U bent hier

OKV 2005.2 tento

OKV 2005.2 tento

 

OKV. TENTO 2005.2

 

EDITO

 

Grote enquête

 

In dit nummer aandacht voor verschillende tentoonstellingen rond 175 jaar België. In de beginjaren van de jonge natie was Brussel gul met opdrachten die de legitimiteit van het kersverse land onderstreepten. Wie weet nu nog hoe en waarom de imposante standbeelden van Ambiorix, Jacob van Artevelde of Godfried van Bouillon op onze pleinen terechtkwamen? We gingen het voor u na.

 

De Belgische overheid is vandaag heel wat minder gul voor haar federale musea. Zij maken deel uit van de tien federale wetenschappelijke instellingen die onder het gezag staan van de Minister van Wetenschapsbeleid. Die musea bevatten nochtans het leeuwendeel van ons kunstbezit. Maar het is een bevoegdheid van een staatssecretaris of een regeringscommissaris, of het is een van de vele bevoegdheden van een minister. Vandaag is Mark Verwilghen minister van economie, energie, buitenlandse handel en... wetenschapsbeleid. Het is symptomatisch dat de hele benoemingsprocedure voor de nieuwe hoofdconservators van de federale musea bijna twee jaar heeft geduurd. Dat leidde onvermijdelijk tot een malaise onder het personeel en legde een hypotheek op hun tentoonstellingsbeleid. Zo weten de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België nog altijd niet welke tentoonstellingen ze de eerstvolgende jaren zullen brengen.

 

Deze instellingen verdienen beter. Waarom maakt een privé-bedrijf de tentoonstelling Made in Belgium, terwijl de tien federale wetenschappelijke instellingen meer dan stof genoeg hebben om een mooi Belgisch verhaal te brengen. Sommige van die musea zijn ouder dan België zelf... We wensen de nieuwe conservators alvast veel succes en hopen dat ze snel Nederlands gaan leren want bij enkelen blijkt dit een heikel punt.

 

In dit nummer ook onze langverwachte abonnee-enquête. Doe mee en win een erfgoedweekend in Brussel waar de art nouveau-kronkels u zullen behagen.

 

Peter Wouters

 


INHOUD

KUNST IN OPENBARE RUIMTE: Beelden voor 'Belgische' helden

TALENT
Placenta: de moederkoek werpt haar vrucht
Lieve Watteeuw: boekenchirurge en pleitbezorgster

MUSEUM APART: Stedelijk Museum Diest: schatten in de kelder

IN BEELD
Ensor tot Bosch
Scherpenheuvel: Pelgrims en Keerskatten
Memling en het portret
Visionair België
Jommeke: vijftig jaar jong

KLARA

WEBSTEK: Mechelen: stad in vrouwenhanden

KUNSTTOER: Het Brugse Ommeland

AGENDA

ZWART OP WIT

KEUZE VAN DE REDACTIE


 

BEELDEN VOOR "BELGISCHE" HELDEN

 

 

Hoe de prille Belgische staat via roemrijke voorvaderen een gemeenschappelijk verleden creëert, en zo het nationaal bewustzijn aanwakkert. Het verhaal achter vijf standbeelden van 'Belgische' helden, één per Vlaamse provincie.

 

De nieuwe staat België dient zich voor de internationale gemeenschap en vooral voor de eigen onderdanen te legitimeren. Ze moet haar bestaansrecht bewijzen en verwijst daarbij naar het gemeenschappelijk project dat van België een vooraanstaande, moderne en welvarende handelsmogendheid zal maken. Dat argument heeft geen directe overtuigingskracht. Antwerpen met zijn haven, textielsteden als Gent en Verviers vrezen dat hun economisch groei beter gediend is met het Nederlandse koloniale rijk dan met een klein, nog onzeker land.

 

Effectiever dan schermen met de toekomst, is het creëren van een 'nationale' geschiedenis. De Belgische staat benadrukt het gemeenschappelijk verleden en de gemeenschappelijke cultuur. Het komt er op aan het volk ervan bewust te maken dat de Belgische natie al eeuwenlang bestaat. Dat moet op een duidelijke en voor iedereen begrijpbare manier gebeuren. En dan komen de helden op de proppen. De geschiedenis reduceren tot enkele aloude belangrijke personen, maakt het Belgisch verleden herkenbaar. Identificatie met nationale helden is een vruchtbare voedingsbodem waarop het natiegevoel van de bevolking kan groeien. De kersverse koning der Belgen en zijn regering hebben dat snel door. In januari 1835 ondertekenen ze het besluit dat oproept tot het oprichten van standbeelden voor nationale beroemdheden. De centrale overheid voorziet de nodige fondsen. Locale besturen doen gretig mee aan het nationaal project.

 

 

Boduognat in Antwerpen

 

Tussen 1840 en 1861 krijgt de Antwerpse bevolking drie 'Belgische voorbeelden' voor­gespiegeld, in de vorm van een standbeeld. De eerste is ook de bekendste: Rubens op de Groenplaats (1840). In 1856 gaat nog een schilder op het voetstuk: Van Dijck. Triomfantelijke kunstenaars (en in mindere mate ook wetenschappers) passen perfect in de Belgische heldenverering. Maar wat te denken van De stervende Boduognat die in 1861 op de toenmalige Leopoldlei (nu Belgiëlei) een plaats krijgt?

 

De beeldengroep in Rochefortsteen, een werk van Joseph-Jacques Ducaju (1823-1891), stelt meer dan levensgroot de Nerviërhoofdman voor die met zijn laatste krachten  twee Romeinse soldaten verplettert. Boduognat moest de duimen leggen tegen de indringer, zo zegt de overlevering. Hij is een verliezer. En toch. Een plaat op de voorzijde van het zware voetstuk vermeldt: 'Boduognat / Opperhoofd der Nerviërs / Moed en vaderlandsliefde'.

 

Een andere plaat verduidelijkt: 'Onze voorouders / Aangevallen door de Romeinen, / Onder Julius Caesar, / 57 jaar voor Christus geboorte, / verdedigen dapper / de onafhankelijkheid des Vaderlands.'

 

Het patriottisch opschrift doet het verhaal kloppen: Boduognat is de verdediger van het vaderland van onze voorouders, en dus van ons vaderland. Het beeld voor de Belgische vrijheidsstrijder is helemaal het initiatief van minister Charles Rogier. Hij doet het voorstel aan het Antwerpse stadsbestuur en de staat betaalt de helft van de kosten. In 1859 komt er protest van de bewoners van de Leopoldlei tegen de plannen voor de oprichting van het Boduognatbeeld in hun straat. Niet de verheerlijking van de dappere krijger doet hen actie voeren. Ze vinden het ongepast dat Ducaju de Nervische held naakt afbeeldt. Bovendien vormen de gekwetste Boduognat met een zwaard in de zijde en de gevelde Romeinen een gruwelijk tafereel waar de bewoners liever niet elke dag mee geconfronteerd worden. Het stadsbestuur aarzelt maar in 1861 staat Boduognat op de Boulevard Léopold.

 

In 1954 gaat de Nervische hoofdman voor de tweede keer tegen de grond. Het monument moet plaats ruimen voor de auto. Geert de Backer, destijds adjunct-directeur van de Zoo, ziet hoe het indrukwekkende beeld verbrijzeld wordt. Slechts enkele brokstukken blijven bewaard, waaronder de buste van Boduognat. Dank zij De Backer krijgt het stenen hoofd een plaats bij een vijvertje in de dierentuin. En waar is het hoofd van de hoofdman nu?

 

Mark Vanvaeck

 

 

Ambiorix in Tongeren

 

Belgen worden dank zij Ambiorix koene Eburonentelgen. Hoe onverschrokken en krijgshaftig deze vorst zich in 54 voor Christus tegenover de Romeinse legers heeft opgesteld, moet blijken uit de sculptuur van de Franse beeldhouwer Jules Bastin, die later ook voor de stad Saint Denis een gelijkaardig maar tijdens de oorlog vernield beeld van Vercingetorix bedacht. Onder druk van de Tongerse gemeenteraad en het oudheidkundig genootschap moet Bastin de oorspronkelijke maquette voor zijn Ambiorix meerdere malen wijzigen.

 

De sokkel van het beeld op de Grote Markt herinnert aan de Keltische dolmen. Trots klopt de zelfbewuste Eburonenleider met de linkerhand op de gespierde borst. De gevleugelde helm en de hangsnor dwingen respect af. Tenminste als ze niet met teveel duivendrek zijn besmeurd. Zijn strijdbijl en zijn slinger heeft Ambiorix nog lang niet begraven want volgens een oude legende waart zijn geest nog steeds in de naburige bossen rond.

 

Het is de naar ons land uitgeweken Nederlandse auteur Johannes Nolet de Brauwere van Steeland, die met een imponerend episch werk al in 1841 de aandacht op Ambiorix vestigt. Wanneer Leopold II en koningin Marie-Henriette de sculptuur in 1866 onthullen, schrijft Johannes Nolet de Brauwere van Steeland de romantische lofzang. Als 'buitenlid' van de Koninklijke Academie van Wetenschap, Letteren en Schone Kunsten prijst hij in pathetische bewoordingen niet alleen Ambiorix, die 'manhaftig ijzeren ketens verbrijzelde en indringers in het stof deed bijten' maar ook de gouverneur, Leopold II en het hele vaderland omdat ze 'kloeke afstammelingen van de wakkere Eburonen' zijn. Enkel wie - zoals de voorouders - de koning trouw terzij staat, zal volgens de bevlogen poëet, 'het verlossingsvuur in de aderen voelen en weer vrij kunnen ademen.'

 

Ludo Dosogne

 

 

Breidel en De Coninck in Brugge

 

In de negentiende eeuw is de gegoede topklasse in Vlaanderen en Brugge Franssprekend, maar ze staat daarom niet vijandig tegenover de taal van het volk en ze voelt zich verbonden met het Vlaamse verleden. Het werk van auteurs als Conscience kan dat enkel stimuleren.

 

 

De gevoelens van trots om het verleden passen geheel binnen een Belgische context en leiden in Brugge tot de oprichting van een Breidelcommissie. Deze groep van notabelen en vertegenwoordigers van tal van verenigingen zamelen vanaf 1867 geld in voor 'een waardig monument voor onze helden van 1302'. Door het faillissement van de plaatselijke bank Dujardin in 1874 gaat het geld verloren en moet alles nog eens worden overgedaan. Architect Louis Delacenserie en beeldhouwer Paul de Vigne winnen in 1885 de prijsvraag die is uitgeschreven om het gedenkteken op de Markt te ontwerpen. Het zal op 11 juli 1887 worden onthuld. Dit gaat evenwel niet van een leien dakje want de politieke tegenstellingen tussen de katholieken en de liberalen lopen hoog op. De commissie is immers met haar werk begonnen op een moment dat de liberalen aan de macht zijn en dat met volle instemming van het toenmalige stadsbestuur. De meerderheid is ondertussen aan de katholieken gekomen en die kunnen het moeilijk hebben dat de commissie door notoire liberalen wordt geleid. Gevolg van deze situatie is een staaltje van Belgische creativiteit.

 

Op 11 juli 1887 wordt het standbeeld plechtig ingehuldigd met een oogverblindende praalstoet en een feestcantate van Peter Benoit, dat alles onder de auspiciën van de Breidelcommissie. De stadsoverheid doet de zaak nog eens over in augustus van hetzelfde jaar. De 'officiële inhuldiging' vindt plaats op 15 augustus 1887 in het bijzijn van de hele koninklijke familie en met een toespraakvan Leopold II. Van de Breidelcommissie geen spoor.

 

Een jaar later neemt diezelfde Breidelcommissie weer revanche met opnieuw een historische optocht en een uitvoering van Vlaamse liederen onder leiding van Peter Benoit. Reden hiervoor is dat de reliëfs op het voetstuk van het beeld nu zijn klaargekomen. Die reliëfs stellen de allegorische figuren van de Vlaamse steden voor. Ondertussen is het standbeeld niet meer weg te denken van Brugges Grote Markt, wordt het door miljoenen toeristen gefotografeerd en bevestigt het 'het groots verleden' met een niet zo groot wapenfeit op de Groeningekouter in het begin van de veertiende eeuw.

 

Daan Rau

 

 

Jacob van Artevelde in Gent

 

Dankzij de inspanningen van Jacob van Artevelde (ca. 1290-1345) hervat in 1338 de Engelse wolinvoer en erkennen Engeland en Frankrijk de Vlaamse neutraliteit. Artevelde stelt vrede en economische welvaart veilig. Hij is geliefd maar krijgt na verloop van tijd steeds meer tegenstand. Artevelde wordt op of bij de Vrijdagmarkt vermoord. De rehabilitatie van Jacob van Artevelde begint in de jaren 1810, nog voor de Belgische onafhankelijkheid, en bereikt een hoogtepunt in 1863 wanneer op de Gentse Vrijdagmarkt zijn standbeeld, van de hand van Pierre de Vigne-Quyo, wordt opgericht. Op die plaats stond sinds 1600 een zuil met de figuur van Keizer Karel V. Het geheel werd op het einde van de achttiende eeuw vernield en vervangen door het monument van 'Bellona' (oorlogsgodin) voor de Franse Republiek. Dit laatste verdween op zijn beurt in 1808.

 

De feestelijkheden naar aanleiding van de inhuldiging duren verschillende dagen. In de Minardschouwburg vindt de voorstelling plaats van Jacob van Artevelde, het historische drama van Frans van Geert. Er is een volksbal op de Kouter en een Venetiaans feest op de Leie. Het hoogtepunt van de tweede dag is de onthulling in aanwezigheid van Leopold I. Het 4,70 m hoge beeld stelt Jacob van Artevelde voor als volksleider die de menigte toespreekt en naar Engeland wijst, vanwaar wol en welvaart moesten komen. Op de frontzijde van het voetstuk prijkt een schild met drie vilthoeden, het wapenschild van de Arteveldes. De vier vrouwenfiguren op de hoeken zijn de symbolen van Vlaanderen, uitgevoerd door de zoon van de beeldhouwer: Paul de Vigne. Tot 1938 heeft het geheel een ijzeren omheining. In juli 1998 stelt de vzw Legende vast dat het 82 kilo zware zwaard uit de gordel van de held is verdwenen. De Dienst Monumentenzorg van de stad Gent laat een nieuw zwaard gieten. In mei 1999, net voor de installatie van het nieuwe wapen, vindt een student aan de verlaten Leie-oevers, tussen de Raffinaderijstraat en de Krommewalbrug, het 'echte' zwaard terug.

 

Philip Willaert

 

 

Godfried van Bouillon in Brussel

 

Het Koningsplein te Brussel is in volle Aufklärung als een toonbeeld van rationaliteit ontworpen, sober en rechtlijnig in concept zowel als in aanleg. De enige frivole noot is het standbeeld van landvoogd Karel van Lorreinen in het midden van het plein. Het staat er net geen twintig jaar. In 1795 wordt het gesloopt en uit het brons worden munten gegoten. In de plaats komt een vrijheidsboom waarvan in 1814 brandhout wordt gemaakt, letterlijk dus.

 

In het prille koninkrijk België wordt aan de klassieke strengheid van het plein getornd door architect Tieleman-Franciscus Suys (Oostende 1773 - Brugge 1861) die de kerk van een op de barok geïnspireerde klokkentoren voorziet. De vermeende frivoliteit van de ingreep wordt zwaar op de korrel genomen. Dat protest verstomt niet - wel integendeel - wanneer in 1843 beslist wordt om het kale middelpunt van het plein aan te pakken en wel door het oprichten van een ruiterbeeld van Godfried van Bouillon. Kostprijs: 100.000 frank. Tegen de huldiging van één van 's lands helden is er uiteraard geen bezwaar, wel tegen de mogelijke verminking van een neoklassiek ensemble. Minister van Binnenlandse Zaken Jean-Baptiste Nothomb krijgt het hard te verduren, maar haalt toch zijn slag thuis. Op 15 augustus 1848 wordt het standbeeld plechtig ingehuldigd. Voor de achtendertigjarige beeldhouwer Louis Simonis (1810-1882), het hoogtepunt in zijn carrière.

 

Het opschrift op het voetstuk is weliswaar tweetalig, maar zoals zo vaak te Brussel kijk je wel op van wat voor Nederlands moet doorgaan. De held heet er: GODEVAART VAN BULLIOEN. Als kritische noot is ook nog aan te voeren dat onze kruisvaarder geestdriftig naar het Westen aanstormt en dat is niet meteen de goede richting om het Heilig Land te bevrijden.

