U bent hier

Jan-Peter van Baurscheit de Jonge - Het Koninklijk Paleis op de Meir

Jan-Peter van Baurscheit de Jonge - Het Koninklijk Paleis op de Meir

Temidden van het drukke stadsgewoel heeft het Koninklijk Paleis op de Meir te Antwerpen, achter een sierlijk smeedijzeren hek dat a.h.w. zijn voorgevel beschermt, tot dusver een eerder teruggetrokken bestaan geleid. Alleen op Nieuwjaarsdag en op de feestdagen van de Dynastie werd de poort geopend om personen die zulks wensten, toe te laten de registers te ondertekenen. Slechts zeer uitzonderlijk, bij een officieel koninklijk bezoek, stond het paleis in het brandpunt van de publieke belangstelling. Dat zal weldra veranderen. Inderdaad, reeds maanden geleden werd officieel medegedeeld dat het Z.M. de Koning behaagd heeft, dat dit paleis ter beschikking zal worden gesteld voor culturele manifestaties van hoog niveau. Daarbuiten zal het ook af en toe door het publiek kunnen worden bezocht. Het kreeg een nieuwe benaming: «Internationaal Cultureel Centrum Koninklijk Paleis». Hiermede begint een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van dit plechtstatige huis op de Meir, waaraan de namen verbonden zijn van tal van illustere bewoners, bezoekers en logés, zoals Napoleon, koning Willem I der Nederlanden, Koning Leopold I der Belgen en zijn familieleden en opvolgers. Het kan natuurlijk niet de bedoeling zijn hier nader in te gaan op de rol die dit paleis in de stedelijke en nationale geschiedenis heeft gespeeld. Ik moet mij tot de architectuur beperken. Maar vooraf moet ik er toch op wijzen dat het oorspronkelijk niet voor een vorst of een prins werd gebouwd. De bouwheer (de opdrachtgever) was een koopman, grootgrondbezitter en vooral rentenier, Jonker Joan-Alexander van Susteren (1719-1764). Hij was de laatste afstammeling van een welgestelde familie van brouwers en kooplieden uit 's-Hertogenbosch. Zijn overgrootvader had zich als koopman te Amsterdam gevestigd, en toen deze in 1657 in het huwelijk trad, schreef niemand minder dan Joost van den Vondel een gelegenheidsgedicht op zijn echtverbintenis. De van Susterens waren katholiek, en mogelijk hebben ook godsdienstige motieven er toe geleid, dat de grootvader van onze bouwheer zich omstreeks 1700 te Antwerpen vestigde, eveneens als koopman. Een groot-oom was reeds vroeger naar de Zuidelijke Nederlanden overgekomen, en werd zelfs bisschop van Brugge. Het grafmonument van deze geestelijke, van de hand van beeldhouwer Hendrik Pulinckx de Oude, bevindt zich nog steeds in de Sint-Salvatorskerk aldaar. Toen Joan-Alexander van Susteren, die reeds tevoren twee aan mekaar palende huizen op de Meir had geërfd, er in 1744 in slaagde ook nog een derde aan te kopen, het hoekhuis aan de Wapperstraat, moet de idee bij hem zijn opgekomen om op de gronden van die drie huizen één grote patriciërswoning op te trekken, - een patriciërshuis met de allures van een «palazzo». Om dat te verwezenlijken wendde hij zich tot Jan-Peter van Baurscheit de Jonge, die toen te Antwerpen de meest vooraanstaande architect was. Jan-Peter van Baurscheit de Jonge werd in 1699 in de Scheldestad geboren. Hij was de zoon van een beeldhouwer die dezelfde voornamen droeg, Jan-Peter van Baurscheit de Oude (1669-1728). Door zijn vader werd hij tot beeldhouwer opgeleid. Waarschijnlijk heeft hij eveneens van hem de beginselen van de bouwkunst geleerd. Na de dood van zijn vader in 1728, zou hij zich in hoofdzaak op de architectuur toeleggen, al boetseerde hij nog wel af en toe, en bleef hij een beeldhouwersatelier leiden, waarin vooral de beelden en ornamenten werden gebeiteld die de door hem ontworpen gebouwen opluisteren. Toen Van Susteren aan Baurscheit vroeg de ontwerpen te maken voor zijn nieuwe woning, had de Antwerpse bouwmeester al heel wat gepresteerd. De vroegste gebouwen die thans nog van hem bekend zijn, bevinden zich in Zeeland ; ook was hij betrokken bij de opbouw van een groot patriciërshuis, thans de Koninklijke Bibliotheek, in Den Haag. Te Antwerpen had hij o.m. reeds het huis de Fraula (1737-39) in de Keizerstraat ontworpen, - dat enkele jaren geleden om onbegrijpelijke redenen afgebroken werd, - en in de omgeving van de stad, het Stadhuis te Lier (1740-44) en de verbouwing van het kasteel van 's-Gravenwezel, dat eveneens het eigendom was van de familie Van Susteren. Omstreeks dezelfde tijd als het Koninklijk Paleis of iets later, zou hij nog enkele voorname Antwerpse patriciërshuizen ontwerpen, zoals bv. het huidige Instituut van de Dames van het Christelijk Onderwijs en het Huis Osterrieth ; ook buitenplaatsen in de omgeving van de stad, zoals «Sorghvliedt» te Hoboken. Dank zij