kunst in Californië. Van den Broeks kunst wordt er ook erg gewaardeerd. Het Museum of Modern Art van San Francisco kocht enkele van zijn werken op de kunstbeurs te Basel.

 

Bij een bezoek aan het museum in San Francisco werd hij door één van de conservatoren onthaald. Ze vroeg hem zo langs haar neus weg welke kunstenaar voor hem het meest betekende. "What's your number one?" Hij antwoordde na een korte aarzeling - het is immers niet zo evident om een ranglijstje op te maken - dat zijn voorkeur naar Matisse ging. De conservator nam hem mee naar de lift. De deuren gingen open en daar hing een grote affiche van de tentoonstelling Matisse and beyond. Ze nam hem mee naar die tentoonstelling en toonde hem hoe ook zijn werk er een prominente plaats in had gevonden...

 

 

Succes in het buitenland

 

Het is dan ook merkwaardig dat deze jonge kunstenaar zo'n successen kent in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië en met zijn werken figureert in tal van openbare en privé collecties, terwijl hij in Vlaanderen pas de jongste tijd enige erkenning krijgt. Hij had een solotentoonstelling in het Provinciaal Centrum voor Beeldende Kunst te Hasselt in 2001 en onlangs in het Museum Dhondt-Dhaenens te Deurle.

 

Een tentoonstelling die overigens vergezeld werd door een interessante publicatie met een artikel van Dirk Lauwaert over zijn werk. Hierin blijft de auteur stilstaan bij het gebruik en de invloed van de fotografie, en ook van de film, in en op Van den Broeks werk. Langs de andere kant weigerde de Commissie voor Beeldende Kunst van de Vlaamse Gemeenschap hem een werkbeurs en liet hem dat weten via een zeer omstandige motivering. Hij heeft dus blijkbaar uitgesproken voor- en tegenstanders. Ik beken mij zonder aarzelen tot de voorstanders van dit ongemeen boeiend werk, getuigend van een grote maturiteit en klasse. Aarzel niet wanneer u zijn naam ziet opduiken om u met zijn werk te confronteren.

 

Daan Rau

 


ILLUSTRATIES


Alle illustraties: © Koen van den Broek
Foto: Diane Bertrand - Courtesy Jay Jopling / White Cube (Londen)

Koen van den Broek, Zion, 2002
Olieverf op doek, 100 x 150 cm.

Koen van den Broek, Garage, 2002
Olieverf op doek, 174 x 170 cm.

Koen van den Broek, Mattress, 2003
Olieverf op doek, 190 x 145.5 cm.

Koen van den Broek, Orange Border, 2001
Olieverf op doek, 180 x 120 cm.

Koen van den Broek, Viaduct, 2002
Olieverf op doek, 280 x 420 cm.


LINEART

 

De internationale kunstbeurs die jaarlijks een kwalitatief overzicht brengt van de internationale kunst van de 19de, 20ste en 21ste eeuw, vindt dit jaar plaats van 2 tot en met 6 december in de hoofdhal van Flanders Expo te Gent.

• Lineart biedt een staalkaart van het Belgische kunstlandschap, zonder daarbij het internationale karakter te verliezen.
• De beurs steunt op 4 pijlers: etnografische kunst, moderne kunst, fotografie (van antiquariaat tot en met de hedendaagse fotografie) en hedendaagse kunst.
• Lineart 2005 geeft een breed forum aan talrijke talentvolle, jonge Belgische kunstenaars. Zo is er de groepstentoonstelling van afgestudeerden aan het H.I.S.K., brengen de belangrijkste musea voor hedendaagse kunst individuele tentoonstellingen van o.a. Nico Dockx, Arno Roncada, Jef Gysen, Patrick Vanden Eynde, Sebastien Reuzé, Koen De Decker en Marcel Berlanger.
• De blikvanger, ter ondersteuning van jong talent, is The Fortis Young Ones Award. Deze publieksprijs bekroont vier kunstenaars, jonger dan 30 jaar, met een individuele tentoonstelling op de beursvloer. De vier laureaten zijn Vaast Colson, Louis De Cordier, Wesley Meuris en Kristof Van Gestel.

 


JAN VAN EYCK's UNIEKE PROTRETTEKENING geeft niet alle geheimen prijs


 

De kunstcollecties van Dresden zijn wereldvermaard. Vooral de Duitse romantiek is ruim vertegenwoordigd. Het Brugse Groeningemuseum selecteerde uit de Schilderijenverzameling van Oude Meesters en het Prentenkabinet een tiental schilderijen en een zestigtal tekeningen van Nederlandse en Vlaamse kunstenaars uit de vijftiende en zestiende eeuw.

 

Dat de enige bewaarde tekening van Jan Van Eyck een portret van kardinaal Niccolo Albergati zou zijn, zoals vaak wordt beweerd, is lang niet zeker. Een dure staatsiemantel, die met bont is afgezet, paste immers niet bij zijn sobere levenswandel. Zijn hele leven bleef hij trouw aan de regels van de Kartuizerorde. Dank zij recent natuurwetenschappelijk onderzoek weten we meer over het werkproces van de kunstenaar dan over de uitgebeelde figuur. De zilverstifttekening diende als studie voor een olieverfschilderij, dat zich nu in het Kunsthistorisches Museum van Wenen bevindt. Er werden onlangs op de tekening sporen van een kromme passer ontdekt. Jan Van Eyck gebruikte hoogstwaarschijnlijk dit meetinstrument om delen van het getekende mannenhoofd uitvergroot op het houten paneel over te brengen.

 

Wanneer de tekening in het kabinet van Dresden terecht kwam, blijft een raadsel. Johan David Passavant was daar pas de eerste, die de tekening in 1841 opmerkte. Vroegere inspecteurs maken er geen melding van. Verondersteld wordt dat dit meesterwerk reeds deel uitmaakte van een verzameling, die al bestond voor het prentenkabinet werd opgericht. De link met het schilderij wordt bevestigd door de gedetailleerde kleuraanwijzingen. Die zijn met het blote oog onleesbaar maar konden met behulp van de UV techniek toch grotendeels worden ontcijferd. Van Eyck is uiterst precies. Hij heeft het over 'okerachtig grauwgrijze' haren, een purperachtige wrat, witachtige lippen en een 'bruinsanguinachtige nas gelic den kinbac of den wangen'!

 

Omdat dit, paneel zowel in de inventaris van aartshertog Leopold Willem, die tijdens het Spaans bewind gouverneur-generaal van de Zuidelijke Nederlanden was, als bij de Antwerpse kunsthandelaar Peeter Stevens, die het werk later verwierf, een 'konterfeitsel van olieverf op hout van de kardinaal van Santa Croce' wordt genoemd associëren talrijke kunsthistorici sinds het begin van de twintigste eeuw de afgebeelde figuur met Niccolo Albergati (1357-1443). Die was afkomstig uit Bologna. In 1407 kwam hij aan het hoofd te staan van de Kartuizerorde. Tien jaar later werd hij bisschop van zijn geboortestad. De kerk van het Heilig Kruis in Jeruzalem te Rome was, sinds hij door paus Martinus V in 1426 tot kardinaal was gewijd, zijn titelkerk.

 

Het Vatikaan stuurde hem geregeld op diplomatieke missie. Hij nam deel aan de vredesonderhandelingen, die moesten leiden tot het beëindigen van de Honderdjarige Oorlog. In 1431 bezocht hij de Franse, Engelse en Bourgondische vorstenhoven. Hij reisde naar Brussel, Gent en Brugge. Daar verbleef hij bij de Kartuizers en het is niet uitgesloten dat hij toen voor Jan Van Eyck heeft geposeerd. Maar het is even goed mogelijk dat de schilder hem tekende, toen hij zich in 1435 in Arras ophield, waar het eerste Europees vredescongres werd gehouden. Het schilderij zou dan drie jaar later zijn ontstaan.

 

Op een ets, die Nicolas LeBrun naar een schilderij van Donato Mascagni in de achttiende eeuw maakte, wordt Niccolo Albergati echter helemaal anders voorgesteld. De kardinaal draagt bovendien zijn Kartuizerkleed. Op de tekening en het schilderij van Jan Van Eyck is dat misschien verborgen onder zijn staatsiegewaad. Maar er is ook niets te merken van de tonsuur (of 'zijn haarkroontje'), hoewel elk ordelid die wel degelijk liet aanbrengen. Voorzichtigheidshalve wordt de persoon tegenwoordig weer 'een onbekende man' genoemd. Jan Van Eyck brengt hem met een ongeëvenaarde precisie en een vlotte lijnvoering tot leven.

 

De enig bewaarde originele tekening door Jan Van Eyck is het topstuk op de tentoonstelling Van Eyck tot Bosch. Oudnederlandse kunst uit Dresden in het Groeningemuseum. Een even indrukwekkende blikvanger is De boommens uit het atelier van Jeroen Bosch. Sinds kort weten we dat deze tekening werd vervaardigd door de schilder van het Het Laatste Oordeel-drieluik, dat zich permanent in het Groeningemuseum bevindt.

 

De twee monsters, die de Meester van De dood van Absalom tekende waren waarschijnlijk bedoeld voor speelkaarten of siervoorwerpen. Ze kunnen rustig de vergelijking met de gedrochten van Jeroen Bosch doorstaan.

 

De tekening van de heilige Catharina wordt door sommigen toegeschreven aan Hugo van der Goes. Anderen menen de stijl van Gerard David te herkennen. De heilige werd in een gelijkaardige houding ook door Hans Memling geschilderd. Ze duikt in een identieke houding zelfs op in het Breviarium van Mayer Van den Bergh.

 

De Heilige familie, die een onbekende Noord-Nederlandse meester rond 1500 schilderde vertoont gelijkenissen met de composities van Petrus Christus en Jan Van Eyck.

 

Misschien horen sommige bruiklenen eerder in Brugge dan in Dresden thuis!

 

Ludo Dosogne

 


VAN EYCK TOT BOSCH. OUDNEDERLANDSE KUNST UIT DRESDEN (2006)


Groeningemuseum 

Dijver 12 

8000 Brugge

Tel. 050.44.87.11

www.museabrugge.be


ILLUSTRATIES

Jan Van Eyck, Portret van een oude man (Niccolo Albergati?)
Dresden, Kupferstich-Kabinett, Inv. C775

Meester van de Dood van Absalom, Twee monsters
Dresden, Kupferstich-Kabinett, Inv. C1968-186

Franco-Vlaams Meester, ca. 1420, Jupiter
Dresden, Kupferstich-Kabinett, Inv. C579

Anoniem Vlaams, ca. 1480, Grafmonument van Josse de Lalaing (?)
Dresden, Kupferstich-Kabinett, Inv. C782


HET HUIS AUTRIQUE: Trots van burgerlijke woonlogica


 

Het huis Autrique werd Horta's eerste bouwopdracht in de Brusselse gemeente Schaarbeek. Je kunt er dromen over gisteren en morgen, van de kelder tot de zolder. Een wandeling door de vele lagen van de tijd.


 

De weg van de intimiteit en de schoonheid

 

Sinds de renovatie in december 2004 van het huis Autrique kwamen al zo'n 10.000 bezoekers over de vloer. Dat is meer dan een behoorlijk cijfer. Gangmakers om het gebouw van zijn ondergang te redden zijn de kunstenaars en stripmakers François Schuiten en Benoît Peeters. Zij trokken het gemeentebestuur van Schaarbeek hard aan de mouw om dit uniek stukje Horta-patrimonium alsnog voor de toekomst te bewaren. Twee en een half jaar werd koortsachtig gewerkt aan de restauratie van het pand.

 

Het resultaat mag gezien worden omdat je nauwelijks merkt dat hier werd ingegrepen. De originele kleuren kwamen weer boven water en wonder boven wonder ook de art nouveau mozaïekvloer in de gang van de gelijkvloerse verdieping. Het huis heeft sinds de bouw in 1893 verschillende veranderingen ondergaan. "Geen ervan was radicaal," schrijft Bernard Royen, architect van de gemeente Schaarbeek in het boek Metamorfosen van een Art Nouveau-huis gewijd aan het huis Autrique. Toch leek het alsof het huis bedekt was met een fijne opaalkleurige, monochrome film die alles verborg en alledaags maakte wat deze woning ooit aantrekkelijk had gemaakt.

 

In vergelijking met het Horta-museum en het herenhuis Tassel ziet het Autrique-huis er eerder gewoontjes uit, een doorsnee Brussels herenhuis zoals er in de onmiddellijke omgeving wel meer zijn. In zijn Mémoires, die Horta in 1939 begint te redigeren, spreekt de architect over de grote vreugde die hij voelde toen Eugène Autrique hem de bouw van zijn huis toevertrouwde. De twee mannen kenden elkaar door hun lidmaatschap van de vrijmetselaarsloge Les Amis Philanthropes waar Horta in 1888 geïnitieerd werd. Beiden waren - Autrique was ingenieur - bovendien docent aan de Polytechnische School van de ULB. Horta doceerde er vanaf 1893 als opvolger van Ernest-Jean Hendrickx, de meest getalenteerde volgeling van Viollet-le-Duc.

 

Binnen het milieu van de vrijmetselarij en de universiteit vindt Horta zijn eerste klanten en trouwe vrienden, mannen, zo schrijft hij van wie "het karakter de weg van de intimiteit en de schoonheid bewandelt". Horta moet met het huis Autrique bijna tegelijkertijd een andere opdracht ontvangen hebben die zijn carrière definitief een andere wending gaf, namelijk de bouw van het huis Tassel. De bouwaanvraag werd twee maanden na Autrique ingediend. In deze korte tijdspanne doorbrak Horta resoluut de traditionele regels van de Brusselse burgerwoning. Feit is dat het talent van de gevierde architect in 1893 'ontploft'. "Twaalf jaar van mijn carrière, tweeëndertig jaar van mijn leven zijn verstreken. Ik heb enorm veel gewerkt, nu is het tijd voor beloning," getuigt de gefêteerde architect. Als Autrique en Tassel hem de opdracht geven voor hun woningen geven ze de jonge architect een vrijheid die voor hem totaal nieuw is.

 

 

'Nieuwe huis'

 

Voor Autrique is de opdracht eenvoudig schrijft Horta in zijn memoires "geen enkele luxe, geen enkele extravagantie: een bewoonbaar souterrain, een waardige vestibule en trappenhuis, de salon en de eetkamer prettig samen, een eerste etage met bad en toilet (nog niet gebruikelijk in die periode) en een tweede mansarde-verdieping voor kinderen en personeel." Feit is dat uit deze opdeling een uitgesproken burgerlijke woonlogica blijkt. De kelder met keuken en wasplaats onderscheidden zich van de theatrale voorkant. Het archaïsche huis daarentegen heeft geen voor- en achterkant, het heeft een centrum waar het leven wordt doorgegeven. Er wordt gekookt en er worden kinderen verwekt. De burgerlijke woonlogica, ook die van Horta, gaat hier regelrecht tegen in.

 

Het werk wordt verdrongen naar plekken die zich aan het oog onttrekken. Daarentegen heeft het traditionele huis geen semi-publieke of theatrale ontvangstruimten, geen voor- of achterkant. De traditionele woning is essentieel gesloten en privaat. Vreemden komen daar niet binnen, gastvrijheid houdt in dat de genodigde wordt opgenomen in de besloten kring van de familie. Het 'nieuwe huis' verdringt met de opmars van de industrialisatie de oude landelijke architectuur in de nieuw aangesneden suburbane gebieden. Ook Schaarbeek behoort daartoe. Het huis Autrique breekt met het verleden omdat het een burgerlijk stedelijk model volgt dat in essentiële aspecten ingaat tegen de domestieke waarden van het oude, landelijke wonen. De verburgerlijking houdt in dat het huis ontdubbelt in een representatieve voorzijde en een verborgen achterzijde.

