U bent hier

Kijken naar Klokgelui - Het Museum voor Japanse kunst door de ogen (en oren) van Willy Vande Walle

Willy Vande Walle in het Museum voor Japanse Kunst

 

Dankzij het Museum voor Japanse kunst, de jongste telg van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, wordt Japanse topkunst nu ook ontsloten voor het grote publiek.

 

 

VAN URBANISME TOT MYTHE

 

Aan de Van Praetlaan in Laken steken een rode pagode en goudgekleurde daken uit het lentegroen. Wat is dit voor een plek? "De Japanse Toren en het als luxerestaurant bedoelde Chinese Paviljoen met onopgesmukt koetshuis, dat was nog maar het begin in de grote ogen van koning Leopold II aan het begin van de twintigste eeuw," vertelt Willy Vande Walle, japanoloog aan de Katholieke Universiteit Leuven: "Hij had een soort urbanistisch plan opgevat om zijn favoriete architect Alexandre Marcel nog meer gebouwen in exotische stijl te laten neerzetten." Dat Leopold II zo goed op dreef was, wijt Vande Walle aan de aanvankelijk schier onuitputtelijke financiële bronnen.

 

"Maar toen ging Congo naar de Belgische Staat en het Paleis financierde niet langer. Conservatrice Chantal Kozyreff heeft over deze complexe geschiedenis een boek geschreven. (Droombeelden uit het Verre Oosten: de Japanse Toren en het Chinese Paviljoen te Laken, Mercatorfonds, 2001). De gebouwen waren in een soort limbo terecht gekomen. Niemand die nog wist wat ermee aan te vangen." Ze werden daardoor zelfs voer voor allerlei mythen: "De pagode zou van de Wereldtentoonstelling van Parijs in 1900 komen, wat helemaal niet klopt (maar wat u hier en daar nog leest, AD). Wat wel klopt is dat de poort in snijwerk op die Wereldtentoonstelling stond." De gebouwen kregen ten slotte museale bestemmingen. "Alleen het koetshuis moet lang een soort vage opslagplaats geweest zijn," zegt Vande Walle die zijn oog laat rondgaan in het sinds maart tot Museum van Japanse Kunst herbestemde gebouw: "Er was restaureren aan, maar al bij al was het gebouw nog zeer deugdelijk."

 

 

ZELDZAAM, INTACT, REPRESENTATIEF

 

Vanop de balkons in het oude koetsgebouw vangt de bezoeker een glimp op van de wapenuitrusting, de keramiek, de kostuums en de prenten. Het vergt een japanoloog om te weten hoe representatief de collectie is: "De klassieke kunst is het best gestoffeerd, vooral de Edo-periode (1600-1868). Op enkele uitzonderingen na is er geen hedendaagse kunst. En twaalfduizend museumstukken, dat noem ik eerder een middelgrote collectie. Van die twaalfduizend stukken, aangekocht of geschonken door verzamelaars, zijn er zevenduizend Japanse prenten (ukiyo-e). Ook dat is niet zo gek veel, maar het is ongetwijfeld een van de 'grotere' collecties ter wereld." Willy Vande Walle legt uit waarom: "De kwaliteit van de kleurenhoutsneden is uitzonderlijk goed. Het is merkwaardig in welke goede staat ze zijn, en hoe representatief qua artiesten, thema's, procédés en maten. Onder de prenten bevinden zich erg zeldzame exemplaren, en daarvan bezit het museum er tamelijk veel. De Japanse prenten zijn het belangrijkste onderdeel van de collectie." Daarom, maar ook om de lichtschuwe prenten te beschermen, zullen ze maandelijks gewisseld worden.

 

Op de vraag welke waarde dit nu alles heeft, antwoordt Willy Vande Walle resoluut: "Véél. De Japanse kunst is als een van de fijnste kunsten ontzettend duur. Voor een Japanse prent betaal je algauw 500 of 750 euro. Het is gemakkelijker om een én goed én betaalbaar Chinees kunstvoorwerp te vinden dan een Japans, maar dat riskeert ook niet lang meer te duren. Japanners zijn kenners op het gebied van waardevolle kunst. Bij ons is vaak niet geweten wat de onschatbare waarde is van wat er op zolder ligt."

 

 

UNIVERSEEL EN LOKAAL

 

We verzaken niet langer aan de aantrekkingskracht van twee houten beelden, de manshoge Koning-Bewaker en de fijne bodhisattva Kannon (heilige die zijn boeddhaschap uitstelt om anderen te helpen tot inzicht te komen). Japan is immers het land van de houtsculpturen, want het moet kostbare gesteenten missen. Terwijl Vande Walle het beeld van de wachter uit de twaalfde eeuw aan een nauwkeurig onderzoek onderwerpt, gaan we mee in zijn gedachtegang: "Normaal gezien is dit een geassembleerd beeld, want een massief stuk hout barst vroeg of laat. Het hout werd als een peer in twee gesneden, uitgehold en weer aan elkaar geplakt." De bodhisattva is uit dezelfde tijd. Dit oorspronkelijk met bladgoud versierde beeldje komt uit een set van 1.000 identieke beeldjes uit een klooster van de stad Nara: "De herhaling moest leiden naar religieuze verdiensten."

