U bent hier

Jheronimus Bosch - Het laatste oordeel

Jheronimus Bosch - Het laatste oordeel

Hij werd geboren te 's-Hertogenbosch - zo schrijft in 1604 Karel van Mander in zijn schilderboek. "Wie zal verhalen wat al wonderlijke fantasieën van spooksels en hellegedrochten Jeronimus Bos in het hoofd heeft gehad en met het penseel heeft weergegeven... Het is verbazend te zien hoe knap hij was in het natuurlijk schilderen van vlammen, branden, rook en smook...'. Het drieluik van 'Het laatste oordeel', een werk van middelmatige grootte, is op het middenpaneel onderaan rechts voluit getekend in gotisch schrift : Jheronimus bosch. Deze handtekening wijkt niet af van de bekende signaturen van deze meester die inderdaad, zoals Van Mander schreef, te 's-Hertogenbosch, omstreeks 1450, geboren werd en er in 1516 overleed. Ondanks de handtekening, aarzelen enigszins de kunsthistorici dit schilderij aan Jheronimus Bosch toe te schrijven. Weliswaar evenaart de kwaliteit van dit alleszins merkwaardig tafereel, wellicht niet die van de eersterangswerken van deze knappe meester ; anderzijds knopen vele motieven rechtstreeks aan bij zijn andere schilderijen. De geestessfeer van het Brugse werk is overigens bij geen enkele andere meester terecht te brengen. Wat de toeschrijving aan Bosch veel kracht heeft bijgezet, was de ontdekking in 1959 van een grisaille-schildering op de keerzijde van de luiken. Alhoewel die keerzijde door vroegere bewerking van de panelen zeer gehavend was, kwamen bij de restauratie nog enkele niet te zeer beschadigde partijen van een merkwaardige doornenkroning aan het licht. Men herkent er duidelijker het penseel van Bosch. De voorzijde stelt in drie taferelen het laatste oordeel voor. Vanuit de hemel, op het middenpaneel, overschouwt Christus-Rechter de wereld, op de dag van het jongste gericht. Bazuinende engelen hebben Gods verschijning aangekondigd. Twee groepen heiligen staan de opperste Rechter ter zijde, als voorsprekers voor het mensdom. Beneden op aarde wemelen de wereldkinderen ! De schilder toont ons de opstanding uit de dood helemaal niet op de gebruikelijke wijze. Hij geeft ons eerder een beeld van het aardse bestaan : een leven van kwellingen en narigheden. Op het rechterluik bestormen legerbenden een vlammende burcht. Het gaat om de voorstelling van het kwaad en het ongeluk want, als pendant links, ziet men mensen naar de hemelse zaligheid varen. Een laatste oordeel dus, met de hel, de hemel en de aarde. Het verschil echter tussen deze uitbeelding en de traditionele iconografie van het thema, ligt in het accent dat Bosch op het aardse leven heeft gelegd. Bij Bosch heeft God de wereldklok niet stilgelegd om het goed van het kwaad te scheiden. Het mensdom kijkt zelfs niet op naar de Rechter ! De ondeugd woekert voort, ook het ondeugende gedijt ongestoord verder. Ter linkerzijde van de Rechter trekken de woelgeesten ten strijde, rechts van Hem gaan de verkorenen spelevarend en zich vermeiend naar vredige doch niet zo vergeestelijkte oorden. De gebruikelijke enscenering van het laatste oordeel was bepaald anders. Een Jan Memling bijvoorbeeld knoopte nog aan bij de Eyckiaanse traditie. Naar deze klassieke opvatting zijn hemel, aarde en hel tot een geheel versmolten, verschijnt de Rechter in een briljante kring van engelen en heiligen en treedt de H. Michaël als hoofdpersonage op. Gezagvol scheidt deze laatste de verdoemden van de begenadigden. De Vlaamse Primitieven kenden alleen deze brave uitbeelding van de opstanding, waarin het gebeuren totaal aan de geestelijke inhoud was onderworpen : de berusting van het mensdom in de goddelijke rechtvaardigheid. De uitverkorenen gaan processiegewijze naar de gelukzaligheid, de verdoemden smeken om vergiffenis, maar ondergaan hun straf. Hoe moet de eigenheid van Bosch verklaard worden ? Toen in 1967 te 's-Hertogenbosch een herdenkingstentoonstelling aan de meester werd gewijd, stond deze vraag in het brandpunt van de belangstelling. In een opgemerkte bijdrage, wees er toen de bekende Leuvense professor dr. J.K. Steppe op, dat het œuvre van Bosch nuchter en met kennis van de eigen gebruiken en gewoonten moet worden bekeken. Zeker gaf het op sensatie beluste geschrijf van onze tijd, van schilder Bosch