 

 

Van dorp naar stad

 

Het gekozen terrein voor het huis Autrique bevindt zich aan de Haachtsesteenweg 236 (vandaag nummer 266), een tamelijk bescheiden perceel maar met een vrij zicht langs de achterzijde en de mogelijkheid mooie wandelingen in het Josaphatpark te maken via de nabijgelegen Louis Betrandlaan. Het Schaarbeek van vandaag lijkt in niets meer op het landelijke dorp uit vroegere tijden. De Haachtsesteenweg was vanouds een verbindingsweg en wordt al in 1459 verhard. Hij vormt een belangrijke as tussen stad en platteland. Schaarbeek blijft een dorp tot in het begin van de negentiende eeuw met een bevolking van circa 1.150 inwoners.

 

Omstreeks 1860 is Schaarbeek een wijk in volle expansie, met stedelijke constructies die oprukken en oude gebouwen doen verdwijnen. Molens en boerderijen beperken hun activiteiten en verdwijnen samen met de vele ezels die als vervoermiddel golden geleidelijk van het toneel. De aanwezigheid van spoorwegstations - het Noordstation, het station van Schaarbeek - trekt verschillende industrieën aan: stokerijen, speelkaartenfabrieken, ijzer- en kopergieterijen, lijmfabrieken, marmerslijperijen, vernisfabrieken en noem maar op. Kortom de verstedelijking is niet meer te stuiten en Schaarbeek ziet met de aanleg van de Louis-Bertrandlaan tevens de geboorte van een heuse art nouveau-wijk.

 

Deze veertig meter brede laan verbindt de Haachtsesteenweg met het nabijgelegen Josaphatpark. Horta is met de bouw van het huis Autrique de eerste van een lange reeks architecten die hun hart aan deze wijk hebben verpand. Anderen zouden hem volgen: Henri Jacobs, Gustave Strauven, Franz Hemelsoet, A. Dankelman.

 

 

Herinnering

 

Horta is ervan overtuigd dat de artistieke inspanning niet mag afhangen van de grootte van de werf. Hij staat er op voor de gevel natuursteen te gebruiken in plaats van bezette bakstenen. De deur van het Autrique-huis is voorzien van een enkele nobele omlijsting in subtiele welving in een stijl die nog duidelijk de sporen draagt van de neogotiek. De omlijsting springt uit de vlakke gevel. Dankzij een spel van gietijzeren pijlers op de gelijkvloerse verdieping en zuiltjes op de eerste etage kan Horta de gevel voorzien van grote vensteropeningen. Licht is een belangrijk vormgevend element. Tevoren sloot de burgerij zich op in onverluchte huizen. Horta maakt hier een belangrijk breekpunt van en verlucht het huis Autrique met roosters die aan de buitenkant uitmonden in een sierlijk ornament. Binnen oogt de indeling nog vrij klassiek en is de latere Horta nog niet voor honderd procent op dreef. Maar toch: in het trappenhuis vindt men al de vernieuwende decoratieve toepassingen van de art nouveau-stijl. De glasramen op de tussenverdieping verwijzen naar de natuur en vormen een prelude van hetgeen we bij Horta in zijn latere creatie nog veelvuldig zullen tegenkomen.

 

Ongetwijfeld is de herinnering de sleutel tot het scenografische programma om het Autrique-huis te reanimeren. François Schuiten en Benoît Peeters zijn er de bedenkers van. Wie het huis Autrique bezoekt ontmoet een verhaal, een verhaal dat ieder voor zich kan bedenken en construeren. Het is alsof je een reis onderneemt doorheen de verschillende lagen van tijd en ruimte. Elke kamer is het theater van een kleine enscenering, van een gebeurtenis die iets te maken heeft met haar functie: van de vrijwel intacte keuken in de kelder waar het linnengoed nog hangt te drogen tot de compleet heringerichte zolder vol exotische rommel. De enscenering van het Autriquehuis evoceert een op zijn minst poëtische ervaring. De vormelijke uitvoering refereert aan hedendaagse kunstinstallaties zoals de video-installatie in de badkamer en verbindt daardoor het huis niet alleen met het verleden maar ook met de toekomst hoe imaginair die ook is.

 

Philip Willaert

 


AUTRIQUE HUIS


Haachtsesteenweg 266 

1030 Brussel

Open van woensdag tot zondag van 12 tot 18 u.

Tel. 02.215.66.00

www.autrique.be


ILLUSTRATIES

  • Illustratie François Schuiten - Foto Marie-Françoise Plissart

VLIEG ER EENS UIT


 

'Jong geleerd is oud gedaan' geldt ook voor cultuurparticipatie, zo blijkt uit onderzoek. Daarom startte CultuurNet Vlaanderen met een ludieke campagne die het bestaande aanbod voor kinderen in de schijnwerpers plaatst en onze cultuurconsumenten in wording de weg wijst naar podia, tentoonstellingshallen en festivalterreinen in alle uithoeken van Vlaanderen.

 

CultuurNet Vlaanderen vzw werd door minister van Cultuur Anciaux belast met de opdracht om, zoals dat in beleidskringen heet, "een bijdrage te leveren aan de verbreding en verdieping van de cultuurparticipatie en aan een betere maatschappelijke positionering van kunst en cultuur". Of anders geformuleerd: om zoveel mogelijk mensen uit alle lagen van de bevolking op een actieve en kwaliteitsvoile manier te laten deelnemen aan cultuur. CultuurNet tracht deze doelstelling onder meer te realiseren door het bestaande aanbod via professionele cultuurcommunicatie en innovatieve publiekswerking beter aan de man te brengen.

 

 

Wat, waar, wanneer

 

Prioritair ging de aandacht van CultuurNet uit naar de ontwikkeling van een CultuurDatabank. Deze databank bundelt het cultuuraanbod in Vlaanderen en Brussel en verspreidt deze informatie via tal van kanalen naar het brede publiek. Grote cultuurhuizen en organisaties alsook ruim 150 steden en gemeenten van Alveringem tot Zonhoven voeren inmiddels hun activiteiten in.

 

Het belangrijkste kanaal om al die gegevens te verspreiden is Cultuurweb, een webstek die tijdens de afgelopen Antwerpse Cultuurmarkt door zijn geestelijke vader, minister Anciaux, boven de doopvont werd gehouden. Deze cultuurportaalsite zou een antwoord moeten bieden aan eenieder die op zoek is naar informatie voor een cultureel uitje. Omdat wat, waar en wanneer nu eenmaal de meest gestelde vragen zijn, vindt men deze zoektoegangen rechts op startpagina van deze webstek, al is uitgebreider zoeken in de Agenda ook mogelijk. U zit op het einde van de maand wat krap bij kas? Dan selecteert u gewoon de optie "alleen gratis aanbod tonen". Ook praktische faciliteiten zoals kinderopvang of autoparking kunnen aangeklikt worden.

 

 

Crossovers

 

De zoekmogelijkheden zijn echter zo divers dat de minder geoefende of besluitloze surfer wel eens het noorden durft te verliezen. Het beschikbare aanbod is dan ook zeer breed. Van Muziek, Podiumkunsten en Expo's over Film, Literatuur en Erfgoed tot Architectuur, Vorming en Evenementen en elke nog eens met zijn eigen subdisciplines. De hedendaagse veelheid aan cross-overprojecten en multidisciplinaire evenementen zorgt bovendien voor verrassingen. Zo verwacht je onder "diverse erfgoedactiviteiten" niet meteen een biënnale voor videokunst aan te treffen. Voor de ene een onverwachte ontdekking, voor de andere een weinig relevant antwoord op een zoekopdracht?

 

Handig is de mogelijkheid om organisaties en personen op te sporen, maar omdat je enkel op de startletter kan zoeken, dien je je door het halve alfabet te klikken vooraleer je vindt wat je zocht. In een volgende versie die voorzien is voor het voorjaar 2006 zullen deze kinderziekten wellicht opgelost worden. Alleszins mogen we verwachten dat Cultuurweb nog verder uitgebreid zal worden met diverse interactieve elementen en een personalisatietool. Nu kan men alvast persoonlijke keuzes en alle bijhorende informatie afdrukken en doormailen aan familie en vrienden. Want gelijkgestemd gezelschap voor een opera-avond of literaire voordracht kan je op deze webstek voorlopig niet vinden.

 

 

Twee vliegen in een klap

 

Wie met kinderen en kleinkinderen op stap wil, kan beroep doen op Vliegjemee, een tweede webstek die gebruik maakt van de Cultuurdatabank. Dit initiatief kadert in een nieuwe campagne om het jonge volkje te enthousiasmeren voor musea, theaters en andere culturele trekpleisters. De fris en jeugdig ogende site werd door CultuurNet, Ketnet, Yeti/Klasse, het Vlaams Centrum voor Openbare Bibliotheken en Cultuur Lokaal speciaal ontwikkeld voor de kids. Zij vernemen er spelenderwijs wat het opzet is van de actie. Zo is er een spelletje, een e-card en merchandise die bij cultuurverstrekkers gratis af te halen is. Maar belangrijker is de tip van de week. Die focust op activiteiten in weekends en vakantieperiodes, de ideale tijdstippen om samen met het gezin aan cultuur te doen.

 

De mascotte van dienst is Vlieg; een sympathiek ogend specimen van de gelijknamige insectensoort dat voortaan symbool zal staan voor "kinderen en cultuur". Het beestje vliegt niet alleen rond op Vliegjemee, maar is ondertussen ook al uitgezwermd naar de webstek van Ketnet, het VRT-net voor kinderen tot 12 jaar. Dat er rechtstreeks met kinderen gecommuniceerd wordt, is niet verwonderlijk. De tijd dat vader op zondag besliste zijn kroost mee te nemen voor een parkwandeling of ochtendconcert, is al lang voorbij. Heel wat beslissingen - van het merk ontbijtgranen tot de vakantiebestemming - worden genomen door de jongsten.

 

 

Vliegensvlug

 

Waar Vliegjemee vooral de campagne ondersteunt, is de site van Ketnet het feitelijke startpunt voor een vliegensvlugge zoektocht naar gezinsactiviteiten. Het overaanbod aan zoekmogelijkheden van Cultuurweb werd hier verengd tot de basisvragen: Wat wil je doen, Waar wil je iets doen of Wanneer wil je iets doen? Voor diegenen die er daadwerkelijk eens uitvliegen, is er trouwens een deurhanger te downloaden. Net als de mensen achter Vlieg, hopen we dat deze ludieke actie meer is dan een tijdelijke buzz en geen eendagsvlieg wordt.

 

Eva Wuyts


Meer informatie over CultuurNet Vlaanderen vindt u op: www.cultuurnetbe
Hun portaalsite is te raadplegen via www.cultuurweb.be
Via www.cultuurdatabank.be kan elke organisator zijn of haar activiteiten zelf toevoegen.
De webstek van hun kindercampagne vindt u op www.vliegjemee.be
De kindvriendelijke agenda is te consulteren via www.ketnet.be
Dit artikel en de bijbehorende links kan u terugvinden op www.tento.be


MEESTERTEKENINGEN van RUBENS, JORDAENS en VAN DYCK in BRUGGE


 

Manfred Sellink over Vlaamse meestertekeningen uit Boijmans Van Beuningen in Arentshuis: "Je zit op de huid van de denkende en tandenkarsende kunstenaar".

 

 

Wie het scheppingsproces van een klassiek schilder wil doorgronden, kan niet om zijn tekeningen heen. Dat geldt zeker voor Rubens, Jordaens, Van Dyck en de andere Vlaamse kunstenaars uit de Gouden zeventiende eeuw, van wie in het Brugse Arentshuis een vijftigtal meesterwerken uit het Prentenkabinet van het Rotterdamse museum Boijmans-Van Beuningen worden getoond. De 'dépendance' van het Groeningemuseum leent zich uitstekend voor dit soort intimistische exposities. Manfred Sellink maakte een scherpe keuze. Vooraleer hij artistiek directeur werd van de Brugse musea, was hij tien jaar hoofdconservator prent- en tekenkunst van de vermaarde Rotterdamse verzameling.

 

"De Vlaamse tekenkunst is in de Belgische musea ondervertegenwoordigd," stelt hij vast. "Belangrijke eigen collecties zijn zeldzaam en ook het aantal tentoonstellingen over dit thema is beperkt. Toen het Rubenshuis enkele jaren geleden uitpakte met Meestertekeningen van Jan Van Eyck tot Hieronymus Bosch waren de meeste werken afkomstig van buitenlandse bruikleengevers. Het museum Boijmans Van Beuningen heeft daarentegen een kleine driehonderd tekeningen van zeventiende-eeuwse Vlaamse meesters in zijn bezit. Die zijn onlangs vanuit zoveel mogelijk wetenschappelijke invalshoeken bestudeerd en in kaart gebracht. Daaruit heb ik er twaalf van Rubens en evenveel van Jordaens en Antoon van Dyck geselecteerd. Bovendien zijn ook enkele andere talentrijke tijdgenoten zoals Abraham van Diepenbeek, Lucas van Uden, Jan Grasmus Quellinius, Paulus Pontius en Frans Snyders met één of twee werken vertegenwoordigd. Elke tekening krijgt voldoende ademruimte zodat de bezoeker niet overbelast wordt en hij rustig in iedere zaal - of laten we het beter 'kamer' noemen - kan verwijlen."

 

De meest diverse types komen aan bod. Schetsbladen met kopieën en studies, die zijn geïnspireerd op beroemde voorgangers als Titiaan en Michelangelo, worden afgewisseld met landschappen en portretten. De tentoonstelling focust niet alleen op de individuele tekenaars, maar ook op de bedrijvigheid in de ateliers. De tekenaars pasten uiteenlopende technieken toe. Voor zijn Portret van een jonge vrouw, dat één van de hoogtepunten is op deze expositie, gebruikte Rubens drie krijtkleuren en witte dekverf. Van Dyck maakte compositieschetsen met penseel en inkt. Jordaens voegde waterverf aan zijn krijt toe.

 

De collectie dankt grotendeels haar faam aan de topstukken uit de nalatenschap van Frans Koenigs. "Over deze Duitse verzamelaar, die in de buurt van Keulen werd geboren, maar zich later tot Nederlander liet naturaliseren, worden wilde verhalen verteld, die niet altijd met de werkelijkheid stroken," verwittigt Manfred Sellink. "Hij had een immens fortuin opgebouwd zodat hij - toen de prijzen op de kunstmarkt niet al te hoog waren - bijna een encyclopedische collectie kon opbouwen met tekeningen van de vijftiende tot de negentiende eeuw. Het begin van zijn verzamelkoorts viel samen met zijn verhuis in 1922 naar Nederland. Hij was echter niet rijk genoeg om peperdure schilderijen of fel begeerde tekeningen van Rafael of Michelangelo aan te schaffen. Toen hij in de jaren dertig in financiële problemen geraakte gaf hij zijn verzameling in onderpand aan een handelsbank. Het Museum Boijmans kreeg ze in bruikleen. De joodse bankiers Lisser en Rosenkrantz betrouwden echter de politieke ontwikkelingen niet. Kort voor de Tweede Wereldoorlog uitbrak wilden zij de kostbare collectie te gelde maken. De Rotterdamse havenmagnaat D.G. Van Beuningen snelde ter hulp en kocht alles op zodat de collectie in het museum kon blijven. Bij de bombardementen op de havenstad bleef het gebouwencomplex gespaard. Toen de nazi's de hele verzameling voor het geplande Führermuseum wilden overkopen veranderden 528 tekeningen van eigenaar."

