U bent hier

Het Museum voor Industriele Archeologie en Textiel te Gent

Het Museum voor Industriele Archeologie en Textiel te Gent

INHOUDSOPGAVE

Het Museum voor Industriële Archeologie en Textiel te Gent door René De Herdt

  • De pioniersfase
  • De permanente opstelling - De Westerse samenleving 1750-2000
  • Een gezellig familiemuseum  

 

De pioniersfase

 

Het ontstaan van het Museum voor Industriële Archeologie en Textiel

 

Door de eeuwen heen is Gent een stad geweest met belangrijke ambachtelijke of industriële activiteiten. In de middeleeuwen was Gent bekend voor zijn kwaliteitslakens. De Gentse lakens werden uitgevoerd naar de Hanzesteden, naar de Italiaanse stadstaten, naar de jaarmarkten van Champagne en werden gedragen tot in Rusland en Noord-Afrika. Op het einde van de middeleeuwen kwam in Vlaanderen de linnennijverheid meer en meer op de voorgrond. Gent werd een belangrijk centrum van linnenhandel met uitvoer naar Frankrijk en Spanje. Vanaf het einde van de 18de eeuw gebruikte de eerste industriële revolutie Gent als springplank om vanuit Engeland het Europese continent te veroveren. In de 19de eeuw en tot ver in de 20ste eeuw stond in Gent de mechanische vlas- en katoennijverheid op de voorgrond. De textiel had een stimulerend effect op heel wat andere nijverheden, zodat Gent in de 19de eeuw uitgroeide tot de belangrijkste industriestad van Vlaanderen.
 

De eerste wereldoorlog zette weliswaar een domper op de veelbelovende rol die Gent poogde te vervullen tijdens de tweede industriële revolutie. Toch kwam Gent opnieuw op de voorgrond bij de doorbraak van de derde industriële revolutie in Vlaanderen, onder meer met enkele leidinggevende bedrijven op vlak van de biogenetica en met de groots opgevatte tentoonstellingen Flanders Technology.
 

Toen in de zeventiger jaren van de twintigste eeuw de getuigenissen zowel van de eerste als van de tweede industriële revolutie zienderogen werden verschroot en gesloopt, leek het logisch en volkomen verantwoord dat het Gentse stadsbestuur een inspanning zou leveren om een aantal relicten van deze revoluties veilig te stellen.
 

Vandaar dat in de jonge wereld van de industriële archeologie, die in de zeventiger jaren in Vlaanderen ontstond met Engeland als inspiratiebron, stemmen weerklonken om juist in Gent te starten met een museum dat de mogelijkheid zou bieden overblijfselen van de vroegere industriële cultuur te verzamelen en te bewaren voor de toekomst.
 

Gezien het textielverleden van Vlaanderen en Gent zou een belangrijk accent van dit museum hoe dan ook op de textielnijverheid liggen. In 1976 werd door het Gentse stadsbestuur de beslissing genomen om dergelijk museum op te richten. Dank zij de alternatieve tewerkstellingsprogramma's van de regering was er weldra een kleine kern van personen actief met de uitbouw van de basis van dit museum, onder leiding van de assistent van het Stadsarchief.
 

Dit museuminitiatief, zij het dat het toen in belangrijke mate slechts op papier bestond, werd met de naam van Museum voor Industriële Archeologie en Textiel bedacht, afgekort MIAT.
 

Sindsdien werden machines, toestellen, voorwerpen en documenten bijeengebracht. Dit collectiemateriaal werd opgeslagen in diverse, steeds wisselende loodsen over het grondgebied van de hele stad verspreid.
 

