U bent hier

Mens, mythe en zinnelijkheid. De renaissance van Jan Gossart.

De volledige Gossart

 

Mens, mythe en zinnelijkheid. De renaissance van Jan Gossart is een vuistdikke samenvatting van de actuele stand van zaken van het onderzoek naar kunstschilder Jan Gossart (ca. 1478-1532). De klepper is zowel een monografie waarin het volledige werk onder de loep genomen wordt, als de begeleidende catalogus van de prestigieuze expo die achtereenvolgens in het Metropolitan Museum of Art in New York, en in de National Gallery in Londen te gast is. Definitieve naslagwerken zijn niet te rijmen met de volatiele aard van de kunstwetenschap, maar grondig en veelomvattend is dit zeker. Het is een geschenk om het in huis te hebben, en om al lezend wijzer te worden over leven en werk van de grote Jan Gossart.

 

Het begint al met zijn naam. “Gossaert”, zo spelden wij en vele anderen zijn naam, maar de auteurs wijzen ons erop dat hij zijn werken ondertekende met Gossart. Eerste dwaling rechtgezet. Zoals bij zo goed als alle kunstenaars uit de Lage Landen, uit het tijdsgewricht tussen de vijf- en zestiende eeuw, is er weinig archiefmateriaal en zijn de biografische gegevens schaars. De man werd waarschijnlijk in het Franse Maubeuge geboren – men noemde hem soms ook Mabuse. Hij moet in het florissante Antwerpen terechtgekomen zijn, maar wie hem het vak leerde, of waar en wanneer dat gebeurde: we weten het niet. Wat vaststaat, is dat zijn carrière pas echt succesvol werd toen hij in dienst van Filips van Bourgondië, een bastaardzoon van Bourgondisch hertog Filips de Goede, trad. Rond 1508-1509 reisde hij in diens gevolg naar Italië, alwaar Verona, Mantua, Florence en Rome bezocht werden. Gossart gaf er zijn ogen de kost en zette allerlei impressies op papier. De bekendste voorbeelden zijn persoonlijke evocaties van het Colosseum en een studie naar het beeldje de Spinario. Hij werd op die manier de eerste noorderling die antieke resten tekende. Dat feit zou zijn kunst blijvend beïnvloeden: de hybride mengeling van late hofgotiek, antieke oudheid en Italiaanse renaissance is doorheen zijn hele oeuvre merkbaar. Dat “verbasterde” element was voor vele bevooroordeelde kunsthistorici een doorn in het oog. Feit is dat Gossart de noodzakelijke schakel tussen Jan van Eyck en Peter Paul Rubens is. Als één van de weinigen kon hij technisch een heel eind met Van Eyck mee. De eigenzinnige renaissancistische beeldtaal wijst in de richting van het genie van Antwerpen.

 

De makers van het boek beloven letterlijk “een herijking van het oeuvre”, en die belofte komt men ook na. Acht essays behandelen diverse aspecten. Men legt uit hoe aan het humanistische hof van Filips van Bourgondië de mythologische naakten hand in hand gingen met de erotische identiteit van zijn broodheer. Men toont aan hoe belangrijk Gossart als ontwerper van architectuur was - ook al bleef het louter bij schilderkunstige ideeën. De invloed van de Duitse beeldhouwer Conrad Meit is eveneens bijzonder interessant. Men biedt op die manier een verklaring voor het sculpturale karakter van Gossarts figuren. Ze lijken soms zo driedimensionaal, dat de illusie ontstaat dat men er rond kan wandelen. Zelfs de porseleinachtige teint van vele sensuele madonna’s zou mogelijk aan de marmeren bustes van Meit gerelateerd kunnen worden.

 

Deze uitgave blinkt voornamelijk uit omwille van de scherpe conclusies die men uit het grondige materieel-technisch onderzoek heeft getrokken. Men pretendeert overigens niet dat die conclusies ultiem zijn. Een website werd in dat opzicht gemaakt om bevindingen van vaklui over de hele wereld te bundelen. Hoogst opmerkelijk is de stelling dat Gossart heeft samengewerkt met Gerard David (1460/65-1523). Men heeft het dan ook over een “alternatief voorstel”. In wat nu als Gossarts magnum opus wordt beschouwd, De aanbidding der wijzen in de Londense National Gallery, zou David onder meer de lieflijke madonna en het kind Jezus geschilderd hebben. Die gewaagde stelling stelt de visie op Gossarts manier van werken grondig bij, en het voegt een nieuw hoofdstuk aan de zogenaamde “prestigesamenwerking” – denk aan Jan Brueghel en Rubens – toe. Iets meer dan 60 schilderijen en een collectie schitterende tekeningen resten ons van de faam van Jan Gossart. Bijna zouden we durven opperen dat het boek net zo goed is als de kunst, maar dat zou blasfemische onzin zijn. Hoe dan ook: klasse!

 

Matthias Depoorter


Maryan W. Ainsworth, Stijn Alsteens, Nadine M. Orenstein 

Mens, mythe en zinnelijkheid. De renaissance van Jan Gossart. Het volledige werk

Mercatorfonds/ The Metropolitan Museum of Art

2010 

484 pp.