 

De familie beweert nu bij hoog en bij laag dat deze verkoop onder oorlogsdwang gebeurde. De nazi-agenten waren uiteraard vooral in Duitse kunst geïnteresseerd. Die werd aangevuld met werk uit andere landen. In 1941 - dat is tevens het jaar, waarin Frans Koenigs in een verkeersongeval het leven liet - werden deze tekeningen naar Dresden overgebracht. Slechts een gedeelte van de verkochte werken kon later worden gerecupereerd. Het Poesjkin museum wenst de tekeningen, die daar waarschijnlijk via de officieren van het Rode Leger geraakt zijn en pas dertien jaar geleden werden ontdekt, alleszins te behouden. Ook in Oekraïne doken 139 tekeningen uit de Koenigscollectie op. Die werden onlangs aan de Nederlandse staat teruggegeven. Ze waren goed geconserveerd want ze zaten nog in de oorspronkelijke dozen, die herkenbaar zijn aan de rode lakzegels. Op dit moment zijn nog een veertigtal tekeningen spoorloos.

 

Reder D.G. Van Beuningen was alleszins een gewiekst zakenman. Hij had de tekeningen voor een veel hoger bedrag van de hand gedaan dan hij er zelf voor had betaald. Ook het legaat van Frans Jacob Otto Boijmans (1767-1847) heeft het museum geen windeieren gelegd. Hij bezat een tweehonderdtal bladen van Vlaamse meesters. Daarvan werd bij de brand van 1864 tweederde gered. "Dat hij een fijne neus had voor waardevolle kunst blijkt uit enkele uitzonderlijke aankopen als Soo de ouden songen, pijpen de jongen van Jacob Jordaens, een voorbereidende schets voor zijn schilderij met dezelfde titel, dat in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen op een ereplaats hangt. De graflegging in pen en penseel van Rubens had hij ook al verworven. Voor Jan Fyts Eenden en patrijzen, die door een hond worden opgeschrikt en een ontwerp van Abraham van Diepenbeek voor de randversiering in een boek heeft hij ook geld neergeteld.

 

Frans J.O. Boijmans had aanvankelijk niets te maken met Rotterdam. Hij was een Utrechtse jurist, die in de kerkenstad moeilijk kon aarden. We weten bitter weinig over zijn artistieke drijfveren. Vermoedelijk schuimde hij in het eerste decennium van de negentiende eeuw talloze veilingen af. Hij was overduidelijk geïnteresseerd in de oude kunst en de romantische school. Van de Hollandse en de Vlaamse kunstenaars verzamelde hij zowel tekeningen als schilderijen. Zijn collectie was alleszins omvangrijk genoeg om er een volwaardig kunstmuseum mee op te richten, wat twee jaar na zijn dood effectief gebeurde."

 

Tekeningen zijn door kunstenaars slechts bij hoge uitzondering als volwaardig kunstwerk bedoeld. "Vaak vormden ze een visueel repertoire," licht Manfred Sellink toe. "Of het waren persoonlijke studieschetsen. In Italië kopieerde Rubens Michelangelo. Hij schetste ook handen, armen en benen van mensen, die hij ontmoette. In zijn 'cantoor' bewaarde hij achter slot en grendel tekeningen, die als inspiratiebron of als voorbeeld voor zijn medewerkers dienden. Eén van zijn oudste medewerkers, Willem Panneels, die tijdens Rubens' diplomatieke reis naar Spanje en Engeland de leiding kreeg over het atelier, beschikte toen over de sleutel. Het vermoeden bestaat dat hij allerlei tekeningen uit dit kantoor voor eigen gewin heeft gekopieerd. Hij hoopte immers een autonome carrière te beginnen. De Rubenskopieën in het prentenkabinet in Kopenhagen worden met hem geassocieerd."

 

Wanneer kunstenaars als Rubens, Jordaens of Van Dyck een opdracht in de wacht sleepten, probeerden ze al schetsend hun compositieproblemen op te lossen. Zo konden ze uittesten hoe een vlak kon ingedeeld worden of hoe de interactie tussen de personages het treffendst kon uitgebeeld worden. Van verschillende 'studies' bestaan zowel vage als uitgewerkte versies. In slechts enkele gevallen is een tekening een zelfstandig kunstwerk Het landschap met de kerk van Lucas van Uden behoort wel tot deze categorie.

 

"Tekeningen brengen je alleszins dichter bij het creatieproces," vindt Manfred Sellink. "Je zit op de huid van de kunstenaar. Je reist met Rubens mee en hoort hem denken: 'Dat reliëf van Michelangelo zou ik toch wel willen overnemen!' en spontaan zet hij - enthousiast, aarzelend of tandenknarsend - een vluchtige schets op papier."

 

Omdat ze op een tentoonstelling uit hun context zijn gelicht krijgen kunstwerken een andere betekenis. In een museum worden ze al te vaak als esthetische iconen 'gesacraliseerd'. Daarom kan het geen kwaad om de ontstaansgeschiedenis uit te pluizen.

 

"Vele geselecteerde tekeningen hebben 'wall power'! Zij geven zich meteen," benadrukt Manfred Sellink. "Enkele bladen geven echter pas hun geheimen na een langere observatie prijs. Toch worden ze altijd door glas afgeschermd. Vaak weten de liefhebbers van tekeningen niet dat ze in de studiezaal van een prentenkabinet de tekeningen uit het dépot ook zonder dit storende glas kunnen bekijken. Ze bevinden zich dan in een bewaardoos. Slechts als er gevreesd wordt voor een te grote belangstelling, zoals voor een onschatbare tekening van Rembrandt, moet de geïnteresseerde zich tevreden stellen met een facsimile. In Cambridge (Massachusetts) werd twintigste-eeuwse grafiek in het kader van de tentoonstelling Textuur in de prentkunst nochtans uitsluitend in de passe-partouts (zuurvrije kartonnen omlijstingen) getoond zodat bijvoorbeeld ook de dikte van de inkt bestudeerd kon worden. Door de grote bezoekersaantallen die wij in het Arentshuis verwachten, kunnen wij dit echter onmogelijk riskeren."

 

Omwille van de overgevoeligheid van het tekenpapier voor licht kan de expositie slechts tot het eind van het jaar blijven duren. De ruimtes zijn vanzelfsprekend niet al te fel verlicht omdat de tekeningen anders verbleken.

 

Manfred Sellink zal ook in de toekomst nog tentoonstellingen met werk uit de Boijmans-Van Beuningen collectie opzetten, waarin andere kunstenaars of periodes worden belicht.

 

Ludo Dosogne

 


RUBENS, JORDAENS, VAN DYCK
VLAAMSE MEESTERTEKENINGEN UIT HET PRENTENKABINET VAN MUSEUM BOIJMANS-VAN BEUNINGEN (2005)

Arentshuis

Dijver 16 

8000 Brugge

Tel. 050.44.87.12

www.museabrugge.be


ILLUSTRATIES

Pieter Paul Rubens, Schetsblad met kopieën naar Adriaen Collaert
Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam

Pieter Paul Rubens, Portret van een jonge vrouw
Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam

Antoon van Dyck, Portret van Frans Francken de Jonge
Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam

Jacob Jordaens, Studie van een doedelzakspeler
Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam

Lucas van Uden, Berken
Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam

Antoon van Dyck, Knielende man in rugaanzicht
Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam

Jacob lordaens, Chronos
Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam


DE GLIMLACH VAN BRATKOV


 

Terwijl van op het dak van het SMAK te Gent de wolkenmetende man onverstoorbaar zijn werk voortzet, siert een reusachtige foto van twee afgeleefde mannen de voorgevel van het museum. Zij dragen dezelfde gestreepte zeemanstrui en dezelfde marinepet, bekroond met de rode ster en het gedateerde symbool van hamer en sikkel. Ze proberen stram in de houding te staan, met fier geheven hoofd. Zelfs die inspanning lijkt al te veel. De tijd deed zijn werk. De ruggen zijn gekromd, de handen stijf van de reuma; zelfs de fiere blik is vervlogen tijd. Dit zijn de zielige helden van Sergej Bratkov.

 

De man heeft een ontwapenende glimlach. Tijdens ons gesprek tovert Sergej Bratkov (°1960) die met de regelmaat van een klok tevoorschijn, om een bevreemdend lijkende gedachtegang te onderlijnen, een aarzeling in zijn eigenzinnig Engels te verdoezelen of gewoon uit tevredenheid om over zijn werk te kunnen praten.

 

 

Installatiekunst of fotografie

 

Uiteraard meent hij dat zijn werk het zonder exegese kan stellen. Fotografie is een direct medium. De Europaliatentoonstelling in het SMAK te Gent kan zelfs de indruk wekken dat het hier zonder meer om een fototentoonstelling gaat. Maar die illusie wordt vrij vlug doorgeprikt. Naast een klassieke accrochage van kleurrijke portretten en andere ensceneringen in de naakte museumzalen, toont de kunstenaar een selectie transparante werken in een kruisvormige, schaars verlichte, tunnelachtige ruimte. Waar de twee gangen elkaar kruisen staat een leeg olievat. Door er in te kijken wordt dat een kijkdoos, want onderin blikt ons de domme grijns van een breedsmoelkikker tegemoet, geen echte uiteraard, wel een banaal tuincentrumexemplaar. Om ons helemaal in te pakken noemt Bratkov het werk The Frog Princess. Bij hem is fotografie zowel middel als doel, zoveel is duidelijk.

 

"Installation, that is very important," maakt hij mij duidelijk. "En heb je het kruis gezien? Very important, heel erg Russisch."

 

Natuurlijk is het hem er niet om te doen de Russische ziel te ontrafelen, maar hij bedrijft wel een subtiel spel met die benadering. Je zou inderdaad aan de hand van deze tentoonstelling je nieuwsgierigheid naar de dagelijkse realiteit in het postsovjet Rusland kunnen stillen. Bratkov maakt haarscherpe documentaire opnamen van mensen en dingen in een stijl die zijn degelijke opleiding in het Sovjettijdperk verraadt. Maar gelijktijdig is hij er zich heel goed van bewust hoezeer het medium revelerend kan zijn. Wanneer de kunstenaar de voor de hand liggende inhoud en de zich opdringende connotaties een beetje helpt - forceren hoeft amper en vaak zelfs helemaal niet - dan dompelt hij ons onder in een droomwereld waarvan wij niet weten of wij hem grappig of tragisch moeten vinden. Wanneer hij daar ook nog de clichés van de kapitalistische massacultuur door verwerkt, is het feest pas compleet.

 

 

De fotograaf als kameleon

 

Herhaaldelijk hoor ik Sergej Bratkov zichzelf bestempelen, als een 'kameleon' en even vaak wijst hij mij op het belang van het vasthouden van het ogenblik. "Als fotograaf neem ik de houding van een kameleon aan. Ik werk met een maximum aan empathie." Niet dat Bratkov de wereld vanuit een soort candid camera bekijkt. Hij verbergt zijn aanwezigheid niet, zijn bedoelingen daarentegen worden pas post factum duidelijk. Erger nog, het zijn meestal andermans bedoelingen die tot groteske uitvergrotingen leiden. Het kan choquerend voorkomen dat hij een hele reeks kinderen in uitdagende houdingen van minipornosterren met dito outfit portretteert. De opnamen kwamen tot stand op uitdrukkelijke wens van de ouders. Hetgeen de kinderen ervan vinden staat niet perse op hun gezicht te lezen. Het zielige decor, een tot op de draad versleten zetel of een kramakkelig krukje, aftands behang, een deprimerende badkamer in ondefinieerbare Comeconpasteltinten, geeft een extradimensie aan de goedkope glamour van lippenstift, sigaretten en vampposes van de veel te jonge modellen. De fotograaf registreert schijnbaar op bestelling.

 

 

Kostya

 

Bratkovs glimlach wordt een brede grijns als ik hem vraag naar het naakte meisje op de marmeren parkbank. "Natuurlijk ging zij akkoord, maar het was vooral haar vriend die op die opname aandrong. Ik wist waar wij het zouden doen. Het is heel vlug gegaan. Een rustige plek. Niemand in de buurt. Het meisje uit de kleren. Afdrukken en gedaan." Het is een prachtopname geworden die uitvergroot een gammel stalletje te Watou sierde tijdens de jongste poëziezomer. Het liggend meisje verbergt ons niets van haar weelderige anatomie. Zij waant zich centerfold en starlet tegelijk. Zij neemt zelfs de stereotype glimlach aan, met blinkende tanden en halfgesloten ogen. De witmarmeren bank omsluit haar als het decor van een renaissancedoek en zij is Venus. Storend element is op de rechterkant van de bank een onhandig geschreven en haast uitgewiste graffiti, Kostya, een jongensnaam. Geen verband met het meisje en haar Hollywooddroom, wel een verrassing. Zonder aarzelen noemt Bratkov het werk Kostya.

 

 

De taal van de reclame

 

De verleidingen van de reclame, haar gespeelde opgewektheid, om maar te zwijgen over haar impact op de nieuwe consumenten, vindt Bratkov na vijftien jaar nog altijd een onuitputtelijk speelterrein. Het reclamepaneel is een artistieke hefboom van belang, de installatiekunst uitvergroot tot de afmetingen van een stad, van een land. In het SMAK confronteert hij ons ermee door een installatie met liggende billboards (omvergevallen of omgegooid, vandalisme of vergelding?). Wie de moeite neemt om de begeleidende tekst te lezen, verneemt dat het spel ook gevaarlijk had kunnen zijn. Bratkov was zelf betrokken bij een reclamecampagne waarin hij een vroegere campagne voor gsm's handig en met de nodige humor recycleerde tot een promotie voor een nieuw wodkamerk. Er kwam narigheid van en terecht heeft hij toen voor een gevangenisverblijf of erger gevreesd.

 

"Fotografie is macht." Het is een vorm van waarneming met een andere uitwerking. Gewone activiteiten worden vastgelegd, maar het resultaat draait anders uit. Met de grootst mogelijke nauwkeurigheid registreert hij een stratenloop van geüniformeerde paramilitairen. De combinatie straatbeeld, militaire uniformen en sportieve inspanning geeft een bevreemdende visuele mix. De momentopname zorgt voor een overdramatisering van de beweging, van een incident, een val bijvoorbeeld. Om terug te keren tot de kruisvormige gang: een spiegat nodigt uit tot voyeuristisch gedrag. Wat wij te zien krijgen is op zijn minst ongewoon: niet een zinnenprikkelend meisje maar metaalarbeiders in onvervalste Sovjetstijl, weliswaar gezien door een fisheye!

 

 

Een modelmodderbad

 

Onwillekeurig neem je Bratkovs glimlach over. In dat verband verdient het de aanbeveling om, gezeten op één van de harde banken, meer dan één keer de video te bekijken die op een communistisch onpersoonlijke overloop wordt vertoond. Op het eerste gezicht is het een reportage, in traag documentaire stijl gedraaid, over een vulkanisch kuuroord aan de Zee van Azov. Wij zien de badgasten aankomen, enkelingen van elke leeftijd, gezinnen of vriendengroepjes. Zij kleden zich om en lopen naar de baden. Zij begeven zich in het modderachtig water, de ene omzichtig, de andere met een kordate plons. De ene zwemt, de andere ploetert of blijft rustig liggen. Slotsom is dat binnen de kortste keren iedereen er als een marsmannetje uitziet. Iedereen even bruin en iedereen even naakt, ondanks de obligate badpakken.

 

De commentaartekst gaat onverstoorbaar verder met het opsommen van numerieke gegevens en het bezingen van de geneeskrachtige eigenschappen van de vulkanische modderpoel. Obsceen trekken de marsmannetjes aan hun huid (die badpakken die wij niet meer onderscheiden), wrijven zich de ogen uit waardoor hun gezicht met gekke blanke brillen wordt getooid. De bevreemding waait je toe, terwijl je ondergedompeld wordt in een discours van doordeweekse clichés. Hier geen beklemming noch onaangename reminiscenties, wel zachte ironie.