Een eerste poging om het nieuwe museuminitiatief onder te brengen in de voormalige katoenspinnerij Georges en Max Van Acker aan Bachten Walle in de buurt van het Rabot moest wijken voor de afbraak van belangrijke gedeelten van dit gebouw. Het terrein kreeg immers op het laatste moment een prioritaire bestemming voor sociale woningbouw. Intussen werd deze sociale woningbouw gerealiseerd. Een aantal restanten van de fabrieksactiviteit, namelijk de vroegere machinekamer, het aanpalende ketelhuis en de vierkante fabrieksschouw werden als monument geklasseerd en gerestaureerd. Ze wachten echter nog op een volwaardige nieuwe functie.

 

 

Tentoonstellingen scherpen de belangstelling aan


Intussen verwierf het MIAT faam door de talrijke activiteiten die in afwachting van de toekenning van een definitieve museumvestiging werden ondernomen.
 

Om het jonge museuminitiatief bekendheid te geven werd vanaf 1978 immers geopteerd voor een intense tentoonstellingspolitiek. Eén van de eerste tentoonstellingen 'Kinderarbeid van omstreeks 1800 tot 1914' groeide uit tot een internationaal gewaardeerde manifestatie. Wellicht is het de meest succesrijke low-budget tentoonstelling in Vlaanderen van de laatste dertig jaar. Vele honderdduizenden kinderen bezochten deze. Ook vanuit Nederland was voor dit onderwerp een grote belangstelling. De tentoonstelling werd talloze keren uitgeleend aan andere musea en instellingen. Tot viermaal toe werd ze hernieuwd en de plannen voor een vijfde editie liggen nu te wachten. Een groot aantal kinderen werd zich voor het eerst bewust van de ellendige omstandigheden waarin vele van hun verre grootouders hun jeugdjaren hebben doorgebracht. De vergelijking met hedendaagse omstandigheden in derde wereldlanden is gemakkelijk te trekken. Deze tentoonstelling stelde het MIAT in staat contact te leggen met en - op vlak van de studie van kinderarbeid - een bijdrage te leveren aan projecten van internationale organisaties zoals UNESCO en IREWOC (Foundation for International Research on the Exploitation of Working Children), beide actief bij de bestrijding van hedendaagse kinderarbeid.
 

Na 'Kinderarbeid van omstreeks 1800 tot 1914' volgden vele andere tentoonstellingen. Ze behandelden de meest uiteenlopende facetten van de industriële samenleving. Veelal was het voor het eerst dat een bepaald onderwerp werd belicht in Vlaanderen, hierom hadden ze een groot wetenschappelijk belang. Ze waren tevens vingeroefeningen in het maken van museumopstellingen. Elke tentoonstelling bood bovendien aan het museumpersoneel de mogelijkheid zich inhoudelijk in te werken in het specifieke onderwerp. In een aantal gevallen werden ter gelegenheid van de tentoonstelling machines, voorwerpen en documentatie verworven. De catalogi die telkens werden uitgegeven werden belangrijke bronnen van inhoudelijke en iconografische informatie.
 

Het belang van twee tentoonstellingen kan in het bijzonder benadrukt worden. In de eerste plaats 'Hun werk, hun leven. Getuigenissen uit de Gentse textielwereld 1900 - 1950', waar aan de hand van zeventig interviews, afgenomen bij voormalige Gentse textielarbeiders, een indringend beeld van de Gentse textielwereld in de eerste helft van de twintigste eeuw werd gegeven. Tevens betekende deze tentoonstelling, die in 1980 werd opgesteld in het Museum Arnold Vander Haeghen, de start van de mondelinge geschiedenis, de 'oral history' in Vlaanderen. In het zog van deze tentoonstelling volgden drie wetenschappelijke colloquia over dit onderwerp. Tentoonstelling en catalogus betekenden ook op wetenschappelijk vlak weer een enorme verrijking van de kennis van het textielverleden in Vlaanderen.
 