 

Zoveel onrecht voor een beeld dat toch niet van kwaliteiten gespeend is. De Luikenaar Louis Simonis verdient beter. Daarvoor hoeft men slechts zijn Godfried van Bouillon te vergelijken met de Karel de Grote van zijn tijd- en stadsgenoot Louis Jehotte te Luik, statisch en zielloos. Godfried daarentegen vertrekt letterlijk naar Jeruzalem. Zijn lichaamstaal schreeuwt het uit. Mentaal is hij al vertrokken. Het vaandel steekt hij onorthodox in de hoogte en zijn strijdkreet galmt na: 'Dieu le veut!' Die stuwing is ook afleesbaar in de houding van het paard, één en al onstuitbare, met moeite ingetoomde spanning. De geestdrift en vastberadenheid, kortom het episch elan van de kruistocht, zijn in die ene figuur samengebald. Voor ingetogenheid en godsdienstige beleving is hier geen plaats. Dit is oorlog.

 

Volledig in overeenstemming met de didactische tijdsgeest van de negentiende eeuw is het voetstuk in 1897 aangevuld met twee bas-reliëfs van Guillaume De Groot: de bestorming van Jeruzalem, uiteraard, en Godfried als wetgever in zijn nieuw koninkrijk. Esthetisch is het een weinig overtuigende ingreep, maar de bedoeling is overduidelijk: het geweld van de verovering is verantwoord want het is de premisse voor een goed en rechtvaardig bestuur. Mutatis mutandis geldt dit ook voor de Vrijstaat Kongo.

 

Uit het monumentale Bruxelles à travers les âges van H.P. Hymans vernemen wij dat het beeld in het begin van 1848 in een Parijs atelier gegoten is. Tijdens de revolutionaire junidagen heeft het niet veel gescheeld of heetgebakerde republikeinen hadden die gekroonde figuur, in wie zij een monarchistisch symbool herkennen, tot kannonen hergoten. Het heeft de gieter heel wat moeite gekost om duidelijk te maken dat het niet om een koning ging, maar wel om een republikeins generaal! Se non e vero...

 

Rik Sauwen

 


Illustraties

(De illustraties kan u bekjken in het PDF-formaat)

Boduognat voor de tweede keer geveld. De buste bij een vijvertje in de Antwerpse Zoo

Foto's Saskia Vanderstichele

14 September 1863: Groot feest met Leopold I op de Gentse Vrijdagmarkt:  F.L.J. Boulanger, De inhuldiging van het standbeeld van Jacob van Artevelde
Paneel (mahonie), 34.5 x 55.3 cm, Bijlokemuseum, Gent


 

DE MOEDERKOEK WERPT HAAR VRUCHT

 

Placenta is een groep kunstenaars die zich laat opmerken door de jaarlijkse tentoonstellingen op merkwaardige sites in Antwerpen.

 

 

Gemeenschappelijke voedingsbodem

 

Het is bij Tom Liekens dat we samenkomen, daar in de buurt van het Alcatelgebouw in Antwerpen. Het zijn de mannen van Placenta die me welkom heten. Ik had minstens één vrouw verwacht: Caroline Coolen, ze is geveld door een ongeval en moet het bed houden. Placenta heeft enige bekendheid in het Antwerpse kunstmilieu. De groep bestaat nu uit Caroline Coolen, Tom Liekens, Stefan Serneels en Bart Van Dyck. Ze hebben samen gestudeerd of elkaar juist daarna leren kennen en stichtten de groep Placenta. Placenta als een gemeenschappelijke voedingsbodem, een bron van nieuw leven, een stimulerend middel om op een creatieve manier in te spelen op nieuwe situaties.

 

De eerste Placenta-tentoonstelling vond plaats in 1999 in de oude hippodroom vlak tegenover het Antwerpse Museum voor Schone Kunsten, een gedroomde locatie volop in het galeriecircuit van het Zuid. Andere locaties waren een oude tabaksfabriek, een afgedankt kinderziekenhuis en gebouwen van Electrabel. Telkens weer wordt er in functie van die locaties gewerkt en gecre­eerd en worden er andere kunstenaars bij betrokken. Alles wordt door de initiatiefnemers zelf in handen gehouden en bekostigd. Iedereen exposeert er individueel, het is niet zo dat ze aan gezamenlijke artistieke projecten werken. Er is wel een zekere lijn in te ontdekken, al was het maar dat het kunstenaars van dezelfde generatie zijn die elkaar vinden in eenzelfde sfeer.

 

Het beduidt ook niet dat ze daarbuiten niet actief zouden zijn, elk vindt zijn of haar weg binnen andere tentoonstellingen in groep of individueel al dan niet in het galeriecircuit. De samenstelling van de groep is in de loop der jaren wel eens gewijzigd maar toch grotendeels behouden gebleven.

 

 

Gelaagdheid in de materialen en in de betekenissen

 

Caroline Coolen (°1975) studeerde beeldhouwen aan de Koninklijke Academie en aan het Hoger Instituut in Antwerpen. Het werk van Coolen straalt soms een barokke monumentaliteit uit, maar is zo overdonderend actueel dat je naar adem snakt. Haar installatie Liggend naakt (2001) toont een reeks van dertien portretten van haar hond en is van een aangrijpende schoonheid, echter op zo'n manier dat je je er wat ongemakkelijk bij gaat voelen. Ze combineert zonder schroom de meest diverse materialen, zoals hier in dit werk keramiek, polyurethaanschuim en polyester. Coolen werkt haar sculpturen meestal ter plaatse en tot op het laatste moment af.

 

Ze is zich erg bewust van het ruimtelijk gegeven en speelt daar op een schitterende wijze op in. Haar sculptuur Fire, walk with me (2002) is zo áánwezig dat de ruimte erdoor bepaald wordt. Voor de tweede Placenta-tentoonstelling, in de gebouwen van Electrabel, maakte ze een houtskooltekening op de muren van het lokaal zodat het perspectief totaal gewijzigd werd en de ruimte in zijn proporties werd opgeblazen. Hierin plaatste ze een sculptuur die op die manier verhoudingsgewijs verkleind werd. Ze kiest de juiste plaats, de juiste invalshoek.

 

Haar werk is zeer polymorf, het vermengt plantaardige en dierlijke vormen, wat tot bevreemdende maar herkenbare resultaten leidt. Ze is erg geïnteresseerd in landelijke culturen en vertoeft af en toe in agrarische gemeenschappen in landen als Roemenië en Polen. De creativiteit van die culturen die uit armoede met bric à brac bouwsels optrekken, zoals we dat ook soms in vroegere Vlaamse achtertuinen konden bewonderen, heeft op haar een inspirerende werking. De letterlijke gelaagdheid in de materialen is er ook één in de betekenissen.

 

 

Anomalieën

 

Tom Liekens (°1977) was student schilderen bij Fred Bervoets eveneens aan de Antwerpse Academie. Hij is een schilder pur sang en heeft iets met de natuur. Let wel: hij schildert geen verleidelijke landschappen 'naar de natuur', hij heeft het voor de kunstmatigheid van de natuur. Als stadsmens kent hij de natuur in haar begrenzing, in haar gedwongen en gewrongen vormen. Als Antwerpenaar kent hij de natuur van de zoo. In zijn schilderijen zie je dan ook duidelijke referenties naar dierenkooien, skeletten zoals je die in natuurhistorische musea aantreft, tropische zwemparadijzen met weelderige plantengroei. Maar er zijn toch wel kleine anomalieën te ontdekken in die meestal grote doeken. T-rex combineert het geraamte van één of ander prehistorisch monster met een huiselijke koffietafel, wat het genieten van de verse croissant danig verstoort. Ook Greenhouse heeft een verontrustend karakter. Figuren kijken van buiten naar een serre waarin rode vlekken te zien zijn. Is het gewoon een serre met rode bloemen, of heeft zich daarbinnen een kleiner of groter drama afgespeeld?

 

In Planet of the Apes is duidelijk het geraamte van de ineengestorte Twintowers te zien. De natuur is niet zo vredig bij Tom Liekens. Natuurelementen worden meer en meer gecombineerd met allerlei spullen die zich in het interieur van de kunstenaar bevinden. Dat kan gaan van een televisie tot een hometrainer, van een motief op één of ander souvenir tot een patroon in kruisjessteek. Dit schilderkunstige patchwork heeft tot gevolg dat het werk als bevreemdend en wat dreigend overkomt, er is onrust en het gevaar is niet te duiden. Anderzijds is het interessant, puur plastisch gezien, hoe elementen tegenover mekaar geplaatst worden en mekaar onmiskenbaar beïnvloeden, hoe heel bewust vlakken en diepten worden gecreëerd. En hoe betekenissen elkaar schijnen op te volgen.

 

 

Oorspronkelijke eigenschappen afschrapen

 

Stefan Serneels (°1968) is de oudste van het gezelschap en studeerde keramiek aan het Hoger Instituut voor Kunstonderwijs in Hasselt. Ook zijn werk is bevreemdend en intrigerend. Na een periode van bezinning na de keramiekstudies vond hij een nieuw elan door een werkstage in het Europees Keramisch Werkcentrum in 's-Hertogenbosch. Van die tijd (2001-2002) dateert het Zelfportret. Een voor mij pakkend en ontroerend werkstuk dat de persoonlijkheid van de kunstenaar zowel onthult als verhult, zeer dubbelzinnig en sterk.

 

Serneels maakt in elke Placenta-tentoonstelling wel een installatie. Ik vernoem Wandering, een installatie met een mechanisch aangedreven borstel die een cirkelvormige beweging maakt over een laag zand. De kunstenaar volgt de borstel, de borstel wist telkens zijn sporen uit. In Placenta 3 maakte hij de nogal ophefmakende installatie French Kiss waarbij mechanisch aangedreven tongen elkaar likten terwijl ze via een circuit bevochtigd werden. Het valt op dat hij nogal dikwijls lichamelijke functies op een mechanische wijze door prothesen laat uitvoeren. Zo krast een kunstmatige hand met een mes in een spiegel en krijgt de installatie de titel Narcissus.

 

Hij benut ons zeer vertrouwde objecten uit de huiselijke omgeving en belaadt die met betekenissen. "Ik schraap hun oorspronkelijke eigenschappen af door ze uit te voeren in een ander materiaal. Of ik combineer hun archetypische vorm met ruwe figuratie. Zo worden het dissonanten: ze worden onbehaaglijk en kil in plaats van behaaglijk."

 

Bijzonder aangrijpend en beklijvend zijn de tekeningen die hij bij tientallen maakt als voorstudie of als dagboeknotities, en gewoonweg meesterlijk zijn de uitgewerkte versies die hij aan het publiek presenteert.

 

 

De sjamaan en de kunstenaar

 

Bart Van Dyck (°1974) studeerde achtereenvolgens vrije grafiek, beeldhouwen, film en video. Hij liet zich de jongste jaren opmerken met markante videofilms over subculturen in Marokko (hiphop) en Egypte (heavy metal) en reisde naar Zuid-Oost-Azië om er een film over genezers te gaan maken. Hij is erg geïnteresseerd in ritueel gedrag, in trance en ziet en legt verbanden tussen de westerse en de inheemse culturen. Het sjamanisme interesseert hem zeer. De sjamaan is veelal nog niet te zeer beïnvloed door de westerse cultuur en er zijn parallellen tussen de sjamaan en de kunstenaar, iets waar Beuys meermaals de aandacht heeft op gevestigd.

 

Het is duidelijk dat er een relatie bestaat tussen zijn videowerk en zijn sculpturen en installaties. In de tweede Placenta-tentoonstelling realiseerde hij een pentagram samengesteld uit gipsverbanden vol graffiti. Hij was hiervoor zelf in gipsverband naar openingen geweest en liet zich daar volop bekrabbelen, ook vrienden werden ingeschakeld om op die wijze bewerkte gipsverbanden te verzamelen. Zo bekwam hij een bezwerende installatie, zwanger van betekenissen. Graffiti komen wel meer voor in zijn werk en zijn volop aanwezig in zijn films, hij vindt ze overal waar hij komt, kopieert ze, plaatst ze in een nieuwe context.

 

In Placenta 4 in het voormalig kinderziekenhuis creëert hij Khmer sculpture. Het is een uitvergroot fragment van het hoofd van een boeddha in confrontatie met een gehurkte menselijke figuur zonder hoofd en met een beenprothese. Alhoewel niet gespeend van enige humor, is het een hard werk, een krachtig statement ook.

 

Healing service is de titel van een reusachtige sculptuur maar eveneens van een remake in België van zijn film Hmong Healing Service die hij op locatie in Laos heeft gerealiseerd. Wat zich 'in het echt' heeft afgespeeld, wordt in Antwerpen nog eens overgedaan en met de rekwisieten die in die film werden gebruikt wordt dan een installatie gerealiseerd.

 

Alle Placenta-kunstenaars hebben die bevreemdende, wat verontrustende beeldtaal gemeen. Ze maken geen werk om te behagen, hun werkt blijft in je geest nawerken, het beklijft en dat is een grote verdienste. Kijk uit naar de eerstvolgende Placenta-tentoonstelling in het najaar van 2005 op een nog onbekende locatie. Zie hiervoor: www. axe-entertainment.tk. Tom Liekens zal deze zomer exposeren in de Antwerpse Zoo.

 

Daan Rau

 


Illustraties

(De illustraties kan u bekijken in het PDF-formaat)

Werken in functie van de locatie: Tentoonstelling Placenta 5 in de Brakke Grond, Amsterdam, november en december 2003

Coolens sculptuur is zo aanwezig dat de ruimte erdoor bepaald wordt. Caroline Coolen, Fire, walk with me, 2002
Polyester, brons, pv-schuim en textiel, 150 x 60 x 140

Heeft zich hier een klein of groot drama afgespeeld? Tom Liekens, Greenhouse, 2001
Olie en acryl op doek, 208 x 300, Foto: Leen van den Meutter

Een kunstmatige hand krast met een mes in een spiegel. Stefan Serneels, Narcissus, 2002
Mixed media, 80 x 50 x 50

Een krachtig statement. Bart Van Dijck, Khmer sculpture, 2002
Mixed media, 68 x 200 x 100


 

LIEVE WATTEEUW, BOEKENCHIRURGE EN PLEITBEZORGSTER

 

 

Een portret van Lieve Watteeuw, winnares van de prijs Cultureel Erfgoed 2004. (Foto Saskia Vanderstichele)

 

Sinds Lieve Watteeuw begin dit jaar werd bekroond met de Prijs Cultureel Erfgoed 2004, weten weer wat meer mensen wat ze moeten verstaan onder het woord 'boekenchirurg'. Watteeuw is conservator-restaurator papier en perkament. Het juryverslag vermeldde hoe ze internationaal aanzien geniet als een van de pioniers op het vlak van wetenschappelijk verantwoord conserveren en restaureren van het perkamenten en papieren kunstpatrimonium. Watteeuw zorgde voor de conservering van verschillende vermaarde handschriften: zo bijvoorbeeld het fameuze Van Hulthemhandschrift dat in de Koninklijke Bibliotheek wordt bewaard. Dat is een codex waarin een kopiïst een tweehonderdtal beroemde teksten uit onze taal verzamelde, waaronder de vermaarde toneelstukken, de Abele Spelen en de kluchten die er op volgen, Sotternieën.

 

Of de Chroniques de Hainaut, een handschrift uit de Librije van de Hertogen van Bourgondië dat werd verlucht door niemand minder dan Rogier Van der Weyden; de Heures de Notre Dame, Henessy getijdenboek, verlucht door Simon Bening en de Heures de Bruxelles de Duc de Berry, geïllustreerd door Jacqmart de Hesdin. En ga zo maar door.

 

Ze doet dat conservatiewerk vol overgave en praat vol liefde over het minutieuze handwerk en het haast sensuele contact met de oude materialen. "Op het ogenblik dat ik de vraag krijg of ik dit of dat beroemde werk wil behandelen, moet ik altijd wennen. Maar een keer ik bezig ben, mag ik me geen vragen meer stellen. Mensen uit mijn omgeving zeggen me soms wel eens dat ze het boek niet eens zouden durven openslaan. Als je zo enkele maanden bezig bent geweest, dan ken je elk vlekje en kreukje uit het werk. Je kent het van binnen en van buiten. Het doet me ook altijd veel plezier wanneer ik na verloop van tijd een handschrift dat ik heb geconserveerd, weer ter hand kan nemen. Of wanneer het plots tentoongesteld wordt, misschien aan de andere kant van de wereld, waar het dan als een icoon op een kussentje ligt, en het bijna een sacrale uitstraling heeft."

