U bent hier

ModeMuseum Provincie Antwerpen

Stalenboek katoendrukkerij Voortman-Société Anonyme Texas, Gent, ca.1880
Stalenboek van de katoendrukkerij Voortman-Société Anonyme Texas, Gent, ca. 1880 (detail)

 

Inleiding

 
 
 
Louis Paul Boon opperde in één van zijn Boontjes Bittere Bedenkingen, gepubliceerd in de krant de Vooruit, dat elke mode belachelijk is op het moment dat ze geen mode meer is. De collectie van het MoMu, die grotendeels bestaat uit de erfenis van het vroegere Textiel- en Kostuummuseum, laat toch wel het tegendeel zien. De verzameling is uiterst gevarieerd en omvat kleding, kant, borduurwerk, weefsels en gereedschap voor ambachtelijke textielbewerking, voornamelijk afkomstig uit de Zuidelijke Nederlanden. De oudste stukken dateren uit de zestiende eeuw, maar vooral de negentiende eeuw is sterk vertegenwoordigd. Het MoMu voegt daar met zijn hedendaagse visie en aankoopbeleid vooral stukken van Belgische modeontwerpers aan toe. Het museum wil de Antwerpse mode en de in Antwerpen geschoolde ontwerpers situeren in een bredere historische en artistieke context.
 
Sinds enkele jaren is het ModeMuseum één van de uithangborden van de Provincie Antwerpen en sinds de opening in 2002 heeft het al een stevige plaats veroverd in het Antwerpse museumlandschap. En het feit dat het MoMu onderdak gekregen heeft in de ModeNatie, samen met het Flanders Fashion Institute, de modeafdeling van de Hogeschool Antwerpen, bookshop Copyright en Yohji Yamamoto Inc., betekent dat mode een vaste stek heeft in de provincie Antwerpen.
 
Het dynamisch tentoonstellingsbeleid weet vele bezoekers te boeien, en in de toekomst zal deze koers van creativiteit, originaliteit en een frisse aanpak verdergezet worden.
 
Deze publicatie biedt een kennismaking met het MoMu en zet aan om een bezoek te brengen aan 'de collectieve kleerkast van onze samenleving', die vijf eeuwen herinneringen bewaart, van de hoge burgerij én van het gewone volk.
 
Ludo Helsen,
gedeputeerde voor cultuur
Provincie Antwerpen
 

 

INHOUD:  

  • Het gebouw en zijn bewoners
  • De historische collectie
  • Het MoMu vandaag
  • De tentoonstellingen van het MoMu
  • De bibliotheek
  • Praktische informatie


 

Het gebouw en zijn bewoners

ModeNatie transformeert de hele buurt

 
 
 
Het ModeMuseum heeft onderdak in de ModeNatie in de Nationalestraat. De geschiedenis van het gebouw gaat terug tot de negentiende eeuw en is nauw verweven met de straat, die toen nog Boeksteeg heette. Ze liep van de IJzerenwaag tot de Kronenburgstraat. In het laatste kwart van de negentiende eeuw volgde Antwerpen het Parijse voorbeeld en verbreedde de Boeksteeg tot een boulevard die van de Groenplaats naar het nieuwe stadsdeel 'Het Zuid' loopt. In die periode ontstond ook het gebouw dat nu de ModeNatie heet.
 
In 1893 kocht Alphonse Van de Put een perceel land en laat Ernst Dieltiens een gebouw tekenen. Dieltiens ontwierp ook de Sint-Norbertuskerk op de Antwerpse Dageraadplaats en was leerkracht aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten. Het gebouw had van in het begin vele huurders. Zo startte Pierre Einmahl er de herenmodezaak New England, een zekere A . Bardelli begon het luxehotel Central en ook het Siamees consulaat was er gevestigd. Geen van deze drie bleven. Onder andere de Compagnie Générale Charbonnière en L'Éscaut, de Antwerpse elektriciteitsmaatschappij, nam er haar intrek. Door de associatie met L'Escaut kreeg het gebouw de bijnaam 'den ellentrik'. In het midden van de jaren 1960 verkocht de elektriciteitsmaatschappij het aan de Stad Antwerpen. De nieuwe eigenaar bracht er de ateliers en kantoren van haar beschutte werkplaats in onder. Ook deze activiteiten bleven er niet gevestigd en vanaf 1990 stond het leeg.
 
De oprichting van het Flanders Fashion Institure (FFI) in 1997 gaf het gebouw, en eigenlijk ook de hele buurt, nieuwe impulsen. De 'parochie van miserie', zoals de Antwerpenaren het Sint-Andrieskwartier noemden, onderging een ware transformatie. Door de komst van de ModeNatie vestigden steeds meer jonge designers zich in de Nationalestraat en de Kammenstraat, die veranderden in hippe (dure) winkelstraten.
 
Eerst gebruikte het FFI het leegstaande gebouw als uitvalsbasis voor projecten zoals Fashion for Van Dijck en Vitrine. Geleidelijk aan rijpte de idee om het als een permanent hoofdkwartier voor de Antwerpse mode te gebruiken. Naar analogie met de havenbedrijven of naties die zich rond een bepaalde groep of product verenigen, doopte men het gebouw 'ModeNatie'.
 
 

De visie van architect Marie-Josée Van Hee

 

In 1999 kreeg de Gentse architect Marie-Josée Van Hee de opdracht de ingrijpende renovatie en verbouwing van de ModeNatie te concipiëren. Zij beschreef het gebouw als volgt: "Het indrukwekkende hoekpand, gelegen tussen de Nationalestraat en de Drukkerijstraat was gestructureerd rond een driehoekige binnenpatio. Op de benedenverdieping bevond zich een open presentatieruimte waarbij slanke metalen kolommen beeldbepalend waren voor het interieur. In de loop der jaren onderging het interieur drastische wijzigingen. De meeste ingrepen dateren uit de jaren 1965 - 1967, toen het gebouw de bestemming kreeg van beschermde werkplaats. Men bracht liften en nieuwe vluchttrappen aan, evenals tussenvloeren op het gelijkvloers. De beschermde werkplaats werd in 1977 uitgebreid met de gebouwen gelegen aan de Drukkerijstraat 9 en 15. Het is een constructie met een zware balkstructuur en met lage plafondhoogtes."
 
Marie-Josée Van Hee oordeelde dat de nieuwe bestemming van het monumentale hoekpand past in een ambitie om aan de directe omgeving een zinvolle impuls te geven. "Het bij elkaar brengen van een aantal afzonderlijke maar op elkaar aangewezen bestemmingen is het vertrekpunt van het project. Na de verbouwing zal dit grote pand onderdak bieden aan het Mode-Museum Provincie Antwerpen (MoMu), de Mode-Academie, het Flanders Fashion Institute, een forum en conferentiezaal, kantoren, een bookshop en een brasserie (die er niet meer is). Het bij elkaar brengen van dit alles garandeert dat het gebouw een permanente dynamiek zal uitstralen."
 
Om dit programma te kunnen realiseren vond Van Hee het noodzakelijk om alle invullingen te elimineren die een toekomstige goede en logische organisatie zouden belemmeren of zelfs onmogelijk maken. Ze liet het gebouw aan de Drukkerijstraat 15 - met zijn beperkende structuur - slopen en de driehoekige binnenkern volledig vrijmaken tot het kelderniveau. Ook de betonnen trap kon om organisatorische reden niet behouden blijven. Met het slopen van de tussenverdieping op het gelijkvloers herstelde de architect de oorspronkelijke hoge ruimtelijkheid.
 
