U bent hier

Literaire musea en schrijvershuizen - Geen dag zonder regel

Literaire musea en schrijvershuizen

 


Inhoud

AMVC-letterenhuis

Louis-Paul Boon

Ernest Claes

Guido Gezelle

Maurice Maeterlinck

Stijn Streuvels

Herman Teirlinck

Felix Timmermans

Emile Verhaeren

Literair Museum Hasselt


 

AMVC-LETTERENHUIS. HET GEHEUGEN VAN DE VLAAMSE LITERATUUR

 

Van Vlaamsche Letterkunde tot Letterenhuis

 

De geschiedenis van het AMVC-Letterenhuis in Antwerpen gaat terug tot 1912. Toen herdacht de stad de honderdste geboortedag van Hendrik Conscience. Die herdenking was de impuls om in 1933 een Museum van de Vlaamsche Letterkunde te openen. Het vond onderdak in het Huis De Beuckelaer aan de Minderbroedersrui, een neoclassicistisch herenhuis uit 1850. In 1945 kreeg het museum de nieuwe naam Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven. Het AMVC was immers uitgegroeid tot het centrale archief en documentatiecentrum voor de letteren, de podiumkunsten, de muziek, de plastische kunsten en de Vlaamse Beweging. Die collectie begint met stukken van het einde van de achttiende eeuw, toen de eerste protesten weerklonken tegen de verwaarlozing van het Nederlands in Vlaanderen. Het AMVC bewaart zo'n twee miljoen brieven en handschriften van personen, verenigingen, organisaties en gezelschappen. In 1958 werd het huidige gebouw in gebruik genomen. Het is de versmelting van het Huis De Beuckelaer en een achttiende-eeuws notarishuis aan de Minderbroedersstraat 22, waar de huidige hoofdingang zich bevindt.

 

In 2002 werd het AMVC het 'Letterenhuis'. Voortaan zal het collectieprofiel en de werking zich opnieuw toespitsen op het bronnenmateriaal van Vlaamse literatuur en het letterenbedrijf. Op 16 oktober 2004 ging het AMVC-Letterenhuis in zijn nieuwe gedaante van start. Zeven jaar eerder, in 1997, was het als stedelijk museum losgekomen van de Antwerpse Stadsbibliotheek en had het een eigen imago en een eigen budget gekregen. Meteen was de nieuwe toekomst voor het 'oude' AMVC begonnen. In 2002 werd het archiefdecreet van kracht. Dat voorzag in erkenning van en subsidiëring voor culturele thema-archieven. Het AMVC was kandidaat voor het thema 'literair erfgoed', meer concreet 200 jaar Vlaams Literair Erfgoed. Dat is ook de kerntaak van de instelling-nieuwe-stijl geworden. Van 1 januari 2004 af is ze ook officieel erkend en gesubsidieerd als thema-archief voor het literaire erfgoed.

 

De resultaten van de nieuwe werking zijn bemoedigend: een prachtig vormgegeven museumopstelling, een enthousiaste ploeg, veel tevreden bezoekers: groepen, jongeren en volwassenen. Het archief groeit jaarlijks aan met een paar honderd meter. Het gaat niet altijd om integrale schrijversarchieven. Vaak zijn het kleine pakjes documenten, losse handschriften of een correspondentie. Een team van dertien mensen gaat daarmee aan de slag. Echter niet uitsluitend want ze bouwen ook tentoonstellingen, begeleiden onderzoekers, beheren het magazijn en houden toezicht in de leeszaal. Er worden reproducties besteld, er zijn bruikleenaanvragen en er is het collectiebeheer. Voor dat takenpakket is dertien mensen veel te weinig. Met de subsidies die de erkenning van het Letterenhuis opleverde konden alvast vier extra archiefmedewerkers worden aangeworven.

 

 

De ontsluiting: Agrippa en tentoonstelling

 

Een literaire nalatenschap is een geheel dat samen hoort. Het kan foto's, brieven, handschriften, notitie- en adresboekjes en tal van andere documenten bevatten. De ordening van een dergelijk archief moet er toe leiden dat er een structuur in de papieren ontstaat. Daarna volgt een grondige beschrijving van de voornaamste documenten, brieven en handschriften in Agrippa, de AMVC -Letterenhuis databank. Dat gebeurt ook met de foto's die meteen gedigitaliseerd worden. De geordende en beschreven archiefonderdelen worden voorzien van een eigendomskenmerk, in zuurvrije omslagen verpakt en opgeborgen in het depot. Onderzoekers kunnen ze dan opvragen en in de leeszaal raadplegen. Agrippa is via het internet voor iedereen toegankelijk, wat betekent dat de bezoeker van uit zijn luie stoel kan opzoeken van welke auteurs er archiefmateriaal wordt bewaard. Via Zuurvrij, het halfjaarlijks berichtenblad van het Letterenhuis, wordt de belangstellende op de hoogte gehouden van de werking, de nieuwe aanwinsten, onderzoeksprojecten, tentoonstellingen en lezingen.

 

Het wetenschappelijk onderzoek gebeurt door vorsers en studenten. Zij maken van het bronnenmateriaal gebruik voor het schrijven van een biografie, het uitgeven van een tekst of een correspondentie en voor een artikel. Het is niet altijd eenvoudig om al het materiaal door te nemen: het literair archief van een auteur bevat doorgaans geen brieven van hemzelf, maar alleen brieven die hij van zijn correspondenten kreeg toegestuurd. Voor de antwoorden moet de onderzoeker terecht in de archieven van de respectieve correspondenten.

 

Agrippa is een 'diepere' vorm van ontsluiting, de permanente tentoonstelling is een 'verdere' vorm van ontsluiting. Bij het vormgeven van de nieuwe museumopstelling wou men aanvankelijk 'thematisch' werken en daarbinnen 'diachroon', van het verleden naar het heden en omgekeerd. Maar jongeren hebben nu doorgaans te weinig historisch besef zodat een thematische opstelling niet aangewezen was. Thematische opstellingen laten ook vaak heel grote hiaten. Met een chronologische benadering daarentegen is er ook aandacht voor de mindere goden. Op de eerste verdieping zullen tijdelijke tentoonstellingen worden ingericht die dieper ingaan op zelf uitgewerkte of aangedragen thema's.

 

Tweehonderd jaar Vlaamse Letteren is één groot verhaal met talloze verhaallijnen en prachtige thema's. Het AMVC-Letterenhuis mikt vooral op scholieren van de laatste twee jaren van het middelbaar onderwijs en op volwassenen. Bij het binnenkomen van de prachtig vormgegeven ruimte is er één grote chronologische muurtabel met de Vlaamse auteurs, het wereldgebeuren en verwijzingen naar de wereldliteratuur. Die tijdsband maakt meteen duidelijk welke achterstand Vlaanderen had. Er zijn de taalminnaars en -ijveraars van het eerste uur. Er is de negentiende eeuw met als scheidingslijn de Eerste Wereldoorlog, het interbellum en de breuk bij de Tweede Wereldoorlog en tenslotte de periode na 1950.

 

Binnen die blokken zijn dubbelverhalen ontwikkeld rond literaire iconen. Er is de confrontatie tussen de negentiende-eeuwse figuren Hendrik Conscience en Cyriel Buysse, tussen de tegenpolen Guido Gezelle en Karel van de Woestijne en tussen de dorpse Stijn Streuvels en de steedse Willem Elsschot. In de tijdslijn zit ook een overzicht van de Vlaamse literaire tijdschriften en zijn ook schuifjes aangebracht met klankfragmenten. Van een aantal auteurs hoop je de stem te horen maar vaak zijn ze geboren of hebben geleefd toen de registratie van klank nog in de kinderschoenen stond. In het overzicht is er ook aandacht voor de Franssprekende en -schrijvende Vlamingen zoals Maurice Maeterlinck, Georges Eeckhoud en Georges Rodenbach. Er staan op het overzicht ook minder bekende namen.

 

Een andere lijn toont de breuk ter hoogte van de Eerste Wereldoorlog met enerzijds Filip de Pillecyn, Cyriel Verschaeve en Jozef Simons en anderzijds Paul van Ostaijen. Die laatste haalt in Vlaanderen een Europees niveau binnen. Verder is er aandacht voor de streekgebonden schrijvers van het einde van de negentiende, begin twintigste eeuw zoals Felix Timmermans. De bezoeker kan met touch screen een plaats aantoetsen op de kaart van Vlaanderen. Dan verschijnt informatie en hoort de bezoeker de stem van de schrijver en een voorgelezen fragment uit het werk. De benadering is ruimer dan streekliteratuur maar een aantal auteurs passen hier perfect.

 

De periode na 1950 vormt het zwaartepunt van de tentoonstelling. Het is het verhaal van vormexperimenten en engagement. De bezoeker vindt er handgeschreven werk van Hugo Claus, Paul Snoek en Ivo Michiels. Er is De Kapellekensbaan van Louis-Paul Boon, er zijn Walter van den Broeck, Leonard Nolens, Jef Geeraerts, Herman de Coninck, Kristien Hemmerechts, Lieve Joris, Paul Mennes en Peter Verhelst. Er is ook Ten Oorlog van Tom Lanoye. De bezoeker krijgt handschriften, brieven, foto's, affiches, schilderijen en beeldhouwwerken geserveerd. Aan een aantal debutanten uit de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw heeft het museum een 'object' gevraagd dat verband houdt met hun leven of werk. Drieënvijftig zijn er op ingegaan. Er zijn er zeer inventieve bij zoals de 'delete'-knop van Peter Verhelst. Van jongere auteurs zijn er uiteraard heel veel klank- en beeldfragmenten.

 

 

Het belang van literair erfgoed

 

Literair erfgoed leert jongeren dat literatuur niet zomaar tot stand komt. Er gaan notities, kladversies, handschriften, typoscripten, verbeterde drukproeven en dergelijke aan vooraf. Dat papieren literaire erfgoed is belangrijk voor de literatuurgeschiedenis. Wanneer een onderzoeker een biografie schrijft gaat hij niet alleen voort op interviews met direct betrokkenen. Hij moet kunnen graven in de papieren bronnen van de auteur zelf. Dat geldt ook voor de geschiedschrijving van een uitgeverij of van de correspondentie tussen twee auteurs. Alleen een grondige studie van het bronnenmateriaal kan de basis zijn voor een wetenschappelijke literatuurgeschiedenis. En dat bronnenmateriaal is dan zeker niet beperkt tot de literaire nalatenschappen van de gecanoniseerde schrijvers: ook de papieren van de mindere goden, de oprichters van of medewerkers aan kleine tijdschriften kunnen prachtige verhalen opleveren. Dat zijn de bouwstenen van het huidige geëmancipeerd literaire klimaat. Je kan er ook mooie tentoonstellingen mee bouwen. Het handschrift van Paul van Ostaijen is een kunstwerk op zich. De mooie kalligrafie van Bezette Stad is van een ander gehalte dan het handschrift van Louis-Paul Boon. Zijn pietepeuterig krabbels met doorhalingen, toevoegingen en wijzigingen zien er niet uit maar ze zeggen heel veel over hoe zijn werk tot stand kwam.

 

 

De verhouding Letterenhuis - schrijvershuizen

 

Het AMVC-Letterenhuis heeft in principe niets te maken met de geboortehuizen, de schrijvershuizen en de literaire musea in Vlaanderen. Schrijvershuizen zijn gestolde levens, niet eens altijd authentieke ruimtes, gevuld met heimweevolle parafernalia. De archieven van de auteur bevinden zich bijna alle in het AMVC-Letterenhuis. De schrijvershuizen verschillen onderling ook erg van statuut, inhoud en vormgeving. Zo is het door Stijn Streuvels gebouwde en bewoonde Lijsternest een zorgvuldig bewaard schrijn, een zwaar gesubsidieerd monument van de Provincie West-Vlaanderen, gelegen in een beschermde site. Het achttiende-eeuwse museum René De Clercq daarentegen moet het rooien met veel beperkter middelen van de gemeente Deerlijk, ligt er wat verwezen bij en bevat naast veel en interessante informatie over de schrijver ook elementen die het tot een folkloremuseum maken. Er zijn hevige voor- en fervente tegenstanders van schrijvershuizen. De instandhouding ervan kost handenvol geld aan de gemeenschap. Het is een concept uit de vorige eeuw waarvan sommigen zich afvragen of het nog een toekomst en een meerwaarde heeft. Een geboortehuis van Herman Brusselmans of Tom Lanoye bijvoorbeeld zit er niet meteen aan te komen. Wat er nu is heeft in zijn context belang maar verdient minstens een meer uniforme en kwalitatief hoogstaande aanpak die kadert in een samenleving van het begin van de éénentwintigste eeuw.