Een tweede tentoonstelling, 'Industriële Archeologie in België', kwam tot stand toen bleek dat in België geen enkel degelijk overzicht bestond van het industrieel-archeologisch patrimonium. Nochtans kreeg het MIAT zeer regelmatig vragen hierover te beantwoorden. De tentoonstelling gaf niet alleen een fotografisch overzicht van de belangrijkste gebouwen met een industrieel-archeologische waarde in dit land, maar verwees ook naar de talrijke verenigingen die op vlak van industriële archeologie werkzaam waren. In het bijzonder kan de aandacht getrokken worden op de omvangrijke tweedelige catalogus waarin voor het eerst aan de hand van kaarten en plannen de belangrijkste industrieel-archeologische sites in België weergegeven worden. Ook nu nog blijft deze catalogus een waardevol werkinstrument.
 

Elk van deze tentoonstellingen bood de gelegenheid om onbekende of onverwachte aspecten van de industriële archeologie te belichten. Dit kwam onder meer tot uiting in 'Gemengd Boeket' (1985) en 'Gent, een stad van bloemen' (1990) waarin zeer algemeen de horticultuur in Gent werd behandeld, maar tezelfdertijd de gelegenheid werd aangegrepen om erop te wijzen dat de studie van de horticultuur in 19de en 20ste eeuw bijzonder interessante industrieel-archeologische aspecten inhoudt.
 

Niet enkel de grote maar ook de talrijke kleinere tentoonstellingen leverden interessante bijdragen aan de kennis van het industrieel verleden, zoals 'Leven onder de gaslantaarn' of 'Lichaam en hygiëne' waarvan de catalogi op een minimum van tijd waren uitverkocht. Andere exposities vormden dan weer de gelegenheid om materiaal en machines te verzamelen zoals, 'Koffie en tabak' en 'Leder. Gelooid van huid tot riem', of waren de aanleiding om een werkinstrument op de zetten zoals 'Industriële archeologie. Hoe begin ik eraan?'

 

 

De uitbouw van het museum
 

Intussen werd ijverig verder gezocht naar een definitieve vestigingsplaats voor het MIAT. Oorspronkelijk kwam een tiental mogelijke sites op het grondgebied van Gent in aanmerking. Nauwkeurig werden van elk de voor- en nadelen nagegaan. In het begin van de jaren tachtig was het toenmalige bestuur van oordeel dat een vestiging in het voormalige Floraliënpaleis, samen met het Museum voor Hedendaagse Kunst, een behoorlijke oplossing kon zijn voor het MIAT. Met de enorme ruimte (40.000 m²) van deze als stationsgebouw ontworpen constructie voor ogen werden toen een tijdlang een aantal denkpistes aangehouden die onder meer voorzagen in het samengaan van verschillende initiatieven op vlak van industrieel erfgoed, zoals het oprichten van een museum gewijd aan het openbaar vervoer.
 

In diezelfde periode werden vrijwel dagelijks machines en industriële voorwerpen binnengebracht. De noodzaak van een goede loods werd dan ook duidelijk. Vanaf einde 1985 werd de voormalige textielfabriek De Smet - Guequier ter beschikking gesteld van het museum.
 

Deze textielfabriek heeft een heel eigen en erg ingewikkelde bedrijfsgeschiedenis, die bestaat uit een opeenvolging van uitbreidingen, slopingen, moderniseringen, afbraken om te vergroten, technische vernieuwingen, financiële tekorten, overnames en opnieuw uitbreidingen. De oorsprong van het bedrijf is terug te brengen tot de mechanische spinnerij en weverij van Pierre Van Huffel (1769-1844). Deze schilder uit Geraardsbergen had in 1813 een bedrijfje gevestigd op de lage gronden tussen de Minnemeers enerzijds en de Oudevest anderzijds. Het bedrijf werd omringd door de woningen en ateliers van blauwververs, linnenblekers en textielhandelaars. In 1823 werd deze vestiging, waarvan de machines tot dan toe door een rosmolen werden aangedreven, uitgerust met een stoommachine, een 'dampkunst-werktuig', ondanks de heftige bezwaren van enkele omwonenden. Tijdens het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden kwam, dankzij de economische impulsen van Willem I, de textielvestiging tot volle bloei. De weverij 'Van Huffel en Co' floreerde. In 1828 liet Pierre Van Huffel niet alleen een nieuwe stoommachine plaatsen, maar ook een directeurswoning bouwen in late empirestijl naar ontwerp van architect J.B. Vandecapelle. Tussen 1837 en 1840 werd het bedrijf als katoenspinnerij en weverij beheerd door 'Van Huffel en Zoon'. In 1840 jaar werd de fabriek overgenomen door de schoonzoon onder de benaming Ceuterick-Van Huffel. Omstreeks 1845 had het bedrijf reeds een oppervlakte van 776 m².
 