Het bij elkaar en vooral boven elkaar brengen van de nieuwe bestemmingen heeft een zeer grote impact op de mogelijkheden van de inwendige organisatie. Om de ModeNatie optimaal te kunnen inpassen in het omringende stedelijke weefsel koos Van Hee op het gelijkvloers voor een nieuwe, brede horizontale doorsteek, een verbinding tussen de Nationalestraat en de DrukkerijstraaL
"Deze oplossing benadrukt op een evidente wijze de toegangen tot het gebouw; de helderheid is bovendien van belang om de diverse aspecten van de veiligheid te realiseren. Het bij elkaar brengen van de functies resulteerde in een grote centrale ruimte, een atrium, waar ook de trappen en de lift een plaats hebben. Het is een ruimtelijk geheel waar verschillende platforms op uitgeven. Bij de plaatsing van de trap is gezocht om de ruimte een grote dynamiek te geven. Het geheel is ontworpen als een zelfstandige draagstructuur binnen de bestaande structuur van het gebouw en is volledig afgewerkt in merbau hout." Vanuit het centrale atrium is er op het gelijkvloers ook een zicht op een kleine patio. Bij de uitwerking van dit atrium, dat werkt als de grote ruggengraat van het gebouw, heeft Marie-Josée Van Hee het thema van het invallende daglicht met de grootste aandacht bestudeerd.
 
De gelijkvloerse hall met ontvangstbalie staat in verbinding met aan de ene zijde het forum, de afsluitbare conferentieruimte en aan de andere zijde rond de patio, de educatieve ruimtes voor workshops en de galerij. Tevens is er een verbinding met de vestiaire en het sanitair in de kelderruimte. Brede trappen en een lift leiden naar een eerste platform in het atrium dat toegang geeft tot de open ontvangsthal met sas van het MoMu op de eerste verdieping.
 
Op de eerste verdieping, rondom het atrium, bevindt zich de tentoonstellingsruimte. Van Hee maakte er een introverte ruimte van. "Het interieur van het MoMu wordt bepaald door het ritme van de kolommen en de vensteropeningen van de twee lange gevelwanden. Er is gezocht naar een maximale vrijheid om diverse opstellingen en presentaties mogelijk te maken. Deze heldere opdeling laat toe de technische aspecten die bij een dergelijke museale ruimte nodig zijn, te introduceren. Het imposante lokaal op de kop is in haar oorspronkelijke toestand hersteld en werd opnieuw een dubbel hoge ruimte."
Het platform op de tweede verdieping geeft toegang tot de wetenschappelijke bibliotheek met het daarbij horende archief en de publieke leeszaal. Daarnaast de kantoren voor de administratie van het MoMu en een landschapskantoor voor de administratie van het Flanders Fashion lnstitute. Het hoogste platform in het atrium geeft toegang tot de Mode-Academie. Het depot van het MoMu is een autonoom onderdeel in het zeven verdiepingen tellende gebouw van de Drukkerijstraat 9.
 
 

RESPECT VOOR HET BESTAANDE

 

Marie-Josée Van Hee koos in het ontwerp om de uitwendige verschijning van het gebouw zo gaaf mogelijk te houden. "Elke opzichtige toevoeging is vermeden en elke aanpassing draagt bij tot de zeggingskracht van het bestaande. De beeldbepalende koepel op de kop is gerestaureerd. De twee lange straatgevels behouden hun ritme. Enkel de nieuwe brede toegangen die naar het centrale atrium leiden, zijn gemarkeerd door een stalen spijlenpoort die in open stand een elegante luifel wordt. Er is ook geopteerd voor een fijne horizontale luifel en een spijlenreling boven de ramen van de derde verdieping.
 
Al deze punctuele, kleine ingrepen in de gevels willen er toe bijdragen om de sterke compositorische kwaliteiten van het bestaande gebouw te benadrukken. De ingrepen voor zowel het interieur als het exterieur resulteren in een oplossing voor dit complex die op het eerste gezicht zeer terughoudend lijkt. Het respectvol omgaan met ons historisch erfgoed vraagt naar een attitude om het bestaande zo aan te wenden dat het eindresultaat bijna evident wordt, zelfs al zijn de ingrepen zeer vergaand. Dit alsof het getransformeerde bijna gedicteerd wordt door de aanwezige structuur uit het verleden. Verbouwen is meer dan een herschikking van ruimtes gedicteerd door een programma van eisen. Het is tevens een zoeken om de mogelijkheden, de potentialiteit die verborgen ligt in het gebouw tot uitdrukking te brengen."
 
Het was de bedoeling dat de ModeNatie tijdens het Antwerpse modejaar in 2001 voltooid zou zijn, maar dit is niet gelukt. Ondanks deze tegenslag werd het modejaar, dat Antwerpen Open inrichtte onder het curatorschap van Walter Van Beirendonck, een groot succes. Van Beirendonck koos als titel Landed-geland en meer dan 200.000 mensen bezochten de vier tentoonstellingen en andere evenementen die de stad tijdens de zomer van 2001 kleurden. Dit laatste was trouwens vrij letterlijk te nemen, omdat op diverse locaties in Antwerpen grote kleurvakken werden aangebracht. Het was een bijzonder gewaagd initiatief van Antwerpen om het cultuur-toeristische potentieel van mode uit te spelen. Een ander belangrijk effect van het modejaar waren de meer dan duizend persartikels die over het modejaar en Antwerpen verschenen wat haar internationale reputatie als creatieve modestad bestendigde.
 
Op 21 september 2002, een jaar later dan voorzien, werd de ModeNatie feestelijk in gebruik genomen met de opening van het nieuwe ModeMuseum Provincie Antwerpen.
 
 

MEDEBEWONERS:

FLANDERS FASHION INSTITUTE EN MODE-ACADEMIE

 
De ModeNatie is meer dan alleen een huis. Het is ook een idee, een concept waarbinnen creativiteit, dynamiek en passie voor mode gedeeld wordt door al haar inwoners. ModeNatie biedt een kader voor debat, confrontatie, ontmoeting en reflectie over mode en het is een platform om dit uit te dragen. Samen met het MoMu zijn Flanders Fashion Institute en het departement Mode van de Hogeschool Antwerpen de voornaamste inwoners van het gebouw.
 
Het Flanders Fashion Institute (FFI) is opgericht in 1997, met steun van de Vlaamse Gemeenschap, door Linda Loppa, Geert Bruloot, Patriek De Muynck en Gerdi Esch. De kiemen van deze organisatie liggen onder andere in 'Antwerpen 93 Culturele Hoofdstad van Europa'. Toen namen de vier oprichters een gezamenlijk initiatief en organiseerden in het Sint-Felixpakhuis (waar nu het Antwerpse Stadsarchief gevestigd is) een tentoonstelling over Antwerpse mode.
 
Maar ook het uitzonderlijke succes van de Mode-Academie deed de geesten rijpen. Het FFI heeft als missie de visie van de Vlaamse mode te promoten en het potentieel van het modenetwerk, van de ontwerpers, van de Mode-Academie en van het concept ModeNatie uit te bouwen en de kwaliteit ervan te bewaken. Dit doet FFI door een breed publiek te interesseren in en te informeren over Vlaamse mode. Het geeft logistieke en adviserende ondersteuning aan ontwerpers, het bouwt de positie van de Vlaamse mode op de internationale modescène uit en adviseert over de ruime en gediversifieerde opleiding in de modesector.
 