 


 

LOUIS-PAUL BOON


Aalst, 15 maart 1912 - Erembodegem, 10 mei 1979

Stedelijk Museum Aalst

 

Van ondinneke, valeer-traleer,
mossieu colson van tminnesterie
en tippetotje de schilderes...

 

Aalst is de karaktervolle stad van Dirk Martens, de eerste boekdrukker in de Zuidelijke Nederlanden, van de Dender en van de 'Voil Jeanetten'. Daar, onder de fabrieksrook, woonde en schreef Louis-Paul Boon en sprak er met nasale stem zijn sappig dialect. Boontje, op een haar na Nobelprijswinnaar voor Literatuur. Lodewijk (Louis) Paul Aalbrecht Boon is geboren in Aalst op 15 maart 1912 als zoon van rijtuigschilder Josephus (Jef) Theodorus Boon en Estella (Stella) Constantina Verbestel. De kleine Boon was regelmatig ziek en las veel boeken. Zijn literaire wortels zitten daar, maar ook bij zijn grootvader, de schoenlapper Sooi die vertelde over Jan de Lichte. Die kwam later weer tot leven in De Bende van Jan de Lichte (1953) en De Zoon van Jan de Lichte (1961). Na een tijd auto's te hebben geschilderd, schrijft Boon zich in aan de Academie voor Beeldende Kunsten in Aalst.

 

In 1936 trouwt hij met Jeanette (Jeanneke) Charlotte De Wolf. Ze krijgen één zoon, Jo. Jeanneke hield gedurende jaren het gezin recht door naai- en verstelwerk te doen. Boon vertelt in De Kapellekensbaan over de rol die Jeanneke speelde in en voor zijn werk: "Daar belt men aan en uw vrouw kijkt op en zegt: tzal weeral eens een literatureluurder zijn, een gek, een kwiestenbiebel die nooit een boek leest maar al de namen kent van al de schrijvers en weet of zij in de ereklasse schrijven dan wel naar bevordering A zullen moeten overgaan, gelijk voetbalspelers... iemand gelijk seeverman, die zei dat hij uw boek niet ging kopen, vooraleer hij de critiek in de bladen had gelezen."

 

Het was Jeanneke die in 1942 het manuscript van Boons eerste roman De Voorstad groeit instuurt voor de Leo Krynprijs. Jeanneke had op de bladzijde waar Louis daags voordien gestopt was met schrijven de woorden 'Enzovoort, enzovoort' geschreven. "Je boek is af," zei ze tegen Louis: "dikker moet dat niet zijn want het is zeer schoon." Ze zond het in en Boon won zijn eerste literaire prijs en 10.000 frank. In 1942 begon Boon ook te schrijven aan De Kapellekensbaan (1953). Samen met Zomer te Ter-Muren (1956) is dat zijn absolute meesterwerk. "Het is een plas, een zee, een chaos: het is het boek van al wat er op de kapellekensbaan te horen en te zien viel, van tjaar 1800-en-zoveel tot op deze dag," schreef Boon op de eerste bladzijde.

 

Na de Tweede Wereldoorlog gaat hij werken bij het communistische blad De Rode Vaan, waar hij later wegens besparingen weg moet. Hij wordt redactiesecretaris van het weekblad Front en nog later werkt hij voor de Vooruit waar hij tot in 1972 bijdragen voor schrijft. Tijdens de laatste fase van zijn leven wordt hij bekend voor Pieter Daens (1971) en voor Het Geuzenboek (1979).

 

 

'Boontje' de zwaarmoedige

 

Boon stierf op 10 mei 1979 aan zijn schrijftafel in Erembodegem. Bert Vanheste in zijn boek De Baan op met Boon - Een averechtse leeswandeling in Aalst: "Boon schreef tot op zijn sterfdag verder aan wat hij had moeten laten liggen omdat hij ziek was of depressief, of moest eten of voor de kost een krantenstukje schrijven of in 't diepst van zijn gedachten onder Mieke Maaikes rokken moest gluren. Hij schiep een schijnwereld, een verbeelde wereld. Hij ondernam een duizelingwekkende en tot mislukken gedoemde poging om 'de keerzijde van de medaille van de roman' te schrijven: 'Het Leven'. Het leven zoals het is. Het onbeschrijfelijke leven. De averechtse, ongelooflijke waarheid van Boon... Slechts een niet of niet langer door het literaire wereldje bedorven schrijver kan het in zijn hoofd krijgen het plan voor een roman na de dood van de roman te bedenken 'die het Ganse Leven zou omvatten' terwijl hij maar al te goed beseft hoezeer hij tekort zal schieten, dat zijn boek 'een zee (gaat) worden, een plas, iets dat op niets trekt."

 

Boon stierf zwaarmoedig en levensmoe. Hij kon de ouderdom en de eenzaamheid niet aanvaarden.

 

 

Het Stedelijk Museum

 

Het Stedelijk Museum Aalst, waar het kleine maar fijne Louis-Paul Boon-museum deel van uitmaakt, ligt aan de Oude Vismarkt. In het museum is er verder ook een collectie archeologisch-heemkundige relicten, beeldhouwwerk, tapijtweefkunst, grafiek en schilderkunst. En verder ook aandacht voor Daens, de schilder Valerius De Saedeleer, een Edings wandtapijt uit de zestiende eeuw, een laat-middeleeuws fresco in situ en het drukkersmateriaal van Dirk Martens. Het complex is al jaren in restauratie en heeft ook een reële band met Boon. Hier was de academie gevestigd waar hij zijn opleiding als sierschilder kreeg. De (voorlopige) verzameling in het museum geeft een goede kijk op de creatieve duizendpoot Boon: als auteur en schrijver van krantenstukjes, als kunstschilder, tekenaar, beeldhouwer en grafisch kunstenaar en als eigenaar van de beruchte 'feminatheek'. Het stijgend aantal bezoekers bedraagt 16.000 per jaar.

 

Jeanneke en Louis kochten in 1948 een stuk grond in Erembodegem. Ze bouwden er in 1953 een huis, ontworpen door vriend-architect Albert Bontridder. Boon gaf het huis de naam 'Isengrimus' naar één van de figuren uit het Reinaert-verhaal. Bij de verkoop in 2004 heeft het financieel armlastige Aalst de aankoop en de inrichting tot Boonmuseum nooit overwogen. Het Stedelijk Museum heeft de schrijftafel aangekocht waaraan Boon gestorven is. Het echte geboortehuisje in Aalst is klein en banaal en verwijst op geen enkele manier naar de schrijver. Het archief van Boon bevindt zich grotendeels in het AMVC-Letterenhuis in Antwerpen maar het stadsarchief van Aalst heeft ook een uitgebreide verzameling manuscripten, Boontjes en een veertigtal tekeningen en prenten.

 

 


 

ERNEST CLAES

Zichem, 24 oktober 1885 - Ukkel, 2 september 1968

Museum Huize Ernest Claes

 

Kind van Hageland en Kempen

 

Ernest Andréas Jozef Claes werd geboren in Zichem op 24 oktober 1885. In het landbouwersgezin van Jozef Claes en Theresia Lemmens waren er negen kinderen. Ernest kwam op de wereld in een stenen huis dat zijn vader in 1867 had gebouwd. Steen als bouwmateriaal was vrij uitzonderlijk in het overgangsgebied van vruchtbare naar zandgrond. Het was hard labeur voor weinig opbrengst en de huizen waren van leem en de daken van stro. Vader Claes was naast boer ook boomkweker zodat het gezin niet onbemiddeld was.

 

De kleine Claes was een deugniet in een groot gezin in het arme Vlaanderen van het einde van de negentiende, begin twintigste eeuw. In de strafkamer van de school maakte Claes voor het eerst kennis met de literatuur: hij vond en verslond er de De Leeuw van Vlaanderen van Hendrik Conscience. Claes was voorbestemd om, zoals veel kinderen toen, op het land te werken maar zijn zwakke gezondheid liet het nauwelijks toe. De abdij van Averbode nam hem in dienst als loopjongen maar zag meer in 'de witte' en wou er een pater van maken. Claes volgde (Franstalige) humaniora in Herentals waar meteen de bronnen lagen voor Studentenkosthuis 'bij Fien Janssens' (1950). Hij was toen al een bewonderaar van Albrecht Rodenbach en een aanhanger van de Vlaamse Beweging. Daarna studeerde hij Germaanse filologie aan de K.U. Leuven en promoveerde op Het Proza van Potgieter (1910).

 

Claes verliet Zichem definitief toen hij trouwde met Stephanie Vetter in 1912. Hij woonde met haar eerst in Oude God, daarna in Antwerpen en tenslotte in Ukkel. Later keerde hij nog vaak terug naar zijn geboortestreek waar hij een vrij grote band mee had en waar vrijwel al zijn boeken over gaan of figuren ervan als onderwerp hebben. Vooral met de abdij van Averbode, waar hij en zijn vrouw begraven liggen, had hij een sterke band. Claes was al vroeg erg Vlaamsgezind en kreeg er op school en tijdens zijn legerdienst meer dan eens problemen mee. Hij werd hoofdredacteur van Ons Leven en voorzitter van het Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond. In de Eerste Wereldoorlog verdedigde hij als soldaat de forten van de Maas, raakte gewond en werd krijgsgevangen genomen. In 1915 werd hij vrijgelaten en bleef daarna nog de hele oorlog in dienst van de Belgische regering. In 1918 werd hij directeur van het Beknopt Verslag bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers en bleef dat tot 1951. Van 1918 tot 1935 was hij ook Brussels correspondent van Het Nieuws van den Dag voor Nederlands India.

 

Claes leunde aan bij de Frontpartij en bleef tijdens het interbellum erg Vlaamsgezind. Na de Tweede Wereldoorlog is hij tijdens de repressie aangepakt. Claes was lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal en Letterkunde (1934) en van de Maatschappij voor Taal en Letterkunde en Geschiedenis. Hij ontving in 1958 de Prijs der Vlaamse Provincies voor zijn oeuvre. Hij kreeg een hartaanval op 5 januari 1965 en stierf drie jaar later op 2 september 1968.

 

 

Nijvere Nest

 

Claes debuteerde al vroeg met enkele hoofdstukken van De Witte dat uiteindelijk in 1929 als boek verschijnt en een weergaloos succes zal worden in de Vlaamse literatuur. Het is het verhaal van een hard leven dat voor een vroegrijp kind in een wereld van volwassenen vaak ongevoelig en liefdeloos was. Het is het grappige maar ook trieste verhaal van een jongen die de pijn van het zijn moet milderen met een lach. Met Timmermans en Streuvels is Claes één van de meest gelezen en vertaalde Vlaamse auteurs. Zijn ervaringen van de Eerste Wereldoorlog schrijft hij neer in Namen 1914, Bei uns in Deutschland (1919) en in de vaak harde bezettingsroman De vulgaire Geschiedenis van Charelke Dop (1923). De repressie na de Tweede Wereldoorlog beschrijft hij in Cel 269 (1952) en Het was Lente (1953).

