U bent hier

Jan (I) Rombouts - De opstanding van een zestiende-eeuwse schilder

Jan Rombouts, De heilige Margaretha van Antiochië en de draak (detail), rugzijde, eerste helft 16de eeuw, M - Museum Leuven, Foto: Dominique Provost, Brugge.

 

M (Museum Leuven) belicht een tot voor kort onbekende kunstenaar en stoot een andere meester van zijn voetstuk. De expo Getekend Jan R. Een renaissancemeester herontdekt leert dat de Leuvense schilderkunst dan toch niet enkel uit de nalatenschap van Dieric Bouts opgetrokken is.

 

 

FILTERS

 

Anonieme meesters, kunstenaars met noodnamen, monogrammisten en ateliermedewerkers: het is een wereld op zich. In dat duistere niemandsland bevinden zich talloze vaklui die nooit met naam en toenaam gekend zullen zijn en/of wier werken voor eeuwig verloren zijn, of zelfs aan de verkeerde collega toegeschreven worden. In de meeste gevallen is dat waarschijnlijk niet een groot gemis. Filters zoals de tijd, de receptie door het publiek, de kunstmarkt en de kunstkritiek zorgen voor een strenge selectie. Maar soms treffen we tussen die anonymi ook knappe kunstenaars aan. 

 

De kunstkritiek is in sommige gevallen zelf verantwoordelijk voor de miskenning van bepaalde kunstenaars. De Leuvense stadsarchivaris Edward van Even (1821–1905) schreef over de minder bekende kunstenaars in het Leuvense schildersambacht het boek met de veelzeggende titel Les peintres secondaires de la fin du xve siècle. Eenkwalijke reputatie schudt men niet makkelijk van zich af.

 

Ten tonele verschijnen na een kunstenaar die alle aandacht opslorpt, is een potentieel nadeel. Dieric Bouts (1410/20-1475) beheerst de hele historische schilderkunst in Leuven. Ziedaar de nefaste gevolgen van hiërarchisch opgestelde lijstjes met enerzijds topkunstenaars en anderzijds mindere goden. Tussen 1520 en 1570 waren 27 schilders werkzaam in Leuven. Acht daarvan kunnen in verband gebracht worden met een oeuvre. Geen enkele schilder geniet vandaag echt brede publieke erkenning. 

 

Daarbij komt dat de eeuw na die van de Vlaamse primitieven – de zestiende – nogal een moeilijk tijdsgewricht is om vat op te krijgen. Veel is nog hangende: de antieke en renaissancistische invloed die meer en meer overwaait vanuit het Italische schiereiland, het losbarsten van de kunstmarkt en daarmee nauw samenhangend het ontstaan van vele nieuwe schildergenres, Antwerpen dat de voortrekkersrol van Brugge overneemt; alsof alles in gereedheid wordt gebracht om Peter Paul Rubens (1577-1640) te bedienen en te laten schitteren in de daaropvolgende eeuw. Dat laatste is evenwel teleologische onzin. De zestiende eeuw is ook de eeuw van bijvoorbeeld Pieter (I) Bruegel. En van vele nobele onbekenden, zoals tot voor kort de monogrammist IANR.

 

 

WIE IS IANR?

 

In zijn boek L’ancienne école de peinture de Louvain voert stadsarchivaris Edward van Even de Leuvense stadsschilder Jan van Rillaer op en verbindt hem met het monogram IVR, dat op enkele spaarzame werken is aangebracht. Pas recent ontdekte men dat Jan van Rillaer pas omstreeks 1520-1525 geboren is en om die reden niet de monogrammist kan zijn. Het vroegst bekende werk had de monogrammist in 1520- 1525 al vervaardigd. Daarenboven maakt van Eden een fout door het monogram als IVR te lezen: er staat immers IANR. Om de zaken nog wat ingewikkelder te maken, waren er begin zestiende eeuw 2 Leuvense schilders actief die aan het monogram gelieerd kunnen worden: Jan (I) Rombouts (Circa 1480–1535) en zijn zoon Jan (II) Rombouts (Circa 1505–1559). Wat betreft de gedocumenteerde opdrachten, de stijlkritiek en de chronologie neemt men aan dat de monogrammist IANR met Jan (I) Rombouts vereenzelvigd mag worden. 