De Modeafdeling van de Hogeschool Antwerpen werd 45 jaar geleden opgericht door Mary Prijot als onderdeel van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten. De Mode-Academie is op haar niveau een van de oudste opleidingen in Europa. Toen begin jaren tachtig Linda Loppa directrice werd, verwierf de school een internationale reputatie. Verschillende generaties afgestudeerden konden internationaal doorbreken. Het team van docenten stelt de allerhoogste eisen aan de artistieke ontplooiing van een ontwerper, los van trends en marketingregels. Dankzij fundamenteel research, vakmanschap, creativiteit en management is men er in geslaagd om erkend te worden als de bron van het 'Belgisch' modetalent. Elk jaar krijgen alle studenten de kans om tijdens een drie uur durend défilé aan 6.000 internationale toeschouwers, waaronder de internationale pers, blijk te geven van hun talent. Daarnaast worden er installaties gemaakt, en ook video's, catalogi, foto's, grafisch werk, maquettes, stofontwerpen, prints, patronen en prototypes worden ontwikkeld. De vierjarige Masteropleiding  telt vandaag in totaal 120 studenten, waarvan meer dan 80 % uit het buitenland afkomstig is. De meesten vestigen zich ook na hun studie in Antwerpen omdat ze geïnspireerd worden door het succes van de Belgische ontwerpers en de mythische opleiding aan de Academie.
 

AFBEELDINGEN:

  • Het luxehotel Central anno 1902
  • Interieur van Hotel Central (1894 - 1908)
  • De herenmodezaak New England
  • Architect Marie-Josée Van Hee en Linda Loppa op de cover van De Standaard Magazine, 2002
  • Tekening van de doorsnede van het gebouw, ca.1900. 
  • Tekening van de gevel in de Nationalestraat, 2001
  • Ontwerpschets door architect Marie-Josée Van Heel
  • De ingrepen van Marie-Josée Van Hee gaven aan het gebouw een bijzondere dynamiek en helderheid.
  • 3D-voorstelling van de ModeNatie met de aanduiding van de ingangen en de centrale driehoekige ruimte.
  • 21 september 2002: feestelijke opening van de ModeNatie met defilé van Patrick Van Ommeslaeghe
  • Campagnebeeld 'Mode 2001: landed - geland' 
  • Cover 'Mode 2001: Landed-Geland' - catalogus naar ontwerp van Paul Boudens met een foto van Ronald Stoops Atelier van de ModeAcademie op de bovenste verdieping van de ModeNatie
  • Drie oprichters van het Flanders Fashion Institute  op het dak van de ModeNatie: Linda Loppa, Geert Bruloot en Gerdi Esch

 

De historische collectie van het MoMu

Collectieve klerenkasten in een kasteel

 
 
De geschiedenis van de collectie van het ModeMuseum begint in de jaren 1930, wanneer een plaatselijke groep historici en verzamelaars een museum opzet rond de Vlaamse beschaving. Ze hadden ambitieuze plannen voor een museum met binnen- en buitenafdelingen, waarin alle aspecten van de Vlaamse cultuurgeschiedenis aan bod zouden komen. Zover is het nooit gekomen. Er ontstond wel, via schenkingen en bruiklenen, een uitgebreide collectie, vooral op het gebied van decoratieve kunst. Het museum werd ondergebracht in kasteel Sterckshof in Antwerpen, dat eigendom is van de provincie. Textiel en kleding vormden nooit een belangrijk onderdeel, maar door het ontbreken van een duidelijk en streng acquisitiebeleid, groeide de hoeveelheid kostuums, accessoires, weefsels en benodigdheden voor de textielproductie gestaag aan. Aan het eind van de jaren 1940 verwierf toenmalig conservator Joseph de Beer, die zich voor de geschiedenis van de Belgische katoendrukkerij interesseerde, het heel belangrijke bestand objecten en archiefstukken van de Gentse katoendrukkerij Voortman (1790-1890). Halfweg de jaren 1950 stelde de provincie een nieuwe conservator aan, Piet Baudouin. Hij legde de klemtoon op de decoratieve kunst.
 
In de tijdelijke tentoonstellingen stonden textiel en kostuum zelden op het programma, al kwamen er thema's aan bod die buiten de toen heersende tendensen lagen. Opmerkelijk was een kanttentoonstelling in 1967. In die jaren sprak dat onderwerp weinig mensen aan, de traditionele kantnijverheid was zogoed als uitgestorven, niemand gebruikte kant, en kantklossen was nog niet aan een revival begonnen als populaire hobby. Toch was de tentoonstelling een succes. De kantcollectie van het museum werd uitgebreid . Men stelde een kleine bibliotheek over textiel en kostuum samen. Lode Truyens-Bredael, een lokaal auteur over textiel en kant, schonk zijn bibliotheek en zijn omvangrijke documentatie aan het museum.
 
 

TEXTIELMUSEUM VRIESELHOF

 

Bij het begin van de jaren 1970 was het kasteel Sterckshof in Antwerpen te klein geworden voor de bewaring en presentatie van de vele verzamelingen. Themacollecties gingen een eigen leven leiden. Via de Fiber Art Movement van de jaren 1960 en 1970 en de talrijke opleidingen in traditionele textieltechnieken knoopte een jonge generatie weer aan bij het artisanaal vervaardigen van textiel. Tegelijk ontstond daardoor een nieuwe manier van leven, de industriële samenleving herontdekte de vreugde van het creëren met eenvoudige middelen. In die sfeer kreeg de textielcollectie een apart onderkomen in het kasteel Vrieselhof in Ranst-Oelegem.
 
Door gebrek aan personeel en geld was het grootste deel van de collectie nooit behoorlijk gedocumenteerd. Dat werk werd een absolute prioriteit, samen met de eerste pogingen om betere bewaaromstandigheden te creëren voor de groeiende collectie. Tevens zette men de bakens voor een gericht verzamelbeleid. Kledij en textiel met een Belgische oorsprong  of gebruik kreeg de voorkeur. Daarnaast werd voor de belangrijkste elementen uit de verzameling - kledij en kant - een eerste aanzet gelegd om hiaten op te vullen, die een historische presentatie vanaf de zeventiende eeuw (kant) en vanaf de achttiende eeuw (kostuum) zouden vervolledigen.
 
Toen het Antwerpse Museum voor Volkskunde in 1983 de kostuumverzameling als permanent bruikleen aan het nieuwe museum overmaakte, betekende dat een uitbreiding met meer dan tweeduizend voorwerpen, die vanaf het begin van de twintigste eeuw bijeengebracht waren en vooral voor de mode in de negentiende eeuw een waardevolle aanvulling vormden. De presentatie van zulke objecten in het museum spoorde heel wat mensen aan om kleding en textiel te schenken of te koop aan te bieden - dingen die zij vele jaren, vaak om sentimentele redenen, hadden bewaard. Mettertijd evolueerde het museumdepot tot een collectieve klerenkast van onze samenleving, met zowel de buitengewone kleren voor heel speciale gelegenheden als de gewone kleding van alledag.
 
Het archief en de kledingstukken van het modehuis Valens in Brussel (voornamelijk de periode van de jaren 1950, 1960 en 1970) tonen aan dat er in België toen nog steeds werk van hoge ambachtelijke kwaliteit werd geleverd, terwijl de lonen inmiddels zo sterk gestegen waren dat de productie van handgemaakte kant en borduurwerk op ruimere schaal niet meer rendabel was. Naar aanleiding van een tentoonstelling van materiaal uit het archief Valens schonk een dochter van mevrouw Roeis - naaister in Antwerpen vanaf circa 1910 tot de jaren 1960 - japonnen en materiaal uit het atelier van haar moeder aan het museum. De stoffen, kant, knopen, gespen en accessoires van het naaihuis Roeis getuigen van een vorm van kleermakerij die vandaag nagenoeg verdwenen is.
 