een totaal vals beeld : Bosch ketter, lid van een afvallige sekte, astroloog, alchemist en tovenaar, aanhanger van de Adamieten of naaktlopers... Reeds vroeger had pater Gerlach in het Brabants Dagblad het gesol met Jeroen Bosch aan de kaak gesteld. In waarheid is Bosch vooral schilder en als schilder vooral tekenaar. In zijn thema's en scheppingen moeten wij hem beschouwen als een kind van zijn tijd. Hij leefde in een toenmalig vrij cosmopolische stad, 's-Hertogenbosch, waar de middeleeuwse onfeilbaarheid door de nieuwe geest van de renaissance aan het wankelen was gebracht, Evenwel blijft het onweerlegbaar dat Bosch in zijn oeuvre geen andere dan rechtgelovige en moraliserende bedoelingen had. Laat ze in bizarre en gedrochtelijke taferelen tot uiting komen, te onzent zal men er niet door gestoord zijn geweest. Voor kinderen van de Lage Landen, blijft de beeldenspraak van Bosch niet enkel genietbaar, maar verstaanbaar. De grote Amerikaanse kenner van onze Vlaamse Primtieven wijlen Erwin Panofsky, had ingezien dat hij vreemd stond t.o.v. de wereldsfeer van Bosch. Bij gebrek aan kennis van onze taal en gebruiken, heeft hij de studie van Bosch ter zijde gelaten. Andere vreemde geleerden waren niet zo wijs en begonnen deze kunst te ontcijferen en te ontleden met even zoveel verkeerde verbeelding, als Bosch nu juist omgekeerd, kinderlijk echt en naïef zijn taferelen uittekende. Men mag niet veronderstellen dat Filips de Schone, Margareta van Oostenrijk, Filips van Bourgondië bisschop van Utrecht, Kardinaal Grimani te Venetië, Filips II en vele Spaanse liefhebbers, allen verzamelaars van de werken van Bosch, diens kunst en haar eigen aard goed hadden begrepen, m.a.w. diens kunst hadden doorgrond. Neen zij waren enkel gefascineerd door het schilderachtige en de technische knapheid van deze stukken. Zij verdiepten zich niet in interpretatieproblemen. In het middentafereel tiert voorts de kermis in de late uren, wanneer de duivel vrijer de scepter zwaait. Wij zien een sabbatdans, een dronkenmansboel, een smulpartij ; flitsende messen, een mallemolen met een doedelzak ; gemaskerde gekken, konijnendieven, grappenmakers... Dat de schilder hier opzettelijk spreekwoorden heeft uitgebeeld, bv. 'aan het klokzeel hangen', 'tussen hamer en aambeeld zijn', 'opgroeien voor galg en rad', e.a. is lang niet zeker. Eerder moet men aannemen dat alle scènes, de dronkebroers rondom het doorboorde biervat (het danaïdenvat, zeggen de geleerden, d.w.z. het bodemloos vat dat gevuld moest worden), de minnehandel in de tent, de rover op de ladder, de dansers rond de doedelzak, de gemaskerde huichelaars op het kettergericht, dat alles kan herleid worden tot de iconografie van de menselijke zonden, met daarbij het gewoon symbolisme van de vijf zintuigen en van de vier elementen, vuur, lucht, water en aarde. Pogingen om alles grondiger te verklaren, liepen steeds faliekant uit. Geleerdheid dient weinig ter zake. Wie zal de ledematen, koppen en lijven van zoveel monsterachtige wezens, bij de bekende diersoorten terecht brengen, wie de mensensoorten en -standen bepalen van gestaarte en gepote hoofden ? Kortom men zou heden ten dage een voor de tijdgenoten vatbare iconografie verkeerd gaan begrijpen. Het zijn tenslotte geen ongewone beelden, maar ze werden door de fantasierijke geest van Bosch tot het uiterste uitgespeeld en door sprankelende ingevingen verrassend geestig opgedreven. Een paar viesheden niet te na gesproken, die wij wellicht anders opvatten dan zes eeuwen geleden de tijdgenoten van Bosch, gaat het niet om loutere humor. Niets is ernstiger dan echte potsenmakerij, dan grappen die tranen verwekken. Het mensdom staat hier in vreselijke tegenstelling tot het goddelijke wezen, dat hoog in een lichtkring als ingekaderd en afgezonderd is. De hemel overschouwt het toneel van woekerende en worstelende lui van alle slag, gevilde, gebraden, geradbraakte, doorstoken, gehangen mensen, naast welvarende vegeterende dieren. Dit drieluik kreeg de stad Brugge in 1907 in schenking van Minister van Staat, A. Beernaert, die het kort voordien te Parijs had verworven. Hulde mag hier gebracht worden aan deze grote kunstkenner die Brugge nog begiftigde met een aantal andere merkwaardige schilderijen.