 

Claes was vooral een heimatschrijver en een verteller van verhalen over zijn streek, zijn dorp en de boeren, de zwervers en de pastoors die er woonden. Wannes Raps (1926), Pastoor Campens zaliger (1935), Het Leven en de Dood van Victalis van Gille (1951) en Het Leven van Herman Coene (1925 en 1930) zijn daar voorbeelden van. Deze landelijke vertelkunst gaat over in herinneringen vol humor, ironie en ontroering in Jeugd (1940) en in De oude Klok (1947). Claes kon zeer precies types neerzetten maar hij bereikte een hoogtepunt van stilistische schrijfkunst in Floere het Fluwijn (1951) en een opmerkelijke psychologie in Kiki (1925). Zijn werk Jeroom en Benzamien (1946) kreeg landelijke bekendheid door de televisiebewerking net zoals Het schamel Moederken, Pastoor Campens, De Moeder en de drie Soldaten, Daar is een Mens verdronken en De vulgaire Geschiedenis van Chareke Dop. Wij Heren van Zichem was de titel van een televisiereeks die gepuurd was uit verschillende verhalen.

 

 

De nieuwe dimensie van een geboortehuis

 

Ernest Claes leefde nog toen de jonge leraar Jan Van Hemelrijck het geboortehuis in 1966 kocht en het opnieuw inrichtte met oorspronkelijke voorwerpen - daarbij geholpen door Claes. Het huis heeft anno 2005 net een opfrissing achter de rug. De sfeer blijft, maar er is, naast moderniseringswerken, ook een bezoekerscentrum met een meer thematische opstelling en aandacht voor de omliggende natuur aan toegevoegd. De archiefruimte is moderner en toegankelijker geworden. De wieg van Claes staat er en ook een recent verworven reiskoffer. De ruimtes en de indeling van het huis zijn typisch voor een boerenwoning van het einde van de negentiende eeuw: kleine kamers met een laag plafond en een half verzonken kelder met daarboven een voutekamer. De keuken is interessant omdat zij een aangebouwde bakoven heeft die normaal los van het huis stond omwille van het brandgevaar. Verder staat het huis vol met sier- en gebruiksvoorwerpen uit de eerste helft van de twintigste eeuw en krijgt daardoor stilaan een folkolore-betekenis. Waar diende een karnton voor? Hoe waste, kookte, at men in 1899? Wat is een hespenkroon? Dit is echte volkskunde en het blijft bij voorkeur goed bewaard voor toekomstige generaties die willen weten hoe de Vlaamse mens meer dan een eeuw geleden leefde. De onmiddellijke omgeving van het huis is een ecologisch leerpad.

 

Het bezoekersaantal gaat wat achteruit en bedraagt nu zo'n 5.000. Het is hoger geweest door de heruitzendingen van de Heren van Zichem, De Witte en Jeroom en Benzamien bij vijftig jaar televisie. De combinatie literatuur en natuurbehoud is niet onzinnig omdat de natuur in het werk van Claes sterk aanwezig is. Maar ze is ook belangrijk omdat heel jonge mensen niet meer geboeid raken door Claes alleen. Voor natuurbeleving in de Demerbroeken daarentegen wel. Het museum werkt nu meer thematisch. Kasten met informatie over de stroperij, de folklore rond Wannes Raps en wat daarvan nog terug te vinden is in de Demerbroeken. Hoe zien de marter en de wezel uit Floere het Fluwijn er uit? Wat is turf? Wat zijn turfputten? Wat is een trilveen? Het zijn vragen die kunnen worden gesteld aan de hand van fragmenten uit boeken van Claes. Ze halen er in het museum dan een turfspade bij en leggen zo de verbinding tussen voorwerp, figuur en landschap. De figuur van Claes laat men hier duidelijk los voor een andere dimensie. Claes opende zijn geboortehuis op 29 april 1967. Sinds 1993 beheert Scherpenheuvel het museum en het omliggende beschermde landschap.

 


 

GUIDO GEZELLE

Brugge, 1 mei 1830 - Brugge, 27 november 1899

Guido Gezellemuseum Brugge

 

Dichten is geen kunste
kom,
geen kunste
dichten is een gunste
Gods
Een gunste!     (Guido Gezellemuseum)

 

'Winden waaien wolken wentlen'

 

Pieter Jan Gezelle, hoveniersknecht, was getrouwd met Monica De Vriese, een boerendochter uit Wingene. Hun oudste van negen kinderen was Guido Pieter Theodoor Jozef Gezelle, geboren op 1 mei 1830. Guido Gezelle werd één van Vlaanderens grootste dichters. Gezelle werd gedoopt in de Sint-Annakerk in Brugge en liep later ook lagere school in die buurt. De Rolweg, waar hij woonde, was een bijzonder landelijk aandoend stukje Brugge. Net binnen de dertiende-eeuwse stadswallen stonden halfweg de negentiende eeuw nog 29 windmolens. In de vijftiende en zestiende eeuw was daar het domein van de familie Adornes. Een prent van Jules De Bruycker toont de Rolweg in Gezelle's jeugd: een zandweg in een volkse, armoedige buurt met heel veel kantwerksters. Vader Gezelle was tuinman en huurde van de wijnhandelaar Théodore-Dominique Van de Walle een gedeelte van het grote buitenverblijf waar hij de tuin onderhield en conciërge was. Daar is Gezelle geboren en verbleef er tot hij in oktober 1846 vertrok naar het kleinseminarie in Roeselare voor het resterend gedeelte van zijn humaniora.

 

Het eerste gedeelte had hij gevolgd aan het Onze-Lieve-Vrouw ter Duinen bisschoppelijk college. Eén van zijn leraars, E.H. P. Benoit, werd later de eerste Vlaamse missionaris in Engeland en maakte Gezelle warm voor Engeland en voor de poëzie. Het kleinseminarie in Roeselare aanvaardde ook minder kapitaalkrachtige kinderen zoals de jonge Gezelle. Voor zijn priesterstudies keert hij terug naar Brugge en wordt gewijd op tien mei 1854. Hij geeft les in Roeselare, begeleidt er een groep Engelse leerlingen en heeft van 1857 tot 1859 de Poësisklassen, die hij zijn 'wonderjaren' noemde. Die jaren van spirituele begeleiding, pedagogische inzet en taalstudie maken hem bewust van zijn poëtisch talent en zijn originele Vlaamse taalvirtuositeit. Als een programma verschijnt Vlaemsche Dichtoefeningen (1858), maar ook Kerkhofblommen (1858) is een voorbeeld van zijn 'nieuwe' dichtkunst. In het crisisjaar 1859 verliest hij zijn meest geliefde leerling, Eugène van Oye die niet meer naar school terugkeert. De schoolhiërarchie vindt zijn pedagogische aanpak niet goed.

 

 

'k Hoore tuitend' hoornen'

 

Gezelle verlaat Roeselare in 1860 en wordt directeur van een Engels 'college' in Brugge en later onderrector van het grote Engels missieseminarie. Rooms-katholieke Engelsen kregen daar hun voorbereiding op het priesterschap. Gezelle hield van Engeland en was er graag missionaris geweest. Engeland was toen een grootmacht van waaruit de hele wereld kon worden bekeerd. Van 1860 dateert de vroegste 'daguerrotype'-foto van Gezelle. Nog in 1860 verschijnt XXXIII Kleengedichten, in 1862 Gedichten, Gezangen en Gebeden. In 1865 wordt hij onderpastoor van de Sint-Walburga-kerk en combineert de volkse, pastorale opdracht met journalistieke activiteiten. Zijn geestelijke overheid wil dat hij zijn pen leent voor antiliberale artikels. Hij wordt redacteur van 't ]aer 30 of politieke wegwijzer voor treffelijke lieden en ook 't Jaer 70. Die journalistiek draait uit op rechtszaken. In 1871 wordt hij in één ervan in cassatie veroordeeld, is moreel gebroken en bankroet.

 

 

'Ik ben een blomme en bloeie voor uwe oogen'

 

In 1872 plaatst de geestelijke hiërarchie hem over naar Kortrijk waar de sfeer en de mentaliteit burgerlijk-rustig zijn. Op zondag gaat Gezelle op de koffie en keuvelt bij het genieten van een goede sigaar met de rijkere families. Dat waren toen zowat zijn sponsors. In april 1872 verschijnt de tweede uitgave van Kleengedichtjes. In 1873 start hij zijn medewerking aan het Westvlaamsch Idioticon van De Bo. In 1878 verschijnen Dichtoefeningen, in 1879 Gedichten, Gezangen en Gebeden en zijn vertaling van de The Song of Hiawatha verschijnt in 1886. Hij sticht het maandblad Loquela, begint de Duikalmanakken (1885) en sticht het tijdschrift Biekorf (1890). p 8 juli 1886 wordt hij stichtend lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie en in 1890 lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde in Leiden.

 

Er heerst met andere woorden een relatieve stilte in het leven van Gezelle. Over poëzie schrijft hij in 1873: "God weet hoe geren kon ik zulke dingen van ambtswege te doen krijgen." Op 23 maart 1889 werd hij in Kortrijk ontheven van zijn taak als onderpastoor en hij wordt rector van een kleine kloostergemeenschap. Zijn poëzie bloeit voor de tweede keer. Hij schrijft Tijdkrans (1893), Rijmsnoer (1897) en de postuum verschenen Laatste Verzen (1901). In 1897 wordt hij in opdracht van Mgr. Waffelaert bestuurder van de Engelse Kanunikessen in Brugge. Die terugkeer naar zijn geboortestad was er te veel aan. Hij overlijdt aan een kwalijke infectie op 27 november 1899. De Brugse krant La Patrie schrijft: "Rarement on a vu funérailles plus belles, plus grandioses."

 

 

Rolweg 64 Brugge

 

De Stad Brugge kocht in 1926 het geboortehuis en de grond er omheen. In 1999 is het helemaal heringericht en toont in vijf ruimtes documenten, drukwerken en realia die het werk en het leven van Gezelle oproepen. Dat zijn achtereenvolgens: Keuken & Voutekamer, Opleiding & Vroege poëzie, Roeselare & Brugge, Kortrijk & Brugge en Gang naar de Tuin. Hoewel Gezelle hier maar een gedeelte van zijn leven heeft doorgebracht, is het door de architectuur, de ligging, de inhoud en de vormgeving een pittoresk en vooral zeer interessant geheel en een hoogstaande ervaring.

 

Om veiligheidsredenen - brand en diefstal - zijn alle waardevolle documenten veilig opgeborgen in een kluis en vervangen door kleurenkopies. Met de huidige reproductietechniek is het kwaliteitsverschil miniem. Wanneer het zeer waardevolle, originele handschrift van Dien Avond en die Rooze in het museum zou hangen zou het na enkele jaren onherstelbaar beschadigd zijn. Het museum krijgt gemiddeld 6.000 bezoekers per jaar. Daarvan komt de helft uit Nederland.

 

Naast streng wetenschappelijke belangstelling zijn er twee verenigingen die zich bezig houden met de studie van Gezelle. Het meer academische Guido Gezelle Genootschap en de Guido Gezelle Kring die het tijdschrift Rijmtijd uitgeeft. Het AMVC-Letterenhuis en de Biekorfbibliotheek archiveren heel wat Gezelledocumenten.

 


 

MAURICE MAETERLINCK


Gent, 29 augustus 1862 - Saint-Jean Cap-Ferrat, Frankrijk, 5 mei 1949

Hotel Arnold Vander Haeghen Gent

 

"Today Sweden, the land of sagas and folk songs, offers her world prize to the poet who has made us perceive the tender vibrations of the melody that is hidden in the hearts of men."
C.D. af Wirsén, secretaris van de Zweedse Academie op 10 december 1911 bij de uitreiking van de Nobelprijs aan Maurice Maeterlinck.

 

Maurice Polydore Marie Bernard Maeterlinck werd geboren in Gent op 29 augustus 1862. Het geslacht Maeterlinck woonde al ruim een eeuw in de stad. Zijn vader Polydore Maeterlinck was notaris met rust. Zijn moeder Mathilde Van den Bossche was de dochter van een rijke advocaat. Hij was kind in Gent en aan het kanaal Gent-Terneuzen in Oostakker waar zijn ouders een landgoed hadden. Zijn vader kweekte er groenten en fruit en hield er bijen. Ongetwijfeld heeft hem dat vanaf 1901 beïnvloed bij het schrijven van zijn natuurwetenschappelijke werken.