 

Ze vindt het ook belangrijk dat het grotere publiek die handschriften kan bewonderen, bijvoorbeeld op een van de zeldzame tentoonstellingen van middeleeuwse handschriften. "Het verleden is een stuk van onze identiteit, van wie we nu zijn. Ik vind het goed dat de werken worden gedigitaliseerd, zodat ze voor een groter publiek bereikbaar zijn. Maar het mag niet alleen dat zijn: de esthetische verwondering die je kan voelen wanneer je met zo'n origineel wordt geconfronteerd, is iets dat naar je ziel en naar je hart gaat."

 

Lieve Watteeuw heeft, vooraleer ze aan de opleiding voor boekenchirurg begon, sociale school gevolgd. Het is misschien een van de redenen waarom ze méér wil doen dan met een boek in een hoek kruipen en voor een goede conservering van dat ene werk zorgen. De preservering of de goede bewaring van een hele collectie is net zo belangrijk als de restauratie van één topstuk: ze wil er voor zorgen dat de boeken in zo goed mogelijke omstandigheden worden bewaard.

 

De klimatologische omgeving moet bijvoorbeeld optimaal zijn, opdat de werken, zelfs als ze nu door een gebrek aan personeel niet volledig kunnen worden onderzocht, toch bewaard kunnen blijven. Het is een van haar belangrijkste besognes in de Koninklijke Bibliotheek waaraan ze als wetenschappelijk medewerkster is verbonden. Ze betreurt het dan ook dat er geen aparte afdeling conservering in het huidige organigram van de instelling is voorzien, waardoor elke af­deling zo'n beetje haar eigen bewaarpolitiek volgt.

 

Op Vlaams niveau is Lieve Watteeuw een van de drijvende krachten van het project Verluchte handschriften 'Collectie Vlaanderen' van Illuminare, het Studiecentrum Vlaamse Miniaturisten van de KU Leuven. Alle gedecoreerde middeleeuwse manuscripten in openbare of semi-openbare collecties in Vlaanderen, zo'n 1500 werken in een tachtigtal instellingen, worden bestudeerd en beschreven in een elektronisch gegevensbestand.

 

De collecties van verschillende abdijen en bewaarbibliotheken werden reeds geïnventariseerd. Naast materiële gegevens over de handschriften en hun decoratie is ook informatie aanwezig over miniaturisten, ateliers, opeenvolgende eigenaars en bewaarinstellingen. Deze inventarisatie wordt ook aangevuld met een schade-atlas, opgesteld door Watteeuw, waarin het schadebeeld van de manuscripten wordt opgetekend. Het hele project is uniek in de wereld en geniet naar verluidt heel wat belangstelling van collega's wereldwijd.

 

Dat ze de prijs Cultureel Erfgoed 2004 heeft gewonnen, vindt ze vooral belangrijk omdat ze nu de kans krijgt het documentaire (papieren) erfgoed onder de aandacht te brengen, erfgoed dat erg fragiel is en dus sterk bedreigd. Voor stukken uit de negentiende eeuw bijvoorbeeld is het later dan vijf voor twaalf, omdat het papier dat toen werd gebruikt, erg slecht van kwaliteit was. "Restauratoren-in-spe bijvoorbeeld dromen er steeds van om mooie prenten te kunnen behandelen, miniaturen. Terwijl dé kernvraag is hoe we het grote papieren patrimonium dat aan het verzuren is, kunnen bewaren. Dàt is de grote uitdaging voor de toekomst."

 

Anne Brumagne

 


 

DIESTSE SCHATTEN IN DE KELDER

 

Diest bewaart haar kunstschatten onder de grond. Dit is geen teken van twijfel over de waarde van de collectie. Het Stedelijk Museum huist nu eenmaal in een unieke locatie.

 

 

De kelders onder het Stadhuis

 

Diest is vooral bekend voor haar begijnhof, een van de oudste, grootste en mooiste van de Nederlanden. De stad gaat ook prat op haar Oranje-verleden. Filips Willem van Oranje-Nassau, overleden in 1618, de oudste zoon van Willem de Zwijger was Heer van Diest en ligt begraven in de Sint-Sulpitiuskerk. Naast de kerk blinkt het neo-classicitische stadhuis dat in de gevel het jaartal 1728 draagt. Ooit stonden hier drie huizen naast elkaar: de Hofstadt of de stedelijke residentie van de Heren van Diest, het Schepenhuys en de Oord of rentmeesterij. Na de sloop in het begin van de achttiende eeuw bleven alleen de kelders bewaard. In die kelders onder het stadhuis bevindt zich vanaf 1957 het Stedelijk Museum. Het is het levenswerk van stadsarchivaris Gilbert van der Linden, die de geschiedenis van zijn stad in het hart droeg en er ontelbare artikels over publiceerde.

 

In de Romaanse kelder van de Hofstadt is de geschiedenis van de baanderheren en hun opvolgers, de prinsen van Oranje-Nassau, in beeld gebracht. Hier is het stadszegel uit 1228 te zien en klokken uit de lakenhalle en de begijnhofpoort. Een vitrine laat kennis maken met de middeleeuwse Diestse maten en gewichten voor onder andere bakstenen en graan. De Ro­maanse kelder herbergt ook de portretten van René van Chalon, de eerste graaf van Nassau die zich prins van Oranje-Nassau mocht noemen, en van zijn echtgenote Anna van Lotharingen. De panelen zijn rond 1545 geschilderd door een anonieme meester. Zoals vele kunstwerken in het Diestse museum, werden ze in de jaren 1950 door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium gerestaureerd.

 

 

De Blijde Boodschap en Theodor van Loon

 

Uit het voormalig Cellenbroedersklooster plukte het stedelijk museum een aantal prachtige schilderijen. Het markantste is De Blijde Boodschap, een paneel uit de eerste helft van de zeventiende eeuw, vermoedelijk geschilderd in Antwerpen. Alle ingrediënten van de Annunciatie zijn afgebeeld: de aartsengel Gabriël links en Maria rechts, de bloeiende lelietak... Uitzonderlijk is dat Gabriël vergezeld is van een uitgebreide schare engelen. Door het venster achteraan is in het landschap op de achtergrond de ontmoeting van twee figuren zichtbaar. Allicht betreft het een Visitatie, het bezoek van Maria aan Elisabeth. De onbekende schilder refereert met stijl naar zijn laatgotische modellen.

 

Het stedelijk museum bezit nog een tweede Blijde Boodschap. Deze is afkomstig uit de begijnhofkerk. Het is een van de topstukken uit de collectie, geschilderd door Hendrik ter Brugghen in 1629. Het doek heeft al de halve wereld afgereisd. Nu is er een aanvraag binnen van musea in Milaan en Wenen voor de tentoonstelling Van Caravaggio tot Mattia Preti. Ter Brugghen verbleef tien jaar in Italië en onderging de invloed van Caravaggio's werken. In 1615 keerde hij naar Utrecht terug en werd de leider van de Caravaggisti, met onder andere Gerard van Hontborst, die de stijl van de Italiaanse meester adopteerden: een sterk gevoel voor licht, een dramatisch contrast tussen licht en donker en een voorkeur voor emotioneel geladen onderwerpen. En toch schiep Hendrik ter Brugghen een eigen licht, meer atmosferisch en zilverig. Dat mysterieuze zilverlicht gebruikt de meester in de Blijde Boodschap om de hele figuur van Maria te illumineren. Een glorievolle warmte straalt van het doek. Ter Brugghen gebruikt de klassieke figuren en symbolen, maar voegt twee engelen met een lauwerenkroon toe. Op die manier verbindt hij de Kroning van Maria met de Annunciatie.

 

Het grote formaat en het perspectief doen vermoeden dat het werk als altaarstuk bedoeld is. Wanneer en hoe het ooit in de Diestse begijnhofkerk is terechtgekomen, is niet te achterhalen. Speelde het Huis van Oranje-Nassau een rol in de aankoop van dit schilderij van de Noord-Nederlandse meester? Sommigen beweren dat Ter Brugghen de opdracht rechtstreeks van de begijntjes kreeg omdat hun 'huisschilder' naar Italië was vertrokken. En dat was niemand minder dan Theodor van Loon, die ook tekende voor de indrukwekkende Mariacyclus in de basiliek van Scherpenheuvel. In 1623 schilderde hij vier evangelistenportretten voor de Diestse begijnhofkerk.

 

Twee andere Van Loons, beide geschilderd rond 1365, uit dezelfde kerk zijn te bewonderen in het stedelijk museum. De Aanbidding der Wijzen is in compositie en formaat een vrij nauwkeurige kopie van het werk dat Theodor van Loon eerder voor de begijnhofkerk van Brussel maakte. Voor De Opdracht van Christus in de tempel en de profetie van Simeon inspireerde de kunstenaar zich op een doek uit zijn mariale cyclus in de bedevaartsbasiliek van Scherpenheuvel.

 

 

Het Laatste Oordeel

 

Wanneer we voor de werken van Van Loon staan, zijn we de mooiste zaal van het museum al voorbij. De gotische kelder van het Schepenhuys uit 1320 oogt sierlijk, elegant en verfijnd. Hij dateert uit dezelfde periode als de Sint-Sulpitiuskerk en doet vermoeden dat dezelfde 'Franse' gotiek hier is binnengebracht. Een ereplaats in deze zaal is voorbehouden voor Het Laatste Oordeel, een paneel dat rond 1430 is geschilderd door een anonieme hand. Voorgesteld is het oordeel op de jongste dag. Christus, de eindtijdelijke rechter, is gehuld in een rode mantel. Onder hem zijn Maria en Johannes de Doper afgebeeld in hun functie van advocaten. Wat lager zit het voltallig apostelencollege. Zij zijn de bijzitters. Aan Christus' rechterzijde helpt een groep engelen enkele gelukzaligen  naar de hemel. De hel, rechts onderaan het paneel,is een combinatie van de hellemuil en de vurige afgrond.

 

De schilder heeft zijn uiterste best gedaan om zoveel mogelijk stichtelijke details af te beelden. Zo is er een personage dat opstaat uit de dood maar nog niet helemaal is 'samengesteld' en nog snel enkele van zijn beenderen bij elkaar raapt. In de hel zien we ook gekroonde hoofden (bisschop, koning en zelfs paus) branden. De gouden hemel is opgetrokken uit roestbruine ijzerzandsteen. Die steen is typisch voor Diest, ook de Gotische kelder is er in opgetrokken, wat doet vermoeden dat de schilder in deze stad moet gezocht worden. Men spreekt zelfs van een 'Diestse primitievengroep', bestaande uit een dertigtal schilders die onder andere werkten voor de nabijgelegen abdijen van Averbode en Tongerlo. Dit Laatste Oordeel mist de verfijning en de innigheid van Jan van Eyck, wat alleen aantoont dat vernieuwing tijd nodig had om ook in kleinere kunstcentra door te dringen.

 

 

Huisheiligen en Besloten Hofjes

 

Het stedelijk museum bezit een grote verzameling huisheiligen, eeuwenoude beeldjes die de gevels van de woningen sierden. En er is nog meer merkwaardig beeldhouwwerk. Een Sint-Anna-te-drieën uit het vierde kwart van de vijftiende eeuw. Het heeft nog de originele beschildering. Door de drie generaties in beeld te tonen, krijgt Maria het uitzicht van een kleine volwassene.

 

Het museum bewaart ook twee Besloten Hofjes, beide uit de zeventiende eeuw, afkomstig van het klooster van de cellenzusters. De 'gesloten hof' uit het Hooglied werd door middeleeuwse theologen betrokken op Maria: haar maagdelijkheid en onbevlekte ontvangenis, de paradijstuin van vóór de zondeval waarmee zij werd vereenzelvigd, haar mystieke huwelijk met Christus. Dat laatste was een essentieel element in het spirituele leven van vrouwelijke religieuzen en begijnen. De bruidssymboliek is belangrijk om de Besloten Hofjes te kunnen 'lezen'. Elk hofje is een wondere wereld van minuscule beeldjes, relieken en versierselen.

 

Het museum heeft ook een schatkamer met edelsmeedwerk. Schitterende stukken zijn de zilveren breuken van de Diestse gilden. En dan is er nog de Schepenzaal met onder meer de portretten van drie beroemde Diestenaren: de gelukzalige Arnikus, overleden in 1208, de taalkundige Nicolaas Cleynaerts (1493/94-1542) en natuurlijk de heilige Jan Berchmans (ca. 1675-1725).

 

Het Stedelijk Museum van Diest mag dan geen officieel Erkend Museum zijn, de indrukwekkende collectie, de toch wel unieke locatie en vooral het onvermoeibaar enthousiasme van de medewerkers maken het tot een heerlijk museum.

 

Mark Vanvaeck

 


STEDELIJK MUSEUM DIEST 

Grote Markt 1 

3290 Diest  

Tel. 013 35 32 09  

www.toerismediest.be


Illustraties

(U kan de illustraties bekijken in het PDF-formaat)

Mysterieus zilverlicht, De Blijde Boodschap, Hendrik ter Brugghen, 1629
Olieverf op doek, 216,5 x176,55 (detail), OCMW Diest

Een mystiek huwelijk in miniatuur, Besloten Hofje
Zuidelijke Nederlanden, 17de eeuw, Kast:153x139x 26, Stad Diest

Sint-Anna-te-drieën, lokaal Brabants atelier, vierde kwart 15de eeuw
Gepolychromeerd hout, 117 cm, OCMW Diest

Ook gekroonde hoofden branden in de hel. Het Laatste Oordeel, detail
Zuidelijke Nederlanden, 231,5 x 186 cm, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van België, Brussel (Foto Marc Sourbron)

Breuk van de Sint-Sebastiaansgilde te Diest, Zuidelijke Nederlanden, begin 17de eeuw
Zilver, 74 cm, Bruikleen: Sint-Sebastiaansgilde, Diest (Foto Marc Sourbron)

De gotische kelder van het Schepenhuys uit 1320
Sierlijk, elegant en verfijnd (Foto Marc Sourbron)


 

EEN NIEUWE KIJK OP DE EVOLUTIE VAN DE ARTISTIEKE SMAAK

 

De tentoonstelling 'Ensor tot Bosch' schetst de ontstaansgeschiedenis van drie Vlaamse museumcollecties.

 

 

Eerst Ensor, dan Bosch

 

Het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen, het Groeningemuseum in Brugge en het Museum voor Schone Kunsten in Gent hebben een eigen identiteit, maar vullen elkaar ook aan. Sinds ze van start gingen met de 'Vlaamse Kunstcollectie' nemen ze gezamenlijke initiatieven. Hoe de verzamelingen ontstonden en welke hiaten er zijn, doet de tentoonstelling Ensor tot Bosch uit de doeken. Ze vindt plaats in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten in het kader van 175 jaar België en 25 jaar federalisme.

 

"We leveren een frisse kijk op de evolutie van de smaak," licht Till-Holger Borchert als commissaris van dit eerste mammoetproject van de 'vlaamsekunstcollectie' toe. "Helaas zijn heel wat belangrijke werken naar het buitenland verhuisd. De Spaanse en de Oostenrijkse Habsburgse vorsten hebben veel topstukken uit onze streken meegenomen. Ook in het Nederlandse Mauritshuis bevinden zich schilderijen en sculpturen die in onze musea thuishoren. Van de kunstwerken die de Fransen roofden, keerden sommige terug, maar het Louvre en de departementale musea bezitten nog steeds sleutelwerken die ooit deel uitmaakten van het Vlaams patrimonium?'

 

De titel van de tentoonstelling doet vreemd aan. James Ensor (1860-1949), die met zijn Maskertoneel en Stilleven met oesters present is, stamt immers uit een latere periode dan Jeroen Bosch (rond 1450-1516). De Oostendenaar staat eerst omdat verzamelaars aanvankelijk meer interesse betoonden in eigentijdse dan in oude kunst. "Maar modes en mentaliteiten veranderen voortdurend," nuanceert Till-Holger Borchert. "Tussen de drie musea bestaan overeenkomsten en verschillen. In de zalen van Bozar krijgen de collecties een historische omkadering. We respecteren systematisch de chronologie. En we selecteerden werken waar een verhaal aan vast hangt."