Eeuwenlang hebben kleermakers en naaisters een vitale maar helaas weinig gedocumenteerde rol in de Belgische modewereld gespeeld. In steden zoals Antwerpen waren uitstekende naaisters te vinden, die meestal thuis of in een klein naaiatelier werkten. Velen van hen hadden een zeer goede naaiopleiding voor haute couture gekregen en hadden oog voor mooie kleding. Zij gingen twee keer per jaar naar Parijs om de modedefilés bij te wonen en brachten vandaar nieuwe ideeën mee voor een modebewuste en veeleisende cliëntèle. Mevrouw Roeis kocht modellen van ontwerpers zoals Madame Lanvin en Jacques Fath, en maakte die na voor haar klanten, met stoffen en accessoires die zij in Frankrijk had aangekocht.
 
 

DE KANTCOLLECTIE

 

D e kantcollectie groeide vooral via aankopen. Tijdens de eerste jaren in Oelegem verwierf het museum heel wat stukken van families die de kant hadden bewaard voor latere generaties. Dozen met zorgvuldig gevouwen stroken of met afgewerkte stukken waren een vertrouwd beeld in het museum. De kostbare verzameling omvat kantwerk van de zeventiende tot de vroege twintigste eeuw.
 
Soms verliep het aankopen wel moeilijker. In de jaren 1970 bestonden er vrijwel geen netwerken van antiekhandelaars en veilinghuizen waar regelmatig kleding of weefsels werden aangeboden. Christie's in Londen was waarschijnlijk het eerste veilinghuis dat aparte openbare verkopingen van kledingstukken en textiel organiseerde. In 1980 kwam een omvangrijke particuliere kantverzameling in veiling. Dankzij aankopen op die veiling verdubbelde de collectie zowat.
 
De aanwinsten varieerden van een strook Belgische kant uit het midden van de negentiende eeuw, nog in de originele doos van Charles Frederick Worth, over een vroeg-achttiende-eeuwse boord voor een albe in Brusselse kloskant, tot vroeg-zeventiende-eeuwse tafellakens.  Aan het eind van de jaren 1980 bood de familie van een Amerikaanse kantverzamelaarster die in de jaren 1920 in België had gewoond een verzameling Belgische kant van omstreeks 1900 aan. De pronkstukken van dit ensemble van meer dan honderd objecten zijn vier op maat gemaakte japonnen in kloskant en naaldkant.
 
Behalve zulke objecten met 'museumkwaliteit' kwamen ook minder opmerkelijke archieven in de collectie terecht. Afstammelingen van twee Belgische kantfirma's uit het begin van de twintigste eeuw deden royale schenkingen. Van Jeanne Luig, die in Brussel en Aalst zaken deed, verwierf het museum het bedrijfsarchief en honderden negatieven op glas van belangrijke stukken kantwerk. Fanny Diercxsens-Aubergé (Turnhout) richtte in 1919 de kantfirma La Campinoise op. Uit de duizenden kantpatronen en ontwerpen en de handelscorrespondentie komt een levendig beeld tevoorschijn van het dagelijkse werk in een toenmalig kantbedrijf dat zijn productie afstemde op de behoeften van een veranderende samenleving.
 
Deze bestanden vervolledigen de archieven uit de achttiende en negentiende eeuw die al in de jaren 1960, in het Sterckshof, bij de collectie waren gekomen.
 
 

LIERS BORDUURWERK

 
De sterke traditie van openweefselborduurwerk en kralenborduurwerk in de stad Lier kreeg in het verleden nooit veel aandacht. Lier is nochtans jarenlang een centrum geweest van kralenborduurwerk op kleding; en de Lierse damestasjes werden in de jaren 1950 en 1960 naar heel wat plekken ter wereld uitgevoerd, net zoals in de jaren 1920 de jurken met kralenborduurwerk voor Lier een belangrijke nijverheidstak vormden. In de loop der jaren nam het museum archieven en objecten van verscheidene Lierse firma's in de collectie op. Het gereedschap voor manueel of semi-industrieel vervaardigd textiel is dikwijls zeer specifiek en het exacte gebruik ervan is soms moeilijk te achterhalen, tenzij men goed op de hoogte is van de technische aspecten van de diverse textielambachten. Het bepalen van de functie van elk klein werktuig in de inboedel van een Brussels passementatelier nam verscheidene jaren in beslag.
 
De Cornély-Bonnaz-borduurmachines, gebruikt in Lier sinds ongeveer 1860 konden pas weer operationeel worden gemaakt dankzij de hulp van een van de weinige specialisten in België; hij gaf de museummedewerkers meteen een spoedcursus in het gebruik van de machines. Nagenoeg elke textieltechniek bezit mogelijkheden om op nieuwe en onverwachte manieren te worden herbruikt. Het bewaren van werktuigen is nuttig voor de kennis van oude technologieën en slaat een brug naar de toekomst.
 

 

AFBEELDINGEN:

 
  • Stalenboek van de katoendrukkerij Voortman-Société Anonyme Texas, Gent, ca. 1880
  • Detailopname Stalenboek van de katoendrukkerij Voortman- Société Anonyme Texas, Gent, ca. 18
  • Collage van een priesteralbe in Brabantse kloskant, 2de kwart 18de eeuw.
  • Drukblok van de katoendrukkerij Voortman-Société Anonyme Texas, Gent, laatste kwart 19de eeuw
  • Ontwerptekening van het Brusselse modehuis Valens, 1964
  • Kiel van een Belgisch revolutionair, 1830
  • Avondjapon in Liers borduurwerk van het huis Timmermans, 1925 - 1927
  • Avondjapon in Liers borduurwerk van het huis Timmermans, 1925 - 1927
  • n de vorm gewerkte japon in Chantilly kloskant, ca. 1900


 

Het MoMu vandaag

Hedendaagse mode verwerven en bewaren

 
 
De ruime belangstelling voor mode in de jaren 1990 en de internationale faam van een aantal jonge Belgische modeontwerpers leidden tot een nieuwe oriëntatie in het museum. Sinds de late jaren 1990 groeit de collectie hedendaagse mode zeer snel, wat een nieuw hoofdstuk toevoegt aan de relatie van onze samenleving met kleding en textiel. Door te verzamelen wat relevant is voor onze samenleving, bepaalt het MoMu in sterke mate het beeld dat onze tijd in de toekomst zal oproepen.
 
 

AANKOPEN EN SCHENKINGEN

 

Hedendaagse mode verwerft het museum door schenkingen en door aankopen. Voor de aankopen focust het MoMu op het werk van de Belgische ontwerpers. De meeste van hen presenteren hun collecties tijdens de modeweek in Parijs. Een defilé of presentatie wordt telkens gevolgd door een showroom waar de volledige collectie te bekijken is voor aankopers ('buyers') en pers en waar de bestellingen voor het volgende seizoen geplaatst worden. Ook het ModeMuseum koopt tijdens deze showroom objecten voor zijn collectie, hetzij afzonderlijke objecten of accessoires, hetzij volledige silhouetten die een duidelijk beeld geven van het collectiebeeld dat een ontwerper dat bepaalde seizoen heeft neergezet. De keuze tot aankoop is afhankelijk van verschillende factoren, zoals de gehanteerde techniek, het materiaalgebruik, de coupe, het collectiebeeld, of objecten die duidelijk de signatuur van de ontwerper weerspiegelen.
 