In de buurt had de familie Van Huffel een tiental arbeidershuisjes in eigendom. Kort daarop werd het bedrijf opgekocht door twee textielfabrikanten, namelijk Pierre Guequier en Ferdinand Dierman. Er werd opnieuw geïnvesteerd. Toen in 1854 Pierre Guequier zelfstandig eigenaar van het bedrijf was geworden verdubbelde hij de bedrijfsoppervlakte in enkele jaren tijd tot 1596 m². In 1857 dook naast Pierre Guequier de textielfabrikant Adolphe Desmet op als vennoot. Mogelijk waren er financiële moeilijkheden als gevolg van de belemmerde katoenaanvoer door de Amerikaanse Secessieoorlog (1861-1865). Een honderdtal arbeiders werd technisch werkloos. Men vermoedt dat een financiële reddingsoperatie door de familie Desmet het bedrijf van de ondergang redde. Het complex dat vanaf 1864 vermeld wordt als 'Desmet - Guequier en Compagnie' groeide omstreeks 1873 uit tot 2400 m² grondoppervlakte. In 1892 werden de eigendom en het beheer van de katoenfabriek in handen genomen door nijveraar Paul Hebbelinck - Struye. Deze liet in 1896 een nieuw ketelhuis en een 30 m hoge schouw optrekken en plaatste twee nieuwe stoomketels, geklonken in de werkplaatsen Pierre Brouhon te Luik.
 

Na de eeuwwisseling werd de naamloze vennootschap 'Filature Desmet - Guequier' opgericht. De spinnerij werd omstreeks 1905 ingrijpend gemoderniseerd. Uit die tijd dateert de bouwvergunning voor de oprichting van een totaal nieuw katoenspinnerijgebouw van het Manchesteriaans type met drie bouwlagen en kelderverdieping. In 1909 werd dit gebouw verhoogd met een vierde verdieping onder raikemdaken. De bouwwerken werden gerealiseerd door het Gentse bouwbedrijf 'S. Detaeye en Co'. Het is in dit gebouw dat op dit ogenblik de belangrijkste museumopstellingen zijn ondergebracht.
 

In 1948 - het bedrijf was toen reeds overgenomen door de textielgigant Union Cotonnière - werd nog een grote loods opgericht op de oostelijke helft van het terrein aan de Minnemeers. De katoenspinnerij besloeg weldra 3077 m². Ondanks verdere moderniseringen, zoals een luchtconditioneringscentrale in 1960, bleek het bedrijf niet winstgevend genoeg en werd het in 1975 door nv UCO (sinds 1957 de opvolger van Union Cotonnière) buiten werking gesteld.
 

In 1979 werd het gebouw aangekocht door de stad Gent en einde 1985 ter beschikking gesteld van het MIAT. Het was toen nog niet de bedoeling er een museum in uit te bouwen. Tussen 1986 en 1989 werd het enkel gebruikt als stapelplaats. Maar ook een degelijk museumdepot vergt investeringen. Van 1986 tot en met 1989 werd het dak van het hoofdgebouw vernieuwd en werden de ramen hersteld. Een nieuwe takel liet toe om machines tot drie ton omhoog te hijsen en op de verdiepingen te stapelen. De renovatiewerken gaven de leegstaande, schrale fabriek opnieuw enige allure. Het betekende een stimulans tot de herwaardering van de gehele site.
 