 

 

Gilden, academies en kunstkamers

 

Het openingsluik belicht de voorgeschiedenis van de drie museumverzamelingen. De Sint-Lucasgilden speelden een niet te onderschatten rol. Getuige daarvan is De heilige maagd met het kind en de heilige Lucas, ooit een altaarstuk in de Brugse schilderskapel van deze beroepsgroep. In het eerste deel van de tentoonstelling staat de marmeren portretbuste van bisschop Antoon Triest op een ereplaats. De contrareformatorische geestelijke, die in de Gentse Sint-Baafska­thedraal een praalgraf kreeg, was een gulle kunstmecenas en een verwoed verzamelaar. Zo bestelde hij bij Theodoor Rombouts het doek De vijf zintuigen, dat de stad Gent in 1860 op een veiling aankocht.

 

Ook de academies droegen in belangrijke mate bij tot de collectievorming. In 1663 richtte David Teniers de Jonge de Antwerpse academie op, in navolging van gelijkaardige instellingen in Rome en Parijs. Brugge volgde in 1717 en Gent pas in 1751. Deze twee academies ontstonden als reactie op de geldende reglementeringen, met de bedoeling de beoefening van de kunsten te versoepelen. De schilderijenkabinetten of 'kunstkamers' brachten eigentijdse werken samen, die door artiesten of verzamelaars uit educatieve overwegingen waren afgestaan. Brugge verplichtte kunstenaars die in de stad bedrijvig waren een werk te schenken. Later zouden diezelfde werken aan de musea worden overgedragen. De beroemde olieverfpanelen van Pieter Pourbus met de portretten van proosdijschepen Jan van Eyewerve en zijn vrouw Jacquemyne Buuck waren al in 1795 in het bezit van de Brugse Academie. Drie decennia eerder vertrouwde de drukker Joseph de Busscher het Hoofd van Christus, een kopie naar Jan Van Eyck, aan de Academie toe. De schone Anthia en haar gezellinnen op weg naar de tempel van Diana in Ephesus van Joseph Paelinck behaalde de eerste prijs in een door de Gentse Academie uitgeschreven wedstrijd voor historieschilderkunst.

 

 

Franse kunstroof

 

Het derde luik van de tentoonstelling is gewijd aan de Franse tijd. Uit Brugse gebeds- en gemeenschapshuizen werden in die bewogen periode werken van Memling, David en de broers Van Eyck weggehaald en naar het Musée National des Arts (het Louvre) in Parijs gevoerd. Uit Antwerpse kloosters en religieuze gebouwen verdween een zeventigtal schilderijen, waaronder een resem werken van Rubens. De terugkeer van een aantal doeken in 1815 werd - zoals uit documenten blijkt - uitgebreid gevierd met een luisterrijke stoet. Het Amsterdams Pren­tenkabinet ontleent Zegepraal der wapenen of de plechtige terugkomst der ontvoerde voorwerpen van kunst en wetenschap van J.J.Verellen.

 

Heel wat Brugse kerkschatten verhuisden naar het Musée du Departement de la Lys, dat gehecht was aan de 'Ecole centrale' in de voormalige Duinenabdij. Een imponerend driekoningenpaneel van de Meester van de Brugse aanbidding is afkomstig uit dit klooster. Een bloemstuk van Gaspar-Peter Verbrugge de Jonge was aanvankelijk in handen van de abdij van Zonnebeke. Door de Franse centralisatie kwam het in het museum van de Brugse Academie terecht. Na het Concordaat werden vele panelen en doeken aan de Bruggelingen teruggegeven. Het stadhuis fungeerde tijdelijk als toonruimte, voor ze aan de Academie werden overgemaakt.

 

Het Musée du Département de l'Escaut in de Gentse Sint Pieterskerk herbergde meer dan tweehonderd schilderijen en beeldhouwwerken. Toen er vanaf 1803 weer liturgische diensten plaatsvonden, verhuisde het museum naar de benedenkerk en nadien naar een zaal in de Stedelijke Academie, die was ondergebracht in het Augustijnenklooster. Hoewel Het Lam Gods tijdens de Restauratie vanuit Frankrijk naar de Arteveldestad terugkeerde, lukte dit niet voor talloze andere Gentse kunstschatten.

 

 

Legaten en schenkingen

 

Ensor tot Bosch maakt een onderscheid tussen de verwerving van oude en van jonge kunst in de actieve uitbouw van de museumcollecties in de tweede helft van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. "Oude kunst werd eerder toevallig verworven via legaten en schenkingen, terwijl voor eigentijdse kunst de Salons werden geëxploreerd," legt coördinatrice Tine Van Poucke uit. "De aankoop van oude kunst werd in eerste instantie gestuurd door de academische kunst en het realisme. De Vlaamse Primitieven werden herontdekt vanuit een romantische reflex." Florent-Joseph van Ertborn, die tijdens het Hollands bewind orangistisch burgemeester was van Antwerpen, legateerde zijn indrukwekkende verzameling Oud Nederlandse meesters aan het museum van zijn geboortestad. Naast een anonieme Ecce Homo en het schilderij Maagschap van de heilige Anna van Derick Baegaert, wordt op de tentoonstelling ook plaats ingeruimd voor zijn buste.

 

Het drieluik met Het Laatste Oordeel, dat aan Jeroen Bosch wordt toegeschreven, was een schenking van Minister van Staat August Beernaert aan het Brugs museum. Niet minder gul waren baron Houtart en mevrouw Charles Van der Beeck-Bouvy voor deze instelling. Uit hun verzamelingen werden respectievelijk een vruchtenstilleven van Jacob van Es en een 'sotternij' van Adriaan Pieterszoon Van de Venne geselecteerd.

 

In Gent waren het De Vrienden van het Museum, die uitschieters als Théodore Géricaults Portret van een kleptomaan en William Hogharts Portret van een jonge vrouw aan het museum schonken. De voorzitter van deze vereniging, die in 1897 werd opgericht, was Fernand Scribe. Een carrière in de textielsector, waarin hij was opgegroeid zag hij niet zitten. Toen hij ondanks de lessen, die hij bij Portaels en Cluysenaer had gevolgd, evenmin als landschapschilder doorbrak, gooide hij het over een andere boeg. Hij reisde heel Europa af op zoek naar kunstwerken die hem bekoorden. Door zijn aankoopbeleid drukte hij zijn persoonlijke stempel op de collectie. Bovendien legateerde hij zijn eigen verzameling aan het museum met ondermeer een trompe l'oeil brievenbord van de zeventiende-eeuwse Antwerpse vrijmeester Cornelis Norbertus Gijsbrechts.

 

Scribe liet ook opmerkelijke doeken van tijdgenoten na. Naast Meisjes in het veld van Emile Claus en Landhuis en park onder de sneeuw van Albert Baertson werd het Gentse museum dankzij hem eigenaar van enkele exotische doeken zoals Marokkaanse ruiters aan de voet van de Chiffrarots van Eugène Fromentin en Studie van een Marokkaanse en een negerin van Mariano Fortuny y Marsal. Ongetwijfeld waren dit schilderijen, die zonder zijn toedoen nooit in de Gentse museumverzameling waren terechtgekomen.

 

In 1890 verrijst in Antwerpen een monumentaal museumgebouw. Nicaise De Keyser smukte de inkomhal op met schilderingen, waarvan de expositie voorbereidende schetsen toont. Gent moet wachten tot 1902 vooraleer de eerste fase van het huidig museum, dat werd ontworpen door Charles van Rysselberghe, is voltooid. Het Groeningemuseum in Brugge, dat zijn naam dankt aan de loverrijke omgeving, opent pas zijn deuren in 1930. Het moest de verspreide verzamelingen centraliseren en vooral de Vlaamse Primitieven een sfeervol en aangepast onderkomen geven.

 

De institutionalisering van de musea, die zelf wetenschappelijke en kunsthistorische tentoonstellingen organiseerden en catalogi uitgaven, zorgde voor een nieuwe dynamiek in het aankoopbeleid. Schilderijen van Henri Evenepoel en Henri Leys en een bronzen beeld van Constantin Meunier moeten dit voor de Antwerpse vestiging onderstrepen. De drie kunsthistorische musea bundelen al sinds 2001 hun krachten. Het ligt in de bedoeling om alle werken - en dat zijn er duizenden - stapsgewijs te ontsluiten, te beschrijven en op te nemen in een digitale beeldenbank, die elke internetgebruiker kan raadplegen. Overkoepelend tentoonstellingscommissaris Till-Holger Borchert, die gespecialiseerd is in de Vlaamse Primitieven en Dürer, broedt op concrete plannen: "Na Ensor tot Bosch zou ik een intrigerende thematische expositie willen samenstellen, waarin wordt ingezoomd op het gelaat van Christus. Ik heb nu al een dertigtal werken uit de kunstcollectie in gedachten."

 

Ludo Dosogne

 


ENSOR TOT BOSCH (2005) 

Paleis voor Schone Kunsten 

Ravensteinstraat 23 

1000 Brussel  

Tel. 02.507.82.00  

www.bozar.be


Illustraties

(U kan de illustraties bekijken in het PDF-formaat)

George Minne, De fontein der Geknielden, ca. 1905 (geknielden), ca. 1927-30 (bekken)
Gips, 169,5 x 240 x 90 cm, Museum voor Schone Kunsten, Gent

James Ensor, Maskertoneel, 1889
Olieverf op doek, 59 x72 cm, KMSK, Antwerpen

Hiëronymus Bosch, Laatste Oordeel, Olieverf op paneel, 99 x 60,3 cm (middenpaneel), 99,5 x 28,5 (zijluiken)
Groeningemuseum, Brugge

Antoon Van Dyck, Bewening van Christus,1635
Olieverf op doek, 115 x 208 cm, Groeningemuseum, Brugge

Joseph Suvée, Zelfportret, 1772
Olieverf op doek, 63,5 x 53,5 cm, Groeningemuseum, Brugge

Joseph Paelinck, De schone Anthia begeeft zich aan het hoofd van haar gezellinnen naar de tempel van Diana te Ephesus, ca. 1820
Olieverf op doek, 233 x 300 cm, Museum voor Schone Kunsten, Gent

Gerard David, Doop van Christus
Olieverf op paneel, 129,7 x 96,6 cm (middenpaneel), 132 x 43 cm (zijpanelen), Groeningemuseum, Brugge

Pieter Pourbus, Portret van Jacquemyne Buuck
Olieverf op paneel, ca. 97,7 x 71,4 cm,  Groeningemuseum, Brugge


 

PELGRIMS EN KEERSKATTEN

Een tocht doorheen, vier eeuwen Scherpenheuvel.

 

 

De stad Scherpenheuvel-Zichem is nog erg jong, maar elke deelgemeente heeft al een lange geschiedenis achter zich. In 2005 is het 400 jaar geleden dat Scherpenheuvel van de toenmalige aartshertogen Albrecht en Isabella een aantal stadsrechten kreeg. Om dat te herdenken organiseert de stad Scherpenheuvel-Zichem een tentoonstelling, die de bezoeker meeneemt doorheen meer dan vierhonderd jaar Scherpenheuvel.

 

De tentoonstelling Pelgrims en Keerskatten vertrekt bij de ontstaansgeschiedenis van Scherpenheuvel, dat toen nog een deel van Zichem was. Het tweede deel toont hoe de eik met het Mariabeeldje in de zeventiende eeuw vervangen wordt door een houten en stenen kapel en tenslotte door de magistrale kerk, die vandaag nog steeds het centrum van de stad is. Vervolgens komt de stad zelf aan bod. De heuvel uit de zestiende eeuw wordt geleidelijk aan uitgebouwd tot een versterkte stad. In de negentiende en twintigste eeuw wordt het een gezellige stad, waarin pelgrims en inwoners, die in de volgende twee delen worden belicht, graag vertoeven. Het vierde deel illustreert hoe het economische leven in Scherpenheuvel zeer nauw samenhangt met de bedevaart. In het vijfde deel staat de bedevaart centraal. Tenslotte staat de tentoonstelling in een epiloog even stil bij de fusie uit 1977, waarbij Scherpenheuvel en Zichem elkaar terugvinden en samen met Messelbroek, Testelt, Averbode, Kaggevinne en hun gehuchten Keiberg, Okselaar en Schoonderbuken de stad Scherpenheuvel-Zichem vormen.

 

In foto's, prentkaarten, voorwerpen, prenten, affiches, audio- en filmmateriaal, zowel originelen als reproducties, brengt de tentoonstelling het verleden van Scherpenheuvel tot leven. Een tocht, die voor zowel pelgrims als inwoners inzicht brengt in verleden en heden van het beroemde bedevaartsoord.

 

 

EXTRA OKV CLUB

 

Een kale heuvel, een oude eik, een eenvoudig Mariabeeld, duizenden bedevaarders en brandende kaarsjes. Al in de zestiende eeuw smeken de Zichemnaren en soldaten in Spaanse dienst bij Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel gunsten af. De aartshertogen Albrecht en Isabella komen in 1603 op bedevaart. Algauw schrijven ze de successen van hun bewind toe aan Maria van de eik. Oprechte devotie? Politieke strategie? Het leidt tot de bouw van een unieke stad en een majestueuze koepelkerk. Scherpenheuvel is een synthese van de zeventiende-eeuwse Europese cultuur. Een haast militair bolwerk van de Contrareformatie tegen het protestantisme, de tempel van een Nieuw Verbond tussen God en het volk van de Nederlanden. De vele namen van Maria zijn overal aanwezig: in het grondplan van de stad, in de architectuur van de basiliek, de ornamentiek...

 

Het bedevaartsoord is een uitzonderlijk voorbeeld van totaalkunst, waarvan we de beeldtaal niet zomaar begrijpen. Het schitterende boek Scherpenheuvel, het Jeruzalem van de Lage Landen brengt het volledige verhaal over de Mariacultus in Scherpenheuvel. De prachtige illustraties laten een unieke wereld zien vol symboliek. De auteurs van dit 'openbarend' boek zijn Prof. Dr. Luc Duerloo en Dr. Marc Wingens. Beide tekenden ook voor de OKV-aflevering Scherpenheuvel, wees gegroet Maria, die verscheen in maart 2005.

 

Ludo Dosogne

 


PELGRIMS EN KEERSKATTEN 2005

Scherpenheuvel, in de Barokgang achter de basiliek


Illustraties

(U kan de illustraties bekijken in het PDF-formaat)

De pelgrims hebben het einde van de tocht bereikt. Bedevaart Belgische Boerenbond, 1957, KADOC - KULeuven

Een congregatie op weg naar de basiliek, Archief van de Basiliek van Scherpenheuvel

Scherpenheuvel: het project van Albrecht en Isabella, Ingekleurde postkaart, verstuurd in 1930, KADOC - KULeuven


 

DE PORTRETTEN VAN MEMLING

 

Corpus Brugge 05 is een cultuurfestival in het kader van het menselijk lichaam. Een van de topevenementen is de tentoonstelling 'Memling en het Portret' in het Groeningemuseum.

 

 

Eén kern, drie tentoonstellingen

 

De betekenis en vooral de impact van Memlings portretkunst op de ontwikkeling van het Europese renaissanceportret van de late vijftiende en de vroege zestiende eeuw is nog maar recent bestudeerd. De Memlingtentoonstelling van 1994, georganiseerd door het Groeningemuseum ter gelegenheid van de vijfhonderdste verjaardag van de sterfdatum van de kunstenaar, was van cruciaal belang voor de herwaardering van Hans Memlings kunstenaarstalent.

 

Het nu lopende tentoonstellingsproject in het kader van Corpus 05 focust zich voor de eerste keer op de portretten van Memling. Het project is een realisatie van de Stedelijke Musea van Brugge, de Frick Collectie van New York en het Thyssen-Bornemisza in Madrid en zal dus in deze drie musea getoond worden. Rond een beperkte, maar vaste kern van veertien portretten legt elk van de drie locaties een eigen klemtoon. Madrid wijst op de betekenis en invloed van Memlings portret op het Italiaanse en Noord-Europese renaissanceportret. De Brugse Musea onderzoeken de rol of functie en de context van het stichtersportret en het onafhankelijke portret. De Frick Collectie zal de artistieke evolutie van de portretten van 1460 tot 1490 onder de loep nemen. Omwille van de fragiele toestand van deze paneelschilderkunst is het aantal tentoongestelde werken beperkt tot een dertigtal meesterwerken.

