U bent hier

Huib Hoste en Louis Van der Swaelmen - Klein Rusland te Zelzate,een flexibele structuur

Huib Hoste en Louis Van der Swaelmen

Ten gevolge van de industrievestiging in de Gentse kanaalzone groeide de bevolking van Zelzate in de eerste decennia van deze eeuw sterk aan. Om een oplossing te vinden voor het daardoor ontstane huisvestingsvraagstuk werd in 1920, op initiatief van fabrieksdirecteurs en lokale overheden, een plaatselijke afdeling opgericht van de een jaar tevoren tot stand gekomen Nationale Maatschappij voor Goedkope Woningen. Deze kocht een in de onmiddellijke nabijheid van de bestaande bedrijven gelegen terrein aan, en droeg Hoste en Van der Swaelmen op er een woningbouwproject voor uit werken. Uit hun samenwerking resulteerde een op zichzelf bestaande arbeiderswijk, met eigen winkelcentrum, verenigingslokaal, energievoorzieningen en tewerkstelling ter plaatse. Bij de aanleg ervan streefde Van der Swaelmen naar verscheidenheid. Hij wou een eentonig, steeds terugkomend straatbeeld vermijden. Bewust zocht hij naar constant variërende perspectieven. Vandaar het onregelmatig stratenpatroon, alsook de telkens wisselende vorm van pleintjes en binnentuinen waarrond de woningen stelselmatig werden gegroepeerd. Door deze hoofdzakelijk esthetische bekommernis krijgt elke ruimte nochtans een eigen individualiteit en kan iedere bewoner zich met eigen territorium vereenzelvigen. Hostes architectuur sluit voortreffelijk aan bij Van der Swaelmens wijkorganisatie. Door een tekort aan baksteen werden de woningen opgetrokken in asbeton. Dit nieuwe materiaal en het geïndustrialiseerde constructiesysteem waarin het werd verwerkt, gaven aan Hoste de gelegenheid een nieuwe vormgeving toe te passen. Binnen een kubistische vormentaal, die aan de wijk zijn visuele eenheid verleent, heeft hij echter elke woning als individueel te onderscheiden ding opgevat. Voor Hoste en Van der Swaelmen was deze wisselwerking van eenheid en verscheidenheid een noodzakelijke conditie voor de materiële omgeving van een nieuw sociaal milieu, waarin de bewoners door het behoren bij een gemeenschap, hun eigen individualiteit zouden kunnen ontplooien. Deze oorspronkelijke bedoeling blijkt, vijftig jaar na de oprichting, tot een succes te zijn uitgegroeid. De wijk heeft zich echter heel anders ontwikkeld dan aanvankelijk door de ontwerpers was gepland. In de door hen gecreëerde nederzetting vonden de bewoners hun eigen woon- en stijlopvattingen niet terug. Oorsprong en reden van Hostes vormentaal ontgingen hen volledig. De benaming 'Klein Rusland' spreekt boekdelen: Om de bizarre bouwstijl ergens thuis te brengen, wijt men zijn ontstaan aan de tussenkomst van de gevluchte Russische generaal Veretennicoff, die Hoste als werfleider had aangeworven. In Klein Rusland bestaat dus een uitgesproken conflict tussen woonwensen van bewoners en opvattingen van de architect. Dit oplossen door te verhuizen naar een meer geapprecieerde woning buiten de wijk is voor de meeste bewoners nochtans onmogelijk. Zowel door de gunstige huurvoorwaarden, en door de nabijheid van het werk, als door de alom in de wijk fel verbreide aanwezige familiebanden, zijn ze aan de wijk gebonden. Het enig middel om aan de gegeven conflictsituatie te verhelpen is dan ook, zelf zijn eigen woning naar eigen woonbeeld om te vormen. Op die manier kwamen merkwaardige transformaties tot stand. In vele gevallen werd de oorspronkelijke planindeling volledig gewijzigd. Zo werd op massieve wijze de achterkeukenwooncultuur in Hostes plan terug ingevoerd: Het voorziene open afdakje werd omgebouwd tot serre en doet dienst als keuken-woonkamer. Daardoor kwam de dagelijkse inkom van de woningen aan de achterkant, met het gevolg dat niet langer de straat, maar de door Van der Swaelmen voorziene gemeenschappelijke binnentuinen als ontmoetingsruimte gingen fungeren. Zij vormen een door de bewoners zelf gerealiseerde omgeving, die ondanks (of mede door?) de sterke individualisering van de onderdelen door hen duidelijk als een eenheid wordt ervaren. Klein Rusland is dus niet alleen uit historisch oogpunt belangrijk. Zowel de structuur van de wijk, als de opvatting van de woningen zijn immers gedurende hun vijftig jarig bestaan voldoende flexibel gebleken opdat de bewoners er een eigen leefomgeving zouden kunnen in opbouwen. Op die manier vormt deze arbeiderswijk een zeldzaam voorbeeld van actief wonen. Huib Hoste (1881-1957), architect, urbanist, publicist. Opleiding aan de academie van Brugge (o.l.v. Romeprijswinnaar De Wulf) en als vrije leerling aan de speciale scholen van de Gentse rijksuniversiteit (o.l.v. prof. L. Cloguet). In de periode 1911-1912 talrijke contacten met Nederlandse architecten en kunstenaars, die worden voortgezet wanneer hij tijdens de eerste wereldoorlog naar Nederland uitwijkt. Dagelijkse architectuurrubriek in De Telegraaf vanaf 1916 tot 1918. Fervent verdediger van de moderne architectuur tussen beide wereldoorlogen. Publiceert talloze artikels over het onderwerp alsook het samenvattend werk 'Van Wonen en Bouwen' (1930). Tevens hoofdredacteur van het architectuurtijdschrift 'Opbouwen' dat van 1928 tot 1937 over vijf jaargangen verschijnt. Stichtend lid van de C.I.A.M. Eerste professor in de architectuur aan het H.I.S. te Terkameren (1927-1929). Samenwerking met Le Corbusier aan de prijsvraag voor de aanleg van de Antwerpse linkeroever (1933). Na de tweede wereldoorlog, ondanks zijn voortdurende publikaties - o.a. 'Bouwen op het Platteland' (1947), 'De Woning' (1948), hoofdredactie samen met K.N. Elno van het nieuwe tijdschrift 'Ruimte' (1953-1956) - op de achtergrond geraakt. Vanaf 1941 lid van de Koninklijke Vlaamse Akademie. Louis Van der Swaelmen (1883-1929), landschapsarchitect, urbanist, publicist. Voor de eerste wereldoorlog voornamelijk gericht op landschapsarchitectuur: aanleg van het park van het kasteel van Mailhard, plan voor de aanleg van de tuinen van de abdij van Terkameren, gids voor het Zoniënwoud ('Guide du promeneur dans la forêt de Soignes', ism. René Stevens). Tijdens zijn ballingschap in Nederland gedurende de eerste wereldoorlog, bezieler van het Comité Néerlando-Belge d'Art Civique, gesticht met het doel een stedebouwkundig verantwoorde wederopbouw van België voor te bereiden. In die functie talloze contacten met Nederlandse en andere deskundigen. Op dat ogenblik ongetwijfeld een van de meest vooraanstaande stedebouwkundigen van zijn tijd, getuige daarvan zijn 'Préliminaires d'Art Civique' (1916). Na de oorlog samen met Hoste, Bourgeois en Verwilghen de voornaamste voorvechter van de moderne stedebouwkundige gedachte. Professor in urbanisme aan het H.I.S. te Terkameren vanaf 1927 tot zijn vroegtijdige dood.