Ook schenkingen vormen een belangrijk onderdeel van de verwervingspolitiek. Naast giften van ontwerpers die elke seizoen trouw één of meerdere silhouetten schenken aan het museum, zijn er ook schenkingen van privépersonen, gaande van afzonderlijke objecten tot en met volledige garderobes. Voorwaarde is steeds dat de aangeboden objecten een aanvulling zijn op de reeds bestaande collectie. Zo kan een garderobe waardevolle informatie bevatten over één bepaalde persoon en ons meer vertellen over diens leven of maatschappelijke en sociale positie. Een garderobe is interessant als momentopname van een bepaalde historische periode. Zo werden eind jaren 1990 de gedeeltelijke garderobes van Linda Loppa, tot begin 2007 directrice van het ModeMuseum, en Christine Mathijs, tot aan haar dood in 1999 zakenpartner van Dries Van Noten, verworven. Een andere belangrijke gift kwam van Geert Bruloot, voormalig zaakvoerder van 'Louis', de eerste Antwerpse designerstore voor o.a. Belgische ontwerpers.
 
Het archief bevat naast objecten van Belgische ontwerpers ook een uitgebreide hoedencollectie van de Britse hoedenmaker Stephen Jones. Bruloot kocht op regelmatige basis hoeden bij deze gerenommeerde ontwerper, niet om in zijn winkels te verkopen, maar als collector items. Bij de opening van het ModeMuseum in 2002 schonk hij zijn volledige collectie als langdurige bruikleen aan het museum.
 
 

HET WERK VAN STUDENTEN EN HET VIRTUELE MUSEUM

 

Hoewel de nadruk in de verwervingspolitiek ligt op het werk van de Belgische ontwerpers, ontvangt het museum ook giften van internationale ontwerpers. Dat gebeurt vaak in het kader van de thematentoonstellingen. Recent is een nieuwe deelcollectie opgestart in samenwerking met de afdeling mode van de Koninklijke Academie van Antwerpen. Er is momenteel geen fysiek archief aanwezig in de Academie. De studenten nemen hun creaties na elk academiejaar mee naar huis. Op die manier gaat waardevolle historische informatie verloren. Nu wordt er jaarlijks een selectie gemaakt uit het werk van de studenten, die een plaats krijgt in het MoMu archief. De selectie bevat zowel de ontwerpen, als het grafisch materiaal zoals de schetsboeken, en eventueel ook voorbereidend werk zoals patroonstudies.
 
Het grootste probleem van museumcollecties is de ontoegankelijkheid ervan voor het publiek. Steevast wordt slechts een klein deel van de verzameling uitgestald. Voor de objecten zelf is dat gunstig, maar voor de bezoeker kan het erg teleurstellend zijn dat hij of zij maar zo weinig te zien krijgt. Het aanleggen van een database met digitaal beeldmateriaal kan dit euvel in grote mate verhelpen. Sinds 2000 worden nieuwe aanwinsten geïnventariseerd in de database TMS. De steekkaarten van de ongeveer 15.000 objecten die al in de manuele inventaris zaten is bijna voltooid. Een deel van de gegevens staat ter beschikking van bezoekers van de museumwebsite. Een volgende stap zijn virtuele tentoonstellingen en interactieve media programma's.
 
 

HET MoMu-DEPOT

 

Een groot deel van de activiteiten van het MoMu speelt zich af achter de schermen, in de beslotenheid van het museumdepot. Het depot is een zware betonnen structuur, aan de kant van de Drukkerijstraat, die dateert uit de late jaren zeventig toen de ModeNatie nog een beschutte werkplaats was. De structuur bestaat uit acht niveaus waarvan er drie dienst doen als atelier/werkruimte, één als educatieve ruimte/galerij en er vier functioneren als depot voor de museumcollectie.
 
Alle verdiepingen zijn vrij laag en worden gedomineerd door de zware betonnen balken, wat hen minder geschikt maakt voor een publieke functie. Maar als depot functioneert de ruimte des te meer. De depots zijn uitgerust met verrijdbare kasten, wat een optimale benutting van de ruimte toelaat. In alle depots is de temperatuur constant dankzij klimaatregelingsystemen. Omdat er geen rechtstreeks contact is met de buitenlucht, is de luchtvochtigheid tamelijk goed onder controle. Licht wordt eveneens geweerd, want de schadelijke straling is nefast voor het fragiele textiel en papier. In totaal bevinden er zich meer dan 17.000 museumobjecten in het depot, meer dan 15.000 boeken, vele duizenden tijdschriftvolumes en enkele honderden meters archief.
 
Op niveau 1 bevindt zich de collectie hedendaagse mode, op niveau 3 wordt de historische kostuumcollectie bewaard, niveau 4 wordt in beslag genomen door de bibliotheek en het museumarchief en tenslotte is niveau 6 gereserveerd voor de vlakke textielen. Dit laatste is vrij letterlijk te nemen, omdat het gaat over kant, weefsels, borduurwerk dat slechts twee dimensies bestrijkt en daarom ook vlak liggend bewaard wordt.
 
Op niveau 1 en 3 worden veeleer volledige kledingstukken bewaard die meestal op een kapstok hangen. Alleen de oudste en meest broze kostuums worden liggend bewaard. Deze liggende bewaring heeft één groot voordeel: doordat objecten liggen komt er minder spanning op, waardoor er minder kans is op scheuren en slijtage. Zeker als dergelijke objecten met de nodige ondersteuning verpakt zitten in dozen.
 
Het verpakkingsmateriaal in musea dient te voldoen aan bepaalde vereisten, waardoor er geen negatieve invloed is van het verpakkingsmateriaal op de inhoud, bijvoorbeeld door te werken met zuurvrij karton. Het grote nadeel van de liggende bewaring is dat objecten veel meer plaats in nemen en het veel tijd kost om de passende ondersteuning en dozen, wat maatwerk is, te maken. Hierdoor is deze liggende bewaring slechts haalbaar voor de meest broze en/of oudste en/of meest kostbare objecten.
 
Het werken aan deze ideale bewaaromstandigheden, zonder effectief ingrepen te doen aan de objecten zelf noemt men passieve conservering'. Voor wat deze passieve conservering betreft, mag gesteld worden dat MoMu een zeer grote sprong voorwaarts heeft gemaakt met de verhuizing van het Vrieselhof naar de ModeNatie.
 
Tijdens de verhuisperiode, die ongeveer twee jaar in beslag nam, werd bijna de volledige collectie kostuums en textiel gefotografeerd en zuurvrij herverpakt.
 
 

 

AFBEELDINGEN:

  • Dameslaarzen geïnspireerd op de Japanse tabi-sok, Maison Martin Margiela

  • Depot MoMu. Het grootste deel van de kledingcollectie  wordt 'hangend' bewaard, beschermd door een Tyvek-hoes

  • Handschoenen Bernhard Willhelm, collectie herfst-winter, 1999 - 2000

  • Hoeden van Stephen Jones, Londen: Modular Podular, 1996; Falcrum, 1998; Tina Sparkle, 1997

  • Restauratie-atelier van het MoMu

  • 'Backstage: het ModeMuseum' (2002)

  • Depot ModeMuseum. Vlakke textielen worden liggen bewaard, verpakt in zuurvrije dozen.