 

 

Productief en veelzijdig schilder

 

Hans Memling wordt met Jan Van Eyck, Petrus Christus en Gerard David als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Brugse vijftiende-eeuwse schilderkunst beschouwd. Met een oeuvre van in totaal bijna honderd werken die traditioneel aan hem of zijn atelier worden toegeschreven, neemt Memling een toppositie in onder de kunstenaars van voor 1500 in de Nederlanden en is hij tevens een van de meest productieve en veelzijdige schilders van zijn tijd.

 

Memling was afkomstig uit het Midden-Rijngebied en genoot hoogstwaarschijnlijk een opleiding in het atelier van Rogier Van der Weyden te Brussel. In 1465 vestigde hij zich in Brugge, waar hij ook met de kunst van Jan Van Eyck in contact kwam. De synthese van deze twee invloeden die hij in zijn oeuvre tot stand wist te brengen, bleef tot in de zestiende eeuw toonaangevend voor de Brugse schilderkunst.

 

 

Geliefde vernieuwer

 

Van meet af aan waren buitenlandse kooplieden en bankiers die in Brugge verbleven Memlings belangrijkste opdrachtgevers. Florentijnse en Venetiaanse zakenlui, maar ook kooplieden van de Duitse Hanze en Spaanse wolhandelaars, bestelden altaarstukken of kleinere devotieschilderijen, die ze vaak meenamen toen ze naar hun land terugkeerden. Maar Memling werd zowel door zijn buitenlandse opdrachtgevers als door leden van de Brugse patriciërsfamilies en zelfs van het Bourgondische hof in de eerste plaats als portretschilder gewaardeerd. In het laatmiddeleeuwse Brugge werd hij de meest geliefde portrettist van de elite. Zijn vernieuwingen op dat gebied - hij was de eerste die zijn modellen tegen de achtergrond van een landschap afbeeldde - zouden de portretschilderkunst van de Renaissance in heel Europa ingrijpend beïnvloeden.

 

Bij Italianen waren zijn portretten het meest geliefd. Ze waren kleinschalig, gemakkelijk te transporteren en !egden vooral de beeltenis vast van de eigenaar zodat dit meteen een souvenir was aan het verblijf in Brugge. Soms waren deze portretten als een devotiepaneel opgevat of als een schenkersportret. Net als zoals Rogier Van der Weyden had Memling een voorkeur voor het portret ten halve lijve. De portretten van Tommaso en Maria Portinari die Memling kort na hun huwelijk in 1470 schilderde, sluiten met hun egale donkere achtergrond aan bij het door Rogier Van der Weyden zo populair gemaakte type. Aan het einde van de jaren 1480 kiest Memling echter voor een minder neutrale omgeving (loggia of luxueus ingericht interieur) en voor het opnemen van attributen die verwijzen naar de rang en status van de geportretteerde (gebedenboek, rijk geborduurde weefsels zoals fluweel en bont of goudbrokaat).

 

De belangrijkst bijdrage van Memling aan de portretschilderkunst blijft echter de invoeging van een landschapsachtergrond. Soms is dit beperkt tot een doorkijk door een venster, maar vaker strekt het landschap zich uit onder open lucht. Hierbij vormt het psychologisch verstilde portret een tegengewicht voor de neutrale luchtpartij en worden de schouders van de geportretteerde verlevendigd door het landschap erachter. De handen rusten vaak op een balustrade of op de lijst van het schilderij en de schouders zijn vaak aan de beeldrand afgesneden, wat een close-up effect teweegbrengt, vergelijkbaar met dat van het inzoomen met een camera.

 

 

Levensecht en intimistisch

 

De interesse voor het portret werd gevoed door het humanistisch gedachtegoed en de cultus van de Oudheid. In Italië hielden schilders in die tijd nog vast aan het gestrenge profielportret, terwijl in de Bourgondische Nederlanden reeds vanaf 1430 gekozen werd voor het levendigere driekwartprofiel. Het levensechte effect werd ook nog vergroot door het gebruik van olieverf (in Italië tempera of eiverf, wat een droger effect geeft): de glans en de verschil­lende kleurtonaliteiten in een contrast van licht en donker droegen bij tot een realisme dat de Italiaanse kunstenaars verbaasde. Antonello da Messina, Francesco del Cossa, Pinturicchio, Perugino, en de grootmeesters Rafaël en Leonardo da Vinci lieten zich onder invloed van Memlings portretten verleiden tot een uitmuntende psychologische weergave van de geportretteerde en het inzoemend effect tegenover een wijds panoramisch landschap geraakte meer en meer ingeburgerd.

 

Naast portretten met een achtergrondlandschap schilderde Memling in Brugge geregeld ook conventionelere portretten met een neutrale donkere achtergrond in de trant van Van Eyck en Rogier Van der Weyden. Het Portret van een man met een anjer is daar een kenmerkend voorbeeld van: Memling beeldt de opdrachtgever af tot aan de taille, in driekwart naar rechts tegen een blauwgroene achtergrond. De onbekende jongeman draagt een wit hemd onder een zwarte wambuis en daarover een donkere met bruine bont gevoerde jas. Hij heeft een zwarte muts op het hoofd en het donkerbruine, steile haar valt over zijn voorhoofd. Tussen duim en wijsvinger van de linkerhand houdt hij een rode anjer, in de rechterhand heeft hij een opgevouwen document. Anjers waren van oudsher het symbool van liefde en trouw. Daarom zou het hier om een verlovingsportret kunnen gaan. Het document is wellicht een liefdesbrief of - heel prozaïsch - een huwelijkscontract. In adellijke kringen, maar vermoedelijk ook in het milieu van vermogende Europese kooplieden liet men soms verlovingsportretten maken als de toekomstige echtgenote te ver weg woonde, om zo een indruk te geven van de mogelijke huwelijkskandidaat. Dergelijke portretten hebben vaak een intimistisch karakter en staan in schril contrast met de stichtersportretten.

 

 

Het vermogen om de psyche te peilen

 

Een van de mooiste schenkersportretten vinden we terug op het triptiek met de heilige Christophorus (het zogenaamde Moreeltriptiek). Het gaat hier om Barbara van Vlaenderenberch en haar echtgenoot Willem Moreel, een Brugs kruidenhandelaar en politicus. Het echtpaar mocht in de Sint-Jacobskerk in Brugge een altaar stichten gewijd aan de heiligen Maurus en Egidius. Hun kinderen (negen meisjes en vijf jongens) werden door Memling nog bijgeschilderd, zelfs toen het altaar zelf al voltooid was. Ook de gebouwen op de achtergrond verwijzen naar het familiebezit. Moreel was burggraaf van Roeselare en heer van Oostcleyhem. Zowel de kledij van de stichters, de rijkdom van hun kroost als hun bezittingen verwijzen duidelijk naar hun maatschappelijke status, maar Memling zou Hans Memling niet zijn als er op de gelaatsuitdrukking van de knielende stichters ook maar een zweem van trots of praalzucht zou af te leiden zijn.

 

Typerend blijft bij Memling de aandacht die naar binnen gekeerd is, verzonken in mystieke contemplatie voor de heiligen en Christophorus, de christusdrager op het middenpaneel. Dit vermogen om de psyche te peilen en het gebruik maken van een vaak sober kleurenpalet maken Memling tot laatste erfgenaam van het herfsttij der Middeleeuwen, maar meteen ook de bruggenbouwer naar het humanistische renaissanceportret.

 

Karl Marcelis

 


MEMLING EN HET PORTRET (2005) 

Groeningemuseum 

Dijver 12 

8000 Brugge  

Tel. (+32)50.44.87.11  

www.brugge.be/musea


Illustraties

(U kan de illustraties bekijken in het PDF-formaat)

Hans Memling, Portret van een jonge vrouw (Sybilla Sambetha), 1480
Musea Brugge, Hospitaalmuseum Sint-Janshospitaal

Hans Memling, Moreeldrieluik
Musea Brugge, Groeningemuseum

Hans Memling, Portret van man in gebed
Museo Thyssen Bornemisza, Madrid

Hans Memling, Portret van een man
The Frick Collection, New York

Portret van een oude vrouw
Museum of Fine Arts, Housten


 

175 JAAR BELGIË: MEER DAN PRALINES, KUIFJE EN MANNEKE PIS

 

'Visionair België' was de laatste tentoonstelling van Harald Szeemann. Met ruim vijfonderd werken verspreid over 26 zalen in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten stelde de curator zijn visie over België samen. Het resultaat leverde een bombardement aan beelden op, al waren er ook momenten van contemplatieve stilte.

 

 

Een Zwitser ontdekt België

 

De tentoonstelling Visionair België was even ongrijpbaar als het land van Magritte, Eddy Merckx, Kuifje, Luc Tuymans en illustere dromers als Henri Lafontaine, Paul Otlet of Robert Garcet. Je vraagt je af hoe Szeemann het allemaal heeft geklaard om zoveel materiaal over België bijeen te garen. Toch was Szeemann bijzonder goed vertrouwd met onze cultuur en gewoontes. Zijn eerste contacten met België dagtekenden uit zijn jongensjaren waarover hij getuigde: "Ik denk aan mijn 17, 18 jaar. Er was een groot tuinfeest in Zwitserland en wat mij daar enorm opviel was de Belgische delegatie, vooral de vrouwelijke helft: al die meisjes of jonge vrouwen waren onveranderlijk groot en knap, met glinsterende krullen."

 

In de jaren vijftig maakte de jonge Szeemann kennis met 'les grands lions' van het Paleis voor Schone Kunsten: Emil Langui, Robert Giron en Madame Bertouil. Hij ontmoette in die dagen toonaangevende verzamelaars als Bertie Urvater, die hem bovendien te logeren vroeg en bij wie de halve kunst- en diplo­matieke wereld over de vloer kwam. Szeemann ontdekte Luik en Oostende en verklaarde in laatstgenoemde stad zijn liefde aan Ensors kunst. Ook in de jaren zestig was Szeemann herhaalde malen in ons land. Onder meer op het filmfestival EXPRMNTL in Knokke en verder maakte hij kennis met figuren uit de Belgische kunst. In Brusselse galerie viel hij voor de kunst van Broodthaers, daarnaast ontdekte hij Permeke en Frits Van den Berghe, figuren die meer besloten bleven in onze nationale kunstgeschiedenis.

 

 

Geen Bosch, Brueghel of Rubens

 

Helaas kon Szeemann in het Paleis van Schone Kunsten er zelf niet meer bij zijn. Twee weken voor de opening van zijn Visionair België stierf hij aan de gevolgen van een slepende ziekte. "Een portret van België wou Harald Szeemann maken, België in al zijn complexiteit," zegt Paul Dujardin, directeur van het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten, die de Zwitser in 2002 uitnodigde een tentoonstelling samen te stellen naar aanleiding van 175 jaar België. Voor Szeemann betekende het een droom om die expositie alsnog te kunnen realiseren. Na Zwitserland en Oostenrijk werd Visionair België het sluitstuk van een grillige trilogie.

 

De hele Belgische geschiedenis zat in het evenement vervat, maar niet zoals we die verwachten. Zo ontbrak een aantal belangrijke kunstenaars. Je kwam in Visionair België geen Bosch, Brueghel of Rubens tegen. Szeemann lapte moedwillig zijn laars aan chronologie of hiërarchie, het geheel was allesbehalve een kunsthistorische presentatie en streefde dat in geen geval ook na. Er was geen Cobrazaal, geen zaal voor de surrealisten, alles stond losjes en associatief door elkaar.

 

Szeemann wou geen deel zijn van de officiële cultuur. Integendeel, hij sneed het mes naar eigen believen door de Belgische culturele en sociale gelaagdheid heen. In een van zijn laatste interviews formuleerde hij het als volgt: "Ik probeer namelijk de zaken op een andere manier voor te stellen. Door niet zozeer de grote namen nog eens te affirmeren met zeer veel aplomb, maar door minder bekenden te accentueren, en ook door verwante, niet puur artistieke stromingen en randfiguren naar voor te schuiven."

 

 

Mallemolen en Brouillard belge

 

De expositie opende met een vrolijke carrousel van kunstenaar Carsten Höller. Szeemann wou aanvankelijk op die ereplaats Ensors Intrede van Christus in Brussel, het doek dat ons land tot scha en schande heeft verkocht aan het Paul Getty museum. Het zoveelste schandaal. Het feest ging niet door. De onderhandelingen met het Amerikaanse museum liepen op niets uit ook al stond een regeringsvliegtuig klaar om het gegeerde kunstwerk over te vliegen naar het land van herkomst. Voor de zwervende curator Szeemann betekende Ensors meesterwerk immers een sleutelwerk van formaat.

 

Carsten Höller (°1961), een in België geboren kunstenaar die in Stockholm werkt, werd het alternatief. Szeemann vond zijn draaimolen een erg Belgisch kunstwerk. Een draaimolen staat in de eerste plaats voor feest. Toch is Höllers exemplaar geen gewone carrousel. Hij draait, maar doet één uur over één ronde. Het volgende uur draait hij in de andere richting. Szeemann zag in de mallemolen duidelijk een metafoor voor de Belgische situatie en mentaliteit.

 

Na de draaimolen strooide de Zwitser met gulle hand allerhande objecten uit over 26 zalen in het PSK. Jacques Charlier, Rik Wouters en Eddy Merckx, Congo, de utopische plannen voor een Cité du Mundaneum in Antwerpen, affiches voor de legalisering van abortus, het Atomium, de sterk tot de verbeelding sprekende installatie Brouillard belge van Ann Veronica Janssens.

 

 

Utopisten en excentriekelingen

 

Ongeveer halverwege het parcours stond je midden in de zaal van de utopie. Hier werd volop gedroomd. Onder meer door Paul Otlet en Henri Lafontaine. Ze stichtten in 1895 een instituut om de volledige menselijke kennis te inventariseren. In 1912 telde dit 'Internet op papier' meer dan negen miljoen steekkaarten. Wat er van dat Mundaneum overblijft, is nu in Bergen te bekijken. Utopie en het fantastische fascineerden Harald Szeemann op en top. Een paar zalen verder was de maquette te bekijken van de toren van Eben Ezer van utopist in het kwadraat Robert Garcet. Tussen 1948 en 1964 bouwde deze Garcet op een mijnheuvel in Eben-Emael een vierkante toren van zeven verdiepingen. Het bouwwerk van twintig meter hoog werd volledig in vuursteen opgetrokken, geheel volgens de verhoudingen van het hemelse Jeruzalem in het boek Openbaring. De vier hoeken van de toren zijn versierd met figuren uit de Apocalyps van Johannes. Onder de toren, in eindeloze mijngangen, bevindt zich Garcets vuursteen-museum.

 

Excentriekelingen als Garcet gingen ongestoord hun eigen gangetje terwijl andere monumenten genadeloos werden afgebroken: zo het Volkshuis van Victor Horta (ook de architect van het Paleis voor Schone Kunsten). Wat rest is een maquette die via het plafond in het PSK werd binnengehaald. In dezelfde zaal stond Luc Deleus ontwerp voor Situation Europa Gare Centrale. De architect laat daarin de hogesnelheidstrein op een elegante brug door Brussel glijden, vlak naast de Sint-Michielskathedraal. Een visionair ontwerp, en dus nooit gebouwd. C'est arrivé près de chez vous, de ondertitel van de tentoonstelling Visionair België, verwijst naar de gitzwarte film van Benoît Poelvoorde en Rémy Belvaux uit 1992. Ook Poelvoorde en Belvaux toonden zich 'visionairen' met dit portret van een Belgische beroepsmoordenaar annex kleine zelfstandige. C'est arrivé près de chez vous was reality-tv op zijn grauwst, nog vóór televisie door het feno­meen overspoeld werd.

 

 

Overrompelend kijkstuk

 

Voor Szeemann was België meer dan de simpele en voor de hand liggende optelsom van Kuifje, frieten en manneke pis. De Zwitser zocht vooral naar eigenzinnige en persoonlijk ingegeven associaties van de Belgische cultuur in zijn breedste zin. De man heeft zich jaren op een geweldige en intensieve manier voorbereid en je vraagt je af hoe hij het allemaal als buitenstaander heeft kunnen verwerken. Visionair België was vooral een overrompelend kijkstuk, het equivalent van een complexe en schizofrene natie. Toch zat er in deze tentoonstelling voor de aanwaaiende bezoeker iets vrijblijvende in. Wie ze bezocht, stelde namelijk een eigen tentoonstelling samen, construeerde een eigen beelden- en betekenissenpakket. Dat had het voordeel dat iedereen naar believen Visionair België naar inzicht en vermogen kon smaken.