 

 

Een 'oortje' schoolgeld

 

Hij liep 'oortjesschool' bij de Soeurs de Notre Dame van het Institut du Nouveau Bosch (Nieuwen-Bosch). Daar betaalden de kinderen elke morgen een oortje schoolgeld. Omgerekend naar een hedendaagse waarde was dat twee keer niets. Lager onderwijs kreeg hij in de privé-school Institut Central en middelbaar onderwijs in het Sint-Barbaracollege, waar Charles van Lerberghe en Grégoire Le Roy zijn medestudenten waren. Maeterlinck was al vroeg literair actief maar van dat werk is weinig bewaard, behalve Dans les Joncs (1883) dat in Jeune Belgique verscheen. Maar van zijn eerste toneelstukken, gedichten, korte romans en essays is verder niets bewaard gebleven.

 

Maeterlinck ging rechten studeren aan de Rijksuniversiteit van Gent waar hij ook Emile Verhaeren ontmoette. Net als Verhaeren spreekt hij Frans maar 'voelde' Vlaams. Onder het mom van een bijscholing als pleiter vertrekt hij samen met zijn vriend Grégoire Le Roy naar Parijs. Hij ontmoet er Villiers de l'Isle-Adam, Saint-Pol Roux en Stéphane Mallarmé en nog andere kopstukken van het symbolisme. Ook Baudelaire, Rimbaud, Verlaine, Huysmans en Mallarmé inspireren hem in hoge mate. Na zijn reis besluit hij definitief schrijver te worden.

 

 

De Belgische Shakespeare

 

Terug in Gent werkt hij zijn rechtenstudies af, pleit een paar keer maar in 1889 zegt hij de balie definitief vaarwel. Hij ontwikkelt in die periode ook een diepe bewondering voor de mysticus Ruusbroec. Hij gaat terug naar Parijs en sticht er het tijdschrift La Pléiade dat later ook de eerste gedichten van Serres chaudes (1889) publiceert. Dan verschijnt ook het toneelstuk La Princesse Maleine (1890). Daarin toont Maeterlinck voor het eerst een gevoel voor mysterie en voor het bovennatuurlijke. Octave Mirabeau vergelijkt hem in Le Figaro van 24 augustus 1890 prompt met Shakespeare. Zijn faam is meteen gemaakt, ook omdat hij het fin de siècle precies wist te vatten.

 

Pelléas et Mélisande (1892), zijn meesterwerk van symbolistisch drama, wordt gecreëerd in het Théâtre de l'Oeuvre in Parijs. Claude Debussy maakt er in 1902 een opera van waar ook Jean Sibelius aan meewerkt. Nog in 1890 verschijnen een paar van zijn meest representatieve werken van het symbolistische toneel: L'Intruse en Les Aveugles die het probleem van het menselijk lot, de dood en het geluk aansnijden. In 1891 schrijft hij ook Les Sept Princesses, een vertaling van Die Chierheit der gheesteliken Brulocht (1340) van Ruusbroec (L'Ornement des Noces Spirituelles).

 

Hij wil, wellicht vanuit een soort burgerlijke reflex, zijn maatschappelijk positie verzekeren en postuleert voor het ambt van vrederechter. Hij wordt het niet, wat ongetwijfeld zijn dichterschap ten goede is gekomen en zijn vertrek naar Frankrijk heeft in de hand gewerkt. Over het zuiden van Frankrijk schrijft hij: "De natuur van de Midi verbindt, harmoniseert, verheldert en zorgt voor een scherpe afstelling van het eventueel onevenwichtige, van alle mogelijke versnippering van zintuigen en geest. Een eeuwenoude olijfboom onderwijst, moraliseert en overtuigt evengoed als de beste filosoof." Hij vertaalt ook Novalis en John Ford.

 

Op 11 januari 1893 ontmoet hij de Franse actrice Georgette Leblanc met wie hij vierentwintig jaar zal samenleven, ondermeer in Sainte-Wandrille in Normandië. Dan volgt een minder sombere periode waaruit de toneelstukken Marie Magdeleine (1910) en Les Fiançailles (1918) dateren. Maar eerst was er L'Oiseau Bleu (1908) dat in Moskou gecreëerd wordt en in Londen, New York en Parijs triomfen oogst. In 1940 wordt het een film met Shirley Temple en in 1976 als teken van vriendschap tussen Oost en West een 'remake'.

 

 

 

Graaf Maurice Maeterlinck

 

Maeterlinck's proza is een mengeling van mystiek, het occultisme en zijn interesse voor de natuur. Het is zijn reactie op het materialisme, de wetenschap en de mechanisering van de maatschappij. De vragen waar men toen wakker van lag gingen over de onsterfelijkheid van de ziel, de essentie van de dood en het verwerven van wijsheid. In 1896 verschijnt zijn eerste van een lange reeks filosofische bespiegelingen, Le Trésor des Humbles, met houtsneden van Frans Masereel. Daaruit spreekt zijn fascinatie voor het menselijk lot en de dood. Maeterlinck was een hevig voorstander van het 'moderne' dat de mens moest leiden naar een beter begrip van zijn bestaan en van zijn lot. Hij was een grote aanhanger van de automobiel en het motorrijwiel. Na de Eerste Wereldoorlog taande zijn ster wat.

 

In zijn onvermoeibare zoektocht naar de zin van het bestaan wordt hij agnost. Zijn tijdgenotgen biedt hij een vulgarisatie aan van de wetenschap. Die vindt zijn neerslag in La Vie des Abeilles (1901), L'Intelligence des Fleurs (1907), La Vie des Termites (1927), La Vie des Fourmis (1930) en L'Araignée de Verre (1932). De wetenschappelijke waarde wordt betwist en leidde een paar jaar terug nog tot een controverse na het verschijnen van het boek De Plaag: het stille knagen van schrijvers, termieten en Zuid-Afrika van David van Reybrouck.

 

Bij zijn zeventigste verjaardag in 1932 wordt Maeterlinck door Koning Albert I in de adelstand verheven. Hij reist heel veel en is op die reizen een onvervalste ambassadeur van België. In 1948 verschijnt zijn laatste werk, Bulles Bleues, een bundel herinneringen. Hij krijgt naast de Nobelprijs Literatuur ook twee keer de driejaarlijkse literatuurprijs van de Belgische Academie voor Franse Taal- en Letterkunde. Hij weigert te worden opgenomen in de Académie Française omdat hij hiervoor de Belgische nationaliteit moet opgeven. In 1937 wordt hij wel lid van de Academie voor Morele en Politieke Wetenschappen van Parijs. Maeterlinck is ondertussen met de actrice Renée Dahon getrouwd en verhuist twee jaar voor zijn dood naar het uitgestrekte domein Orlamonde in de heuvels van Mont Boron bij Saint-Jean Cap-Ferrat in Frankrijk. Hij sterft er in 1949. Marguerite Yourcenar redt de urne met zijn asse toen het kasteel moest plaats maken voor een nieuwbouw hotelproject dat overigens zijn naam draagt. De urne is in de muur ingemetseld en er hangt een gedenkplaat.

 


 

STIJN STREUVELS


Heule, 3 oktober 1871 - Ingooigem, 15 augustus 1969

Het Lijsternest

 

'Nulla dies sine linea'

 

Wanneer Stijn Streuvels in Het Lijsternest aan zijn schrijftafel ging zitten, zag hij die Latijnse tekst, gebeiteld in het hout van het raam. 'Geen dag zonder lijn' was zijn leuze. Als wou hij zichzelf inprenten: 'Je moet alle dagen schrijven om de kost te verdienen.' En dat is ook wat hij deed. De latere Stijn Streuvels werd in Heule geboren op 3 oktober 1871 als Franciscus Petrus Maria Lateur met als roepnaam Frank. Zijn vader was kleermaker. Zijn moeder was de zus van Guido Gezelle. Hij liep lagere school in Heule en college in Avelgem. Maar hij studeerde alleen de vakken die hem interesseerden en er werd beslist om hem een stiel te laten leren. In Avelgem logeerde hij bij zijn ooms die bakker waren. Daar leerde hij brood bakken en hij vervolmaakte zich in Heule, Kortrijk en Brugge. Hij wou ook naar Brussel maar zijn moeder en ooms vonden dat een verdorven stad. Beroepsscholing bestond niet zodat een leerjongen hogerop kwam door ervaring op te doen. Streuvels kreeg uiteindelijk zijn getuigschrift. Hij was in de streek de éérste die brood én patisserie verkocht en was met die combinatie zijn tijd vooruit.

 

Hij stopte met de bakkerij toen hij 34 was en verhuisde naar het ondertussen gebouwde Lijsternest. Hij wou schrijven. De schuilnaam Stijn Streuvels had hij toen al. Die vond zijn oorsprong in Streuvels haarbos. Omdat plat haar de mode was smeerde zijn moeder kilo's pommade op zijn weerbarstige kuif maar die kwam iedere keer weer recht. "Gij lelijkaard met uw streuvelkop, ik kan daar niets mee aanvangen," zei ze.

 

 

Het Lijsternest

 

Veel bezoekers van Het Lijsternest worden stil wanneer ze de schrijfkamer, met het beroemde lage maar brede raam, betreden. Het lijkt alsof de auteur even is gaan wandelen. Hij liet Het Lijsternest ontwerpen door zijn vriend, de Brugse architect Jozef Viérin. Hij zou bouwen op een goedkoop perceel van dertig are in Ingooigem, opgevoerd met klei uit de trambedding die toen door de straat liep. Hij kwam hier ook wonen omdat hij een mooi uitzicht had. Hij betaalde 2.700 frank voor de grond, waarvan twaalfhonderd frank 'onder tafel'. Streuvels had samen met de architect de streek doorkruist, maakte tientallen foto's van huizen en boerderijen, op zoek naar de ziel van de lokale architectuur en voorbeelden voor zijn eigen huis.

 

In een charmante cottage-stijl bouwde hij daarna op zijn 'klijtekop' een goede synthese van de West-Vlaamse landelijke architectuur. Van het oorspronkelijke grondplan van het huis is niet veel meer over. Vroeger verbouwde men wanneer men daarvoor de centen had en dat is ook hier in verschillende etappes gebeurd. Alleen de woonkamer is nog origineel. Het huis, met een klokje op het dak, is gebouwd met de voorkant naar het zuiden, zoals alle boerderijen toen. De voordeur gebruikte men doorgaans niet. Wanneer iemand daar klopte wist Streuvels dat het een bezoeker was die hij niet kende en hij deed niet open.

 

Veel in het huis is nog origineel: meubels, schilderijen, snuisterijen en boeken. Uit de bibliotheek van zo'n 6.000 boeken zijn de meest waardevolle overgebracht naar de Provinciale Bibliotheek en Cultuurarchief in Brugge, zoals ook de fototheek van Streuvels. Het Streuvelsarchief bevindt zich in het AMVC-Letterenhuis in Antwerpen.

 

 

Streuvels de schrijver

 

Streuvels trouwde op 19 september 1905 met Alida Staelens en zij hadden vier kinderen. Hij deed 's voormiddags handenarbeid, 's namiddags ging hij wandelen. Hij luisterde graag naar volkse figuren uit de streek die hem ongetwijfeld inspireerden. Schrijven deed hij 's avonds. Erg sociabel was hij niet. Hij zei goedendag als hij zin had en als hij geen zin had deed hij dat niet. Iemand die onaangekondigd op bezoek kwam werd steevast met een kluitje in het riet gestuurd. Hij was niet graag gezien in de omgeving omdat hij volgens de dorpelingen een rijke rentenier was. De waardering was ook niet groot omdat bij de gewone mensen lezen niet populair was. De mensen die wel lazen en hem waardeerden, zoals de onderwijzers, stonden dan weer niet in zijn gratie. Moderne uitvindingen als de telefoon moest hij niet. Hij nam eenvoudigweg niet op wanneer hij werd opgebeld. Een auto vond hij maar niks omdat die niet meteen helemaal stopte wanneer je remde. Anderzijds was hij één van de eersten met een fototoestel en had ook al vroeg een (loop)fiets. Hij was ook één van de eersten die een radio had. Zijn 'schruwelbak' noemde hij die.