 

De tentoonstellingen van het MoMu

Een context voor de mode

 
 
Het MoMu opende in september 2002 met een presentatie van de eigen collectie in de tentoonstelling Selectie 1: Backstage. De vormgeving vertrok vanuit het gegeven 'depot', de schatkamer van elk museum. Terwijl de collectie in het voormalige Kostuum- en Textielmuseum Vrieselhof grotendeels was opgeborgen in zuurvrije kartonnen dozen, beschikt het MoMu over 600 vierkante meter depotruimte met modern kastensysteem en twee ateliers. De depotruimtes strekken zich uit over de verschillende verdiepingen en tussenverdiepingen en vormen zo als het ware de ruggengraat van het pand ModeNatie. Maar ook symbolisch neemt het depot een bijzondere plaats in. De collectiestukken zijn er zonder onderscheid naast elkaar opgeborgen. Ze zijn van hun voetstuk gehaald, weg van de aandacht die hen in de tentoonstellingen te beurt valt. Het is een plek waar objectieve reflectie even mogelijk lijkt, waar de stukken in alle rust en eenvoud bekeken kunnen worden.
 
Bovenal is het echter een plek waar je verrast kan worden, waar uit de meest onooglijke doos plots een bijzonder stuk tevoorschijn komt. Dit gevoel en deze sfeer wilde Selectie 1: Backstage oproepen. Scenograaf Bob Verhelst ontwierp met kartonnen dozen en houten palletten een opstelling van wanden, podia en gangen. Het gebruik van zogenaamde 'arme' materialen interpreteerde mening journalist als zijnde 'typisch Belgisch'. Vernieuwend bleek ook de mix van historische en hedendaagse objecten te zijn . Opzet hierbij was de bezoeker de historische referenties in hedendaagse mode laten ontdekken en dit via een visueel spel van overeenkomsten in vorm, materiaal of technieken; een werkwijze die drempelverlagend blijkt te werken en die het MoMu is blijven hanteren in latere tentoonstellingen. In 2006 volgde de tweede grote collectiepresentatie: De MoMu Collectie: Selectie 2.
 
 

HOE STEL JE MODE TENTOON?

 

Jaarlijks presenteert het MoMu twee grote thematentoonstellingen in de centrale tentoonstellingsruimte op de eerste verdieping. Er is gekozen om niet met een vaste opstelling van de collectie te werken, maar om de collectie daar waar mogelijk aan bod te laten komen in de thematentoonstellingen.
 
De thematentoonstellingen zijn enerzijds solotentoonstellingen van hedendaagse ontwerpers, zoals Dream Shop over de Japanse ontwerper Yohji Yamamoto of Het Totaal Rappel over Bernhard Willhelm. Anderzijds werkt MoMu met concepttentoonstellingen waarbij het mode in een breder kader en al dan niet in combinatie met andere kunstdisciplines presenteert, zoals Beyond desire over de invloed van Afrika op de westerse mode en omgekeerd of Genovanversaeviceversa, een visuele evocatie van de rijkdom in kunst en textiel van het zeventiende-eeuwse Genua en Antwerpen geconfronteerd met de hedendaagse interpretatie van de barok door Angelo Figus, die toen gastcurator was binnen het kader van deze Europalia.ltalia-tentoonstelling.
 
Mode tentoonstellen lijkt op het eerste gezicht paradoxaal. Mode als medium bestaat immers maar bij gratie van de almaar weerkerende zelfvernietiging ervan, een telkens opnieuw ter discussie stellen van de eigen geschiedenis. Deze permanente vernieuwingsdrang en het zoeken naar altijd nieuwe verschijningsvormen vragen om een voortdurende consumptie - zowel een economische en artistieke, als een historische. Waarom, en vooral hoe te bewaren' wat voortdurend in beweging is? Een museum kan de mode nooit bijbenen, is in zekere zin altijd een stap achter. Wat een modemuseum wel kan aanbieden, is een context voor mode, een plaats voor reflectie en analyse, het scheppen van een afstand. Dit betekent dat het MoMu niet enkel stilstaat bij het uiteindelijke product - het kledingstuk - maar evenzeer bij het creatieve proces.
 
Vanuit de vaststelling dat de meeste musea mode als een bij uitstek statisch gegeven presenteren, waarbij de modegeschiedenis als een lineair continuüm is opgevat en het kledingstuk an sich centraal staat, koos MoMu voor een radicaal andere benadering. Deze benadering houdt in dat de thematentoonstellingen steeds een context presenteren, die het werk van de hedendaagse ontwerper(s) duidt. Die context wordt gecreëerd door een scenografie of tentoonstellingsvormgeving die het creatieve universum van de ontwerper of het concept van de tentoonstelling visualiseert, en dit op een manier die zo dicht mogelijk aanleunt bij de werk- en denkwijze van de ontwerper zelf.
 
Voor elke expo wordt er letterlijk vanuit een lege ruimte vertrokken. De problematiek van het tentoonstellen kwam aan bod in Malign Muses. In samenwerking met Victoria and Albert Museum en de Londense curator Judith Clark startte een onderzoek naar de vraag: hoe stel je hedendaagse mode tentoon? Via een aantal installaties en tal van referenties naar literatuur, filosofie, architectuur en design werkte MoMu een traject uit dat poogt dit thema vanuit verschillende perspectieven te benaderen.
 

 

MENSEN MOETEN POPPEN WORDEN

 

MoMu werkt op zeer regelmatige basis met ontwerpers als gastcurator. Een dergelijke keuze heeft verregaande consequenties en vraagt een zeer specifieke werkwijze van het hele museumteam. Een ontwerper is meestal niet academisch of wetenschappelijk geschoold en vertaalt zijn onderzoek hoofdzakelijk visueel, zelden gebonden aan historische correctheid. Het onderzoek van de ontwerper is veeleer artistiek en niet academisch. Door dit type onderzoek letterlijk binnen te halen in de tentoonstellingen, wil MoMu een brug slaan tussen theorie en praktijk, waarbij beide domeinen evenwaardige partners zijn.
 
Mode vertalen naar een museale ruimte is niet vanzelfsprekend. Kleding is gemaakt voor een lichaam en heeft een bijzonder groot aandeel in de lichaamsbeelden die een bepaalde periode kenmerken. Dit lichaam is in de context van het museum a priori uitgesloten en dit hoofdzakelijk omwille van conservatorische redenen. Modemusea maken gebruik van mannequinpoppen en bustes in een poging de illusie van een lichaam zo dicht mogelijk te benaderen. Tegelijkertijd creëert het museum zo een artefact, een gekunstelde presentatievorm die in het beste geval benadert wat mode is en kan zijn. Ook het MoMu werkt met bustes en mannequinpoppen.
 
Toch wordt er voor elke tentoonstelling opnieuw nagegaan welke de meest geschikte presentatievorm is. Op zoek naar interessante alternatieven waagde het MoMu zich in het verleden al aan talrijke experimenten. Zo werkte de openingstentoonstelling met replica's van historische en hedendaagse stukken, die de bezoeker kon aanpassen. De tentoonstelling Patronen werkte met een geluidsontwerp dat gebaseerd was op restgeluiden van lichaam en textiel. In de overzichtstentoonstelling van Yohji Yamamoto in 2006 voerde het MoMu wellicht het meest radicale experiment uit. Een opstelling met paskamers en spiegels en een aantal kleedsters nodigden de bezoekers uit om een aantal silhouetten, allemaal afkomstig uit het eigen archief van Yamamoto, aan te passen. De Dream Shop was een unieke kans om Yamamoto's opvattingen over volume, coupe en asymmetrie aan den lijve te ondervinden.
 