 

Het schilderij van Kannon in schakeringen van inkt en met een zweem van turkoois, eind negentiende-eeuws, is van Shibata Zeshin. Voor Willy Vande Walle de absolute meester: "Ondanks de moderne traditie om onderwerpen uit het dagelijkse leven te gebruiken, bleef Zeshin conventionele thema's uitwerken. Daarom heeft hij voor continuïteit gezorgd in de Japanse kunst. Zowel de van oudsher gebruikte materialen als de stijl zorgen ervoor dat het eindresultaat iets totaal anders is dan een olieverfschilderij." Op de vraag of de klassieke Japanse schilderkunst nog beoefend wordt, glimlacht Vande Walle: "In 1989 voelde aanvankelijk niemand zich geroepen om voor commissaris van een tentoonstelling van hedendaagse klassieke schilderijen (nihonga) te spelen. Niemand liet zich graag associëren met de brave onderwerpen!"

 

De met boeddhistische wachters beschilderde pagodedeuren vertonen beschadiging op de plaatsen waar de monniken de deuren openduwden en -trapten. Is voorkennis over boeddhisme en Japanse periodes aangewezen, en moet de bezoeker de mappen boordevol informatie in het museum raadplegen? "Lezen is iets wat je thuis moet doen," vindt Willy Vande Walle. Het stoort hem als een museumgids voor de getoonde stukken gaat staan en over de geschiedenis begint. Zelf geeft hij het goede voorbeeld, en laat ons delen in wetenswaardigheden terwijl hij zelf ook kijkt: "Normaal moet de Koning-Beschermer van het Westen een wit gezicht hebben, en die van het Noorden een zwart, maar de bovenlaag is afgesleten. Die primaire kleuren kwamen van China, maar in Japan zullen de secundaire kleuren in zwang komen. De boeddhistische kunst uit India verchineesde in China en verjapaniseerde verder in Japan. Dat is kenmerkend voor de boeddhistische kunst: tegelijk universeel én lokaal."

 

 

METEOROLOGISCH

 

In een 'stal' van het koetshuis hangen nu natuurschilderijen, papier op zijde, waaronder een bijna abstract schilderij uit de zestiende eeuw: "Met een extreme economie aan penseeltrekken worden rotsen gesuggereerd. Dit ongebreidelde 'kladwerk' was typisch Chinees. De spontane stijl had bijval bij Japanse zenmonniken, en uiteindelijk namen ook professionele schilders hem over, dan allang geen uiting meer van zen, maar louter een techniek." Bergdorp in de mist is een van de Acht Zichten, een oorspronkelijk Chinese conventie uit de elfde eeuw om reeksen van acht schilderijen over hetzelfde onderwerp te maken. De namen met meteorologische aanduiding lagen daarbij vast, bijvoorbeeld Nachtelijke regen en Terugkeer van de schepen in de opklaring na de stormvloed.

 

Willy Vande Walle lacht bij het verklappen van zijn favoriete zicht: Belgelui bij valavond. Of hoe u kunt kijken naar het geluid van klokken. "En nee, het is niet geweten welk bergdorp in de mist bedoeld wordt, van kunst in de vrije natuur was geen sprake. De landschappen op deze rolschilderingen vind je nergens in de wereld, toch bevatten ze alle ingrediënten van een machtig landschap. Ze moesten de geestelijke toestand weergeven wanneer je je in de natuur laat opnemen."

 

Heel anders dan deze schilderkunst die getuigde van een cultuurideaal is het decoratieve kamerscherm van Suzuki Kiitsu in zuiver Japanse stijl. Vande Walle had het voor de opening van het museum ook nog nooit gezien, en is in de wolken: "Het bladgoud over heel de lengte laat zien dat diepte suggereren totaal geen bekommernis meer was. Kunst moest puur esthetisch behagen." Hij loopt van rechts naar links de twaalf panelen af, duidelijk behaagd door de wisselende vegetatie doorheen de seizoenen.