 

Het overlijden van Harald Szeemann betekende ook het einde van een tijdperk. Szeemann wordt wel eens de grootvader van de 'Independant curators' genoemd. Sommige critici vonden dat curatoren in de jaren tachtig en negentig zich ontpopten als heuse en soms ook als eigenzinnige en betweterige kunstenaars. Of Szeemann zich een kunstenaar voelde? Wie het hem vroeg kreeg steevast te horen: "Nee, maar soms ben ik wel auteur, in de Franse betekenis van schrijver-maker, wanneer ik schrijf of wanneer ik een tentoonstelling uitvind. Je doet uiteindelijk van alles: je doet research, je stelt je ten dienste van de kunstenaar, door te discussiëren over de opstelling, de plannen in de hand. Veel jonge curators doen dat alomvattende en rechtstreeks werk niet meer."

 

Philip Willaert

 


Illustraties

(U kan de illustraties bekijken in het PDF-formaat)

Foto Harald Szeemann

Luc Deleu, Europees Centraal Station, 1986-89, MuHKA

Fernand Khnopff, Sapho, ca. 1912

François Schuiten, Ble Méthylène, 1997

Antoine Wiertz, De mooie Rosine, ca. 1848

Georges Adéagbo, De Belgische kolonisatie in Zwart Afrika (detail)

James Ensor, Skelet bekijkt chinoiseries, 1885, MSK Gent

Robert Garcet, De toren van Eben-Ezer


 

JOMMEKE: VIJFTIG JAAR JONG

 

De wondere verbeeldingswereld van striptekenaar Jef Nys.

 

 

'Ik schat Pieter Bruegel hoger dan Rubens'

 

Jommeke bestaat vijftig jaar. Voor het Belgisch Centrum voor het Beeldverhaal een uitgelezen moment om het hele oeuvre van Jef Nys (76), dat ook een geromantiseerde biografie van Bruegel en een serie 'stichtelijke portretten' van beroemde Vlamingen omvat, opnieuw onder de aandacht te brengen. De retrospectieve is niet definitief want de striptekenaar vertrouwde ons toe dat zijn inspiratie nog lang niet is opgedroogd. Vetgemeste gulzigaards, zwijmelende drankorgels, een kregelige begijn, een potsierlijke wetsdienaar en een hulpvaardige dief worden door Jef Nys in zijn legendarische Bruegel-strip, die halverwege de jaren vijftig in het parochieblad verscheen, met zwier gekarikaturiseerd. Hij laat zelfs een dikbuikige pater opdraven, die gelijkt op zijn toenmalige opdrachtgever. Andere personages lijken weggelopen uit Bruegels zonovergoten landschappen en zijn Boerenbruiloft.

 

"Ik schat Pieter Bruegel hoger dan Pieter Paul Rubens," benadrukt Jef Nys. "De vlezige vrouwen en de gespierde mannen van de Antwerpse schilder zijn weliswaar knap geborsteld, maar ze spreken minder tot de verbeelding dan de 'dikken' en 'de mageren' van zijn voorganger. Omdat over het leven van Pieter Bruegel slechts weinig bekend is, kon ik voor de strip gretig uit mijn fantasie putten. Net als Felix Timmermans heb ik aan zijn werk 'geroken'. De sfeer herinnert aan vroeger, toen dorpsbewoners elkaar nog allemaal kenden en een hecht verbond vormden. Zij waren nog niet vergiftigd door de huidige massapubliciteit, die het individueel genot aanprijst maar het sociaal gevoel ondermijnt."

 

Tijdens zijn kleutertijd tekende Jef Nys ventjes, dieren, bomen en bloemen op kasten en muren. De kleine Bruegel kent hij dezelfde ongeremde experimenteerdrift toe. Wanneer de beddenlakens te drogen hangen worden ook die tot woede van zijn moeder met haastige schetsen opgesmukt. Bruegels prilste karikaturen van zijn corpulente vader en van zijn graatmagere en kwezelige tante begijn lokken in de strip hilarische reacties uit. Wanneer hij het te bont maakt wordt hij door meester Flapoor in een primitief lokaal, dat aan de beroemde tekening De Ezel op school doet denken, met stokslagen afgetroefd. Als de beloftevolle knaap door een inhalige herenboer naar een varkensstal wordt verbannen vernielen de knorbeesten niets vermoedend zijn tekenpapier.

 

Ik heb ook papierschaarste gekend," herinnert Jef Nys zich. "Tijdens de oorlog werd eerst geoefend op een afwasbaar of aflikbaar (!) bordje. Pas wanneer we voldoende vorderingen hadden gemaakt, mochten we van onze tekenleraar duur papier gebruiken. Om wat extra zakgeld te verdienen verkocht ik toen aan mijn medeleerlingen karikaturen van de lesgevers

 

 

De geboorte van Jommeke

 

Hoewel hij aanvankelijk technisch ingenieur wilde worden, kreeg hij, ondanks zijn passie voor de technische en wetenschappelijke vakken, van de schooldirectie de raad om voor een artistieke loopbaan te kiezen. "Met veel precisie had ik op mijn zestiende een stoommachine getekend en bewonderenswaardige uitvinders als Gramme, Ampère, Watt en Volta geportretteerd. Ook de sterrenkunde intrigeerde me mateloos.

 

Van beeldverhalen wist ik al helemaal niets. Toen ze veel later in de mode kwamen heb ik er maar enkele - en dan nog uitsluitend beroepshalve - gelezen. Dat ik op de Antwerpse Academie terecht kwam, was op aandringen van mijn omgeving. Als zoon van een sluiswachter, die in een verkeersongeval kort voordien was omgekomen, had ik een heel andere carrière in gedachten. Maar niemand kan voorspellen hoe zijn leven evolueert. Externe krachten oefenen onverwacht invloed uit. Toen Antwerpen in 1944 werd bestookt met V-bommen werd meteen de Academie gesloten en was ook mijn opleiding voortijdig afgebroken."

 

Toen het pas opgerichte satirische blad 't Pallieterke naar aanleiding van de Koningskwestie een wedstrijd uitschreef, waarbij als grap de socialist Kamiel Huysmans als president van de nieuwe Belgische republiek op een bankbriefje diende te worden afgebeeld, sleepte hij de eerste prijs in de wacht. De hoofdredacteur Bruno de Winter engageerde hem meteen voor het illustreren van artikels en een serie politieke spotprenten. Jef Nys maakte echter een einde aan de samenwerking, toen het tijdschrift standpunten verdedigde, die hij te extremistisch vond.

 

Bij Kerkelijk Leven werd hij door de dominicaan Frans Janssen met open armen ontvangen. Het 'Parochieblad' hoopte zijn oplage te verhogen en ook jonge lezers aan te trekken met een kinderpagina. Zo werd Jommeke geboren. "Het hoofdpersonage van mijn wekelijkse gagstrip was aanvankelijk een vijfjarig jongetje, dat maar al te graag kattenkwaad uithaalde. Door zijn energiek gedrag en zijn typische haarlook is hij meteen herkenbaar. Zijn naam heb ik ontleend van een dorpsfiguur, die Guillaume heette, maar door iedereen met Jomme werd aangesproken. Naast Jommeke verzorgde ik ook een geïllustreerde spreekwoordenrubriek en broedde ik voor elk nummer op 'Het opstel van Flupke'.

 

Toen ik drie jaar later overschakelde naar een dagkrant en Jommeke het boegbeeld werd van uitgesponnen stripverhalen tekende ik hem iets ouder, zodat hij ook grootse avontuurlijke reizen kon ondernemen. Bovendien werd zijn vriendenkring uitgebreid met de sprekende papegaai Flip, de speelvogel Filiberke, de poedel Pekkie en de onafscheidelijke tweeling Annemieke en Rozemieke, waarvan alleen ik schijn te weten dat ze niet als twee druppels water op elkaar gelijken omdat hun voetstructuur verschilt. De uitwaaierende haardos, de brede wenkbrauwen en het glimmend hoofd van professor Gobelijn zijn geïnspireerd op het uiterlijk van mijn vroegere collega Hendrik Bulterys." Dat zelfs de ouders van de jonge held worden opgevoerd is hoogst uitzonderlijk in de stripwereld: "Vader Teofiel is een net geklede, rijzige figuur. Zijn vrouw Marie is in de loop der jaren een stuk slanker geworden. Ze laten hun zoon zijn wilde plannen uitvoeren omdat ze weten dat ze hem kunnen vertrouwen."

 

 

Tijd- en geweldloos

 

Op de actualiteit worden in de tweehonderddertig Jommekes boeken, die tot nogtoe bij uitgeverij Het Volk en Dupuis zijn gepubliceerd, nooit toespelingen gemaakt. "Tijdsgebonden verhalen zijn vlug verouderd," getuigt Jef Nys. "Zelfs nu worden enkele oude boeken hertekend, waarin voorwerpen te zien zijn, die in onbruik zijn geraakt. Herkenning en identificatiemogelijkheden zijn voor jonge lezers niet te onderschatten. Ik wil hen de indruk geven dat ze gelijkaardige avonturen kunnen beleven. Toch dragen de personages gekke namen en prikkel ik de fantasie met grappige dinosaurussen, een vliegende ton of geniale malloten. Een tijdmachine hebben de personages echter niet nodig. Maar dat belet niet dat ze in het verleden geïnteresseerd zijn en een toekomstvisie hebben. Toen in de jaren zeventig een oliecrisis woedde en autoloze zondagen werden ingevoerd ontwikkelde professor Gobelijn een grasmobiel, die kon rijden zonder de traditionele benzine. In Duitsland en Brazilië wordt op dit moment ook geëxperimenteerd met alternatieve brandstoffen op basis van koolzaad en suikerriet." Geweld en aanstootgevende scènes worden systematisch uit de hele serie geweerd. Jef Nys heeft een afkeer van destructieve, nihilistische en cynische wendingen: "Testamentair is zelfs vastgelegd dat Jommeke ook na mijn dood goedaardig blijft en nooit gewelddadig wordt, al is het natuurlijk niet uitgesloten dat hij een humeurige dag beleeft."

 

Ludo Dosogne

 


50 JAAR JOMMEKE EN ANDERE STRIPS VAN JEF NYS (2005)

Belgisch Centrum voor het Beeldverhaal 

Zandstraat 20 

1000 Brussel 

Tel: 02.219.19.80  

www.stripmuseum.be


Illustraties

(U kan de illustraties bekijken in het PDF-formaat)

Jef Nys, Foto

Jef Nys, De wonderbare jeugd van Pieter Breugel, 1957

Jommeke en Jef Nys na 50 jaar nog altijd geliefd bij jonge lezers

Jef Nys, De trek naar China, (Pater Verbist, 1823-1868, stichter van de Missie van Scheut, 1961

Jommekes Standbeeld


 

STAD IN VROUWENHANDEN

 

Mechelen is gevallen. Niet onder wapengekletter, maar voor de charmes van twee klassevolle vrouwen.

 

Van 17 september tot 18 december 2005 zijn vrouwen aan de macht in Mechelen. In die periode zullen tentoonstellingen, podiumkunsten en socio-culturele activiteiten op straten en pleinen de stad een vrouwelijke toets geven. Hedendaagse kunstenaars exploreren er de vele facetten van vrouw-zijn en vrouwelijkheid vandaag en in de toekomst, maar het ankerpunt voor dit feestelijk cultuurproject is de kunsthistorische tentoonstelling Dames met Klasse. Het is meteen de eerste tentoonstelling die georganiseerd wordt in de volledig gerenoveerde erfgoedbrouwerij Lamot. Wat zich tot een kankerplek in de Mechelse binnenstad had kunnen ontwikkelen, heeft gelukkig een nieuwe én vernieuwende invulling gekregen. Economie - in de vorm van congresruimten en horeca - gaat er hand in hand met cultuur en erfgoed.

 

Dit gloednieuwe congres- en erfgoedcentrum, een uniek project in Vlaanderen, opent pas in september de deuren. Maar dit architecturaal hoogstandje kan nu al virtueel bezocht worden op de webstek Lamot-Mechelen. Deze geeft u een eerder zakelijk overzicht van de verschillende functies en zalen van Lamot, maar toont evengoed schetsen en genoeg foto's van de bouwwerken om u voor even op de werf te wanen.

 

 

Vrouwen aan de macht

 

Maar wie zijn nu deze dames met klasse die in Lamot tijdelijk onderdak zullen vinden? Margareta van York en Margareta van Oostenrijk; twee leading ladies die rond 1500 aan het roer van de Nederlanden stonden en die er in slaagden hun stempel te drukken op het politiek en cultureel leven. Hun leven laat zich moeilijk in enkele lijnen samenvatten. In een notendop: Margaretha van Oostenrijk (1480-1530) was de enige dochter van keizer Maximiliaan I van Oostenrijk en Maria van Bourgondië. Reeds verloofd op tweejarige leeftijd, werd zij na de dood van haar tweede echtgenoot in 1507 landvoogdes van de Nederlanden. Haar keuze om te regeren vanuit Mechelen, maakte van deze stad de hoofdplaats van de Lage Landen. Nadat ze met haar bewind rust en welvaart gebracht had, zou ze er ook sterven.

 

Ook haar naamgenote uit York (1446-1503) vond er haar laatste rustplaats. Als telg van de oudste tak van het Engelse koningshuis stak zij op 22-jarige leeftijd het kanaal over om in de Nederlanden de derde vrouw te worden van Karel de Stoute, hertog van Bourgondië. Aan deze Margaretha dankt Mechelen haar prachtig paleis. Eveneens een goede reden om haar te eren met een tentoonstelling.

 

 

Margaretha

 

In afwachting van de opening kan men nu al terecht op de webstek Mechelen2005 voor een vrouwelijk dubbelportret van deze machtige dames. Via een eigentijdse kaart en vier tijdslijnen van 1446 tot 1546 krijgt men er in woord en beeld een overzicht van een eeuw wereldgebeurtenissen, de ontwikkelingen in Mechelen en de hoogte- en dieptepunten in de levens van de blauwbloedige Margartha's. Helaas biedt deze geïllustreerde biografie van de beide Margaretha's (nog) niet de antwoorden op de vragen die ook in de tentoonstelling aan bod zullen komen: Wat hield hen bezig? Hoe hielden zij zich staande in zo'n uitgesproken mannenwereld? Wat was hun band met God, macht, kunst en wetenschap? Van de schilderijen, sculpturen, handschriften en oude drukken, wandtapijten en etnografische curiosa die in Lamot de vorstelijke leefwereld rond 1500 zullen oproepen, is evenmin al veel te zien. Des te meer reden om de tentoonstelling zelf te gaan bezoeken?

 

Alle praktische informatie, het volledige programma met alle activiteiten en evenementen van Mechelen 2005, alsook nuttige links naar alle partners, restaurants, hotels enzovoort vindt men op deze webstek. Verder biedt dit portaal de mogelijkheid om meteen ook tickets te bestellen of - voor wie uitgebreid op de hoogte wil blijven - om in te schrijven op een nieuwsbrief. Voor wie twijfelt hoe zich naar Mechelen te begeven, is de startpagina van Mechelen2005 misschien een tip. Een blik op de kaart en men snapt meteen waarom 170 jaar geleden de eerste trein op het Europese vasteland van Brussel naar Mechelen spoorde. Gent, Antwerpen en Brussel liggen vlakbij en - als er niet gestaakt wordt tenminste - kunnen cultuurtoeristen uit de vier windrichtingen gemakkelijk naar Mechelen treinen voor dit grote najaarsevenement.

 

 

Beeldbank Mechelen

 

Wie nog meer van Mechelen en omgeving wil bekijken, surft best ook eens naar Beeldbank Mechelen. Deze website is een initiatief van Erfgoedcel Mechelen, die ook tekent voor de erfgoedinvulling van de Lamot-site. De databank bundelt een verzameling van duizenden oude foto's, prentbriefkaarten, pentekeningen en ander historisch beeldmateriaal van het Mechelse stadsarchief. Elk beeld wordt er uitgebreid vormelijk en inhoudelijk beschreven.