 

Streuvels debuteerde officieel in het tijdschrift De Jonge Vlaming (1895) toen hij nog bakker was. Maar Van Nu en Straks kwam hem op het spoor. Zijn moeder en Guido Gezelle vonden dat maar niks want die schrijvers waren goddeloze mensen. Hij publiceerde daarna in De Nieuwe Gids, De Gids en Het Tweemaandelijksch Tijdschrift.

 

In maart 1899 verscheen zijn eerste verhalenbundel Lenteleven, gepubliceerd in de Duimpjesreeks van Victor Delille in Maldegem. In 1903 werd hij redacteur van het tijdschrift Vlaanderen. Op kousenvoeten bouwde Streuvels aan een oeuvre dat uiteindelijk Europese weerklank zou krijgen. Hij schreef naturalistische romans over mensen van het land en over arbeiders. Over een periode van meer dan zestig jaar is dat een oeuvre geworden van 102 boeken, van zijn debuut Lenteleven (1899) tot zijn laatste werk In levende Lijve (1966). Zijn bekendste werk is Langs de Wegen (1902), De Vlasschaard (1907), Prutske (1922), Het Leven en de Dood in den Ast (1926), Werkmenschen (1926) en De Teleurgang van den Waterhoek (1927).

 

Zijn werk getuigt van een immense bewondering voor de natuur die tot uiting komt in de kracht, het ritme en de kleur van zijn woordgebruik. Hij schiep een eigen taaluniversum, ergens tussen het West-Vlaams en het Algemeen Nederlands in. Streuvels had een somber mensbeeld en een zeer fatalistische wereldbeschouwing die de 'kleine' mens plaatst tegenover kosmische krachten.

 

Streuvels was ook een gewaardeerd vertaler. Hij studeerde op eigen kracht Duits, Engels, Frans, Deens en Russisch. In 1911 werd hij lid van de Koninklijke Vlaamse Academie. Streuvels stierf op achtennegentigjarige leeftijd op 15 augustus 1969. Zijn stoffelijk overschot werd op de traditionele manier naar het kerkhof gebracht: op een boerenkar, getrokken door Brabantse trekpaarden. Zijn weduwe bleef in Het Lijsternest wonen tot haar dood in 1974. De Provincie West-Vlaanderen kocht Het Lijsternest in 1977. Geboortehuis en het landschap er rond zijn geklasseerde monumenten.

 

 

Restauratiewerken

 

Het Lijsternest is het enige literaire museum van de provincie West-Vlaanderen en heeft zo'n 9.000 bezoekers per jaar. Tussen het overlijden van Alida Staelens, de echtgenote van Streuvels, in 1977 en nu is de museumvisie grondig veranderd. Het Lijsternest en wijde omgeving zijn als monument geklasseerd. Het VN-Charter van Venetië bepaalt dat erfgoed moet bewaard worden in de staat waarin het verkeerde bij het overlijden van de bewoner. De manier waarop Streuvels geleefd en gewerkt heeft wordt het referentiepunt bij de restauratie. Het Lijsternest is gebouwd op een kleiheuvel die door de droge zomer van 1976 gekrompen is. Daardoor is het huis op veel plaatsen gescheurd. Het toenemende zware vrachtverkeer in de buurt heeft die situatie nog verergerd. Om het huis te stabiliseren zal onder Het Lijsternest een betonnen plaat worden gegoten waarop het huis zal rusten. De werken starten einde 2005 en zullen zo'n 600.000 € kosten. De rol van het museum na restauratie zal educatiever zijn, met het milieubewustzijn avant la lettre van Streuvels als leidraad.

 


 

HERMAN TEIRLINCK


Sint-Jans-Molenbeek, 24 februari 1879 - Beersel, 4 februari 1967

Herman Teirlinckhuis Beersel

 

'Liever geschuwd om mijn waarheid
dan gezocht om mijn schijn'
(Zelfportret of Het Galgemaal)

 

Een oude man in een jong lichaam

 

Herman Louis Cesar Teirlinck was zijn lange leven een Brusselse Vlaming. Maar dat was hij van oorsprong niet. Zijn vader, de leraar en taal- en letterkundige Isidoor Teirlinck, was van het Oost-Vlaamse Zegelsem en zijn moeder Oda Van Nieuwenhove van Merchtem. Fientje, zoals ze door iedereen werd genoemd, was fröbeljuffrouw. Isidoor had een encyclopedische geest met een grote kennis van de natuur en het volksleven. Hij schopte het tot lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde waarin hij zijn zoon zou voorgaan. Met zijn schoonbroer Reimond Stijns publiceerde hij Arm Vlaanderen (1884).

 

Teirlinck werd geboren in Sint-Jans-Molenbeek op 24 februari 1879. In Mijn Lieve Moeder (1960) beschrijft hij hoe ze hem 'in tranen heeft gezoogd'. Want: "Niet zogauw kwam ik onder haar ogen of ik veroorzaakte haar de schrijnendste aller ontgoochelingen. Ik was namelijk lelijk... Ik was inderdaad meer dan lelijk: ik was oud; ik had een rimpelig gelaat van een oud ventje, ik was geboren met 'de oude man', ik zou nimmer een kind kunnen worden." De zeer jonge Teirlinck had een zwakke gezondheid en bracht het grootste gedeelte van zijn kindertijd door bij zijn grootouders in Zegelsem. Aan het Brusselse 'Karel Buls' volgt hij lager onderwijs, aan het Koninklijk Atheneum Grieks-Latijnse humaniora. Zijn vader wil hem geneeskunde laten studeren, wat Teirlinck in Brussel ook één jaar doet. Maar hij wil geen dokter zijn, heeft zelfs een afkeer van de studies en gaat aan de Rijksuniversiteit Gent Germaanse filologie volgen. Maar na één jaar verlaat hij ook Gent en besluit schrijver te worden. Hij trouwt in 1902 met Mathilde Lauwers en krijgt twee dochters, Stella en Leentje. In 1905 wordt zijn nieuwe woonplaats Linkebeek.

 

 

Tussen Zenne en Zoniën, tussen schuchterheid en vernuft

 

Teirlinck debuteert zeer vroeg in 1900 met Verzen, het begin van een indrukwekkend oeuvre dat grof geschetst uiteen valt in drie blokken: de eerste periode die afsluit met Mijnheer Serjanszoon, orator didacticus (1908), de twintiger jaren met vooral toneelwerk en tenslotte zijn later werk met als hoogtepunt Het gevecht met de engel (1952), algemeen beschouwd als zijn meesterwerk. De eerste verhalen situeren zich in het Zuid-Oost-Vlaanderen van zijn jeugd. De streek met een dialect dat hij nooit vergat en ook gebruikte in zijn eerste werken. Later leerde hij het Brabants en Brussels dialect. Hij is een viertal jaar ambtenaar bij het Brusselse stadsbestuur en zijn literaire productie komt stilaan op gang.

 

In 1905 verschijnt De Doolage, bekroond met de literaire prijs van de Provincie Brabant. In 1909 schrijft hij de eerste grote stadsroman in Vlaanderen Het Ivoren Aapje. Zijn 'toneelperiode' loopt tot de jaren 1930, gevoed door een innerlijke verontwaardiging over het bedroevend lage peil van het Vlaams toneel. Teirlinck en nog anderen wilden de gemeenschapszin stimuleren na het einde van de Tweede Wereldoorlog, gedreven door het geloof in een nieuwe toekomst. Zijn belangrijkste toneelwerk is De vertraagde film (1922), Ik dien (1924), De man zonder lijf (1925), De ekster en de galg (1937) en Ave (1938). Hij probeert het theater te moderniseren en het te laten ervaren als kunst voor de massa met de moderne mens als inzet.

 

Vanaf 1920 wordt hij leraar aan het Koninklijk Hof, krijgt literaire prijzen en een doctoraat honoris causa in Brussel, Amsterdam, Luik en Gent. In 1940 verschijnt Maria Speermalie, de Vlaamse Lady Chatterly, en in 1944 Rolande met de Bles, allebei verfilmd. Hij richt het Nieuw Vlaams Tijdschrift op en ligt aan de basis van de Arkprijs van het Vrije Woord. In zijn laatste, existentialistische periode schrijft hij in 1952 Het gevecht met de engel. Dit is de kroniek waar Teirlinck drie jaar aan werkte en vertelt van de Brabantse familie Jeroen, op Onze-Lieve-Vrouw-Welriekende aan de rand van het Zoniënwoud. In 1955 verschijnt zijn door velen als literair testament beschouwde Zelfportret of Het Galgemaal.

 

 

Lucht, water en aarde komen samen op de Uwenberg

 

Teirlinck maakte met zijn vrienden graag lange wandelingen in de rand van Brussel en het Pajottenland. Tijdens één ervan op de Uwenberg in Beersel had hij Hess, zijn Zwitserse vriend en mecenas, laten verstaan dat hij graag op deze plek zou wonen. Waarop Hess prompt voor Teirlinck de grond kocht en er een roze villa met rood dak liet bouwen waarvan het interieur was ontworpen door Henry van de Velde. Teirlinck woonde er van 1936 tot zijn dood op 4 februari 1967. Daarna is het nog elf jaar bewoond maar van het oorspronkelijke interieur was naderhand nauwelijks wat over.

 

In 1979 kocht de gemeente Beersel het huis en maakte er deels museum, deels kunstgalerij van. Het echte archief van Herman Teirlinck wordt bewaard in het AMVC-Letterenhuis. Bij het binnenkomen word je begroet door de meester zelf in de vorm van een fotografisch portret. Het salon en de werkkamer zijn gevuld met een kleine, eenvoudige doch boeiende verzameling in een tiental toonkasten. Er is ook de schrijftafel voor het raam dat uitkijkt over de Zennevalei. Uitzicht dat nu wordt gehinderd door ondertussen flink uit de kluiten gewassen bomen. De bezoeker vindt in de tentoonstelling manuscripten en eerste drukken ondermeer van Zelfportret of Het Galgemaal (1956) en van Dramatisch Peripatetikon (1959), lange tijd hét referentiewerk voor wie studeerde aan Studio Herman Teirlinck.

 

Teirlinck ontwierp ook boekbanden en -illustraties, vlaggen en poppenkast-marionetten. Altijd leuk in een tentoonstelling van schrijvers zijn agenda's die de bezoeker een onbeschaamde blik gunnen in het privé-leven van de auteur. Dat is bij Teirlinck niet anders. Zeker niet wanneer je afspraken met koning Albert I genoteerd ziet staan. In één van de kasten ook zijn fototoestel, sigarendoos, zomerse hoed en verrekijker waarmee hij vanuit zijn werkkamer het 'land van Bruegel' afspeurde. Ook zijn handboog is er. Daarmee schoot hij zichzelf naar steile hoogten van plaatselijke roem als koning en keizer, zowel op de staande als de liggende wip. Een prachtige foto van Rik Selleslags tenslotte toont Teirlinck in zijn keuken terwijl hij zittend naast de buiskachel de krant leest. Diezelfde ruimte wordt nu bewoond door drie katten die op de wit-zwart geblokte tegelvloer de achtergebleven parafernalia én Teirlincks geestelijke erfenis bewaken.

 


 

FELIX TIMMERMANS


Lier, 5 juli 1886 - Lier, 24 januari 1947

Timmermans - Opsomerhuis Lier

 

Leopoldus Maximilianus  Felix Timmermans werd geboren in Lier op 5 juli 1886 als de dertiende van veertien kinderen, in een gezin dat leefde van de kanthandel. Zijn vader Joannes Gummarus was kantfabrikant, zijn moeder Angelina Van Nueten. Felix volgde lager onderwijs aan de Lierse Rijksmiddelbare School en leerde tekenen en schilderen aan de tekenacademie. Hij trouwde in 1912 met Maria Janssens en had achtereenvolgens een kanthandel en een snoepwinkel. Het echtpaar Timmermans kreeg vier kinderen: Lia, Clara, Tonet en Gommaar.