 

 

Metromuseum

 

"Fotografie is macht," zegt Sergej Bratkov breed glimlachend. Hij speelt op de woorden, meen ik achter dat lachje te lezen. Hij weet dat wij dat op dubbelzinnige manier interpreteren bij het zien van zijn foto's van de 'special forces', de paramilitaire formaties die onder meer de strijd met het terrorisme aanbinden. Wij zien scherpschutters in actie, evenals individuele portretten met op de achtergrond een hevig oplaaiende vuurgloed die niets aan de verbeelding overlaat. Zes van die expressieloze tronies sieren de Hortahal van het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel. Gekoppeld aan opschriften met daarop de namen van diverse Moskouse straten in cyrillisch schrift, roept hij zo de sfeer van een Moskous metrostation op.

 

Bratkov is tuk op installaties en op de directe impact ervan op de toeschouwer. Of de ordehandhavers bescherming of bedreiging uitstralen, laat hij ons dus zelf uitmaken. De kunstenaar zadelt ons met een stukje dubbelzinnigheid op, die dubbelzinnigheid die de modale Rus dagelijks aan den lijve ondervindt. De fotograaf is misschien een kameleon, maar hij staat niet buitenspel.

 

Rik Sauwen

 


SERGE; BRATKOV (2006)
SMAK

Citadelpark 

9000 Gent  

Tel. 09.221.17.03  

www.smak.be


ILLUSTRATIES

The Frog Princess, 2003
Regina Gallery, Moskou

Russian Pilot, 1999
Regina Gallery, Moskou

Matrosy, 887 x 1200
Regina Gallery, Moskou

The red bride, 2000
Regina Gallery, Moskou

Moscow, 1200 x 547
Regina Gallery, Moskou

From the series Hotel in Yalta, 2002
Regina Gallery, Moskou

Landing Party, 1181 x 905
Regina Gallery, Moskou


DE MUSEUMPRIJS: 30.000€


Initiatief van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen - en - Linklaters De Bandt


 

Waarom een museumprijs?

 

Er zijn nogal wat culturele prijzen, in alle formaten en gewichten, voor alle domeinen van het kunstenlandschap: proza en poëzie, beeldhouwkunst en schilderkunst, fotografie en film, muziek en theater... Er zijn de officiële prijzen van steden, provincies en gewesten, naast vele privé-initiatieven. Wat opvalt is dat zelden of nooit een museum bekroond wordt. Men kan blijven zoeken naar de oorzaken waarom musea zo weinig in de prijzen vallen. Of men kan er iets aan doen.

 

Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen droomt al lang van een museumprijs. Het past perfect in de missie: bijdragen tot een kwalitatieve ontsluiting van musea, openbare collecties en erfgoed omdat omgaan met kunst en erfgoed zin geeft aan de samenleving en tot maatschappelijke ontwikkeling en gemeenschapsvorming leidt. Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen wil zich geheel ten dienste stellen van de museum- en erfgoedsector door hen maximaal te ondersteunen op het gebied van communicatie. Dat gebeurt via het tijdschrift en de website, maar ook via zinvolle belevingsgerichte evenementen waarbij het publiek met de sector samengebracht wordt. Nu kan Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen, de MuseumPrijs uitschrijven, dank zij het sociaal en financieel engagement van Linklaters De Bandt, een internationaal advocatenkantoor met in ons land vestigingen in Antwerpen en Brussel. Linklaters heeft een jarenlange en wereldwijde traditie van steun aan het goede doel.

 

 

Elk jaar drie prijzen

 

De MuseumPrijs wil alle musea maximale kansen geven om te winnen. Vooral goedwerkende kleinere, minder bekende en/of vernieuwende musea mogen niet uit de boot vallen. Daarom wordt een regionale opdeling ingesteld en zal het niet altijd een groot 'Brussels' museum zijn dat wint. De MuseumPrijs bekroont elk jaar één museum in Vlaanderen, één in Brussel en één in Wallonië. Elk van de drie winnende musea wordt beloond met 10.000 €. De eerste uitreiking zal plaatsvinden in april of mei 2006. Een 'nationaal' initiatief sluit aan bij de tijdgeest, nu Vlaanderen en Wallonië officieel de culturele samenwerking willen uitbouwen.

 

 

De winnaar is het goede doel

 

De winnende musea worden uitgenodigd het gewonnen geldbedrag integraal te besteden aan eigen projecten die kinderen of jongeren, kansarmen of mensen met een handicap beter aan het museumgebeuren laten participeren. Een studie van de Koning Boudewijnstichting toont aan dat kansarmen meer problemen hebben met hun culturele uitsluiting dan met hun penibele financiële situatie. (Resultaten van een enquête uit 1998, gepubliceerd in de KBS-publicatie 'Deelname aan het culturele leven: een verwaarloosd recht en een primordiaal instrument in de strijd tegen armoede'.)

 

Als musea op een doordachte manier elementen voor bijzondere doelgroepen in hun vaste opstelling integreren, komt dat vaak alle bezoekers ten goede. Kinderen en jongeren die musea bezoeken, doen ervaringen op die bijblijven en soms richtinggevend zijn voor het verdere (artistieke) leven. Enkele voorbeelden uit het OKV-boek 'Herinneringen. Veertig Vlamingen en hun geliefkoosd kunstwerk'. Theatermaker Jan Lauwers die als vijfjarige jongen de prauw van de Lenogola in het Museum voor Midden-Afrika zag: "Ik weet zeker dat deze boot me heeft doen inzien wat kunst werkelijk is: een zorgvuldige balans tussen vorm en inhoud." Marcia De Wachter, directeur van de Nationale Bank, en actrice Hilde Van Mieghem die als tieners zichzelf herkenden in Breugels 'Dulle Griet' in het Museum Mayer van den Bergh en even strijdlustig door het leven wilden gaan. Fotograaf Michiel Hendryckx over 'De ijsbeer' van François Pompon in het Openluchtmuseum Middelheim: "Ik heb veel te danken aan die ijsbeer. Ik ben als het ware op de rug van die mollige knuffel de wereld van de kunst binnengewaggeld."

 

Sociaal-artistieke projecten en publieksontsluitende projecten vallen dikwijls tussen wal en schip qua subsidiëring. De financiële ruggesteun van de MuseumPrijs is meer dan welkom.

 

 

Ook een MuseumPublieksprijs

 

Naast de drie prijzen, waaraan een geldbedrag is verbonden en die door een jury worden toegekend, zal er ook voor elk van de drie regio's een publieksprijs zijn. Iedereen kan kiezen voor één museum in Vlaanderen, één museum in Brussel en één museum in Wallonië. Stemming gebeurt via de websites www.museumprijs.be en www.prixdesmusées. Het publiek kan ook gebruik maken van stemformulieren die verspreid worden via de mediapartners.

 


ILLUSTRATIE

De MuseumPrijs wordt mee gedragen door de museumverenigingen in Vlaanderen, Brussel en Wallonië en door organisaties in het veld van cultuurparticipatie, zoals Kunst & Democratie, en toegankelijkheidbureaus. Werkvergadering met de partners
Foto: Saskia Vanderstichele


KEUZE VAN DE REDACTIE


 

Pijn

 

In een tijd van wellness en lifestyle durft het Museum Dr. Guislain in Gent het aan om het begrip pijn en pijnbestrijding in zijn cultureel-historische context te plaatsen. Dat levert een verdraaid knap en ontroerend kijkstuk op.

 

Pijn houdt ons behoorlijk bezig, pijn pikkelt onze emotie en voedt ons denken. Meer dan twee miljoen Belgen zouden lijden aan chronische pijn. Dat is één op vijf Belgen. Waar of niet, pijn is wel degelijk in ons midden. De tentoonstelling Pijn verloopt via twee lussen. 'Pijn is niet plezant' toont pijn vanuit de optiek van de lijder. Zo laat het fotografische werk van Elke Boon onverbloemd het lijden van jonge mensen zien. De verhalen achter deze beelden zijn ronduit beklijvend. In het tweede deel 'Troost doet deugd' zien we hoe buitenstaanders met pijn omgaan, van medelijden voelen en troosten, tot voyeurisme, sadisme en foltering. Pijn als spektakel: een 'tandarts' op een kermis temidden van drommen toeschouwers. We zien een stervende aids-patiënt gefotografeerd als gaat het om een tafereel uit het leven van Christus. Getekend Benetton United Colors. Het Museum. De tentoonstelling laat zien hoe pijn vandaag en in het verleden verbeeld wordt, en ook hoe we kijken naar pijn. Opvallend is het aandeel van hedendaagse kunstenaars: Berlinde De Bruyckere, Thomas Schütte , Roger Raveel, Robert Devriendt, Sam Dillemans, Philippe Vandenberg, Luc Tuymans, Thierry De Cordier, Elly Strik en vele anderen. Maar ook kleppers als William Hogart, Goya en Ensor zijn in Gent van de partij. Een aanrader van formaat (PW)

 


PIJN (2006)

Museum Dr. Guislain 

Guislainstraat 43 

9000 Gent  

Tel. 09.216.35.95  

www.museumdrguislain.be


Braem bezoekt Braem

 

Hij moet een beweeglijke geest hebben, de man die zonder te verpinken een boek schrijft over België, lelijkste land ter wereld en enkele jaren later hetzelfde onderwerp aansnijdt onder de titel Het mooiste land ter wereld. Renaat Braem (1910-2001) is nochtans geen windvaan, wel een creatieve geest waarvan de soepelheid te weinig wordt gewaardeerd. Toegegeven, de Antwerpenaars houden niet van zijn 'politietoren', trekken hun neus op voor zijn sociale woningbouw en bezoeken te weinig zijn woonhuis (nu museum). Het vertekende beeld kan rechtgetrokken worden door een bezoek aan het Middelheimpaviljoen dat door kenners als één van zijn meest geslaagde verwezenlijkingen wordt gezien. Aan de hand van een ruime selectie tekeningen en ontwerpschetsen wordt er momenteel de historiek van het eigenzinnige gebouwtje uit de doeken gedaan.

 

Uit de opdracht voor een tijdelijk paviljoen voor de Zevende Biënnale voor Beeldhouwkunst in 1963 groeide de idee voor een permanent gebouw om er de meest kwetsbare stukken van de collectie onder te brengen. Het was Braem zelf die met een voorstel voor de dag kwam, een ontwerp dat hij gratis ter beschikking van het stadsbestuur stelde, naar eigen zeggen 'om te beletten dat men er weer een banaal geval zou neerpoten'. Je hoort het hem zo zeggen.

 

De tentoonstelling volgt stap voor stap de evolutie van het project, van de enthousiaste droombeelden tot de meer nuchtere uitwerking. Braem was een vlotte tekenaar. De schetsen stapelden zich op. Op het papier zie je hoe de ideeën elkaar verdringen en letterlijk overlappen. Van meet af aan betrekt hij het omliggende landschap bij het gebouw, binnen- en buitenruimten zijn in wisselwerking, geen evidentie in die jaren. Hij wil natuurlijk het landschap ook aanpakken, maar krijgt daar niet de kans toe. Het gebouw zoals wij het vandaag kennen is slechts een onderdeel van het finale concept, het vierde in de reeks. Braem zelf had een zevenledige constructie bedacht die letterlijk tussen de bomen moest kronkelen, als een aaneenschakeling van gesloten ruimten en patio's, als een reuzenvertebraat in de beboste omgeving neergevleid. De opdrachtgever vond dat hij het ook met minder kon stellen en volgde die gedurfde ecologische visie niet. Het gebouw werd in 1971 opengesteld, naar aanleiding van de Elfde Biënnale.

 

De tentoonstelling handelt over het paviljoen zelf dat dus de volle aandacht krijgt. De opstelling houdt daar rekening mee. Er werd gekozen voor een originele accrochage, geïnspireerd op een ontwerp van Renaat Braem zelf. Geen pastiche dus, noch een archeologische reconstructie, wel een creatief verder bouwen op Braems onuitputtelijke ideeëntrommel. Want op hem kan verder worden gebouwd en daar ligt zijn onafgewerkt paviljoen misschien nog op te wachten. (RS)

 


RENAAT BRAEM EN HET MIDDELHEIMMUSEUM — beelden van een paviljoen (2006)

Openluchtmuseum Middelheim 

Middelheimlaan 61 

2020 Antwerpen
Tel. 03.827.15.34  

http://musea.antwerpen.be


UIT DE BOEKEN


 

SCHOONSELHOF NU! Een eigentijdse visie op de Antwerpse necropool

 

Schoonselhof is voor Antwerpen wat Père-Lachaise is voor Parijs: een unieke begraafplaats waar beroemde maar ook onbekende stadsgenoten hun laatste rustplaats hebben gevonden en nog steeds vinden. De vaak prachtige monumentale graven zijn gelegen in een parklandschap met eeuwenoud lover en stille dreven.

 

Schoonselhof nu! beoogt een frisse kijk te geven op de Antwerpse stedelijke begraafplaats, in dvd- en boekvorm. Hoewel ook deze necropool een plek is van verdriet en afscheid, laten boek en reportage zich niet door die dimensie leiden. Schoonselhof nu! wil een eenzijdige visie op de begraafplaats doorbreken en staat daarom niet exclusief in het teken van de dood, of besteedt het alleen maar aandacht aan de monumenten of aan de verhalen over de overledenen.

 

Het is een uniek boek over een unieke begraafplaats. Met nieuwe foto's van Magnumfotograaf Carl De Keyzer en met tekstbijdragen van Anne-Mie Havermans, Kristien Hemmerechts, Marc Jacobs, Luc Verpoest, Frank Herman, Wim Cuyvers, Tom Lanoye.

 

Carl De Keyzer maakte honderden kleurenfoto's op Schoonselhof. Een groot aantal daarvan staat verspreid door het boek. 63 uitzonderlijke opnames gebruikte hij voor het scharnierpunt in deze uitgave. Met 21 fototriptieken, opgebouwd uit een combinatie van mensen, landschappen en graftekens, verbeeldt De Keyzer zijn eigen Schoonselhof. Kunsthistorica Anne-Mie Havermans belicht in korte besprekingen ruim honderd opvallende grafmonumenten - met de vaak intrigerende levensverhalen van de vele bekende en minder bekende mensen die er te ruste werden gelegd, waarbij ook hun rol in Antwerpen wordt belicht. De grafontwerpers, de beeldhouwers, de steenhouwers en de leveranciers van grafornamenten komen uiteraard (maar hier wel voor het eerst) aan bod.

 

Coördinator beleid van de Erfgoedcel Antwerpen, Frank Herman, tekende voor dit boek enkele van zijn persoonlijke 'begraafplaatservaringen' op uit onder meer de VS, India en Europa. Schrijfster Kristien Hemmerechts bezint zich op haar eigen persoonlijke wijze over de aan regeltjes gebonden opruimwoede op begraafplaatsen en over onze omgang met onze doden. Tom Lanoye, oud-stadsdichter van Antwerpen, levert met zijn gedicht 'Amnesia' stof tot nadenken over hoe wij met onze dierbare overledenen omgaan.

 


SCHOONSELHOF NU!


is een uitgave van de Erfgoedcel Antwerpen binnen het erfgoedconvenant van de Stad Antwerpen met de Vlaamse Gemeenschap.
Verkrijgbaar vanaf 8 december 2005 voor de gezamenlijke prijs van 39 euro: Stadswinkel Antwerpen, Grote Markt 11, maar ook in De Groene Waterman, Copyright en erfgoedhuis Den Wolsack. (info@erfgoedcelantwerpen.be)


KUNST ONDER DE KERSTBOOM


Schitterende geschenken voor uw familie en vrienden en... voor uzelf.
Te bestellen bij Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen.