In 2007 ontwikkelde het MoMu, in samenwerking met ontwerper Bernhard Willhelm en de Zwitserse kunstenaars Taiyo Onorato en Nico Krebs, de tentoonstelling Bernhard Willhelm: Het Totaal Rappel. Deze expo experimenteerde voornamelijk met oude en tweedehands mannequins, waarvan verschillende afkomstig uit het vroegere Textiel- en Kostuummuseum Vrieselhof. De hybride poppen, waaronder een aantal met meerdere hoofden en benen, zijn een verlenging van Bernhard Willhelms rijke fantasie en bieden een geschikte ondersteuning voor de visualisering van zijn ontwerpuniversum. Uiteindelijke doel is de werkwijze die een ontwerper hanteert bij het creëren van een collectie te vertalen naar een museale context.
 
Na een tiental tentoonstellingen kan het MoMu in alle bescheidenheid stellen dat het op dit vlak een unieke expertise heeft opgebouwd, die het museum ook internationaal veel erkenning en persbelangstelling heeft opgeleverd.
 

 

AFBEELDINGEN:

  • 'Backstage: Het Modemuseum' (2002):grondplan voor de tentoonstelling
  • 'Backstage: Het Modemuseum' (2002):cover van de catalogus, ontworpen door Paul Boudens
  • 'Backstage: Het Modemuseum' (2002):ontwerptekening door scenograag Bob Verhelst
  •  'Backstage: Het Modemuseum' (2002):pagina's uit de catalogus
  • Malign Muses' (2004): Ruben Toledo, 'Idea for a great spining wheel of fashion
  •  'Beyond desire' (2005):'XULY.Bët Boutik'
  • 'Malign Muses' (2004):Ruben Toledo, 'Nostalgia-Take a Peek at this Crinolin'.
  • 'Phantasmagoria - The Amazing Lost and Found
  • Blouses van Angelo Figus, collectie herfst - winter 2000 - 2001 in 'Patronen' (2003)
  • 'Genovanversaeviceversa' (2003). Beeld uit de tentoonstelling; Collage Angelo Figus, "La '500' nel '600"
  • Cover van de catalogus 'Patronen', naar ontwerp van Paul Boudens
  • Campagnebeeld 'Bernard Willhelm: Het Totaal Rappel" (2007)
  • Yohji Yamamato: DREAM SHOP (2006): Silhouet collectie herst - winter 1998 - 1999
  • 'The Protest Room' uit Bernhard Willhel: Het Totaal Rappel', collectie herfst - winter 2002 - 2003
  • Elke MoMu-tentoonstelling begint met een lege zaal
  • 'Goddess' ( 2004)


 

De bibliotheek

Internationale uitstraling

 

 

De geschiedenis van de bibliotheek van het ModeMuseum is nagenoeg dezelfde als die van de museumcollectie. In het begin waren de boeken die nu deel uitmaken van de MoMubibliotheek onderdeel van het Provinciale Museum voor Kunstambachten Sterckshof. Maar wanneer deze instelling uit de voegen barstte en de scope verbreedde, wordt het museum gesplitst in vier verschillende kleinere musea: het Diamantmuseum, het Fotomuseum, het Textiel- en Kostuummuseum en het Sterckshof dat zich specialiseert in zilver. In 1977 komt bijgevolg een deel van de Sterckshofbibliotheek terecht in een ander kasteel, het Vrieselhof in Oelegem dat vanaf dan dienst doet als Provinciaal Kostuum- en Textielmuseum. De collectie boeken, tijdschriften en archiefdocumenten die mee naar het Vrieselhof verhuist, is in eerste instantie bedoeld als de handbibliotheek van de conservator. Het administratief beleid en catalografie gebeuren nog centraal vanuit het Sterckshof. Na een aantal jaren is de collectie zodanig gegroeid dat ze veel meer is dan een handbibliotheek en alles verhuist naar een aparte ruimte. Met de komst van een halftijds bibliotheekmedewerker in 1986 wordt het beheer van de collectie geleidelijk meer decentraal aangepakt en is de bibliotheek makkelijker toegankelijk. Maar gedurende de hele Vrieselhof-periode is de collectie enkel beschikbaar na afspraak.

 

 

SCHARNIERJAAR 1999

 

In 1999, wanneer het duidelijk is dat het Provinciale Kostuum- & Textiel-museum zal verdwijnen in Oelegem en zal heropenen in Antwerpen, breekt een nieuwe fase aan voor de museumbibliotheek. Er komt personeel bij, de budgetten voor aankoop van boeken en tijdschriften nemen substantieel toe, de bibliotheekcollectie wordt geïnformatiseerd. Op dat moment is ze gegroeid tot een degelijke wetenschappelijke bibliotheek van een vijfduizendtal boeken, 26 lopende tijdschriftenabonnementen, een grote verzameling hedendaagse en historische mode- en handwerktijdschriften en een omvangrijk verzameling van zeer diverse archieven en archiefdocumenten. Enkele van de meest markante zijn de documentatie van mevrouw Hoste, die zich bezighield met het onderzoeken van kant, en het archief-Lietaert, eveneens onderzoeksdocumentatie maar dan vooral op gebied van textiel en middeleeuws borduurwerk. Qua bedrijfsarchieven zijn er de archieven van het Brusselse Modehuis Valens-Wittamer, de archieven van een aantal kantbedrijven die een periode bestrijken van de achttiende tot de twintigste eeuw - waaronder de Turnhoutse kantfirma La Campinoise -, de archieven van de Gentse textieldrukkerij Voortman en het archief van de zeventiende-achttiende-eeuwse Antwerpse textielhandelaarsfamilie Melijn.
 
In 1999 heeft de bibliotheek nog steeds als belangrijkste doelstelling de collectie van het museum te documenteren. Het is daarom dat de focus van de boekencollectie ligt op West-Europees kostuum en textiel. Wat kostuum betreft, volgt het Vrieselhof voornamelijk het historisch kostuum op, hedendaagse mode en streekdrachten krijgen minder aandacht. Qua textiel gaat de collectie duidelijk veel verder. De voornaamste onderwerpen zijn textielvezels, textieltechnieken, kleurstoffen, textielobjecten, textielkunst, borduurwerk en kant.
 
In 1999 krijgt de bibliotheek een ruimere opdracht dan het louter documenteren van de eigen collectie. Het collectieprofiel verbreedt omdat mode een meer prominente plaats krijgt in het Modemuseum. Bovendien wordt de MoMu-bibliotheek een instelling die de focus verlegt van een interne gerichte documentatieafdeling naar een externe en publieksgerichte museumbibliotheek. Deze overgang vergt, samen met de nakende verhuizing, bijzonder veel denk- en planwerk en alle bestaande procedures, activiteiten en organisatie van de bibliotheek dienen grondig herzien te worden.
 
In 2001 duikt er een enorme opportuniteit op: de Stodel-bibliotheek. Ze is de vrucht van een kleine dertig jaar verzamelwoede van de Nederlander Wiebe Stodel op het gebied van streekdrachten. Wat in 1966 begon met één boek over streekdracht in de Balkan, eindigde in 1993 als een uit de kluiten gewassen collectie van ruim 6.000 banden. De Stodel-bibliotheek is gespecialiseerd in traditionele streekdrachten over de hele wereld. Bij het samenstellen van de verzameling werd de term 'streekdracht' in de ruimst mogelijke betekenis opgevat: kleding, sieraden, lichaamsdecoratie, textiel, haardrachten, enz. De collectie van Wiebe Stodel herbergt tal van oude en zeldzame drukken. Toch is de collectie veeleer interessant omwille van haar documentair karakter dan omwille van haar antiquarische waarde. En wat nog meer interessant is, er is quasi geen overlap met de Vrieselhof-collectie. Dankzij steun van de Cultuurdienst van het Provinciebestuur Antwerpen worden de fondsen gevonden om deze collectie aan te kopen en wordt de collectie van het ModeMuseum in een klap wereldomvattend.
 