 

Het doorslaggevende argument is een Leuvense akte uit 1536 waarin staat te lezen: “die dueren vande outair van Sinte Peters (…) die welcke dat Jan Rombouts doude gemaict heeft.” Het is dan ook zeer aannemelijk dat men in de akte doelt op het altaarstuk gewijd aan Petrus en Paulus in de Sint-Pieterskerk in Leuven. Twee aan beide zijden beschilderde vleugels, inclusief monogram, zijn bewaard gebleven en bevinden zich in de collectie van M (Museum Leuven). De bekering van Paulus en De val van Simon de Magiër uit circa 1522-1530 bewijzen dat Rombouts ten onrechte een schimmige Leuvense schilder uit de lange zestiende eeuw is. Zet de kunstgeschiedenis hiermee een nieuwe artiest in de spotlichten, dan wordt tezelfdertijd een andere kunstenaar van zijn voetstuk gehaald. Jan van Rillaer is zijn oeuvre kwijt.

 

 

JAN (I) ROMBOUTS

 

Jan (I) Rombouts werd rond 1475-1485 geboren en is een generatiegenoot van de grote Jan Gossart (1478- 1532). Rombouts trouwt met Barbele Roelants, met wie hij twee kinderen krijgt. Zijn zoon Jan zal ook schilder worden, maar blijft heden een anonieme figuur aan wie geen werken toegeschreven kunnen worden. Dochter Marie trouwt met de Leuvense stadsschilder Jan Willems. Samen met Albrecht Bouts (1451/55 - 1549), de zoon van Dieric Bouts, bestuurt Rombouts de Klerkenkapel op de Veemarkt in Leuven. Beiden wonen overigens in de Parijsstraat. Van 1519 tot aan zijn dood in 1535 zal Rombouts bijna onafgebroken de functie van deken in het stadsbestuur bekleden. 

 

Slechts drie groepen schilderijen worden aan Rombouts toegeschreven. Het vroegste is Geboorte van Johannes de Doper (Circa 1515-1520) uit de collectie van het Carnegie Museum of Art in Pittsburgh. Dit werkje is jammer genoeg geen vroeg meesterwerk. Vooral de figuren lijken het werk van een tweederangsschilder. De keurig geschilderde renaissancistische architectuurdetails wijzen op Rombouts’ interesse voor wat zich trans-Alpijns afspeelt. We zien een kunstenaar op het snijpunt van twee werelden: geworteld in de vijftiende eeuw, maar met de blik gericht op Italië en het maniërisme van onder anderen Bernard van Orley (1491/92-1542).

 

In de collectie van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België in Brussel vinden we De heilige Hieronymus en De heilige Antonius Abt. Het zijn op doek getransfereerde luiken die waarschijnlijk ooit een triptiek vormden. Men beschouwt ze als overgangswerken naar Rombouts’ beste werk: De bekering van Paulus en De val van Simon de Magiër. De luiken van dat laatste werk ogen monumentaal en zijn in vergelijking met de twee andere een overduidelijke upgrade, zowel technisch als compositorisch. Het maniërisme van Rombouts overtuigt: sprankelend coloriet, uitgerekte figuren (een beetje zoals Bouts het hem voordeed) en speelse putti in een architecturale setting die enigszins aan Gossart doet denken. En let vooral op de blikvanger: de draak nabij de heilige Margareta.

 

Onder de flair en de vormentaal, ontleend aan het manierisme van Orley, gaat de onderbouw van een Vlaamse primitief schuil. De omstandig uitgewerkte tekenstijl verraadt het talent van Rombouts, een facet dat nog wordt benadrukt in zijn gravures, waarin hij op verdienstelijke wijze in de stijl van Albrecht Dürer en Lucas van Leyden werkt. Rombouts liet zich evenmin onbetuigd in het ontwerpen van glasmedaillons.

 

Jan (I) Rombouts was succesvol en bemiddeld. En los daarvan was hij een verdienstelijke schilder, maar dat bleek niet genoeg te zijn om zijn roem te verzekeren; een mankement dat hij klaarblijkelijk niet had voorzien. Een monogram duidt op zelfbewustzijn, alsof het publiek slechts enkele kapitalen nodig heeft om een meester te identificeren.

 

Bij een dergelijke herontdekking van een kunstenaar uit de renaissance kunnen we ons de vraag stellen wat de stand der kunsthistorische dingen zou zijn, mochten we alwetend zijn en de ware toedracht van alle zaken kennen. Wat als alle rammelende identificaties, subjectief gekleurde toeschrijvingen en foutieve veronderstellingen gecorrigeerd zouden worden?

 

Matthias Depoorter

 


Info

 

Tentoonstelling:

 

Getekend, Jan R. Een renaissancemeester herontdekt

Nog tot 17 februari 2013

Open: donderdag t.e.m dinsdag van 11 tot 18 uur, donderdag tot 22 uur

Gesloten: woensdag

 

M – Museum Leuven

Leopold Vanderkelenstraat 28

3000 Leuven

Tel. 016 27 29 29

www.mleuven.be