De Museumgids Vlaanderen & Brussel

 

"De nieuwe museumgids ziet er door de kleurendruk, de talrijke illustraties en de prettige vormgeving zeer aantrekkelijk uit. Er staat enorm veel informatie in en interessant zijn ook de overzichten van de kleinere musea, intrigerende collecties en rariteiten waar de gids de liefhebbers op attendeert." De Standaard

 

Het is duidelijk. De museumliefhebbers in Vlaanderen en Brussel zaten al een tijdje te wachten op deze uitgave. Onmisbaar voor elke kunstliefhebber, maar ook gewoon aangenaam om te lezen want hij staat boordevol weetjes Wist u bijvoorbeeld dat de rozet in het Museum van de 18de eeuw in het Paleis van Karel van Lotharingen, niet minder dan 28 soorten Belgische marmer bevat? Of dat er haren op de kop van een kafferbuffel in het Afrikamuseum afkomstig zijn van zwartharige Tervurenaren na een oproep van het museum aan de lokale kappers? Slechts € 6 voor de abonnees, nieuwe abonnees krijgen de boeiende gids aan € 8. In de winkel kost de gids € 15.
Garengenaaid en gebonden, 352 p., 300 kleuren illustraties

 

 

Unieke grafiek

 

Petit Roman, Fik Van Gestel
30 x 38 cm, niet ingekaderd, slechts €100 per stuk;

 

 

Panamarenko. De retrospectieve

 

Hét naslagwerk bij het verrassende oeuvre van Panamarenko. Het geeft een prachtig overzicht met nooit eerder gepubliceerde documenten, foto's en archivalia. De teksten komen van de museumconservatoren Frederik Leen en Francisca Vandepitte, de Engelse criticus Jon Thompson en de wetenschapper Charles Hirsch. Panamarenko zelf kruidt het boek met pittige commentaren.
Slechts €30 - 240 p., 250 kleurenreproducties.

 

 

Het Lam Gods

 

Kunsthistorische ontdekking van Peter Schmidt leidt tot nieuwe interpretatie van het retabel. De auteur ontdekte dat de schilders Van Eyck het achthoekige waterbekken gebruikten als een soort mal voor de compositie van de groepen rond het Lam Gods. De verbazingwekkende originaliteit van hun werkwijze bestond erin dat ze niet een vlakke geometrische achthoek als model namen, maar de driedimensionale constructie van een voorwerp in perspectief. Wat de auteur verder ontdekt leest als een thriller en leidt tot spectaculaire besluiten. Het brengt onze kunsthistorische kennis een stap dichter bij de ontsluiering van het theologische vraagstuk dat over het retabel van het Lam Gods hangt.

 

Alle panelen van het retabel werden speciaal voor dit boek opnieuw gefotografeerd. Een primeur dus, want in geen enkel boek zijn zoveel loepzuivere detailopnames van het werk te zien. Peter Schmidt was gedurende vele jaren hoogleraar bijbelexegese aan het Grootseminarie in Gent en is momenteel docent aan de K.U.Leuven.Slechts € 28 (winkelprijs € 34.5). Gebonden met stofwikkel, 156 p.
Talloze en nieuwe uitzonderlijk gedetailleerde foto's

 

 

De Erfgoedgidsen van de Provincie Antwerpen

 

E1 Van Klei tot Kerk. Baksteengotiek in de Kempen.
E2 De Tuinen van Hingene tussen Schelde, Rupel en Vliet.
E3 Kijkparadijzen voor het volk. Panorama's en diorama's in Antwerpen.
Per stuk €10, per twee stuks € 18, per drie stuks € 24

 

 

Vorstelijk vrouwelijk

 

Een wandelgids met drie boeiende tochten door Mechelen. Op stap langs drie historische wandelingen in de stadskern maakt u kennis met de vrouwelijke kantjes van Mechelen. Van Margareta's tot straatmadeliefjes start in het politieke hart van Mechelen anno 1550, aan de voormalige paleizen van Margareta van York en Margareta van Oostenrijk. De wandeling Van arbeidersvrouw tot koningin schetst een beeld van de economische rol en de werkomstandigheden van vrouwen tot ver in de negentiende eeuw. Vrouwen met een passie, vrouwen met een missie leert Mechelse vrouwen kennen die uit de band sprongen door hun doorgedreven begeestering, doorzettingsvermogen en daadkracht.
Slechts €8. Fraai uitgegeven met een metalen spiraal en handige plattegronden.

 


KLARA

 

Elke zaterdag en zondag tussen 7 en 10 uur kiest Herwig Verhovert voor u de opvallendste tentoonstellingen en culturele manifestaties waar u de volgende dagen naartoe kan. Elke week is er ook een reportage over een vaste collectie van een museum.

 

Vertel eens een museum. Dat vroegen Klara en enkele Vlaamse musea aan vier cultuurmensen. Vanaf einde november, de ideale periode voor spannende vertelavonden, brengen zij een eigen verhaal. Op zaterdag hoort u bij 'Herwig Verhovert' een gesprek met de vertellers. Op zondag laat hij u luisteren naar de museumreportage. En dan vertelt Herwig Verhovert wanneer u naar het museum kunt, voor een rondleiding en een verhaal. Kaarten voor dit bezoek kosten € 7,00. Maar u kunt ook uw kans wagen bij 'Herwig Verhovert'. Tijdens de museumreportage geeft hij een telefoonnummer waarop u gratis toegangskaarten kunt reserveren.

 

Groeningemuseum Brugge en Joke van Leeuwen
Zaterdag 26 november: gesprek bij 'Herwig Verhovert' met Joke van Leeuwen, auteur, illustrator en performer.
Zondag 27 november: reportage over het Groeningemuseum bij 'Herwig Verhovert'.
Donderdag 1 december: museumverhaal en -bezoek.


 

Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis Brussel en Tom Lanoye
Zaterdag 17 december: gesprek met auteur Tom Lanoye bij 'Herwig Verhovert'.
Zondag 18 december: reportage bij 'Herwig Verhovert' over het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis.
Donderdag 22 december: museumverhaal en -bezoek.


 

TRAM 41 Nationaal Museum van de Speelkaart Turnhout en Tom Naegels
Zaterdag 3 december: gesprek bij 'Herwig Verhovert' met auteur Tom Naegels.
Zondag 4 december: reportage bij 'Herwig Verhovert' over het Nationaal Museum van de Speelkaart.
Donderdag 8 december: museumverhaal en -bezoek.


 

Stampe en Vertongen Museum Antwerpen en Lucas Van den Eynde
Zaterdag 10 december: gesprek bij 'Herwig Verhovert' met Lucas Van den Eynde, acteur, zanger, en amateur-copiloot.
Zondag 11 december: reportage over het Stampe en Vertongen Museum bij 'Herwig Verhovert'.
Donderdag 15 december: museumverhaal en -bezoek.

 


Het provinciaal Museum Félicien Rops, Namen

 

Félicen Rops is bij het grote publiek bijna uitsluitend bekend als tekenaar en graveur van satirische prenten met erotische, zelfs pornografische inslag. Dit boek biedt een meer genuanceerd beeld van de Naamse kunstenaar. Bernadette Bonnier, conservator van het Musée Félicien Rops in Namen, geeft een gedetailleerd overzicht van zijn leven en werk. Daarnaast worden in een tiental bijdragen van binnen- en buitenlandse specialisten verschillende aspecten van Rops' kunst en persoonlijkheid belicht.

Onder leiding van Bernadette Bonnier
€ 39.00 - 29 x 24 cm, - 260 p. - 350 illustraties waarvan 200 in kleur
Voor meer informatie: 02.222.41.12 of cultureline@dexia.be


Bijlage JONGEREN EN MUSEA

 


Wel jong, niet gek op musea

Gegeeuw. Lege blik. Slapende ledematen. De jonge museumbezoeker kan het niet helpen. Deze symptomen kunnen wel een goede reden zijn om het als gids of leerkracht anders aan te pakken. Want behalve in schoolverband gaan twaalf- tot achttienjarigen bijna nooit naar het museum. Een veertienjarig meisje vat het probleem samen: "Verwachtingen? Het is wel een museum, hè" Een wandeling tussen de mummies en de amforen, de weefgetouwen en de droogzwierders, de rugzakvliegtuigjes en de poetsgarnalen, de Iguanodons van Bernissart en de afvalkuilen van een Gallo-Romeinse nederzetting. En tussen de waarschijnlijk grootste schatten die een museum kan hebben: de jonge bezoekers zelf.

Tekst: An Devroe
Foto's: Saskia Vanderstichele

 

 

Keigortig tot keikoddig
Koninklijke Musea voor Kunst  en Geschiedenis, Brussel

 

De verwarring weergalmt in de majestueuze inkomhal. De tweedejaars techniek-wetenschappen en sociale en technische vorming (tso) uit Brugge zijn op zoek naar de gids die hen zal rondleiden in het oude Griekenland en Rome. Hun leerkracht geschiedenis, die over het gebouw had kunnen vertellen terwijl ze wachten, is niet meegekomen.

 

"Supercool", als de tieners eindelijk tot bij een gouden vaasje van de Cycladen gebracht worden. Teruggevonden in scherven. De geschiedenis komt tot leven. Om dan weer onder dikke lagen stof te verdwijnen wanneer de gids details geeft over herkomst en datering zoveel millennia voor Christus. Bij het Griekse vaatwerk lijkt een dialoog tussen museumgids en tieners op gang te komen. Het monster van Kreta, de Minotaurus, wordt erop herkend, maar Ariadne wordt gereduceerd tot een kwisaangelegenheid met verlies van punten als het antwoord niet binnen de tijd is: "Zelfs mijn zoon van zeven kent dit verhaal." Maar de huid van deze tiener is dik: "Gaat dat niet over een touw of zoiets? Ben je niet vergeten te zeggen dat Theseus afgesproken had witte zeilen te hijsen als hij de Minotaurus gedood had, maar dat hij dat vergeten was?"

 

Over de atleten op de vazen weet een meisje te vertellen dat ze naakt liepen nadat hun lendendoeken waren afgevallen. De gids wuift dat weg als anekdotisch. Bij de Grieken stond de naakte mens gewoon centraal. De spontane antwoorden blijven uit en luisteren wordt lastig. De toelating om te gaan zitten, wordt dan ook op een opgeluchte yes onthaald. Er ontstaan allerlei Griekse poses: een halfliggende jongen met een zittend meisje tegen elke opgetrokken knie. Is deze beeldengroep al naar Griekenland of Rome geweest? "Rome, is dat Italië of Spanje? In Spanje hebben we het huis van Salvador Dali gezien, er stonden eieren op. Je moest van ver naar een figuur kijken en die kwam steeds dichterbij." Aan haar enthousiasme te horen, is kunst het probleem niet. Op het huis van haar vriendin staan ook eieren: "Mijn mama is architect."

 

Tijdens een lange uitleg onder een kaart gaan de blikken rond naar al wat beweegt, en worden de stijve spieren gemasseerd. Boven de maquette van het oude Rome zijn de jongeren het noorden allang kwijt. Of nog iemand weet wat de Curia is? "Mm, een curry." Na anderhalf uur hebben ze honger gekregen. "Waar is Vaticaanstad?" wil een jongen weten. Maar de plek die tieners met Rome associëren, staat er net niet op. Tijd om wat stoom af te blazen. Ze hadden zelf iets willen doen. In het illusiemuseum (Illuseum in Gent) konden ze dat. Ze hadden vrij willen rondlopen: "Voor die ene keer dat we komen. Ze moeten toch weten dat wij niet zo lang kunnen stilzitten."

 

Ook de derdejaars beeldende en architecturale kunsten (kso) uit Malle mogen in de tentoonstelling over Egypte slechts aankomen met hun ogen. De nu en dan bezwerende toon van deze gids maakt het vraag-en-antwoordspel spannender, dat is te zien aan de vele vingers in de lucht. De leerlingen zijn ook voorbereid, al is niet ieders maag bestand tegen het verhaal van de mummificatie dat door enkele klasgenoten met zin voor detail wordt verteld. De mummie uit de vierde eeuw voor Christus, 'de borduurster', kan op sympathie rekenen: "Griezelig? Nee, dat is toch chic. Maar ik zou hier vannacht niet graag opgesloten zijn. Die tanden zijn keigortig."

 

Vrij rondlopen is het voorrecht van de vierdejaars uit dit kunstsecundair onderwijs. Op de tentoonstelling Art Nouveau & Design 1830-1958 zijn ze dan ook snel rond. Tegen een audiogids kan je onbeleefd zijn: "Ik wil alleen prentjes kijken. Aan het einde weet je niet meer wat ze in het begin gezegd hebben." Iemand is nog maar binnen en vindt het al saai. Maar vanaf Victor Horta met zijn 'keinijge' stoel wordt alles beter. "Wat een oog voor detail," verraadt het eigen oog van deze veertien- en vijftienjarigen. Ze kunnen dat oog zelfs oefenen in het museum, want op de computer versieren ze vazen met de typische zweepslaglijnen van de art nouveau, en op de grond schikken ze echte stukken tapijt tot een modernistisch ontwerp.

 

Aan draaiblokken waar ze mensentypen met de juiste stoelen moeten paren, wordt een andere vaardigheid geoefend: "Kom, we maken nieuw samengestelde gezinnen." In het interieur van Huub Hoste vindt iedereen zijn meug: "Wat een coole tafel. Ik wil die keuken, dat kastje, die matten, die spiegel... hé, dat heb ik op internet bij de Kidskitch gezien." De zetel van Marcel-Louis Baugniet is het topstuk, want hij is volgens de tieners tegelijk 'keimooi', 'keischattig' en 'keikoddig'. Ook voor een meisje uit het kunstonderwijs kan dat allemaal wel eens te veel worden: "Ik vind het eigenlijk raar dat ze altijd iets nieuws maken. Dit vind ik allemaal al lang goed."

 

 

Panamarenko mag niet stoppen
Koninklijke Musea voor Schone Kunsten, Brussel

 

De Aeromodeller van Panamarenko kan beter, dat is de mening van enkele tieners uit Brussel die we hebben uitgenodigd voor een vrij bezoek. Paula, tweedejaars handel (tso) en Karen, derdejaars verzorging-voeding (bso), de armen over elkaars schouder geslagen: "Die gaten in de mand van de zeppelin zijn veel te gevaarlijk voor kinderen. Er moeten ramen komen, gordijnen en matjes. En een toilet achter een gordijntje of anders dikke pech." Ze giechelen bij al het gênante dat ze al voor zich zien. Eerstejaars Mohamed (oriënterend jaar) wil de Aeromodeller liever vervolmaken zodat hij kan vliegen: "Zo is hij niet stabiel. Die mand moet in een licht metaal."

 

Bij Panamarenko's duikboot ontcijfert Karen de cyrillische tekens: "Panama. Ik heb een Russische vriendin. Dat daar is de p. Misschien is hij in Panama gemaakt door slaven? De boot is wel een beetje saai. Er zijn geen kleuren. Die auto of wat is dat daar (Bing II) is geslaagder. Die heeft tenminste een kleurtje. Hier word ik depressief van."

 

Van het schilderij aan de muur daarentegen, Tafereel van de septemberdagen 1830 op de Grote Markt van Brussel van Gustaf Wappers, worden deze jongeren wel gelukkig: "Dat is wel mooi gedaan. Moet je kijken: die gevallen man, en die oude man die opkijkt naar de hemel. Dat paard dat gekneld zit. Al die wisselwerkingen. Hier gebeurt iets."