 

 

PIN-UPS

 

Zelfs in genadig licht laten de Japanse houtsneden ongelooflijk veel detail zien. De reeks van Suziki Harunobu is niet zonder reden het eerste wat u van de prenten ziet: "In 1764 maakte Harunobu voor het eerst polychrome prenten voor een dichtersclub." Houtsnedekunst is teamwork: de artiest maakt de tekening en geeft de kleuraanwijzingen. Daarna snijdt de kerver de tekening in een houtblok uit, en gebruikt de drukker voor elke kleur een ander houtblok. En terwijl onze ogen dwalen over de geïdealiseerde vrouwen: "Harunobu geeft een sfeer weer die onmiddellijk herkenbaar is, een meisjesachtige, dromerige sfeer. Zijn onderwerpen zijn courtisanes, danseressen, toneelspeelsters of prostituees. Van zodra een vrouw voor een publiek werkte, lagen die functies dicht bij elkaar. Alleen de echte sterren genoten een cultstatus, voor de anderen was het waarschijnlijk miserie. Het waren een soort pin-ups, de enige vrouwen met modieuze kleren, want de hoge stand zat verstopt, en de rest waren sloven".

 

De prenten met slanke silhouetten en lang uitgerekte gezichten zijn typisch voor Kitagawa Utamaro. Van zijn beroemde serie De twaalf uren van het groene paviljoen, waarin de courtisanes een dag lang gevolgd worden, en van Acht zichten van banken aan de rivier zijn er prenten te bewonderen. "Van de banken is niet veel te zien," zegt Willy Vande Walle: "Het was maar een aanleiding om de 'cafébazin' van een gekend theestalletje af te beelden."

 

Uit de reeks Zesendertig zichten op de Fuji-berg (waaronder het bekende De grote golf bij Kanagawa) van Katsushika Hokusai komt Onweersregen op de bergflank in Pruisisch blauw, het waarmerk van Hokusai. Willy Vande Walle concludeert: "Als mij gevraagd wordt naar de grootste tekenaars, dan zijn ze hier toch maar allemaal aanwezig."

 

 

EN VERDER...

 

Kasten vol zijn er met lakwerkdoosjes (inrô) met bijhorende gordelknopen (netsuke), oorspronkelijk medicijndoosjes die evolueerden naar meesterwerkjes op zich. Subtiel verkleurde en vervormde keramiek: het gaf tijdens de theeceremonie een cachet van uniciteit.

 

Willy Vande Walle over de wapenuitrusting: "De museumexemplaren zijn symbolen voor de familie, maar ze gaan wel terug op echte klederdracht van samoerai. Dankzij de techniek om lamellen met zijden strengen aaneen te hangen, hadden de krijgers uit het pre-industriële Japan een veel grotere beweeglijkheid dan onze ridders in hun harnassen. In eerste instantie moesten ze beschermen tegen pijlen, en waar het zwaard dodelijk kon zijn, zijn er verhardingen. Het zwaard werd met allerlei zwaardsieraden opgetuigd als een paard."

 

Lang kunt u kijken naar de duizelingwekkende details op de kostuums uit het nô-theater (gestileerde opvoering van historische gebeurtenissen): "De snit evolueerde nauwelijks in de Japanse mode, maar de weeftechnieken, beschilderingen en borduursels zijn bijzonder complex." Enkele van de eenenzeventig maskertypes zijn er ook: "De maskers waren voor de hoofdrollen bedoeld. Zo was in de derde categorie nô-theater de hoofdrol een jonge vrouw die gespeeld werd door een oudere man." Het vrouwelijke masker toont het Japanse schoonheidsideaal van vroeger: wenkbrauwen tot onder de haarlijn, (ongezond) gewitte huid en zwart gemaakte tanden. "Lélijk, die zwarte tanden," zegt Vande Walle met veel overtuiging: "Maar het is kiezen tussen eer (behalen) en deugd, zoals we vroeger zeiden."

De klokkengalm ebt weg;
Bloesemgeur zwelt aan in de avond (Bashô)

 

An Devroe

 


Willy Vande Walle, Foto Saskia Vanderstichele

Verticale rolschildering, Bergdorp in de mist toegeschreven aan Kanö Mitsunobu (1561/5-1602/8)
Chinese inkt op papier

Nô-kostuum van het karaori-type, eerste helft 19de eeuw

Houtsnede, Katsushika Hokusai (1760-1849) Zuidenwind op een heldere ochtend
(omstreeks 1830-1831)

Afbeelding van Kannon De bodhisattva Avalokite vara in zijn oorspronkelijke gedaante, 12de eeuw
Schenking van de Vrienden van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis.

Volledige wapenrusting van het tösei gusoku·type
Begin 17de eeuw, ijzer, lak en zijde


INFO

Museum voor Japanse Kunst, Japanse Toren en Chinees Paviljoen

Van Praetlaan 44

1020 Brussel

Open: van dinsdag tot en met vrijdag van 9.30 tot 17.00 uur, zaterdag en zondag van 10.00 tot 17.00 uur

Gesloten: maandag  

Tel. 02 268. 16.08

www.kmkg-mrah.be