 

Voor oudere Maneblussers zal het een hernieuwde kennismaking zijn met hun stad, maar niet-Mechelaars kunnen er net zo goed genieten van nostalgische sfeerbeelden van oude beroepen, of thematische collecties zoals kastelen of stationsgebouwen. Ook de archieven en particulieren van de gemeenten Lier, Heist-op-den-Berg, Duffel en Putte dragen trouwens hun bits en bytes bij tot deze regionale beeldbank. Favoriete plaatjes kunnen bewaard worden en zoeken doorheen deze digitale schatkamer kan via een trefwoordenlijst of vrije zoektermen. Aanrader is de zoekterm "Lamot" die 22 treffers oplevert en u meteen weer terugvoert naar de hoogdagen van de brouwerij. Vrouwen en drank: in Mechelen zorgt deze combinatie voor een fijne - culturele - beleving...

 

Alle informatie over 'Mechelen2005-Stad in Vrouwenhanden' en de Margaretha's vindt u op http://www.mechelen2005.be.

 

Eva Wuyts

 


 

KUNSTTOER: WELKOM IN HET BRUGSE OMMELAND

Er zijn zo van die plekken die net iéts meer lijken te hebben dan wat de norm voorschrijft. Het Brugse Ommeland is zo 'n regio.

 

 

Karaktervol erfgoed

 

Alleen al zijn bijzondere buren, de Vlaamse Kust en het wereldberoemde Brugge, geven het Brugse Ommeland de exclusiviteitstempel die het verdient. Het Brugse Ommeland is slenteren van het ene pittoreske dorpsgezicht naar het andere, genieten van 'le plat pays' en andere groenoases om na een dag vol couleur locale moe maar tevreden halt te houden in een typische kroeg of een gezellige eetgelegenheid. Wie van al dat plattelandsspektakel even genoeg heeft, vindt een goed alternatief in de sfeerstadjes op mensenmaat. Gezegend met karaktervol erfgoed hebben ze een belangrijke gemene deler: ze zijn stuk voor stuk de moeite waard om te ontdekken. En die ontdekkingsreis hoeft niet noodzakelijk per wagen, per fiets of te voet. Het kan zelfs in galop...

 

 

In stijl onthaasten

 

Zin om even de boel de boel te laten en er een weekendje of midweek op uit te trekken om in stijl te onthaasten? En mag het een exclusief charme-adres zijn of kies je voor een gezellig pension, een authentieke vakantiewoning of een sfeervolle gastenkamer? Wat je ook verkiest, het Brugse Ommeland serveert je een waaier van mogelijkheden. Brugge is een werelderfgoedstad die er in slaagt haar rijke historische karakter te koppelen aan een trendy kosmopolitische per­soonlijkheid. Damme is door de jaren heen uitgegroeid tot een gastronomisch en literair centrum. En dan zwijgen we nog over zijn indrukwekkend erfgoed. Lissewege is het filmische witte polderdorp dat de devotie van de pelgrims weet te combineren met het mysterie van de Tempeliers.

 

Wie wandelend of fietsend van de natuur in het Brugse Ommeland wil genieten, kan de Oudlandpolder ontdekken, het oudste ingepolderde gebied van Europa dat internationale faam verwierf, of de Zwinstreek, waar je naast vele roemrijke forten en dijken ook 's lands oudste natuurgebied vindt. Er is het Houtland met de mysterieuze kasteeldomeinen die deze bosgordel bevolken en hun geheimen slechts na enig aandringen prijsgeven. Je kan de kastelen van Wijnendale en Loppem bezoeken, of Abdij Ten Putte, waar legende en geschiedenis zich terugvinden in een oase van stilte.

 

 

Museum Constant Permeke

 

Een reden nodig om even halt te houden in Jabbeke? Wat dacht je van Permeke? De grote Vlaamse expressionist wist het hele dorp te inspireren. Constant Permeke werd weliswaar in Antwerpen geboren, maar verbleef zowat zijn hele leven in Jabbeke. De Vier Winden, het huis dat hij in 1929 liet optrekken en dat hij tot aan zijn dood op 4 januari 1952 betrok, herbergt vandaag het Provinciaal Museum Constant Permeke.

 

Het museum is volledig aan de persoon en het werk van Permeke gewijd, telt ruim 150 werken en wist zo nagenoeg zijn hele oeuvre te centraliseren. Dat oeuvre kent twee overheersende thema's: 'de vissers en de zee' en 'de boer en de aarde'. Met zijn aardekleurige en trefzekere verfstrepen wist Permeke als geen ander het leven van de boeren en de verbondenheid tussen mens en aarde weer te geven. Doorheen de seizoenen toont Permeke de boer en de boerin, worstelend op hun land, hun lot aanvaardend. De kunstenaar ligt samen met zijn vrouw Marietje begraven op het dorpskerkhof. Het kunstwerk dat hun graf siert is een eerbetoon van Georges Minne.

 

 

Logies in alle maten en vormen

 

Een korte vakantie, een weekendje weg of een midweek om even terug op adem te komen? Mag het een exclusieve kasteelkamer, een charmant hotelletje of een gezellige vakantiewoning zijn? Steek je liever de handen uit de mouwen, dan stellen we je graag een boerderijvakantie of een trekkershut voor. Je merkt het al, in het Brugse Ommeland vind je logies in alle maten en vormen en voor elk budget. Nieuw dit jaar is het arrangement Corpus'05, de ambitieuze opvolger van Brugge 2002, dat door verschillende logies-verstrekkers aangeboden wordt, en wanneer je 's avonds na al die inspirerende en internationaal gewaardeerde impulsen naar wat rust snakt, lonkt het Brugse Ommeland.

 

 

Info

 

Wil je meer weten over de toeristische mogelijkheden die het Brugse Ommeland te bieden heeft? Surf dan naar www.brugseommeland.be en vraag de streekpocket van het Brugse Ommeland aan, met allerlei toeristische informatie en weetjes (prijs €1, excl. portkosten)

 


 

KEUZE VAN DE REDACTIE

 

 

Dirk De Bruycker in het Caermersklooster

 

Dirk De Bruycker (°1955 Gent) maakt sinds 1991 grote abstracte doeken in gemengde techniek van gips, teer, kleurpigmenten in olie en enamel. Zijn schilderijen zijn overrompelend en toch ook ingetogen. Met zijn techniek herinnert hij aan de grote namen uit de Amerikaanse school maar hij verraadt ook zijn Vlaamse afkomst door het gebruik van aardkleuren en zijn overlevering aan het landschap. Hij brengt contrasterende elementen samen en laat ze op het doek hun strijd uitvechten, het is de toeschouwer die de strijd beslecht door zich over te leveren aan deze of gene kleur. Hij leeft in New Mexico en is sterk beïnvloed door de grootsheid van het landschap, ruw en meedogenloos. Het drama is in zijn werk nooit ver weg, de tweestrijd of de strijd van de giganten. Het komt tot uiting in de kleuren, in het licht en in de afmetingen. Toch is er ook plaats voor het breekbare, het tedere, de broosheid van het bestaan.

 

De Bruycker heeft op zijn palmares talloze tentoonstellingen in België en de Verenigde Staten en krijgt nu de gelegenheid om op zijn vijftigste in het Caermersklooster te exposeren. (DR)

 

Dirk De Bruycker, 2005 in het Provinciaal Cultuurcentrum Caermersklooster, Vrouwebroersstraat 6, 9000 Gent, Tel. 09.269.2910

 


Illustratie

Dirk De Bruycker, Broken Night I


 

Gillis Mostaert (1528-1598), een tijdgenoot van Bruegel

 

Pieter Bruegel de Oude geldt als een van de grootmeesters van de kunst, en Antwerpen als de belangrijkste metropool in de geschiedenis van de Nederlanden in de zestiende eeuw. Reformatie en Contrareformatie, Spaanse overheersing en onafhankelijkheidsstrijd kenden in de Scheldestad een merkwaardige historische concentratie. Ondanks en juist wegens de oorlog, beeldenstorm en politieke omwentelingen bloeiden er de kunsten, en waren de meesters en hun ateliers er ongemeen productief. Ze ontwikkelden er een breed spectrum van nieuwe schilderkunstige genres en thema's, die we als een spiegel kunnen zien van de toenmalige levensomstandigheden en geloofsverhoudingen.

 

Eén van hen was Gillis Mostaert (1528-1598), een tijdgenoot van Bruegel de Oude, die hij enkele decennia overleefde. Met hem en met de beeldproductie van zijn zonen trad hij in concurrentie. Hij gold als een zeer vruchtbare en creatieve kunstenaar, wiens werken, vol levendig koloriet en met elegante figurentekening, zeer gezocht waren. Uit de inventarissen van Antwerpse kunstverzamelingen van zijn tijd komt een rijk en duurbetaald oeuvre naar voor, waarin het kabinetschilderij voor privaat gebruik overheerst: markten, kermissen, dorpsgezichten, seizoenen, winterlandschappen, krijgs- en brandtaferelen, beelden uit het leven van Maria en Christus, evenals parabels en allegorieën.

 

Het is de eerste maal dat een monografische tentoonstelling aan het werk en leven van Gillis Mostaert wordt gewijd. Het wordt bovendien geplaatst in het kader van het werk van tijdgenoten zoals de zonen van Bruegel, Lucas van Valckenborch, en Hans van Wechelen. De werken komen uit privé-verzamelingen en musea en bestrijken de thema's van kermis en bruiloftsfeest tot boerenruzie en overval, van het oudtestamentische Sodom en Gomorrha tot de kruisdraging van Christus. Een vijftigtal schilderijen en tekeningen geeft een beeld van zijn veelzijdige productie, en tevens van de voor zijn tijd zo typische nieuwe ontwikkelingen in de figuur- en landschapsschilderkunst, veelal tegen de politiek-historische achtergrond van Antwerpen.

 

De tentoonstelling werd georganiseerd door het Wallraf-Richartz-Museum te Keulen, waar ze voorafgaandelijk aan Antwerpen plaats heeft gevonden. Bij de tentoonstelling hoort een boek waarin het oeuvre van de kunstenaar in vijf bijdragen en door talrijke afbeeldingen word toegelicht. (PW)

 

Gillis Mostaert (1528-1598), Een tijdgenoot van Bruegel, 2005 - Mayer van den Berghmuseum, Lange Gasthuisstraat 19, 2000 Antwerpen - Tel. 03.338.81.88


Illustratie

G. Mostaert, Dorpskermis (Boerenbruiloft), na 1575
Berlijn, Gemäldegalerie, PK (Bruikleen uit privé-bezit)


 

El Fruto de la Fé in de kunsthal in de Sint-Pietersabdij in Gent

 

La Palma is een van de 'eilanden der gelukzaligen' zoals Homerus de Canarische eilanden al om­schreef. In 1497 wordt de archipel voor de Afrikaanse westkust, bewoond door de Guanchen, toegekend aan Spanje. Vanuit Vlaanderen trekt begin zestiende eeuw Jacome Monteverde, afkomstig uit Keulen maar woonachtig in Antwerpen, naar La Palma. Zijn familie is één van de eerste Vlaamse geslachten die zich, aangetrokken door de suikerhandel, op het eiland vestigt. Rond 1550 kunnen we al spreken van een ware Vlaamse natie. Onophoudelijk wordt er gereisd tussen La Palma en Vlaanderen. Schepen vervoeren suiker naar Vlaanderen en nemen als retourvracht kunstwerken aan boord. Die Vlaamse kunst is bestemd voor privé-kapellen en voor de eerste kerken die op La Palma worden gebouwd. Zo brengt men het verre vaderland en de nieuwe heimat een beetje dichter bij elkaar. Vandaag treffen we nog een aanzienlijk aantal Vlaamse schilderijen en beeldhouwwerken van grote artistieke kwaliteit op het eiland aan.

 

Dit levend Europees erfgoed bevindt zich vooral op kleine en verrassende locaties. Het toont nog maar eens dat de grote musea geen monopolie bezitten op artistieke kwaliteit of historisch belang. Er bestond in de belangrijkste Vlaamse en Brabantse steden (Brussel, Antwerpen, Mechelen en Brugge) een bloeiende exportnijverheid van retabels, beeldhouwwerken en schilderijen, die binnen de kortste keren heel West-Europa vanaf het noorden en het centrum van het continent tot in Castilië, Portugal en de Canarische eilanden, Madeira en de Azoren overspoelden.

 

Op het eiland La Palma bleven de kunstwerken, vaak echte meesterwerken, vooral bewaard omdat ze voor de lokale gemeenschappen een levendige rol speelden. Veel van die beelden waren, soms na tal van transformaties, het voorwerp van de aanhoudende plaatselijke volksdevotie. Bepaalde stukken groeiden uit tot sterk vereerde cultusobjecten, die hun stempel bleven drukken op de lokale beeldhouwkunst. Zo treden de Vlaamse beeldhouwwerken die door de eigenaars van suikerplantages of suikermolens werden geïmporteerd, aan het licht als el fruto de la fe: vruchten van de godsdienst en het geloof. (PW)

 

El Fruto de la Fé, 2005 in Kunsthal Sint-Pietersabdij, Sint-Pietersplein 9, 9000 Gent - Tel. 09.243.97.30

 


Illustratie

Onze-Lieve-Vrouw van de Incarnatie, Antwerpen, ca. 1523-1525
Hout, verguld, gepolychromeerd, Parochiekerk van Nuestra Señora de la Encarnacion, Santa Cruz de la Palma, La Palma, Spanje


 

Emile Verhaeren 150

 

Dit jaar vieren we de 150ste geboorteverjaardag van Emile Verhaeren. Hij is niet in één doosje te stoppen en daarom vinden meerdere initiatieven plaats die de diverse aspecten van Verhaeren belichten. In het Provinciaal Museum Emile Verhaeren loopt de overzichtstentoonstelling TegenWOORDig. Ze biedt alvast de gelegenheid om het talent en de veelzijdigheid van Verhaeren te (her)ontdekken. De bezoeker maakt kennis met de dichter, zijn oeuvre en zijn talrijke vooraanstaande vrienden. Zelden of nooit getoonde manuscripten, brieven, foto's, realia en werken van onder meer Constantin Meunier, Theo Van Rysselberghe, Léon Spilliaert en Ossip Zadkine openen Verhaerens fascinerende wereld.

 

In dit Verhaerenjaar staan nog tentoonstellingen op het programma. Vanaf september presenteert de Antwerpse Koningin Fabiolazaal Anarchisten rond Emile Verhaeren. (MV)

 


Emile Verhaeren (1855-1916) TegenWOORDig

Provinciaal Museum Emile Verhaeren 

Emile Verhaerenstraat 71 

2890 Sint-Amands 

Tel. 052.33.08.05 

www.emileverhaeren.be


 

KIJKPARADIJZEN VOOR HET VOLK

 

 

Panorama's en diorama's in Antwerpen

 

Dit is het derde deel in de reeks Erfgoedgidsen die Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen uitgeeft in samenwerking met de Provincie Antwerpen. Kijkparadijzen voor het volk belicht een stukje verdwenen erfgoed: panoramagebouwen en diorama's. Het panorama ontstond op het einde van de achttiende eeuw en ontwikkelde zich in een minimum van tijd tot het eerste massamedium van het westen. Een panorama bestond uit een gesloten paviljoen met een enorm schilderij dat cirkelvormig was opgehangen. De bezoeker ging door een verduisterde gang naar een kijkplatform, waar hij zich in het midden van de uitgebeelde gebeurtenis waande. Een succesvolle variant van het panorama, het diorama, bracht nog meer wonderlijke effecten, zoals beweging, licht en donker. Hier keek het publiek door een verduisterde tunnel naar het oplichtende dioramaschilderij.

 

Dat ook Antwerpen een rol heeft gespeeld in deze geschiedenis van optische illusies, is zo goed als onbekend. Er bestaan weliswaar geen monumentale relicten van Antwerpse panorama's, maar geduldig speurwerk van de auteurs leverde stof op voor een boeiend verhaal.

 

Op 16 juli 1881 opende het panorama Antwerpen in de XVIde eeuw, als eerste van de drie die dat jaar in de stad opgericht werden. Het was een initiatief van de in 1880 in Brussel opgerichte Société Anonyme des panoramas des artistes Belges. De marine-schilder Louis Artan leverde het ontwerp, dat door anderen uitgewerkt werd tot een enorm doek met een diameter van 36 meter en een hoogte van 12 meter. Datzelfde jaar zouden in Antwerpen nog twee panoramarotondes hun deuren openen. Op de hoek van de De Keyserlei en de Frankrijklei stond het panorama van Waterloo, geschilderd door Charles Verlat. In de dierentuin vestigde zich het panorama met de slag van Wörth van de hand van Alfred Cluysenaer.