In 1989 was het toenmalige stadsbestuur van oordeel dat dit depotgebouw, gelegen in het centrum van Gent, voldoende mogelijkheden bood voor de uitbouw van een volwaardig museum. Het MIAT, Museum voor Industriële Archeologie en Textiel, een museum dat de industriële samenleving zou evoceren, kreeg op die manier zijn definitieve vestigingsplaats.
 

Deze nieuwe functie was vanzelfsprekend totaal anders dan deze van museumloods. De plannen voor het herstel van het gebouw werden aangepast aan nieuwe vereisten zoals brandveiligheid, comfort en ontvangst van het museumpubliek. Door architect Dirk Boncquet werd, palend aan het hoofdgebouw, een functioneel dienstgebouw ontworpen. In dit gebouw werden de publieksgerichte ruimten ondergebracht, zoals sanitair, traptoren met lift, cafetaria en auditorium. Deze nieuwbouw werd ingehuldigd op 22 september 1994.

 

 

De permanente opstelling


De Westerse Samenleving 1750-2000


Terwijl tot dan toe de publieksgerichte museumwerking zich concentreerde op tijdelijke tentoonstellingen, werd vanaf 1994 het accent gelegd op de uitbouw van de permanente museumopstelling. Deze vertelt het verhaal van de industriële samenleving, dus in feite de geschiedenis van 'onze samenleving'. Om deze geschiedenis te evoceren en te illlustreren wordt zowat 3500 m² voorzien in het Manchesteriaans hoofdgebouw. Reeds nu is ongeveer 2800 m² ingevuld.
 

Meer dan 1800 m² worden voorbehouden voor het historisch overzicht van de samenleving tussen 1750 en 2000. Deze opstelling vormt de basisopstelling van het MIAT. In deze opstelling werden enkele van de meest merkwaardige en waardevolle collectiestukken ondergebracht, zoals de 'mule jenny', de twijnmolen uit 1789 en de koperen alambieken uit dezelfde periode. Deze museumkern is ondertussen uitgegroeid tot een prachtige evocatie van 250 jaar geschiedenis. De opbouw van dit verhaal vergde een bijzondere inspanning en verliep in drie fasen. Op 22 september 1997 werd, als eerste volwaardige permanente opstelling, het verhaal 'Ons industrieel verleden 1750 - 1900' ingehuldigd. Sinds het midden van 1998 werd deze opstelling bijzonder educatief uitgewerkt door het plaatsen van vijftien 'speelkasten'. Dit was dan de tweede fase. Deze speelkasten bevatten drie alternatieve bezoekmogelijkheden aan het museum, respectievelijk bestemd voor de leeftijden zes tot negen jaar, tien tot dertien jaar en veertien tot vijftien jaar. Voor de uitwerking van deze speelkasten werd het MIAT gesubsidieerd door het Vlaams Ministerie van Onderwijs, de Nationale Loterij en de Koning Boudewijnstichting.
 

In de opstelling bevinden zich per vijftig jaar ook tijdstabellen en educatieve cirkels. Ze reiken 'kapstok-gegevens' aan bestemd voor groepen uit het onderwijs. Ook de museumgidsen kunnen aan de hand van deze cirkels een overzicht geven van een bepaalde periode. Van binnen naar buiten brengen deze cirkels achtereenvolgens gegevens over politieke gebeurtenissen in het binnenland, in het buitenland, op economisch en technisch vlak, op cultureel gebied. Op 30 oktober 1998 werd dan de derde fase voor het publiek toegankelijk gemaakt, namelijk de periode 1900 - 2000. Een bijzonder accent ligt op de geschiedenis van de vrouw, zonder dat daarom de feministische toer wordt opgegaan. Vandaar de ondertitel 'De vrouw achter de schermen en op de barricade'. De uitbouw van het 'vrouwelijk' aspect van dit historisch verhaal werd ondersteund door de minister van Gelijkekansenbeleid.
 