 

De Prova-Car van Panamarenko vinden de meisjes te simpel: "Die kán mooi worden. Het lijkt op een soort bed. Voor als je allergisch bent voor muggen. Een bed met wielen, zo kan je naar je plaats in de klas rijden om verder te slapen. Paula houdt niet zo van kunst," legt Karen uit. "Ik vind het wel interessant om naar te kijken en om over na te denken. Het is jammer dat de kunstenaar stopt. Als hij verder doet, kan hij nog dingen verbeteren." Panamarenko, geef nooit op, Noordkaap zong het ook al. Mohamed kan assisteren want de Bing of the Ferro Lusto zal volgens hem kunnen vliegen als hij van textiel gemaakt wordt. Karen vindt de bol gewoon mooi en ziet een kleine uitvoering ervan, gevuld met likeur, al op haar bureau staan. Ook voor het vliegende tapijt dat de tieners er nog uitpikken, want ze worden het beu, vindt Karen een toepassing: "Dat is goed voor in de toekomst om de files te vermijden, maar ik ben al dood in de toekomst."

 

 

Rammelen met schedels
Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, Brussel

 

'Wij zijn de fossielen, niet de apen." De deelnemers aan de fossielen- en evolutierondleiding van het vijfde en zesde jaar natuur en techniek/gezondheid (vwo, gelijk aan aso) uit Terneuzen distantiëren zich van elkaar. Ze bewonderen de gefossiliseerde bruine beer en de 'keischattige' wolharige neushoorn en maken er met hun mms-gsm's gedigitaliseerde versies van. De uitleg bij de Iguanodons van Bernissart gaat door de slechte akoestiek wat verloren. De jongeren wijzen naar een of ander bot in het skelet en fluisteren in elkaars oor een heel ander verhaal. Dat iemand op een bankje gaat zitten, mogen we niet verkeerd begrijpen: "Ik vind het wel interessant, hoor," zegt de jongen, "maar ik ben moe. We hebben deze voormiddag al de Nationale Plantentuin van België in Meise bezocht. Dit hier is heel leuk om te zien, maar al die verhalen hoeven er niet altijd bij. Wat zijn dat daar? Bewakers? Hoe spannend!"

 

Hun ogen de kost geven doen enkele meisjes wanneer ze door de zaal met aquariums worden geleid. Met open mond volgen ze de capriolen van de rood-wit gestreepte poetsgarnaal: "Heb je dat gezien? Die maakt loopings. Waar zit die schoonmaakgarnaal nu? Zonde, die raakt nooit meer onder het steengruis vandaan." Ze bespeuren anemoonvisjes: “Nemo's! Zullen we zwaaien. Hallo? Hallo? Zie naar die mond. Ik zou zo'n vis willen zijn." Ze smeken de leraar of ze nog eens naar de dierentuin mogen.

 

Na de rondleidingen zijn er eindelijk de ateliers. De veelbelovende zandbak in het fossielenatelier blijft echter onaangeroerd. Deze leerlingen moeten gefossiliseerde varens, haaientanden, en zee-egelstekels benoemen met behulp van een brochure met zwart-wit foto's en Latijnse namen. Beleefd gaan ze aan de slag, maar na een halfuur moeten sommigen nog maar eens herbeginnen omdat het nog niet helemaal goed is. Wie klaar is, grijpt naar de kleurenplaten met dinosauriërs en begint zich een weg naar buiten te kleuren. In andere zaaltjes van het Labyrintische museum worden versteende walviswervels en mammoetonderdelen doorgegeven. Ze worden begerig betast, besnuffeld en met de schedel van de Cro-Magnonmens wordt zelfs even gerammeld.

 

 

Schietspoele, sjerrebekke, spoelza!
Museum voor Industriële Archeologie en Textiel, Gent

 

De zesdejaars elektriciteit-elektronica (tso) uit het Oost-Vlaamse Beveren zijn hier voor hun geïntegreerd proefproject. Of ze nu de freesmachine, de verdeelkast of de lift als onderwerp hebben, ze bekijken het van alle kanten, en de geschiedenis is er daar een van. Het groepje monstert de verscholen onderdelen van de lift op de tentoonstelling Aan tafel! Philippe Cauderlier, een meesterkok uit Gent. Iedereen helpt meezoeken naar rem- en kabeltrommel en liftklem.

 

In het textiellabo van de tentoonstelling Katoenkabaal worden vochtigheid of veerkracht van het katoen uitgetest. Waterdicht ("O ja? Het lekt langs alle kanten."), lichtgevend of luchtdoorlatend textiel? Het wordt allemaal spelenderwijs getest. De weefgetouwen doen aan de "schone tijd, haha" denken toen jongens als zij al tien jaar aan het werk waren. Maar ze verstommen wanneer een weefgetouw in gang wordt gezet. Schietspoele, sjerrebekke, spoelza! Djikke djakke, kerrekoltjes, klitsklets! uit 'De vier weverkes' klinkt in het echt oorverdovend.

 

Het museum doet aan het erfgoed van thuis denken: "We hadden thuis een oude Singer naaimachine, maar ze werkte niet meer en we hebben ze aan een verzamelaar verkocht. Ik vond de oude drukkerij het mooist. Wij hebben thuis nog een oude druk van De Leeuw van Vlaanderen." Groepjes van acht, eigen leraars mee met net genoeg uitleg om te kunnen blijven hangen, en alle zintuigen in het spel, bij tieners is het een systeem dat werkt. Na twee uren is dat dan ook te horen: "Is het al gedaan? Spijtig."

 

 

Lichtgevoelig
FotoMuseum Provincie Antwerpen

 

De laatstejaars moderne talen-wetenschappen (aso) uit Hoboken weten eigenlijk niet wat ze in het museum komen zoeken. Een begeleidster denkt dat het bezoek misschien bij het vak Nederlands hoort. Maar aan de leerkracht Nederlands kunnen we het niet vragen. De museumgids laat de jongeren rondkijken in de zaal met de reclamebeelden die in 2006 op ons zullen afkomen. Na een vluchtig rondje ploffen ze neer op de poefs. Als ze zich een voorstelling maken over het product dat geadverteerd zal worden, moeten ze die boven de harde muziek uitroepen. Het erop los associëren gaat daardoor volledig de mist in.

 

De foto's van het actuele Rusland worden door een andere gids toegelicht. Volgens haar ontleenden de halfnaakte vrouwen eigenwaarde aan het feit dat ze niet als de prototypische huisvrouw werden geportretteerd. Maar een meisje vindt de fotoreeks Provocations van Sergey Chilikov toch wel wat ordinair. En bij de reeks Russian Regions: "Als die foto's in België genomen waren, zouden we ze maar niks vinden. De Russen zullen foto's van België ook speciaal vinden. In België heb je wel niet zo'n mooi licht." De gids gaat niet in op deze prangende kwesties.

 

De samenwerking met de gids is er even wanneer de jongeren een groepsportret maken met een oude reiscamera. Het lukt ze net om een minuut lang te poseren, maar in de donkere kamer gaan zelfs de vergroters gevaarlijk bewegen. De tieners lachen wat af en de gids is een beetje ten einde raad: "Dan zal ik maar doen zoals bij de kleutertjes en zelf het antwoord geven."

 

 

Gallische spacecake
Provinciaal Archeologisch Museum van Zuid-Oost-Vlaanderen, Velzeke

 

Op de plaats waar vroeger een Romeins legerkamp was, maken de klassen van het eerste Latijn  (aso) uit Boom nu een dagje Gallo-Romeinse onderdompeling mee. De dag begint met het aanschouwen van kleerkasten vol met bracae, tunicae, en fibulae, en die namen zullen ze geweten hebben. "Een verkleedpartij", dat zien de jongeren wel zitten. Maar de museumgids hoort liever het woord 'kledijproject'. Van zelf roefelen in de kleren is geen sprake. De gidsen zullen de jongens en meisjes laag na laag in Galliërs of Romeinen veranderen. Bij het verwijderen van de houwtouwen en schoenen uit de eenentwintigste eeuw, valt op dat een jongen deze morgen twee verschillende kousen aantrok. Ze moeten allemaal erg lachen en zullen dat blijven doen met elke nieuwe metamorfose bij hun klasgenoten. "Net een priester, een schooier, Roodkapje, de boze tovenaar!" Wat schaft de Gallische pot? "Spacecake." Hoe kwamen de Romeinse vrouwen aan de blonde lokken van de benijdenswaardige Gallische vrouwen? "Met white spirit?" De oplossing dat die blonde haren er bij de Galliërs gewoon afgeknipt werden, doet verschrikt naar de haren grijpen.

 

Al lachend leert men, maar de gids dreigt met een testje achteraf. Deze scholieren worden door meer dan een gids op hun verantwoordelijkheid gewezen: "Jullie zijn Latinisten." Ze hebben geluk want hun lerares (Latijn!) is erbij en geeft aan wat ze eigenlijk nog niet kunnen weten. Maar over elke vraag wordt wel nagedacht. Waarom spreken we van Gallo-Romeinen? "Julius Caesar vond de Galliërs zo dapper dat hij ze als beloning Gallo-Romeinen noemde."

 

Is de Gallische of Romeinse mode tweeduizend jaar later nog hip? De kousen met linten wel: "Zoals Brad Pitt in Troy." "Keischoon," mijmert een meisje: "Ik heb het kleed van Cleopatra. Maar het is wel een raar gevoel. Ik heb graag alles strak op mijn buik en dit is zo fel overgeplooid." Ze hadden toneel willen spelen in die kleren in plaats van daar gewoon te staan: "Dan wordt zoiets ook nog een beetje leuk." Een meisje legt de vinger op de wonde: "Als je naar een museum trekt en je weet dat er een kledingatelier is, dan verwacht je daar van alles van. In een ander museum gingen we ook eens munten slaan en brood bakken, maar als we daar toekwamen, deed iemand ons dat allemaal voor." Even ziet het ernaar uit dat vijandelijkheden tussen Galliërs en Romeinen een kans krijgen. "Jij bent niet bleek genoeg, jij werkt te veel," moet een Gallische aanhoren van een Romein. En dan beginnen ze met hun sjaals te slaan. Fun.

 

In het museum zelf graait de gids in een bak met prehistorische werktuigen en overhandigt ze aan de tieners. Ruggen wordt geschrobd met de hakbijl, de sikkel is een boemerang. Een jongen krijgt een ijzeren torques - "een walkman!" - op. Hij staat hem niet meer af: "Dat mogen alleen jongens dragen, het is een teken dat ik onsterfelijk ben." Met een vuursteen en een stuk ijzer mogen ze zelf vuur maken tot de vonken er afspringen. Nadat al drie jongens aan de beurt waren, probeert een meisje het argument van gelijke kansen: "En nu een meisje, een meisje!" Het lukt.

 

Het is voor het eerst dat ze van een gids veel mogen vergeten, maar van een paar zaken wil hij dat niet. Door ze veel te herhalen, antwoorden de tieners op den duur in koor:

"In Velzeke was?"
"Een Romeins kamp."
"Daar kwamen bij?"
"Handelaars."
"Dat waren?"
"Galliërs."

 

Maar de elf- en twaalfjarigen zijn moe. In de tuin naar Gallo-Romeins model dient de sokkel van een verbrijzelde jachtgodin als leunstoel. De wandeling naar de archeologische site wordt voorafgegaan door uitleg over maaihoogte en moederbodem. Nog iets dat ze nooit meer mogen vergeten. Maar ze horen het niet meer: "Ik hoop dat er een soort souvenirwinkeltje is." De tieners zijn terug bij de les als ze echte archeologen in afvalkuilen van tweeduizend jaar oud zien harken. De hoofdarcheoloog toont hen waar ze een schedel van een paard gaan opgraven en het gebit is al goed te zien. Wil er iemand archeoloog worden? "Wat verdient dat?" De jongeren laten er op de terugweg geen twijfel over bestaan. De archeologische wandeling vonden ze vandaag het tofst: "Ze was kort."

 

 

JONGERENWERKING IN HET JUBELPARKMUSEUM: MUSEUMFREAKS?

 

De Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis hebben ervaring met jongerenwerking: 20 jaar lang al vragen deelnemers aan museumateliers naar activiteiten voor +14 jarigen. Maar het blijft zoeken naar de juiste formule om bij de snel evoluerende jongerencultuur aansluiting te vinden. Meerdaagse workshops als introductie op bijvoorbeeld textiel verven of juwelen ontwerpen spreken artistieke jongeren wel aan, maar projecten met een publieksmoment zoals een maquette voor de tentoonstelling voor blinden realiseren of zelf een tentoonstelling opbouwen met werkjes van het kinderatelier en museumstukken hebben meer succes.

 

De Jongerenmuseumdagen 2001 met als thema 'Word conservator van de toekomst' waren een grote stap vooruit in het leerproces. Vijftien jonge mensen tussen 14 en 19 jaar werkten van mei tot november aan hun visie over 'het museum van de toekomst'. Ze ontdekten in de verzamelingen van het reusachtige maar in hun ogen ouderwetse museum twaalf kunstwerken of objecten die hen persoonlijk aanspraken. Zij dachten na over een originele setting en over het soort informatie dat jongeren zou aanspreken, vandaar telkens een link met hun eigen leefwereld. Dit resulteerde in verrassende, soms grappige of ontroerende projecten.

 

Bij ieder project schreven de jongeren zelf paneelteksten en kozen een passende popsong. Ze waren geheel vrij om ideeën aan te dragen en uit te voeren op voorwaarde dat ze het budget respecteerden en het fiat van de museummedewerkers kregen. Ze zorgden zelf voor sponsoring; organiseerden een persconferentie en verzorgden 30 Nederlandstalige en 3 Franstalige rondleidingen voor 355 jongeren van tweede en derde graad Secundair Onderwijs tijdens de projectweek. Ook belangrijk: 37 personeelsleden meldden zich tijdens hun middagpauze voor een rondleiding door de jongeren.

 

Dit proces leerde dat het informele contact tussen de jongeren onderling en tussen de jongeren en de begeleiders via e-mailtjes en telefoontjes een must is. Samen naar installaties van hedendaagse kunstenaars (KunstenFestivaldesArts) of naar een muziek¬optreden (Klinkende Munt); 's middags een picknick in de binnentuin in het zonnetje en voldoende drank en versnaperingen om energie uit te putten doen wonderen. Studenten uit ASO, technisch en beroepsonderwijs werkten prima samen: ze konden van elkaar leren en hadden elkaar nodig om hun projecten te realiseren. Opvallend was de ongedwongen omgang van de studenten met het museumpersoneel: er werd druk overlegd met titularissen, preparators, fotografen en leden van de technische ploeg. Informatie loskrijgen van wetenschappelijke medewerkers, vitrinekasten sjouwen met de verhuisploeg, een persconferentie op touw zetten met de P.R. dienst, het ging allemaal vanzelf. Blijkbaar wist het personeel het enthousiasme en de inzet van de jongeren te appreciëren.

 

Problemen om de jongeren regelmatig te laten terugkomen bleken er niet te zijn: op ieder vrij moment kwamen jongens en meisjes langs om aan hun project te werken. Dit zorgde soms voor overlast op de educatieve en culturele dienst. Het is dus echt noodzakelijk dat jongeren hun eigen stek krijgen: een ruimte waar zij kunnen samenkomen, met telefoon en internetaansluiting.

 

Een ander probleem vormt de tijdsindeling: op het ogenblik dat de studenten tijd hebben om in het museum te werken d.w.z. tijdens vakanties, weekends of na 16 uur, zijn niet altijd de personeelsleden aanwezig die voor het project nodig zijn. Overleggen wordt zo erg moeilijk. En rechtstreeks contact is juist wat de jongeren zelf wensen.