 

Lang zou het succes niet duren, want de tijd had het panoramafenomeen weldra ingehaald. Terwijl panorama's een mogelijkheid boden om een virtuele reis te maken, lieten betere transportmogelijkheden en dito toeristische infrastructuur steeds meer mensen toe om écht op reis te gaan. En wie zich dat niet kon permitteren, had dan toch geld voor de goedkope geïllustreerde tijdschriften, met foto's van gebeurtenissen en taferelen van over heel de wereld.

 

Een heropleving van de panorama's kwam er met de wereldtentoonstellingen. In 1894 tijdens de wereldtentoonstelling in Antwerpen was één van de blikvangers het Congodiorama. De zes dioramataferelen, uitgevoerd door de Antwerpse schilders Robert Mols (1848-1903) en Piet Van Engelen (1863-1934) brachten zowel het beschavingswerk van de Belgen in beeld als indrukwekkende landschappen en eerder anekdotische voorvallen. Dergelijke opflakkering kon buiten de context van wereldtentoonstellingen niet voortduren: het publiek dat ooit vanop een kijkplatform naar een stemmig verduisterd en onbeweeglijk panoramaschilderij had staan kijken, was in de korte tijdsspanne van enkele decennia verwend geraakt met een niet te stuiten en voortdurend aanzwellende vloed aan visuele prikkels en reiservaringen.

 

Deze boeiende erfgoedgids bevat uniek beeldmateriaal en talloze onuitgegeven documenten en illustraties.
'Kijkparadijzen voor het Volk. Panoramagebouwen in Antwerpen' door Stefaan Grieten en Evelien Verniers.

 


Illustraties

De panoramarotonde Antwerpen in de XVIde eeuw
Chromolitho, circa 1882, Universiteit Gent, Centrale bibliotheek

Het panorama in de Dierentuin, afgebeeld op een menukaart
van het banket ter ere van schilder Alfred Cluysenaer op 13 augustus 1881, Archief KMDA

De schilders Robert Mols en Piet Van Engelen aan het werk aan één van hun diorama's van Congo op de Wereldtentoonstelling van Antwerpen in 1894
Verzameling FotoMuseum Provincie Antwerpen


 

KLARA

Elke zaterdag en zondag tussen 7 en 10 uur kiest Herwig Verhovert voor u de opvallendste tentoonstellingen en culturele manifestaties waar u de volgende dagen naartoe kan. Elke week is er ook een reportage over een vaste collectie van een museum.

 

Instituut van de Ursulinen met wintertuin Onze-Lieve-Vrouw-Waver

 

Juni is bij Klara de 'maand van de openbare gebouwen'. De opening vindt plaats in het Instituut van de Ursulinen te Onze-Lieve-Vrouw-Waver. De zusters, die in 1841 toekwamen, zouden het beeld en het silhouet van Waver - in de volksmond terecht 'Torekenswaver' genoemd - grondig wijzigen. Het unieke karakter van het enorme school- en kloostercomplex ligt in de merkwaardige synthese van uiteenlopende stijlen als neoclassicisme, neogotiek, neoromaans en empire. In 1900 bouwde het instituut een prachtige wintertuin in art nouveau. Het was de ontvangstruimte voor de bezoekers van honderden inwonende meisjes. Nog steeds verrast de wintertuin door het verfijnde spel van licht en kleur.

 

In de reeks 'Erfgoed Lokaal' van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen verschijnt dit najaar een boeiend boek over de vele interessante gebouwen en monumenten van Sint-Katelijne-Waver. (Uitzending 4 juni 2005)

 

 

AMVC-Letterenhuis Antwerpen

 

De afsluiter van de 'maand van de openbare gebouwen' vindt plaats in het AMVC-Letterenhuis. Deze uitzending is meteen ook de voorstelling van de aflevering 'Literaire musea en schrijvershuizen', die Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen in de tweede helft van juni publiceert. Vijftig abonnees kunnen aan deze live-uitzending deelnemen. Herwig Verhovert ontvangt als centrale gasten Leen Van Dijck, conservator van het museum, en Jos Verniest, auteur van de OKV-aflevering. Voor de muziek put het programma uit vaak onbekende werken waarvan de partituren in het AMVC-archief bewaard worden. Na de Klara-uitzending kan u kennismaken met de vernieuwde permanente tentoonstelling van het AMVC-Letterenhuis. (Uitzending 26 juni 2005)

 


 

ZWART OP WIT

 

Meer dan de moeite waard

 

"Hartelijk dank omdat ik het Charliermuseum samen met OKV heb kunnen bezoeken. Het was meer dan de moeite waard. Prachtig initiatief!", mailde abonnee José Tielemans.

 

 

Attractieve erfgoedgidsen

 

"De Groene Boulevard. Een promenade langs 700 jaar Hasselt is een deeltje uit een attractieve en toegankelijke reeks erfgoedgidsen, die onder de noemer 'Erfgoed Lokaal' de culturele biografie schrijven van een gemeente of een stadsbuurt, vergezeld van archiefbeelden en typische volksvertellingen."
Monumenten & Landschappen, november-december 2004.

 

 

Bijzondere schoolreizen

 

Ter voorbereiding van een special rond jongeren en musea wensen we te weten waar u vroeger met uw school naartoe ging. Een greep uit de eerste reacties. "Even vertellen dat de schoolreis die me is bijgebleven de trip naar Waterloo was in de jaren 1950: het beklimmen van de 'terp', een bezoek aan het museumpje, het verorberen van meegebrachte boterhammetjes, het ravotten op de wei en het kopen van een 'kadootje' voor thuis. Die thuiskomst was niet zo denderend. Ik kocht namelijk voor vader een plaasteren buste van Napoleon. De commentaar die ik na het overhandigen van mijn geschenkje kreeg was héél duidelijk: "Hoe is het mogelijk dat ge geld uitgeeft aan zo een tiran en moordenaar." Daar kon ik het dan mee stellen en eigenaardig genoeg was Napoleon al na twee dagen gehalveerd: 'iemand' in ons gezinnetje had de man van Elba laten vallen! In Waterloo ben ik nooit meer teruggeweest, zeker niet nadat we kennis maakten met de Boerenkrijg in onze jeugdbeweging." Hugo uit Antwerpen

 

"Het blijft voor mij nog altijd dé schoolreis onder de schoolreizen: die van 1956! Ik zat in het tweede middelbaar van een tamelijk grote Mechelse school. Op één dag trokken de zowat 600 leerlingen tegelijkertijd op schoolreis. De helft stapte op de trein en spoorde richting Antwer­pen. Daar stapten even later zowat 300 leerlingen over de Meir richting het Steen, en de vlakbij gelegen afvaartkade van de Flandriaboten. We vergaapten ons onderweg aan de indrukwekkende gevels van de 'koekenstad'. Het was mooi, en in mijn herinneringen ook veel groener op de de Keyserlei en de Meir, richting Boerentoren, Groenplaats en tenslotte de kaai. Gezwind stapten we op de Flandriaboot, richting Zeebrugge. Daar kwamen we de andere helft van de school tegen: die waren met luxe-autobus - nu vanzelfsprekend, maar toen een heel evenement! - naar Brugge gereden en hadden ons al heel wat te vertellen over die mooie stad. Ik herinner me dat we mekaar maar kort zagen: het was echt een wisseling van vervoermiddelen: die van de boot stapten in de bussen en die van de bussen trokken de boot op. Wij dus richting Brugge: en het was mooi. Ik vergeet nooit hoe ik in de verte de Belforttoren zag opdoemen, omringd door nog enkele mooie kerktorens. Echt heel goed weet ik niet meer welke musea we bezochten, maar in elk geval beklommen we die Belforttoren. Toen de avond viel, moesten we alleen nog maar met die 'sjieke' bus richting Mechelen rijden, voor zover ik me herinner over een gloednieuwe snelweg, zonder files. Heerlijk!" M.J. De Wachter uit Mechelen

 

Bewaart ook u bijzondere herinneringen aan uw schoolreis. Laat het ons weten. Schrijf naar Openbaar Kunstbezit Vlaanderen, Hofstraat 15, 2000 Antwerpen of mail naar info@okv.be.

 


 

DE KUNST VAN HET VERNIEUWEN (Enquête)

 

Wanneer zo'n veertig jaar geleden Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen ontstond, was de motivatie van de stichters vrij duidelijk: beeldende kunst en ons kunstbezit dichter bij de mensen brengen omdat onze musea zo weinig bekend waren. Ondertussen is er gelukkig heel wat ver­anderd en evolueerde Openbaar Kunstbezit mee.

 

Na de wijnrode kaften met eenvoudige reproducties en bijhorende verklarende teksten, volgden themanummers die een monument, een museum of een kunsthistorisch onderwerp in de verf zetten. Ook in de samenleving nam het aanbod van tentoonstellingen en evenementen in musea en culturele centra toe. In de jaren zeventig kreeg elke stad of gemeente zijn cultureel centrum met onmiddellijk een enorm aanbod van tentoonstellingen en cursussen.

 

Openbaar Kunstbezit volgde die trend en bracht op vraag van de vele abonnees een agenda uit die al de activiteiten in kaart bracht. Deze OKV-Plus evolueerde: de agenda-formule werd verlaten en in de plaats kwamen uitgebreidere besprekingen van tentoonstellingen, boeken en andere erfgoedevenementen. De uitgebreide tentoonstellingsagenda ging digitaal via www.tento.be met bijna vijftienduizend bezoekers per maand en meer dan 1 miljoen hits per maand. Maar toch horen en voelen we bij vele mensen de noodzaak om opnieuw te beschikken over een gedrukte en uitgebreide agenda die meerdere maanden op voorhand een overzicht biedt van alles wat onze musea en tentoonstellingsmakers te bieden hebben.

 

Verder vragen we ons af of u meer actueel tentoonstellingsnieuws wil of meer themanummers? En waarover? Gaat u soms mee met onze OKV-Club en wenst u eventueel dat ze meer activiteiten organiseert? Allemaal vragen waarvan we de antwoorden uit de mond van onze abonnees zelf willen horen. Want de geschiedenis van OKV is er één van voortdurend evolueren, zonder allerlei modieuze trends te willen nahollen of te willen vernieuwen om te vernieuwen.

 

Bij dit nummer vindt u een kleine enquête die we van u ingevuld terugverwachten. Een kleine moeite waarmee u ons helpt en waarmee u ook een exclusief erfgoed-weekend in Brussel kan winnen. We kijken uit naar uw antwoord en alvast bedankt.

 


 

DE VLÄMISCHE STRASSE

 

Ambulante handel uit de Kempen, Westfalen en Vriezeveen tot in Rusland (16de - 20ste eeuw).

 

Door J.-L. van de Wouwer, J. Cornelissen, K. Meeuwse en E. Ravtovitch

 

Dit boek vertelt de geschiedenis van een vergeten groep, de rondtrekkende kooplui uit de vroegere Nederlanden en Westfalen die van de 16de tot de 20ste eeuw handel dreven in moeilijke omstandigheden. Ze legden grote afstanden af, trokken naar de Scandinavische landen, Polen en zelfs Rusland. De "Vlämische Strasse" liep van Almelo tot Flensburg/Lübeck, vanwaar sommigen nog verder reisden tot Sint-Petersburg. Het is opmerkelijk dat deze rondtrekkende kooplui, afkomstig uit arme gezinnen, bijzondere vormen van internationale handel hebben kunnen creëren.Het feit dat ze specifieke organisaties hebben tot stand gebracht en onderworpen waren aan strikte gedragsregels heeft daar zeker toe bijgedragen. Het werk beschrijft verscheidene aspecten van hun privé- en beroepsleven en illustreert het aan de hand van concrete voorbeelden en talrijke beelden.

 

Eveneens beschikbaar in het Frans, het Engels en het Duits, €37.00 - Uitgave DEXIA Bank


 

 

 

 

 

Albrecht & Isabella, Ambiorix, AMVC Letterenhuis Antwerpen, Anna van Lotharingen, Anna-te-Drieën, Arnikus, Baegaert Derick, Baertson Albert, Bastin Jules, Beernaert August, Bellona, Belvaux Rémy, Bening Simon, Benoit Peter, Bertouil, Bervoets Fred, Boduognat, Bosch Hiëronymus, Breidel Jan & De Coninck Pieter, Broodthaers Marcel, Bruegel Pieter de Oude, Brumagne Anne, Bulterys Hendrik, Caesar Julius, Caravaggio, Charlier Jacques, Christophorus, Christus, Claus Emile, Cleynaerts Nicolaas, Cluysenaer Alfred, Collectie Vlaanderen van Studiecentrum Vlaamse miniaturisten K.U.Leuven, Conscience Hendrik, Coolen Caroline, da Messina Antonello, da Vinci Leonardo, David Gerard, David Teniers de Jonge, De Backer Geert, De Bruycker Dirk, de Busscher Joseph, de Groot Guillaume, de Keyser Nicaise, de Vigne Paul, de Vigne-Quyo Pierre, de Winter Bruno, del Cossa Francesco, Delacenserie Louis, Deleus Luc, Diestse Primitievengroep, Dosogne Ludo, Ducaju Joseph-Jacques, Duerloo Luc, Dujardin Paul, Dürer Albrecht, Egidius, Elisabeth, Ensor James, Evenepoel Henri, Filips Willem van Oranje-Nassau, Filmfestival EXPRMNTL Knokke, Fortuny y Marsal Mariano, Frick collectie New York, Fromentin Eugène, Gabriël, Garcet Robert, Géricault Théodore, Gijsbrechts Cornelis Norbertus, Giron Robert, Godfried van Bouillon, Grieten Stefaan, Hoghart William, Höller Carsten, Horta Victor, Houtart, Huysmans Kamiel, Hymans H.P., Jacqmart de Hesdin, Jan Berchmans, Janssen Frans, Janssens Ann Veronica, Jehotte Louis, Johannes de Doper, Johannes de Evangelist, Karel de Stoute, Karel V, Karel van Lorreinen, Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium Brussel, La Fontaine Henri, Langui Emile, Leopold I, Leopold II & Marie-Henriette, Leys Henri, Liekens Tom, Marcelis Karl, Margareta van Oostenrijk, Margareta van York, Maria moeder van Christus, Maria van Bourgondië, Maurus, Maximiliaan I van Oostenrijk, Memling Hans, Merckx Eddy, Meunier Constantin, Minne Georges, Mols Robert, Moreel Willem & van Vlaenderenberch Barbara, Mostaert Gillis, Mter. v/d Brugse Aanbidding, Mundaneum, Museo Thyssen-Bornemisza Madrid, Napoleon, Nolet de Brauwere van Steelandt Johannes, Nothomb Jean-Baptiste, Nys Jef, Otlet Paul, Paelinck Joseph, Paul Getty Museum, Permeke Constant, Permeke Constant, Perugino, Petrus Christus, Pieterszoon Van de Venne Adriaan, Pinturicchio, Poelvoorde Benoît, Portaels, Portinari Tommaso & Maria, Pourbus Pieter, Prijs Cultureel Erfgoed 2004, Rafaël, Rau Daan, René van Chalon, Rogier Charles, Rombouts Theodoor, Rubens Peter Paul, Rubens Peter Paul, Sauwen Rik, Scribe Fernand, Serneels Stefan, Simeon, Simonis Louis, Sint Sulpitiuskerk Diest, Szeemann Harald, ter Brugghen Hendrik, Tieleman-Franciscus Suys, Till-Holger Borchert, Triest Antoon, van Artevelde Jacob, Van den Berghe Frits, Van der Beeck-Bouvy, van der Linden Gilbert, van der Weyden Rogier, Van der Weyden Rogier, Van Dijck Leen, van Dyck Anthony, Van Dyck Bart, Van Engelen Piet, van Ertborn Florent-Joseph, van Es Jacob, van Eyck gebroeders, van Eyewerve Jan & Buuck Jacquemyne, van Geert Frans, van Hontborst Gerard, Van Loon Theodor, Van Poucke Tine, van Rysselberghe Charles, Van Rysselberghe Theo, van Valckenborch Lucas, van Wechelen Hans, Vanvaeck Mark, Verbrugge de Jonge Gaspar-Peter, Verellen J., Verhaeren Emile, Verlat Charles, Verniers Evelien, Verniest Jos, Wallraf-Richartz-Museum Köln, Watteeuw Lieve, Willaert Philip, Willem de Zwijger, Wingens Marc, Wintertuin Instituut Onze-Lieve-Vrouw-Waver, Wouters Peter, Wouters Rik, Zadkine Ossip, OKV2005, Artan Louis, OKV2005.2+