 

 

De zeer bezige uren van Felix Timmermans

 

Felix debuteerde met poëzie in 1903. Onder het pseudoniem Polleke van Mher volgde in 1907 de bundel beschrijvende gedichten Door de Dagen. Zijn vroegste proza met religieuze inslag verscheen in Vlaamsche Arbeid. Van  1907 tot 1911 maakt Timmermans, onder invloed van occulte, theosofische en symbolistisch-decadente lectuur, een morele en geloofscrisis door die hem terugbracht naar het katholicisme van zijn jeugd. In die periode schreef hij het donkere Schemeringen van de Dood (1911) en Begijnhofsproken (1911). Hij overleefde toen ook een gevaarlijke operatie en schreef met een krachtig vitalisme de roman Pallieter (1916), algemeen beschouwd als zijn meesterwerk. Over dat boek schrijft hij in Pallieter in Holland (1922): "De drift naat 't volle leven spoelde dat alles weg; ik zwom naar kant, en zag vandaar neer, vermoeid, maar blij, op iets wat voorbij was. (...) Nu waaide de Schemering van het leven aan, en dat zou Pallieter worden". Daarna volgden Het kindeken Jezus in Vlaanderen (1917) en De zeer schoone Uren van Juffrouw Symforosa, Begijntjen (1918). In 1922 kreeg hij de driejaarlijkse Staatsprijs voor Nederlands Proza. Omdat hij wegens zijn activisme de koude adem van de naoorlogse repressie voelde ging hij 1918 tot 1920 in vrijwillige ballingschap in Nederland.

 

Tussen de twee wereldoorlogen schreef hij bijna twintig romans, verhalenbundels en toneelstukken. Hij was de meest gelezen Vlaamse auteur van wie het werk ook vertaald werd in twaalf talen. Zijn belangrijkste boeken uit die periode waren De Pastoor uit Den bloeyenden Wijngaerdt (1924), Pieter Breugel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken (1923), De Harp van Sint-Franciscus (1932), Boerenpsalm (1935), Ik zag Cecilia komen (1938) en Waar de Sterre bleef stille staan (1925). Boerenpsalm is misschien zijn énige echte meesterwerk, een monoloog zonder zijn anders zo duidelijk aanwezig naïef idealisme. Een roman met een krachtige psychologische samenhang. Na dit werk kon Timmermans de literaire wereld niet meer verrassen.

 

Hij was in 1924 medeoprichter van de katholieke kunstenaarsvereniging De Pelgrim. In 1933 werd hij lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde en in 1935 de eerste voorzitter van de Scriptores Catholici, een tweetalige vereniging van katholieke schrijvers in België. Van de Hanzische Universität Hamburg kreeg hij in 1942 de Rembrandt-Prijs. Dat is hem na de oorlog als culturele collaboratie aangerekend. De hele heisa had mee de gezondheid van de verzwakte hartlijder Timmermans geknakt en hij overleed in Lier op 24 januari 1947. Pas in 1949 werd zijn dossier zonder gevolg geklasseerd. Op zijn ziekbed had hij nog intens gewerkt aan de dichtbundel Adagio (1947) en aan de geromanceerde biografie Adriaan Brouwer (postuum verschenen in 1948), twee werken die tot zijn beste gerekend worden.

 

 

'De Groote Hofstadt'

 

In het Timmermans - Opsomerhuis komt vroeg of laat iedere Lierenaar terecht die gecomponeerd, geschilderd of geschreven heeft. Het is een uitstalraam van het cultuurhistorisch verleden van de stad. De klemtoon van de tentoonstelling ligt uiteraard op Timmermans. De dubbele patriciërswoning De Groote Hofstadt waar het is gevestigd, is in 1917 aangekocht door de stad Lier. Het was in de negentiende eeuw een dubbele burgerwoning met een grote tuin. Die was na 1828 in zijn huidige vorm gebracht door Emmanuel Schram. Hij was een plantenliefhebber die veel uitheemse planten en bomen in de tuin aanplantte. Na de Eerste Wereldoorlog, die het huis erg toetakelde, is het gebruikt als schoolgebouw, achtereenvolgens door het Ursula-instituut en door het Atheneum. Later is het gebouw, in samenspraak met de familie Timmermans en het AMVC-Letterenhuis, een Timmermans-Opsomerhuis geworden. Het opende officieel op 29 juni 1968. De benedenverdieping laat de bezoeker kennismaken met de schilderijen en de grafiek van Isidore baron Opsomer, de bovenverdieping met Timmermans, de kleinere kamers met de kunstsmid Van Boeckel. Ook Anton Bergman heeft een zaal. Verder is er een muziekkamer waar aandacht is voor dirigent en componist Renaat Veremans en voor architect en kunstschilder Flor Van Reeth. Van al dat moois is een enthousiaste Luc Coenen de conservator.

 

 

Een dubbeltalent

 

Het museum toont Timmermans' boeken, gelegenheidsuitgaven, vertalingen, tekeningen, foto's en documenten. Ze laten de bezoeker kennismaken met de schrijver, de boekillustrator, de schilder, de journalist en de tekenaar. De voorlopig nog chronologische opstelling wordt straks opgefrist. Ze moet Timmermans in beeld brengen én aan het woord laten want er zijn ook audiofragmenten gearchiveerd. De bezoeker ziet de levensloop van Timmermans, de chronologie van zijn boeken en vertalingen, zijn Vlaams engagement en zijn activiteiten als beeldend kunstenaar.

 

Timmermans is, buiten de Eerste Wereldoorlog en de korte ballingschap in Nederland, in Lier blijven wonen. Hij schreef veel, reisde intensief en gaf in heel Midden-Europa lezingen. Hij moet bijgevolg zeer goed georganiseerd geweest zijn. Dat moest ook want hij leefde van zijn pen. Net als Streuvels had hij - maar taalkundig puntiger - de slagzin 'Geen dag zonder slag'. Timmermans was met andere woorden een kleine ondernemer. Daarvan getuigen ook de gages die hij ontving. De manuscripten van het werk van Timmermans bevinden zich grotendeels in het AMVC- Letterenhuis. In Lier zijn alle eerste drukken van het werk aanwezig.

 

Het werk van Timmermans is best nog leesbaar door jongere generaties. Zijn plastische beschrijvingen moet je erbij nemen en in hun historische context plaatsen. Het aangename van Timmermans was dat hij, zoals Marcel Janssens het noemt, een 'dubbeltalent' was. Hij schreef niet alleen, hij tekende en schilderde heel krachtig: olieverfschilderijen, tekeningen, etsen, hout- en linosneden en boekillustraties voor eigen en andermans werk. Naïeve maar niet oppervlakkige, door de volkskunst geïnspireerde beelden met een grote religieuze achtergrond. Die tekeningen kun je niet loskoppelen van de goedlachse, joviale Timmermans, zijn sappig dialectische literair werk en het pittoreske, intimistische Lierse stadsbeeld.

 


 

EMILE VERHAEREN


Sint-Amands, 21 mei 1855 - Rouen, 27 november 1916

Provinciaal Museum Emile Verhaeren

 

Een literair oertalent in een bocht van de Schelde

 

Verhaeren is geboren op 21 mei 1855 in Sint-Amands als zoon van Henricus Gustavus Verhaeren, een Franstalige Brusselse handelsreiziger, en Joanna Adelaïda De Bock, dochter van plaatselijke burgers. Studeren en schrijven doet hij in het Frans, onder meer aan het Gentse Collège St. Barbe. Verhaeren is een zeer middelmatige student die in Leuven de enige richting kiest die ook literatuur in het curriculum heeft, namelijk rechten. Hij geeft een eerste tijdschrift uit, La Semaine des Etudiants, dat door de universitaire overheid verboden wordt. Op 5 februari 1881 studeert hij af en de advocaat Verhaeren pleit twee zaken, verliest ze en zegt de balie prompt vaarwel. Onder invloed van zijn stagementor en Brussels strafpleiter Edmond Picard wordt hij schrijver en criticus. La Jeune Belgique en L'Art moderne verwelkomen hem als redacteur.

 

In 1883 debuteert hij met Les Flamandes dat goed onthaald wordt door de avant-garde. Parijs en Brussel lachen de bundel weg en bestempelen het Frans dat hij schreef als 'du petit nègre'. Het landelijke Sint-Amands is ondersteboven van het expliciete taalgebruik in Les Flamandes. In pure boekverbrandingsstijl kopen de pastoor en Verhaerens ouders grote delen van de oplage op en vernietigen ze. Verhaeren moet verplicht een paar dagen op retraite in een klooster bij Chimay. Zijn beide ouders sterven kort na elkaar. Verhaeren gaat door een diep dal.

 

De kunstcriticus Verhaeren wint aan invloed. Hij ontmoet de jonge Luikse kunstenares Marthe Massin. Ze trouwen op 24 augustus 1891. Verhaeren vindt creatieve rust, reist de wereld rond, steunt jonge kunstenaars en correspondeert met tijdgenoten als Ensor, Theo Van Rysselberghe, Fernand Khnopff, Léon Spilliaert, Constantin Meunier, Henry Van de Velde, Georges Rodenbach, Maurice Maeterlinck, Stéphane Mallarmé, August Vermeylen, Stefan Zweig, Rainer Maria Rilke, F.T. Marinetti en vele anderen. Hij omarmt het jonge socialisme en gaat in zijn toneelwerk te keer tegen de Industriële Revolutie.

 

Bij het begin van de twintigste eeuw is Verhaeren wereldberoemd. Hij geeft lezingen en oogst veel succes in het Rusland van na de Oktoberrevolutie. In 1911 krijgt niet hij de Nobelprijs voor Literatuur maar wel zijn vriend Maurice Maeterlinck. Koning Albert I kroonde zijn, naar eigen zeggen, enige vriend tot 'poète national'. Hij vestigt zich in 1898 in Saint-Cloud in Frankrijk en heeft in het zuiden van Henegouwen een buitenverblijf dat Le Caillou-qui-Bique heet. De patriot Verhaeren gaat erg tekeer tegen de oorlog, publiceert gedichten in anti-Duitse geschriften, breekt met Duitse vrienden en schrijft de Amerikaanse president Theodore Roosevelt om te melden dat België verkracht wordt. Het antwoord van de president kan de bezoeker zien in het museum. Op 27 november 1916 sterft hij in het station van Rouen. Na een voordracht ten voordele van de Belgische oorlogsslachtoffers gevolgd door een vermoeiende nacht haast hij zich om als eerste op de trein te springen, struikelt en sterft op de rails. Sinds 1927 rust hij op een schitterende plaats aan de oever van de Schelde.

 

 

'Tafelen' met een wereldburger

 

In het vernieuwde Provinciaal Museum Emile Verhaeren in Sint-Amands zijn alle kasten vervangen door tafels. Die geven informatie maar krijgen door vorm en opstelling een leidende rol. De tafel verwijst naar het schilderij De Lezing van Theo Van Rijsselberghe met daarop Verhaeren en zijn vrienden. Aan tafel schreef Verhaeren gedichten en artikels en bracht er vrienden samen. In 1895 publiceert hij Les Villes tentaculaires en introduceerde daarmee het woord 'tentaculair' in het Frans. De gewone jongen uit Sint-Amands had breed uitwaaierende tentakels. Hij wordt een spilfiguur die alle groten van zijn tijd kent en rond zich verzamelt. De opstelling toont het leven van Verhaeren, van geboorte tot dood. Elke tafel staat symbool voor een periode in zijn leven, waardoor de bezoeker aan het denken wordt gezet. Een heel gewone, robuuste tafel verwijst naar het Vlaamse boerenleven uit Les Flamandes. Een dwarse, zeer lichte tafel staat voor zijn vrouw Marthe.