Dit betekent dat op dit ogenblik in het MIAT de belangrijkste opstelling in Europa over de geschiedenis van de vrouw van 18de tot 20ste eeuw kan bekeken worden. Het is één van de meest intrigerende totaalopstellingen over het industrieel verleden, waarvan facetten als technologische ontwikkeling of sociaal-economische evolutie ruimschoots aan bod komen. Ook de grote lijnen van het wereldgebeuren op politiek en cultureel gebied vindt men in de opstelling weer. Deze eerste opstelling "Ons industrieel verleden 1750 - 2000. De vrouw achter de schermen en op de barricade" werd uitgebouwd op de twee bovenste verdiepingen van het hoofdgebouw. Deze opstelling vormt de kern van het MIAT. Ze geeft immers het essentiële overzicht van hoe de industriële samenleving geëvolueerd is. Vanuit deze opstelling vertrekt inhoudelijk elke verdere MIAT-activiteit.
 

Een volgende 950 m² worden voorbehouden voor één van de belangrijkste aspecten van de industriële samenleving, namelijk het vervaardigen van producten op een industriële manier. Dit gebeurt volgens typische kenmerken: massaproductie in een daartoe speciaal met machines uitgerust gebouw, de fabriek. Als voorbeeld hiervan werd een katoenfabriek gekozen. Dit om diverse redenen. In de eerste plaats bevindt zich in de museumcollectie een vrij volledige reeks van katoenmachines. Bovendien was Gent in 19de en 20ste eeuw de industriële katoenstad bij uitstek. De katoensector was tevens de belangrijkste sector bij het tot stand komen van de eerste industriële revolutie in Vlaanderen. Aansluitend bij deze textielafdeling kan hier naar de museumtuin verwezen worden. Hierin staan een veertigtal diverse planten die worden gebruikt voor het artisanaal kleuren van textiel.
 

Deze tweede opstelling, de "Katoenfabriek", heeft als evocatie van een katoenspinnerij en weverij in de eerste helft van de 20ste eeuw op dit ogenblik nog geen museologische pretenties. In de loop van 1999 wordt ze museaal en educatief verbeterd.
 

Toch is ze reeds bezoekbaar gesteld. Normaliter zijn op dinsdag en donderdag vrijwilligers aan het werk om de spinmachines en weefgetouwen aan het draaien te brengen.
 

Een industrieel product dient uiteraard ook verkocht en naar de consument gebracht te worden. De manier waarop dit gebeurde was tijdens de industriële periode totaal anders dan in de periode die vooraf ging. Daarom wordt in de toekomst een afzonderlijke afdeling uitgewerkt over distributie en verkoop. Deze thema's zullen aan bod komen in de zogenaamde 'Machinegalerij'. Het wordt een evocatie van een verkoopsopstelling van zware (stoommachines, compressoren, kalanders) en minder zware machines tijdens een internationale wereldexpositie. Aan de wanden komen grote schilderijen die het belang van de nijverheid aantonen. Vanzelfsprekend zal ook de rol van het affiche en van de nieuwere media zoals film, radio, televisie en internet beklemtoond worden. Deze opstelling zal volgens de huidige planning zowat 300 m² in beslag nemen op het gelijkvloers van het museumgebouw.
 

Een product dient niet enkel vervaardigd, gedistribueerd en verkocht te worden. Het wordt immers ook gekocht en verbruikt. Industriële producten bepalen de levenskwaliteit van de mens in de industriële periode. Deze is totaal anders in de 20ste dan in de 18de eeuw. Deze facetten zullen onderzocht, geïllustreerd en geëvoceerd worden in de kelderverdieping van het MIAT-gebouw onder het motto: hoe leefde en werkte de mens in de industriële periode.
 

De uitwerking van de laatste twee thema's, nl. verkoop en distributie enerzijds en verbruik en levenskwaliteit anderzijds, behoren tot de toekomstige opdracht van het MIAT.