 

Dit bleek ook bij de belangrijkste realisatie door jongeren in het Jubelparkmuseum tot nu toe: het project 'Tatau-au? Tattoo-ooh!'. Onder de indruk van de Jongerenmuseumdagen 2001, stelde de tentoonstellingscommissaris van de tentoonstelling Tatu-Tattoo 64m2 in de expositieruimte beschikbaar om in te richten door en voor jongeren. Tijdens de zomer 2003 bedachten zestien jongeren tussen 14 en 21 jaar een origineel concept om het thema 'Jongerencultuur en Tatoeage' vorm te geven. Om informatie te verzamelen over de visie van hun leeftijdgenoten stelden zij met de hulp van een sociologe een vragenlijst op die door 308 jongeren beantwoord werd. De resultaten waren terug te vinden in de hen toegewezen ruimte in de vorm van een jongerenkamer. Bij het begrip tatoeage denken jongeren aan vrienden die een tattoo hebben, aan vedetten met tatoeages en aan tattoo-motieven. Dus werd het een kamer vol posters, boeken, strips, cd's, kledingstukken en gadgets. Je kon er kijken naar een video die de jongeren zelf realiseerden, bladeren in een map met knipsels over tatoeage of het interactief spel proberen waarvoor zij vijf BV's wisten te strikken.

 

Om tot dit resultaat te komen werd in groepjes gewerkt: de 'scenografen' ontwierpen de originele setting en zorgden voor de aankleding van de ruimte; de 'onderzoekers' verwerkten de resultaten van de vragenlijsten en verzamelden artikels en foto's; de filmploeg, gecoacht door de vzw voor mediavorming Imagica, leverde een geweldige film af met beelden van straatinterviews, een tatoeëerster aan het werk en zelfgespeelde sketches. Iedereen hielp mee om getatoeëerde vedetten te contacteren en museummedewerkers met tattoos te interviewen om in samenwerking met eMuze, een vzw voor erfgoededucatie, een interactieve computeranimatie te realiseren. De +18-jarige deelnemers (studente scenografie, studente architectuur, student marketing) konden zeer goed de werkgroepjes sturen die niet door professionals begeleid werden.

 

Het was voor het eerst dat een jongerenproject deel uitmaakte van een grote tentoonstelling die zo lang liep (september 2004 - februari 2005) en door zoveel bezoekers (ca. 48.000) gezien werd. De jongeren staken er veel van op en het resultaat scoorde goed bij leeftijdsgenoten van het vijfde en zesde jaar ASO en TSO. Enkele bedenkingen: de tijd tussen het concept en het tentoonstellingsmoment mag maximum 6 maanden zijn en jongeren kunnen zich niet altijd schikken naar de timing van de tentoonstellingsmakers, maar zijn wel tevreden met de wijze waarop museummedewerkers hun plannen vorm geven.

 

Op basis van deze twee projecten kunnen we stellen dat jongeren graag en hard werken in en met museumverzamelingen en museumpersoneel. Voldoende tijd vrijmaken om hen te begeleiden is noodzakelijk. Het project moet publiek trekken, liefst ook leeftijdsgenoten. Een heterogene groep jongeren zorgt voor diversiteit en dynamiek. Vaak vullen ze elkaar mooi aan. Enkele jongeren die er al jaren museumateliers hebben opzitten blijken erg nuttig: zij voelen zich thuis in het museum en beschouwen de museummedewerkers als vrienden.

 

Marian Van der Elst, verantwoordelijke voor het Museumatelier in het Jubelparkmuseum


 

Enkele voorbeelden

 

Eagle in Red
Line liet over de enorme adelaarskop van de Azteekse beschaving rode, gele en blauwe lichtstralen dwalen. De bezoekers konden op zelf ontworpen ligstoeltjes met een walkman luisteren naar de legende van de stichting van Tenochtitlan en het lied 'Eagle' van de popgroep Abba.

 

Message on the Net
Julien legde in de afdeling Nabije Oosten de link tussen kleitabletten met spijkerschrift en onze huidige e-mails.

 

Burial Pit
Naast grafkuilen met Merovingische skeletten en bijhorende grafgiften liet Timothy een nepgraf maken met een levensgrote foto van zichzelf, omringd door cd-hoesjes, snoeprepen, tijdschriften en een game-boy.

 

Stars
Stan toverde de galerij met Romeinse portretten om tot een Hollywoodboulevard met gouden sterren op de grond naast de keizers, de sterren van toen. Twee gipsen bodyguards (met zonnebril) hielden de wacht bij de ingang en achtergrondmuziek uit de film Gladiator zorgde voor sfeer.

 

Tunafish
Voor Eva's project werden honderden grote blikken tonijn opgestapeld naast het indrukwekkende beeld van het Paaseiland dat de "god der tonijnvissers" genoemd werd.

 


Napoleon gehalveerd
 

"Even vertellen dat de schoolreis die me is bijgebleven de trip naar Waterloo was in de jaren 1950: het beklimmen van de 'terp', een bezoek aan het museumpje, het verorberen van meegebrachte boterhammetjes, het ravotten op de wei en het kopen van een 'kadootje' voor thuis. Die thuiskomst was niet zo denderend. Ik kocht namelijk voor vader een plaasteren buste van Napoleon. De commentaar die ik na het overhandigen van mijn geschenkje kreeg was héél duidelijk: "Hoe is het mogelijk dat ge geld uitgeeft aan zo een tiran en moordenaar." Daar kon ik het dan mee stellen en eigenaardig genoeg was Napoleon al na twee dagen gehalveerd: 'iemand' in ons gezinnetje had de man van Elba laten vallen! In Waterloo ben ik nooit meer teruggeweest, zeker niet nadat we kennis maakten met de Boerenkrijg in onze jeugdbeweging." (Hugo uit Antwerpen)

 

 

De Luxebus
 

"Het blijft voor mij nog altijd dé schoolreis onder de schoolreizen: die van 1956! Ik zat in het tweede middelbaar van een tamelijk grote Mechelse school. Op één dag trokken de zowat 600 leerlingen tegelijkertijd op schoolreis. De helft stapte op de trein en spoorde richting Antwerpen. Daar stapten even later zowat 300 leerlingen over de Meir richting Het Steen, en de vlakbij gelegen afvaartkade van de Flandriaboten. We vergaapten ons onderweg aan de indrukwekkende gevels van de 'koekenstad'. Het was mooi, en in mijn herinneringen ook veel groener op de Keyserlei en de Meir, richting Boerentoren, Groenplaats en tenslotte de kaai.

Gezwind stapten we op de Flandriaboot, richting Zeebrugge. Daar kwamen we de andere helft van de school tegen: die waren met luxe-autobus - nù vanzelfsprekend, maar toen een heel evenement! - naar Brugge gereden en hadden ons al heel wat te vertellen over die mooie stad. Ik herinner me dat we elkaar maar kort zagen; het was echt een wisseling van vervoermiddelen: die van de boot stapten in de bussen en die van de bussen trokken de boot op

Wij dus richting Brugge: en het was mooi. Ik vergeet nooit hoe ik in de verte de Belforttoren zag opdoemen, omringd door nog enkele mooie kerktorens. Echt heel goed weet ik niet meer welke musea we bezochten, maar in elk geval beklommen we die Belforttoren. Toen de avond viel, moesten we alleen nog maar met die 'sjieke' bus richting Mechelen rijden, voor zover ik me herinner over een gloednieuwe snelweg, zonder files. Heerlijk! (M.-J. De Wachter uit Mechelen)

 


EEN WEG DOOR DE OORLOG


 

"De Eerste Wereldoorlog brengt me in gedachten naar onze jongens in Irak", zegt de zeventienjarige Jonathan Pratt uit York nuchter. Hij is een van de 60.000 Britse scholieren die jaarlijks het In Flanders Fields Museum bezoeken. Naar schatting komen 200.000 bezoekers per jaar naar de Ieperse Lakenhallen om de Eerste Wereldoorlog te memoreren. Onder hen bevinden zich maar liefst 90.000 jongeren. Tweederde van deze jongeren komt uit Groot-Brittannië, éénderde uit Vlaanderen. De belangstelling uit Frankrijk is een pak minder. Op jaarbasis zijn dat ongeveer 500 à 600 leerlingen. Nederlandse leerlingen doen het echter met 1.500 bezoekers beter dan de Franse.

 

De meeste Vlaamse kinderen komen verplicht in schoolverband. Geen wonder dat lang niet alle jongens en meisjes dezelfde passie voor de Grote Oorlog delen. Jolien bijvoorbeeld. Ze is 14 jaar en zit op het Sint-Janscollege in Poperinge. "Ik zou hier nooit uit eigen beweging zijn gekomen. Voor mij is geschiedenis saai, ik doe liever aan sport." Laura vriendin van Jolien laat een ander geluid horen: "Wat ik hier interessant vind, is hoe mensen trachtten te overleven in moeilijke omstandigheden. De tentoongestelde wapens zeggen me niet zoveel, wel de beelden".

 

Gelijkgestemde geluiden horen we bij enkele jongens uit de klas van Laura. Niels, 13 jaar: "Je kunt je niet voorstellen dat mensen zo 'n oorlog konden beginnen. Aangrijpend vind ik de foto's en de filmfragmenten waarop je het hachelijke leven ziet in de loopgraven". Vriend Samuel ziet het meer metaforisch: "In een gewoon museum kan je alle kanten op, maar hier heb je één weg, een weg door de oorlog". Juffrouw Dekkersgieter Fabienne van het Sint-Janscollege weet eraan toe te voegen dat haar klas het thema rond Eerste en Tweede Wereldoorlog uitwerkt in het raam van een uitwisselingsprogramma met een Nederlandse school. In Overloon bezochten de Vlamingen het Nationaal Oorlogsmuseum. Omgekeerd maakten de Nederlanders in Vlaanderen kennis met het In Flanders Fields Museum en het Talbot House in Poperinge.

 

 

Educatief Pakket
 

Ook Britse jongeren geven in Ieper die dag rendez-vous. De jongens en meisjes van de Easingwoldschool die we ontmoeten zijn ongeveer zestien jaar en hebben er een lange reis op zitten. Ze komen helemaal uit York en zijn al vroeg uit de veren. In tegenstelling tot de Vlaamse scholieren hebben Britse scholieren die naar Vlaanderen komen, bewust gekozen voor het pakket geschiedenis. Verplichting is er niet bij.

 

De Eerste Wereldoorlog staat bijgevolg steevast op het programma, weet Dominiek Dendooven die in Ieper de educatieve omkadering coördineert. Dominiek Dendooven: "De interesse in Engeland voor de Eerste Wereldoorlog leeft en neemt zelfs toe nu de tijdsafstand met de Tweede Wereldoorlog groter wordt. Ongetwijfeld heeft die interesse voor WO1 te maken met identiteit. Je moet bedenken dat in de streek rond Ieper zich zo 'n 160 Britse militaire begraafplaatsen bevinden, terwijl er maar vier Duitse begraafplaatsen zijn. Fransen en Duitsers hebben hun graven geëvacueerd, de Britten deden dat niet."

 

Dendooven weet dat er in Engeland gespecialiseerde touroperators zijn, die hun eigen gidsen meebrengen. "Daar hebben we doorgaans geen controle over, soms zijn dat oud-officieren. Wat zij vertellen weten we dus niet". In elk geval kunnen Vlaamse leerkrachten het museum aanspreken voor een boeiend educatief programma, een bundel van om en nabij de honderd bladzijden, waarin een ruime keuze aan onderwerpen aan bod komt. Recent is er ook een educatief programma verkrijgbaar voor kinderen uit de lagere school.

 

Maken Vlaamse scholieren er doorgaans een daguitstap van, de Britten trekken er twee tot drie dagen voor uit. Zij bezoeken niet enkel Ieper maar reizen door naar de Somme en Verdun, plaatsen die voor eeuwig met de Grote Oorlog zijn verbonden. Bovendien zijn Britse scholieren goed voorbereid. Begeleider Richard Radway van de Chesham High School schreef voor zijn studenten First World War Battlefields Study Guide, een zestig pagina's tellend werkboek. De student kan daarin eigenhandig notities en foto's verwerken. Radway: "De studenten die kiezen voor geschiedenis krijgen tweeënhalf uur les in de week. We beperken ons niet alleen tot dit museum, straks vertrekken we naar de grote slagvelden van de Somme en Verdun".

 

 

Symboliek
 

Juffrouw E. Brown van de Easingwoldschool is voor de eerste keer mee naar Ieper. Ze is zwaar onder de indruk. Vooral de opgestapelde kruisen die de ingang markeren van een van de laatste ruimtes beklijven. "Wat een betekenisvol icoon, welk een symboliek", zegt ze met enige emotie in haar nog jonge stem.

 

Niet minder onder de indruk is leerling Jonathan Pratt (16). "De filmbeelden op de videoschermen hebben een grote impact. Ze zijn het geheugen waarvoor we respect moeten opbrengen. Oorlogen zijn van alle tijden, dat ondervind ik hier maar al te goed. Als ik rondloop, dan ben ik in gedachten ook bij onze jongens in Irak".


Philip Willaert


Art Nouveau & Design: een digitale tijdslijn


 

De tijdsband, meestal een meterslange collage die de juf zelf heeft samengesteld uit allerlei tijdschriften, is een klassieker in het basisonderwijs. Behalve opsmuk voor grauwe klaslokalen, is het een uiterst geschikt instrument om kinderen in gesynthetiseerde vorm te laten kennismaken met de 'stedentijd' en andere illustere tijdperken.

 

Met de overgang naar het secundair onderwijs wordt geschiedenisonderricht eensklaps heel wat complexer, genuanceerder ook. Want elke historische evolutie bestaat uit tal van al dan niet simultane gebeurtenissen die op het eerste zicht soms niets met elkaar te maken hebben. De historiografie laat zich niet meer samenballen in een simpele lineaire voorstelling en de papieren tijdslijn verdwijnt als didactisch materiaal uit de klas.

 

Het toenemend gebruik van internet in de lessen zou bij jongeren echter wel eens de digitale comeback kunnen inluiden van de ouderwetse tijdsband. Websites zijn immers het medium bij uitstek om een veelheid aan gerelateerde gegevens gestructureerd weer te geven. Enerzijds kan een webstek zeer gelaagd opgebouwd worden zodat de gebruiker bij elke muisklik meer specifiekere informatie krijgt. Anderzijds laten hyperlinks tussen verschillende interne en externe webpagina's toe om ook transversale verbanden te leggen.

 

Een prachtig voorbeeld is de Art Nouveau en Design-tijdslijn van de Koninklijke musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel. Deze werd speciaal ontwikkeld voor het onderwijs om jongeren op een attractieve manier de overzichtsgeschiedenis van de Belgische sierkunsten bij te brengen. Door een thema (zoals mode of interieur), een periode of beide te kiezen activeert men een tijdsbalk met daarop afbeeldingen die kunnen aangeklikt worden. Dit kunnen tentoonstellingsstukken zijn, maar evengoed objecten zoals een telefoon die het gekozen tijdperk typeren. Bij elk beeld hoort uiteraard de nodige (kunst-)historische uitleg die eventueel kan afgedrukt worden.

 

De meerwaarde van deze tijdslijn zit echter vooral in de relatiestelling van de objecten met een aantal sociale, politieke en economische scharniermomenten. Zo wordt het bredere kader geschetst waarbinnen al die evoluties plaatsvonden en wordt duidelijk hoe ze met elkaar verbonden zijn. Behalve gevisualiseerd op de tijdsbalk wordt die samenhang ook gerealiseerd in de beschrijvende teksten via hyperlinks naar aanverwante onderwerpen neogotiek en de Schoolstrijd.

 

De tijdsband kan zowel voorafgaand als na een geleid bezoek aan de gelijknamige tentoonstelling  ingezet worden. De leerkracht kan het benutten voor de eigen lesvoorbereiding of om leerlingen het tentoonstellingsbezoek zelf te laten voorbereiden. Interessant is ook dat - afhankelijk van het gedoceerde vak - de focus kan gelegd worden op de mode (voor de richtingen textiel), architectuur of schilderkunst (voor esthetica) of de sociale en politieke evoluties in de maatschappij (voor geschiedenis). Kortom: een eigentijds didactisch instrument op maat van onderwijzers én hun leerlingen.