Baurscheits rekeningboeken en een kladboek van zijn brieven, is het mogelijk de bouwgeschiedenis van het patriciërshuis op de Meir te achterhalen. Aldus vernemen wij dat het gebouw van 1 januari 1745 af werd ontworpen. Reeds op 2 maart van hetzelfde jaar maakten de steenkappers een aanvang met het bewerken van de Bentheimersteen, een in ons land zelden gebruikt materiaal, dat in de voorgevel werd verwerkt. Een weinig later togen de beeldhouwers aan het werk om de ornamenten te kappen. De gehele voorbouw moet in 1748 grotendeels klaar gekomen zijn, op enkele sierstukken na. Ook werden toen reeds enkele marmeren schouwen geplaatst, zodat wij kunnen aannemen dat eveneens de interieurs in dit gedeelte van het huis waren klaar gekomen. De werken schijnen daarna in een veel trager tempo te zijn vooruitgegaan. Tussen 1753 en 1757 stellen wij zelfs een onderbreking vast. Omstreeks het midden van laatstgenoemd jaar werden echter grote hoeveelheden witte en blauwe steen geleverd, die naar alle waarschijnlijkheid verwerkt werden in de zijgevels van de binnenplaats. Uit Baurscheits briefwisseling vernemen wij nog dat hij van zins was de werken in 1758 voort te zetten. Maar daar is niets meer van terechtgekomen, en toen Joan-Alexander van Susteren in 1764 overleed, noteerde een tijdgenoot dat het gebouw nog onvoltooid was. Alhoewel het huis oorspronkelijk niet voor een vorst werd gebouwd, vertoont de voorgevel toch de indrukwekkende allures van een waarachtig paleis. Wij kunnen in dit front negen verticale geledingen of traveeën onderscheiden, waarvan de middenste een weinig breder uitvalt dan de andere. In de andere acht traveeën treffen wij twee boven elkaar geplaatste rechthoekige ramen aan, respectievelijk op de beneden- en de eerste verdieping. Daarboven zien wij dan telkens een ovalen raampje, oculus genaamd, gevat in het z.g. hoofdgestel, de horizontale strook onder de krachtig geprofileerde kroonlijst. Kenmerkend voor Baurscheits gevelcompositie is de sterk geaccentueerde as-travee, bestaande op de begane grond uit een monumentale poort, geflankeerd door ronde zuilen die het balkon met een smeedijzeren borstwering schragen ; en op de verdieping uit een omlijste balkondeur met steekbogige afsluiting, waarboven een halfrond bovenlicht uitspringt. Balkondeur en bovenlicht zijn gevat in een sterk geprofileerde rondboognis, die de horizontaliteit van de kroonlijst doorbreekt. Zoals in tal van andere gebouwen van Baurscheit het geval is, springt de centrale partij of middenrisaliet, - bestaande uit de as-travee en twee andere aan weerszijden daarvan, - een weinig naar voren. Dit middenrisaliet wordt in van Baurscheits gebouwen meestal afgedekt door een driehoekig fronton, maar hier treffen wij boven de kroonlijst nog een halfverdieping aan, voorzien van twee kleine vierkantige ramen en daarboven een rijk-georna- menteerde kuifstuk. Met de zwierig ornamentale bekroning greep de bouwmeester terug naar een oplossing, die hij reeds in de jaren dertig in huizen in Middelburg en Den Haag had toegepast. Verschillend van alle andere gevels door Baurscheit ontworpen, zijn de ietwat vooruitspringende hoektraveeën, die evenals het middenrisaliet, krachtig afgetekend zijn door van beneden tot boven doorlopende vlakke pilasters of lisenen, bekroond door een Korintisch kapiteel. Deze hoektraveeën vertonen boven de kroonlijst een gesloten borstwering, met daarop een gebeeldhouwd sierstuk, dat het voetstuk vormt van een gesculpteerde vaas in rococostijl. De vooruitspringende hoektraveeën waren ongetwijfeld noodzakelijk om een compositorisch evenwicht te bereiken met de in de hoogte uitspringende centrale partij. De voorgevel van het paleis op de Meir is in zijn geheel gekenmerkt door een sobere voornaamheid van compositie en een ietwat klassicerende monumentaliteit. Er gaat nochtans tegelijkertijd een zekere elegantie van uit, door de sierlijke vorm van de bogen boven de ramen, de rococo-ornamentiek van consoles en sluitstenen, en - boven de kroonlijst - de dartele putti en zwierige decoratieve vormen, die in hun nog ietwat barokke gesmijdigheid een typische Antwerpse trek openbaren, die als in een verre nagalm nog aan de Barok herinnert. Dezelfde zin voor distinctie en sierlijkheid treffen wij ook aan in enkele salons aan de straatzijde, die thans nog nagenoeg geheel het uitzicht vertonen dat Jan-Peter van Baurscheit de Jonge er als binnenhuisarchitect aan gegeven heeft, want ook de interieurs, met de schouwen, plafonds en soms zelfs meubels, werden door hem ontworpen. Ook in de naar zijn «inventie» gebeeldhouwde houten trap openbaart hij zich als de grootmeester van de Antwerpse Rococo.