 

VEEL RUIMTE OM TE LEZEN

 

Op de tweede verdieping van het ModeNatie-gebouw is een volledige vleugel gereserveerd voor de leeszaal, werkruimte en depot van de bibliotheek. De ruime leeszaal biedt werkplaatsen aan dertig lezers, er zijn twee studiecellen voor onderzoekers die voor langere perioden willen werken in de MoMubib, er is een audiovisuele consultatieruimte en ruimte voor een 'boekcopier'. De leeszaal en het vaste meubilair zijn ontworpen door de architect van de ModeNatie, Marie-José Van Hee, en is één van de mooiste ruimtes van het gebouw. De indeling is flexibel. In de leeszaal vinden tevens lezingen, vergaderingen en meetings plaats.
 
Op dit moment is de bibliotheek uitgegroeid tot een verzameling van meer dan 15.000 boeken, een 50-tal lopende tijdschriftenabonnementen en enkele honderden verschillende hedendaagse en historische tijdschriften. Vanuit disciplinair oogpunt wordt er bij de opbouw van de collectie naar gestreefd het onderwerpsgebied 'mode-kostuum-textiel' vanuit iedere gangbare invalshoek te benaderen. Zo zal de bezoeker zowel kunsthistorische publicaties over kleding vinden, als sociologische studies omtrent mode, historische werken die handelen over de textielindustrie en actuele mode-, kunst- en lifestylemagazines zoals Vogue, Purple en Fashion Theory. Tegelijk is de collectie van een zeer diverse aard: encyclopedieën, algemene werken, kinderpublicaties, patroon boeken, hobby-boeken, ...
Met gemiddeld een kleine 3.000 bezoekers per jaar is het bezoekersaantal vervijftienvoudigd ten opzichte van de periode in het Vrieselhof. Een ander opvallend cijfer is het stijgend aantal geregistreerde buitenlandse bezoekers. Een kleine 10% van de bezoekers komt van buiten België, wat duidelijk mternationale uitstraling van de MoMu-bibliotheek aangeeft.
 
 

HEDENDAAGSE MODE IN DE MoMU-BIBLIOTHEEK

 

Dankzij de schenking van het archief van Linda Loppa, Geert Bruloot en Gerdi Esch beschikt MoMu over een grote verzameling documenten over hedendaagse Belgische mode (persmappen, knipsels, uitnodigingen, catalogi, video's, enz.). Dit archief vormt de nucleus van de MoMu-documentatie en biedt een uniek inzicht in het ontstaan van de Belgische mode vanaf de jaren 80. Sindsdien wordt op basis van deze schenking verder gebouwd.
 
Ondermeer dankzij de samenwerking met Flanders Fashion Institute aan het Contemporary Fashion Archive kwam een grote hoeveelheid modedocumentatie in het bezit van de MoMu-bibliotheek. Het Contemporary Fashion Archive (CFA) is een interdisciplinair online archief over hedendaagse modeontwerpers. CFA is een internationaal project waaraan verschillende Europese mode-instellingen participeren en kwam tot stand dankzij de steun van de Europese Unie.
 
De collectie van de MoMu-bibliotheek is quasi volledig ontsloten in Brocade, de bibliotheeksoftware die ontwikkeld werd door de Universiteit Antwerpen. De bibliotheekcatalogus is toegankelijk via het internet via de MoMu-website, evenals de CFA-databank www.contemporaryfashion.net.
 
De verdere ontwikkeling van de online dienstverlening en uitbreiding van de hedendaagse modedocumentatie van de MoMu-bibliotheek vormen één van de grote ambities voor de komende jaren.
 

 

AFBEELDINGEN:

  • Depot bibliotheek ModeMuseum 
  • 'Nouvelle méthode de coupe' par A.Nebeling, ca. 1900
  • Stalenboek van de weverij Wouters, Temse, 2de helft 19de eeuw
  • Stalenboek van de katoendrukkerij Voortman - Société Anonyme Texas, Gent


 

Praktisch

 


 

MODEMUSEUM PROVINCIE ANTWERPEN - MOMU

Nationalestraat 28  

B-2000 Antwerpen  
T + 3 2 (0) 3 470 27 70
F + 32 (0) 3 470 27 71
 
 
OPEN
 
Dinsdag t.e.m. zondag: 10u - 18 u (ticketverkoop t.e.m. 17u 30 ) .
Maandag gesloten . MoMu by Night: elke eerste donderdag van de maand : 10u - 21 u (ticketverkoop t.e.m. 20u30)
 
 
TOEGANKELIJKHEID
 
Het ModeMuseum is toegankelijk voor rolstoelgebruikers.
 
 
PUBLIEKSAANBOD
 
Het ModeMuseum heeft een divers aanbod voor volwassenen en kinderen :
  • rondleidingen voor jong en oud door de eigen MoMu-gidsen, op maat van de groep - modewandelingen langs een aantal belangrijke modeontwerpers in de omgeving van de ModeNatie
  • het MoMu-arrangement dat een rondleiding en modewandeling combineert
  • lezingen over diverse modegerelateerde thema's: de MoMu-school , het MoMu-verjaardagsfeestje en vakantieateliers voor jongeren en kinderen vanaf 6 jaar
  • workshops in het kader van de lopende tentoonstelling
Info en reservaties: T + 32 (0) 3 470 27 74, T + 32 (0) 3 470 27 78, Frieda.debooser@momu.be
 
 
VRIENDEN VAN DE MODENATIE
 
Word lid van de Vrienden van de ModeNatie en geniet van de talrijke voordelen !
Voor meer informatie kan u terecht bij Leen Borgmans
T + 32 (0)3 470 27 76 - leen.borgmans@momu.be of op de website www.modenatie.com
 
 
MoMu-BIBLIOTHEEK
 
T + 32 (0) 3 470 27 79
 
openingsuren:
Woensdag 10u - 12u 12u - 16u45
Donderdag 13u - 16u45 / 18u - 20u
Vrijdag 13u - 16u45
Zaterdag 10u - 13u (enkel eerste en derde zaterdag van de maand)
Tijdens schoolvakanties is de bibliotheek gesloten en enkel toegankelijk na afspraak. 
 

AUTEURS

 
Christoph Ruys is sinds 2007 directeur van het ModeMuseum en neemt de algemene en zakelijke leiding voor zijn rekening. Hij is tevens directeur van het Antwerpse Fotomuseum en doceert fototheorie aan o.a. de Katholieke Universiteit Leuven en Karel De Grote Hogeschool.
 
Kaat Debo is curator van het ModeMuseum en sinds het vertrek van voormalig directrice Linda Loppa verantwoordelijk voor de hedendaagse collectie van het museum. Zij is verantwoordelijk voor de artistieke werking van het ModeMuseum.
 
Frieda Sorber is voormalig conservator van het Textiel- en Kostuummuseum Vrieselhof en verantwoordelijk voor het historische luik van de museumcollectie. Als autoriteit op het vlak van conservatie- en restauratietechnieken wordt zij ook in het buitenland geregeld gevraagd voor lezingen en artikels in diverse vooraanstaande wetenschappelijke tijdschriften.
 
Dieter Suls is wetenschappelijk bibliothecaris van de MoMu-bibliotheek.
 
Leen Borgmans is communicatieverantwoordelijke binnen het ModeMuseum.