 

'Mon petit vieux', zo noemde Marthe Massin haar man Emile Verhaeren. Het zegt wat over zijn graatmagere, besnorde één meter zeventig, maar het zegt misschien ook wat over de verhouding tussen de twee. Zij schetste het beeld van de almachtige dichter die met haar een sterke liefdesband had, die omwille van de kunst bewust kinderloos bleef en die bevriend was met alle groten van zijn tijd. Dat is maar één kant van het verhaal. Marthe had na de dood van Verhaeren tijd en mogelijkheden genoeg om alleen de juiste documenten te bewaren. Daardoor is een bepaald beeld van Verhaeren overgeleverd. Harde bewijzen voor die 'manipulatie' zijn er echter niet. Er zijn anderzijds verhalen over een bijzondere band met de licht ontvlambare koningin Elisabeth. Zo is ooit een foto van een strandwandelende koningin en Verhaeren door de fotograaf geretoucheerd met de figuur van Albert I. Verhaeren moet ondanks zijn kleine gestalte en zijn nicotinegebruik annex doorrookte, gele snor aantrekkelijk zijn geweest. Zijn krachtige stem en zijn literair talent zijn daar niet vreemd aan.

 

Aanvankelijk vrolijk, licht en rechtlijnig veranderen de tafels in het museum in de loop van de tentoonstelling van vorm en opstelling. Er zijn er dwarse die tegenwringen, klimmen of heel veel tentakels hebben. Er is de tafel met brieven aan zijn vrienden, er is die van de zwaarmoedige periode met zijn depressieve werken. De grote tafel met twee fijne pootjes staat voor de luchtige liefdesgedichten. De omgekeerde tafel toont een samenleving die door de Eerste Wereldoorlog op haar kop staat. Er is het klassieke schoolbankje en één tafel verwijst naar Le Caillou-qui-Bique, met één poot gehouwen uit een steen van die streek. Verrassend is de smalle lade waarin bijna achteloos zijn adressenboekje ligt met de namen van alle groten van het begin van de negentiende eeuw. De gedurfde vormgeving van het museum is spannend en intellectueel heel verfrissend.

 

Verhaeren beleed zijn liefde voor Vlaanderen in het Frans. Maar die situatie was dubbel. Hij was verhangen aan Vlaanderen, maar het volk dat hij zo liefhad las zijn werk nauwelijks. Ondanks zijn latere vriendschappen met eminente Vlaamse schrijvers als August Vermeylen, Cyriel Buysse, Karel van de Woestijne en Stijn Streuvels bleef hij een schrijver tussen wal en schip. Een tijdgenoot van Verhaeren, Max Elskamp, noemde dat: "de voir en flamand et d'écrire en français". Hij sprak niet genoeg Nederlands om zich in die taal verstaanbaar te maken, maar hij las het wel. Verhaeren is desondenks een prima ambassadeur voor Vlaanderen geweest. In zijn meest 'Vlaamse' gedichtencyclus Toute la Flandre (1904) draagt hij het Vlaamse landschap uit in Europa. Flandre: l'amour pour toujours!

 

 

Een graf op de oever van de Schelde

 

Emile Verhaeren wordt in 1927 begraven in Sint-Amands op de oever van de Schelde. Dat had hij uitdrukkelijk aangegeven in een versregel.
Le jour que m'abattra le sort
C'est dans ton sol, c'est sur tes bords
Qu'on cachera mon corps
Pour te sentir, même à travers la mort, encore!

 

Dat hij daar ligt is mogelijk gemaakt door koning Albert en koningin Elizabeth. Omdat Verhaeren het katholieke geloof had afgezworen - hij hing het pantheïsme aan - heeft de pastoor van Sint-Amands geweigerd om hem kerkelijk te begraven. Honderd jaar na zijn geboorte, in 1955, is het lichaam van zijn vrouw Marthe Massin in het graf bijgezet. Door de stijging van de zeespiegel - de Schelde is getijdenrivier - overstroomt het graf nu bijna wekelijks. Omdat men de dijken nog eens met een paar meter zal verhogen, zal het graf binnen een paar jaar ook hoger moeten.

 


 

LITERAIR MUSEUM HASSELT

 

Waar boeken en kinderen thuis zijn

 

Het Literair Museum Hasselt, ondergebracht in een herenhuis bij het station, geeft een boeiende kijk op de literaire productie van auteurs die in Limburg geboren zijn, er wonen of er gewoond hebben. De architectuur en de vormgeving dragen bij tot de gezellige, huiselijke sfeer. Vooral jonge bezoekers vinden dat geweldig. Het museum startte in 1985 als tewerkstellingsproject onder de vleugels van de vzw Atos (Alternatieve Tewerkstelling voor Ontwikkelingssamenwerking). In 1997 kreeg het een vaste stek in de Bampslaan. Daar werken Marijke Rekkers, Imelda Sleurs en Johan Swennen heel hard aan de leesbevordering rond vier permanente tentoonstellingen en regelmatig wisselende thematentoonstellingen over jeugdauteurs en illustratoren.

 

 

Jeugdauteurs en illustratoren

 

In een eerste onderdeel ontdekken kinderen de antwoorden op vragen die ze zich stellen over hun favoriete schrijvers en illustratoren. Dat gebeurt met speels vormgegeven kijkkastjes die hen de naam, geboortedatum en boeken van de schrijvers duidelijk maken. In het hart van elk kijkkastje zit een verrassing en aan de schrijvers is gevraagd wat hun mooiste en vervelendste jeugdherinnering is. De opstelling vertrekt vanuit de leefwereld van kinderen. Daarom ook vraagt men regelmatig naar hun mening. De auteurs die hier figureren hebben een zekere productie en weerklank. Het zijn zowel schrijvers van de oudere als van de jonge generaties. De verzameling is boeiend en geeft ook een idee van de jongste lichting briljante illustratoren en uitgeverijen die de productie mogelijk maken. De Vlaamse kinder- en jeugdliteratuur beleeft duidelijk hoogtijdagen.

 

 

Limburgers over Kongo

 

In een tweede zeer mooi vormgegeven ruimte, gestoffeerd met gebruiksvoorwerpen, krijgen bezoekers een beeld van een aantal Limburgers die met Kongo te maken hadden. Arnold Maes was bioloog en natuurkundige die, onderweg naar zijn Kongo-expeditie, brieven stuurde naar huis. Daarin beschreef hij op bijna wetenschappelijke manier dieren, bloemen en mensen. In zijn eerste halteplaats Zanzibar ontmoette hij Stanley maar liep daar tegen een zonnesteek aan en stierf. Aan de basis lag een slechte voorbereiding. De expeditieleden vertrokken naar Afrika in de zwarte kleren waarmee ze in Brussel nog hadden deelgenomen aan banketten. Ze moesten in Oostende inderhaast nog een strooien zonnehoedje kopen. Arnold Maes is opgenomen in de tentoonstelling omdat hij een idealist was en een zeer vooruitstrevende visie had. Arnold Maes schrijft tijdens zijn dramatische expeditie naar het Evenaarsgebied de volgende bevlogen woorden: "Europeanen dwalen als ze de negers voor lui uitmaken. Ik heb bewonderd wat grote lasten zij dragen. En ik heb het zeer natuurlijk gevonden dat zij in een uitputtend klimaat genegen zijn tot de rust. Wij klagen wanneer we enige uren gewerkt hebben. Wij zouden niet mogen klagen over lieden in wier land wij komen meestal om hun rijkdommen te verzamelen, die de inboorlingen ons gewillig afstaan." Leopold II was nog op zoek naar een kolonie in Afrika toen Arnold Maes zijn fatale zonnesteek kreeg. Verder is er aandacht voor antropoloog Jacques Bergeyck en auteur Lieve Joris.

 

 

Steenkoolmijnen in de literatuur

 

Het derde luik toont de opkomst, de bloei en het verval van de Limburgse steenkoolmijnen zoals Limburgse auteurs die zagen. Foto's, gebruiksvoorwerpen in een zeer realistisch decor brengen bezoekers in de juiste sfeer. Ze krijgen een helm, een kieltje en een lamp. Onderweg is er veel aandacht voor de literatuur met telkens de meest representatieve auteurs. De belabberde sociale toestand in de mijnstreek bij het begin van de steenkolenexploitatie is een onderwerp dat vaak terugkeert. De mijnwerkers waren vaak avonturiers die zo'n beetje van overal afkwamen op het geld. Er is aandacht voor het opkomend socialisme en de Vlaamse zaak. De bezoeker 'daalt af' met een lamp in de 'diepten' van het museum. Daartoe is de kelder als mijngang heringericht met gedimd licht. De bezoekers leren wat over de vriendschap onder de mijnwerkers die soms duizend meter of dieper onder de grond alleen zichzelf en hun collega's hadden. De meest voor de hand liggende voorzieningen zoals refter of toilet ontbraken. Hier komen auteurs aan bod als Jos Vandeloo, Minus van Looi, Wiel Kusters, Emile Zola, Georges Orwell, Frederik Van Eeden en Hector Malot. Er is een mijngang, een kolenwagentje, een mijnfiets, blusmaterieel en het kooitje met de kanarie die door te sterven de mijnwerkers waarschuwde voor mijngas.

 

 

De schuilkelder

 

Tot slot kan de bezoeker nog een schuilkelder bezoeken die ook auditief zeer realistisch aandoet. Het eerste waar jonge bezoekers moeten aan denken bij het betreden ervan is de kooi van Dutroux of de geheime schuilplaats van Zorro. Wanneer je aan kinderen vraagt wat ze eerst en vooral zouden meenemen wanneer ze nu in een kelder zouden moeten schuilen voor oorlogsgeweld dan antwoorden ze: een Game Boy en een televisietoestel. Het boek noemen ze even niet maar dat is omdat ze het vergeten.

 

 


 

 

Auteur

Jos Verniest (Brugge 1951) had de eerste tien jaar van zijn carrière commerciële- en uitgeefjobs bij Standaard Boekhande, Uitgeverij Lannoo, Elsevier en Standaard Uitgeverij. Zijn grote liefde voor literatuur en interesse voor literatuurgeschiedenis dateren uit die periode. Hij was zelfstandig copywriter, journalist en redacteurbij VRT Verkeersredactie, Radio Vlaanderen Internationaal en Radio 1. Na studies Management voor KMO en Advanced Management aan de Vlerick School specialiseerde hij zich in communnicatie-management van bedrijven. Hij is communicatie-directeur van World Directories en schrijft voor bladen als De Tijd, Financieel Management, Forward (VBO) en voor uitgeverijen. 


 

Musea en schrijvershuizen

AMVC - Letterenhuis Minderbroedersstraat 22, 2000 Antwerpen -Tel. 03 222 93 20 - http:/www.letterenhuis.be/museum_letterenhuis - Directeur: Leen van Dijck

Louis-Paul Boon Stedelijk Museum Aalst, Oude Vismarkt 13, 9300 Aalst - Tel. 053 72 36 02 – www.aalst.be - Conservator: Luc Geeroms

Museum Huize Ernest Claes, Ernest Claesstraat 152, 3271 Scherpenheuvel Zichem - Tel. 013 77 20 81 (Toeristische Dienst) - Contactpersoon Manu Vlaeyens

Museum René De Clercq, René De Clercqstraat 8, 8540 Deerlijk - Tel. 056 72 86 70 – www.renedeclercq.be

André Demedtshuis, Sint-Bavostraat 19, 8710 Sint-Baafs-Vijve - Tel. 056 60 79 05 – www.andredemedts.be - Voorzitter Franck De Munster - Museumcoördinator Bert De Smet

Guido Gezellemuseum, Rolweg 64, 8000 Brugge - Tel. 050 44 87 11 – www.gezelle.be - Conservator Willy Le Loup

Maurice Maeterlinck, Museum Arnold Vander Haeghen, Veldstraat 82, 9000 Gent - Tel. 09 269 87 50

Provinciaal Museum Stijn Streuvels Het Lijsternest, Stijn Streuvelsstraat 56, 8570 Anzegem - Ingooigem - Tel. 050 40 34 44 – www.streuvelshuis.be - Conservator Mark Berteloot

Herman Teirlinckhuis, Uwenberg 14, 1650 Beersel-Lot - Tel. 02 359 16 43 - Conservator Kris Vanhemelrijck

Felix Timmermans-Opsomerhuis, Netelaan 4, 2500 Lier - Tel. 03 800 03 94 - Conservator Luc Coenen