 

Eva Wuyts

 

De Art Nouveau en Design tijdslijn vindt u op www.detijdslijn.kmkg.be

 


En avant les Jeunes!


KLEINE HANDLEIDING VOOR EEN VLOTTER MUSEUMBEZOEK MET JONGEREN

 

Jongeren en kinderen enthousiast maken voor het museum. Naar de gouden tip zijn we op zoek. Hieronder twee lijstjes: tips voor ouders, leerkrachten en jeugdwerkers - en - tips voor museummedewerkers. Met welke ga jij aan de slag?

 

Tips voor ouders, leerkrachten en jeugdwerkers

  1. Doe niet gewichtig over kunst en cultuur. Illustreer dat het evenzeer tot het dagelijkse leven behoort als soep in de winter en bloemen op moederdag.
  2. Respecteer de smaak van jongeren en kinderen. Kies een museum dat nauw aansluit bij hun interesse en waar echt iets te beleven valt.
  3. Laat kids de website bekijken van vijf musea en zelf kiezen waar ze naartoe willen.
  4. Sla ze niet om de oren met uitgebreide biografieën over kunstenaars. Vertel hen wat ze gaan beleven.
  5. Hoe jonger, hoe invloedrijker de vrienden. Maak van een museumbezoek een verrassende uitstap met vriendjes.
  6. Kunst en cultuur moeten jongeren ontroeren, verrassen of aan het lachen brengen. Hen daartoe verplichten heeft weinig zin. Enkel als je echt zeker bent dat wat het museum biedt ook aanslaat bij jouw kinderen  of leerlingen is een verplichte confrontatie  zinvol.
  7. Kies voor musea die voor zichzelf spreken. Een museum dat vooraf twee lesuren of een lange uitleg behoeft, wordt al als vervelend ervaren nog voor men er is.
  8. Maak als ouder tijd vrij voor cultuurbezoekjes. Schuif die verantwoordelijkheid niet door naar het onderwijs. Immers, kennismaken met een museum via de ouders leidt tot meer museumbezoek in de jonge volwassenheid dan wanneer de kennismaking via het onderwijs gebeurde.
  9. Maak kinderen al op jonge leeftijd vertrouwd met het museum. Naarmate het eerste cultuurbezoek op jongere leeftijd plaatsvond, des te frequenter het latere cultuurbezoek uitvalt, ongeacht of ouders of school de kennismaking verzorgden.
  10. Beware of fake! Authenticiteit is dé centrale waarde in het leven van jongeren. Probeer hen niets te verkopen of aan te smeren.
  11. Degradeer kinderen en jongeren niet tot consument. Ze vinden het prettig om zelf aan de slag te gaan.
  12. Overschat ze niet. Hun artistiek referentiekader is beperkt. Op vlak van kunst en cultuur hebben jongeren en zeker kinderen veeleer een mainstream- dan een avant-gardesmaak.
  13. Daag het museum in je buurt uit. Hoe actief kunnen kinderen en jongeren er zijn? Wat biedt het op verjaardagsfeestjes? Kan het af en toe open blijven tot middernacht? Mag een fijne organisator de centrale hal gebruiken voor een party? Is het depot geen inspirerende plek voor een slepend detectivespel?
  14. Is het leeftijdsverschil tussen je kinderen of tussen leerlingengroepen groter dan vier jaar, zorg dan voor een apart aanbod.

 

Tips voor het museum

  1. Heb je kinderen en jongeren echt iets te bieden?
  2. Kunst wordt sterk geassocieerd met vrouwelijke waarden. Wil je jongens bereiken, zorg dan voor een mannelijke toets in je communicatie: krachtig taalgebruik, harde kleuren. Kies voor jongens als campagnebeeld. Jongens slaan aan bij meisjes, meisjes niet bij jongens.
  3. Spreek niet geïnteresseerden aan via hun vrienden, school en verenigingen. Zoek naar aanknopingspunten bij hun leefwereld.
  4. Zet geïnteresseerden in als ambassadeur. Bied ze extra verdiepende activiteiten: workshops, atelierbezoeken, inleidingen. Jongerenkortingen zijn erg effectief bij hen.
  5. Creëer communicatiemateriaal met verschillende instapdrempels: sprekende beelden en glasheldere korte boodschappen voor doeners, verdiepende achtergrondinformatie in kranten, programmabrochures en op je site voor denkers.
  6. Ondersteun jongeren van allochtone afkomst in hùn cultuurvormen, eerder dan ze verplicht enthousiast te maken voor de westerse.
  7. 8- tot 14-jarigen ontlenen vaak liever hun identiteit aan het museum dan 16-plussers. Zet hén in als ambassadeur.
  8. 14 tot 18-jarigen stellen zelden gedrag dat afwijkt of de afkeuring opwekt bij leeftijdsgenoten. Speel in op hun groepsgevoel. Benadruk het sociale aspect van je aanbod.
  9. Richt je nooit op ouders én kinderen / jongeren tegelijkertijd.
  10. Ga niet voor een one night stand! Zorg voor een langetermijn strategie. Probeer methodes uit, meet de resultaten en stel je strategie permanent bij.
  11. Betrek jongeren bij alle aspecten van je werking, ook bij de beoordeling van je campagne. Een panel van vijf goed geselecteerde proefpersonen kan 80% van de 'fouten' in je communicatiemiddelen detecteren.
  12. Gebruik geen jongerentaal. Je maakt je verdacht!
  13. Exclusiviteit is een krachtig verkoopargument. Maak jongeren tot VIP. Stuur ze een brief.
  14. Mik in de communicatie steeds op de bovengrens van je doelgroep. Maak een campagne voor 16-jarigen als je 14-jarigen wil bereiken.
  15. Gebruik je museum voor alles waarvoor het niet dient.
  16. Experimenteer met aanvangstijden en openingsuren. Alles is sexy om middernacht.
  17. Zet jongerenkortingen duidelijk in de verf. Moffel ze niet weg in kleine lettertjes onderaan je flyer of in de marge van je poster.
  18. Verwacht geen wonderen van jongerenkortingen. Het zet eerder wel-geïnteresseerden aan nog méér te participeren. Het stimuleert zelden niet-geïnteresseerden om toch deel te nemen.
  19. Behalve voor toeristen en buurtbewoners, verdwijnt de mobiliserende kracht van gratis na een paar maanden.
  20. Overschat de mobiliteit van jongeren niet.
  21. Communiceer met beelden eerder dan met tekst.
  22. Cartoons leunen dichter aan bij de leefwereld van kinderen en pubers dan foto's.
  23. Promoveer Simon tot cameraman van je museum. Hij is vingervlug met een videocamera en woont bij jou om de hoek.
  24. Drukwerk blijft een essentieel element voor een geslaagde campagne. Zeker wanneer je mikt op een verruiming van je publiek zijn flyers, posters en freecards wervende communicatiemiddelen die zich niet zomaar door elektronische middelen laten vervangen.
  25. Een site is een tweedelijnsmedium. Wat doe je om bezoekers te lokken?
  26. Jongeren ontvangen liever een brief dan een mail.
  27. Stuur ze geen ongevraagde e-mailtjes, maar verleid ze via je site of leuke acties om zelf contact op te nemen.
  28. Msn is hot. Net als bij e-mail en sms ervaren jongeren hun msn-interface als privé domein. Blijf uit de buurt.

 

Franky Devos

 

Franky Devos schreef in opdracht van CultuurNet Vlaanderen, CJP en CANON Cultuurcel Ambrassadeurs, over jongeren, cultuur en communicatie (2004).
In december verschijnt bij de uitgeverij International Theatre & Filmbooks, Amsterdam zijn tweede boek Jong & Grijpbaar.


 


De boot die geen kunstwerk is


"Mijn vader was een verwoed verzamelaar van etnologische en archeologische objecten uit heel de wereld. Gepassioneerd door vreemde culturen nam hij me mee naar het Afrikamuseum in Tervuren. Dit museum is voor mij nog steeds een zeer mysterieus, eigenzinnig gebouw. Alleen al de zalen met de opgezette dieren, totaal anachronistisch en politiek incorrect, ik hoop dat ze nooit verdwijnen...

 

Maar het beeld dat werkelijk zeer grote invloed op mij heeft gehad was de prauw van de Lenogola, een volk uit Midden-Zaïre. Deze 22 meter lange, uit één stam gekapte boot heeft mij geleerd wat 'materie' is. Ik had nog nooit 'hout' op die manier waargenomen. Ik ben er van overtuigd dat deze boot me de schoonheid van bijvoorbeeld de sculpturen van Brancusi heeft doen inzien. Of de kracht van de krakkemikkige machinerieën van Panamarenko.

 

Maar ook begrippen als 'horizontaliteit: 'a tree is best measured when its down'. Of 'harmonie': vaardige houthakkers kapten een levensnoodzakelijk transportmiddel en zie: zuivere schoonheid, in perfecte harmonie met hun leven, was geboren. Die eenvoud: in onze maatschappij zo moeilijk en zo delicaat, voor hen een evidentie. Ik weet zeker dat deze boot,die geen kunstwerk is, me heeft doen inzien wat kunst werkelijk is: een zorgvuldige balans tussen vorm en inhoud. Als een werk te veel vorm is, of als een beeld geen beeld meer is maar slechts inhoud, is het geen kunst maar slechts te veronachtzamen vertier.

 

Dit heeft me ertoe gedwongen op zoek te gaan naar die balans, en toen ik als vijfjarige jongen deze boot voor het eerst zag, besefte ik niet dat die zoektocht de rest van mijn leven zou bepalen."

 

Franky Devos

 

Jan Lauwers, theatermaker, beeldend kunstenaar en artistiek leider van Needcompany, in Herinneringen, Veertig Vlamingen en hun geliefkoosd kunstwerk, een uitgave van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen. - (Foto Maarten Vanden Abeele)

 


Erfgoed in de klas, een handleiding voor leerkrachten


HEREDUC (HERitage, EDUCation) is een Europees project rond erfgoededucatie. Culturele Biografie Vlaanderen vzw timmerde in dit project samen met partnerorganisaties uit Duitsland, Nederland, Frankrijk en Italië op initiatief van het Gemeenschapsonderwijs aan een vernieuwende aanpak. De uitkomst van het project is een handboek voor leerkrachten van het basis- en het secundair onderwijs dat allerlei ideeën en tips bevat om met erfgoed aan de slag te gaan in de klas. Maar ook voor erfgoedmedewerkers kan het een bijzonder nuttig instrument zijn.

 

Auteurs: Veerle De Troyer, Pieter Mols, Hildegarde Van Genechten, e.a.
ISBN: 90-441-1799-8 / 154 blz./ Depotnr.: D/2005/5779/76 / 10€ / Copyright: Garant

 

 

CANON, de cultuurcel van het Departement Onderwijs
 

Deze cel wil een bruggenbouwer zijn tussen de werelden van cultuur en onderwijs en zo cultuur een actieve plaats geven in de school. Dit gebeurt onder andere door goede voorbeelden uit de praktijk te ondersteunen, publicaties te verzorgen en vruchtbare ideeën uit te wisselen. Terugkerende en jaargebonden projecten garanderen een gevarieerd en dynamisch cultuuraanbod.

 

Voor meer cultuur op school biedt de nieuwe website van CANON Cultuurcel een schat aan informatie: www.canoncultuurcel.be. Daar vindt u ook een uitgebreide databank van kunstenaars en organisaties die met uw school mogelijk aan de slag kunnen in velerlei projecten.

 

CANON Cultuurcel, Departement Onderwijs, Koning Albert II laan 15, 1210 Brussel
Tel. 02.553.96.63 / canon@ond.vlaanderen.be

 

 

Wie meer wil weten en lezen: Sites met meer inhoudelijke informatie over kunsteducatie:

www.boekman.nl
www.canoncultuurcel.be 
www.cultuurenschool.net 
www.kunstbank.org 
www.abc-web.be 
www.cultuurnet.be 
www.cultuurnetwerk.nl 
www.erfgoed.be 
www.ergoedactueel.nl 
www.scp.nl 
www.musea.be 
www.veroverjeeigenmonument.nl 
www.museumbende.nl 
www.showme.uk 

 

Sites met meer informatie over educatieve programma's van musea:

www.tento.be

 

Sites voor leerkrachten, ouders, instellingen:

www.schoolweb.rago.be/erfgoed
www.pabo.cultuurenschool.net 
www.erfgoedactueel.nl 
www.canoncultuurcel.be 
www.kunstinzicht.be 
www.digilife.be/schoolnet 
www.artsculture.education.fr 
www.datbewarenwe.nl 
www.cultuurnetwerk.org 
www.erfgoedstart.nl 
www.stichtingkijken.nl/index 
www.cultuurplein.nl 
www.amuseevous.be 

 


 

Afrikamusuem Tervuren, Albergati Niccolo, Anciaux Bert, Baldessari John, Bonnier Bernadette, Boon Elke, Bosch Hiëronymus, Braem Renaat, Brancusi, Bratkov Sergej, Chapman gebrs., Chilikov Sergey, Colson Vaast, Cuyvers Wim, Dankelman A., David Gerard, De Bruyckere Berlinde, De Cordier Louis, De Cordier Thierry, de Keyser Raoul, De Keyzer Carl, Debbaut Jan, Deleu Luc, Dendooven Dominiek, Depauw Carl, Devos Franky, Devriendt Robert, Devroe An, Dillemans Sam, Dosogne Ludo, Elsworth Kelly, eMuze vzw, Ensor James, Fyts Jan, Goya, Havermans Anne-Mie, Hemelsoet Franz, Hemmerechts Kristien, Hendrickx Ernest-Jean, Herman Frank, Hirsch Charles, Hogart William, Horta Victor, Illuseum Gent, Imagica vzw, Jacobs Henri, Jacops Marc, Jopling Jay, Jordaens Jacob, Karel van Lotharingen, Koen Van den Broeck, Koning Boudewijnstichting, Kupferstichkabinett Dresden, Lanoye Tom, Lauwaert Dirk, Lauwers Jan, Le Corbusier, LeBrun Nicolas, Leen Frederik, Leopld-Willem, Linklaters De Bandt, Martinus V, Mascagni Donato, Matisse Henri, Meester van de Dood van Absalom, Memling Hans, Meuris Wesley, Michelangelo, Museum Boijmans-Van Beuningen Rotterdam, Museum of Modern Art San Francisco, Naegels Tom, Napoleon Bonaparte, Nationaal Oorlogsmuseum Overloon NL, Neutelings-Riedijk, Panamarenko, Panneels Willem, Peeters Benoît, Petrus Christus, Poesjkin Museum, Pontius Paulus, Prentenkabinet Kopenhagen, Quellinius Grasmus Jan, Radway Richard, Rafaël, Rau Daan, Raveel Roger, Rembrandt, Rops Félicien, Royen Bernard, Rubens Peter Paul, Sauwen Rik, Schmidt Peter, Schuiten François, Schütte Thomas, Sellink Manfred, Snyders Frans, Strauven Gustave, Strik Elly, Talbot House Poperinge, Thompson Jon, Titiaan, Tuymans Luc, van den Broek Koen, Van den Eynde Lucas, Van der Elst Marian, Van der Goes Hugo, van Diepenbeek Abraham, van Dyck Anthony, van Eyck Jan, Van Gestel Kristof, van Leeuwen Joke, van Uden Lucas, Vandenberg Philippe, Vandepitte Francisca, Verpoest Luc, Viollet-le-Duc, Wall Jeff, White Cube London, Willaert Philip, Wouters Peter, Wuyts Eva, OKV2005, Baugniet Marcel-Louis, OKV2005.4+