Provinciaal Museum Emile Verhaeren, Emile Verhaerenstraat 71, 2890 Sint-Amands - Tel. 052 33 08 05 - www.emileverhaeren.be - Conservator Liene Geeraerts

Emile Verhaerenkabinet, De Schenkingskabinetten van de Koninklijke Bibliotheek Albert I, Kunstberg, 1000 Brussel - Tel. 02 519 53 55

Emile Verhaeren-kabinet, Plantin Moretus Museum, Vrijdagmarkt 22-23, 2000 Antwerpen - Tel. 03 221 14 50

Cyriel Verschaevemuseum, Sint-Rijkersstraat 22, 8690 Alveringem - Tel. 058 28 88 81 (VVV) - www.alveringem.be

Literair Museum Hasselt Bampslaan, 35, 3500 Hasselt - Tel. 011 26 17 87 – www.literairmuseum.be  - Conservator Marijke Rekkers


Literaire genootschappen

Louis-Paul Booncentrum Universiteitsplein 1, 2610 Wilrijk - Tel. 03 820 27 81 - www.lpbooncentrum.be - Teamverantwoordelijke Kristiaan Humbeeck

Cyriel Buyssegenootschap, UG Vakgroep Nederlandse Literatuur, Blandijnberg 2 9000 Gent - Tel. 09 264 39 31 – www.cyrielbuysse.be

Ernest Claesgenootschap vzw, Brusselsesteenweg 142, 3020 Winksele - Herent - Tel: 016 48 11 22 – ernestclaesgenootschap.be

Studiecentrum Johan Daisne, Constitutiestraat 89, 2600 Berchem - Tel. 03 272 29 46

Willem Elsschotgenootschap WEG, Cyriel Van Tilborgh, Wezelsebaan 195, 2900 Schoten - Tel. 03 666 78 70 – www.weg.be

Guido Gezellekring vzw, Klaprozenlaan 13, 8210 Loppem – Zedelgem - Tel. 050 82 42 74 - www.guidogezellekring.be

Felix Timmermansgenootschap, Jozef Ickxstraat 87, 2180 Ekeren

Internationale vriendenkring Anton Van Wilderode, Wezelsebaan 250, 2900 Schoten - Tel. 03 658 72 41 – www.antonvanwilderodeinternationaal.be
Secretaris Beatrijs van Craenenbroeck

Stichting Gerard Walschap GeWAG, Universiteit Antwerpen, Prinsstraat 13, 2000 Antwerpen - Tel. 03 220 42 54 - www.ua.ac.be

 


Illustraties (De illustraties kan u bekijken in PDF-formaat)

 

Het Huis De Beuckelaer aan de Minderbroedersrui in 1912. Hier vond het Museum van de Vlaamsche Letterkunde onderdak. - AMVC-Letterenhuis

De Consciencezaal in het Museum van de Vlaamsche Letterkunde, dat in 1933 werd geopend - AMVC-Letterenhuis

Eerstesteenlegging van het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven op 31 januari 1954 - AMVC-Letterenhuis

Interieur van het Huis De Beuckelaer in 1912 - AMVC-Letterenhuis

Eindelijk! Lanoye genaaid, gebonden & in leer, een eigenzinnige tijdelijke tentoonstelling in het AMVC-Letterenhuis

De indrukwekkende verzameling affiches in het depot van het AMVC-Letterenhuis - Foto Michel Wuyts

Chronologische muurtabel met de Vlaamse auteurs in de permanente tentoonstelling van het AMVC-Letterenhuis

 

Louis-Paul Boon op de brug van een sas - AMVC-Letterenhuis

Typoscript van de eerste pagina van Boons Kapellekensbaan - AMVC-Letterenhuis

Boon als verteller, een beeld van Marc De Bruyn in de voortuin van het Stedelijk Museum, Aalst

Louis-Paul Boon, Noëma, een collage op roze achtergrond - AMVC-Letterenhuis

 

Handschrift van Ernest Claes: eerste bladzijde van Namen 1914 met de ervaringen van de Eerste Wereldoorlog - AMVC-Letterenhuis

Jeroom en Benzamien, immens populair door de tv-serie. Ernest Claes samen met Jos Jacobs, Maurits Balfoort, Nand Denolf, Luc Philips en Robert Marcel, 1965 - AMVC-Letterenhuis

Aankondiging van de Nationale Ernest Claeshulde op 21 oktober 1955 in de Grote Feestzaal van de Zoo te Antwerpen - AMVC-Letterenhuis

80 Jaar Ernest Claes: feest met de beste fragmenten uit de film De Witte, georganiseerd door Davidsfonds Mechelen in 1965 - AMVC-Letterenhuis

Guido Gezelle in de tuin van de familie Victor Vercruysse te Kortrijk, (1898). Deze foto is de basis van tal van reproducties en postkaarten. Op de meeste daarvan kreeg Gezelle een brilletje opgezet - AMVC-Letterenhuis

Pijp en pen naast een manuscript van de dichter in het Guido Gezelle Museum te Brugge.

Uit respect voor de grote dichter stapt Jan Fabre uit zijn schoenen. Beeld in de tuin van het Guido Gezelle Museum

Guido Gezelle Museum in het geboortehuis van de dichter te Brugge

Groot feest in Kortrijk op 21 augustus 1902 ter gelegenheid van de onthulling van het borstbeeld van Guido Gezelle - AMVC-Letterenhuis

Maurice Maeterlinck: de Belgische Shakespeare - AMVC-Letterenhuis

Het Maeterlinck-kabinet in het Museum Arnold Vander Haeghen te Gent is een reconstructie van de werkkamer van de Nobelprijswinnaar in het kasteel Orlamonde te Nice

L'Oiseau bleu van Maurice Maeterlinck, 1908, oogstte triomfen in Moskou, Londen, New York en Parijs. De Blauwe Vogel stond in 1962 op de affiche van het Jeugdtheater - AMVC-Letterenhuis

Pelléas et Mélisande van Maeterlinck, een meesterwerk van symbolisch drama uit 1892, vele decennia later op de planken van de KNS in Antwerpen - AMVC-Letterenhuis

Handschrift van Stijn Streuvels, Het Leven en de Dood in den ast, (1926). Op de achterzijde staan handgeschreven fragmenten uit De teleurgang van de waterhoek - AMVC-Letterenhuis

Stijn Streuvels aan het lage, brede raam van zijn schrijfkamer in Het Lijsternest - AMVC-Letterenhuis

Stijn Streuvels op de kaft van een schoolschrift - AMVC-Letterenhuis

Affiche van Mira, film naar Streuvels' roman De teleurgang van de waterhoek, in een regie van Fons Rademakers en met Willeke van Amelrooy en Jan Decleir in de hoofdrollen, 1971 - AMVC-Letterenhuis

 

Handschrift van Herman Teirlinck

Herman Teirlinck: koning en keizer van de staande wip. Foto ca. 1950 - AMVC-Letterenhuis

Herman Teirlinck, Zot lowitje, 'tekeningen voor Brusselse typen, een boek van Cypriaan Verhavert', 1923, kleurenlitho op papier, 15 x 21.3 cm - AMVC-Letterenhuis

Leen van Dijck, conservator van het AMVC-Letterenhuis, in haar bureel met meubels van Herman Teirlinck - AMVC-Letterenhuis

Ik dien van Herman Teirlinck opgevoerd in de Koninklijke Nederlandse Schouwburg te Antwerpen, 1923 - AMVC-Letterenhuis

"Marieke was gekomen..." uit Pallieter, handschrift van Felix Timmermans, 1916 - AMVC-Letterenhuis

Felix Timmermans aan zijn werktafel - AMVC-Letterenhuis

Felix Timmermans bij een papbedeling van Volksopbeuring te Lier - AMVC-Letterenhuis

Felix Timmermans: naïeve maar niet oppervlakkige door de volkskunst geïnspireerde beelden. Kalender uit 1926 - AMVC-Letterenhuis

Affiche voor de opvoering van Anne Marie, geschreven door Felix Timmermans en op muziek van Renaat Veremans, ter gelegenheid van de overhandiging van de Rembrandtprijs. Koninklijke Vlaamse Opera, Antwerpen, 27 juni 1942 - AMVC-Letterenhuis

 

Emile Verhaeren, niet gedateerde foto

Handschrift van Emile Verhaeren, bladzijde uit de dichtbundel Les Soirs, 1888

Het vernieuwde Provinciaal Museum Emile Verhaeren heeft alle kasten vervangen door tafels

Het graf van Emile Verhaeren aan de oevers van de Schelde in Sint-Amands - Foto Filip Tas

 

Kinderen ontdekken jeugdauteurs en illustratoren in het hart van de kijkastjes - Literair Museum Hasselt

Hoe hebben Limburgse auteurs de steenkoolmijnen in hun provincie beschreven? Het antwoord hangt aan de muren van het Literair Museum Hasselt

Op de achtercover:
Manuscript van Paul van Ostaijen, bladzijde uit De Feesten van Angst en Pijn, 1918-1921 - AMVC-Letterenhuis 

 

 

Herkomst van de illustraties

AMVC-Letterenhuis, Antwerpen (met dank aan Bert Weis): alle illustraties behalve: Guido Gezellemuseum, Brugge p. 17, 18 / Literair Museum, Hasselt p. 40, 41 / Museum Arnold Vanderhaegen, Gent p. 21 / Provinciaal Museum Emile Verhaeren, Sint Amands p.36, 37, 38 / Stedelijk Museum, Aalst p. 10

Michel Wuyts & Bart Huysmans: cover, p.6
Filip Tas: p.39
Joris Luyten: p. 30


 

Adornes, Agrippa databank, Albert I, Baudelaire, Benoit P., Bergeyck Jacques, Bergman Anton, Bontridder Albert, Boon Louis-Paul, Brusselmans Herman, Buysse Cyriel, Claes Ernest, Claus Hugo, Coenen Luc, Daens Pieter, De Bo Leondard Lodewijk, De Bruycker Jules, De Clercq René, De Coninck Herman, de Pillecyn Filip, de Saedeleer Valerius, Debussy Claude, Delille Victor, Eeckhoud Georges, Elskamp Max, Elsschot Willem, Ensor James, Ford John, Geeraerts Jef, Gezelle Guido, Hemmerechts Kristien, Hess, Huysmans Joris-Karel, Janssens Maria, Joris Lieve, Khnopff Fernand, Koningin Elisabeth, Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, Kusters Wiel, Lanoye Tom, Lauwers Mathilde, Le Roy Grégoire, Leblanc Georgette, Leo Krynprijs, Maes Arnold, Maeterlinck Maurice, Mallarmé Stéphane, Malot Hector, Marinetti F.T., Martens Dirk, Masereel Frans, Massin Marthe, Mennes Paul, Meunier Constantin, Michiels Ivo, Mirabeau Octave, Nolens Leonard, Novalis, Orwell Georges, Picard Edmond, Rekkers Marijke, Rilke Rainer Maria, Rimbaud, Rodenbach Georges, Ruusbroec, Saint-Pol Roux, Schram Emmanuel, Scriptores Catholici, Selleslags Rik, Shirley Temple, Sibelius Jean, Simons Jozef, Sleurs Imelda, Snoek Paul, Spilliaert Léon, Staelens Alida, Stanley, Stijns Reimond, Streuvels Stijn, Studio Herman Teirlinck, Swennen Johan, Teirlinck Herman, Timmermans Felix, Van de Velde Henry, Van de Walle Théodore-Dominique, van de Woestijne Karel, Van den Broeck Walter, Van Eeden Frederik, Van Lerberghe Charles, Van Looi Minus, van Ostaijen Paul, Van Oye Eugène, Van Reeth Flor, Van Reybrouck David, Van Rysselberghe Theo, Vandeloo Jos, Vanheste Bert, Veremans Renaat, Verhaeren Emile, Verhelst Peter, Verlaine, Vermeylen August, Verniest Jos, Verschaeve Cyriel, Viérin Jozef, Villiers de l'Isle-Adam, Waffelaert Gustavus Josephus, Yourcenar Marguerite, Zola Emile, Zweig Stefan, OKV2005, OKV2005.2