 

 

Ons Industrieel Verleden 1750 - 2000.
De vrouw achter de schermen en op de barricade


Om de opstelling 'Ons Industrieel Verleden 1750 - 2000. De vrouw achter de schermen en op de barricade' te bezoeken gaat de bezoeker via de trap of via de lift tot boven in de traptoren. Hier heeft hij een vrij onbekend en onverwacht mooi gezicht op het centrum van de stad enerzijds, op de noordelijke en oostelijk gelegen industriële en havenwijken anderzijds. Daar start ook de basisopstelling van het MIAT.
 

De bezoeker komt in een vrij sober lokaal waar een video staat opgesteld. Dit lokaal heeft als belangrijkste functie groepen die langsheen de trap omhoog klimmen even op adem en tot rust te laten komen. Het videoprogramma benadrukt de kenmerken van de huidige samenleving via beelden over de wereldwijde economie, over ruimtevaart, de vooruitgang van de geneeskunde en de drugsproblematiek, de revolutie van de informatica, maar toont ook de gewone man in zijn dagelijks doen en laten.
 

Een spiegelplafond doet de bezoeker naar zichzelf kijken en zet aan tot reflectie. Die zelfreflectie kan gebeuren door terug te keren in de tijd en inzicht te krijgen in de evolutie van de samenleving.
 

De bezoeker wordt uitgenodigd om een tijdsgang binnen te stappen. Deze brengt hem van 1999 tweehonderdvijftig jaar terug, naar het midden van de 18de eeuw. In deze tijdsgang kan hij aan de hand van illustraties in verband met verkeer en transportmiddelen verifiëren hoe hij teruggaat in de tijd.

 

 

Landbouwmaatschappij en stedelijke samenleving in het Ancien Régime
 

Tweehonderdvijftig jaar geleden werd de wereld niet beheerst door de industrie. De West-Europese mens leefde toen in een maatschappij waar de landbouw bepalend was. Wellicht was er heel wat minder lawaai; het leven speelde zich trager en rustiger af. Meer dan tachtig procent van de bevolking leefde op het platteland en deinde mee op het ritme van de seizoenen. Velen voorzagen in hun levensonderhoud door hard, maar niet gejaagd werken op het platteland. Ook toen echter kon het leven moeilijk zijn voor wie door ziekte, krijgsverrichtingen of ongeval uit de boot viel. Talrijke bedelaars zwierven van dorp tot dorp.
 

Wind- en watermolens of de spierkracht van mens en dier zorgden voor de energie om graan te malen, bomen tot planken te verzagen, lijnzaad te pletten of polders droog te malen. Enkele keren per jaar ging de landbouwer bij de grootgrondbezitter of op het kasteel, waar de bewoners de dagen sleten in eindeloze verveling, om de pacht te betalen of de 'primeurs' aan te bieden.
 

Naast de teelt van voedingsgewassen zoals rogge, gerst, tarwe, spelt, haver, zorgde de landbouw ook voor nijverheidsgewassen zoals lijnzaad waaruit olie werd geperst of wede, meekrap en wouw waarmee men textielstoffen respectievelijk blauw, rood en geel kon verven. In onze gewesten was in het bijzonder de teelt van vlas erg belangrijk, vooral in het Land van Waas en in de Leiestreek.
 

In de tapijtnijverheid werd vooral wol gebruikt. Deze nijverheid was een echte luxenijverheid waarvoor oorspronkelijk vooral de Zuidelijke Nederlanden bekendheid genoten, maar die vanaf de 17de eeuw ook in Frankrijk werd toegepast in manufacturen.
 

Een andere luxenijverheid was de passementnijverheid. Op de getouwen van de passementwevers werden flosjes, linten, banden in zijde of gouddraad, gordijnkoorden en galonnen geweven.
 

Het jeneverstoken was naast het bierbrouwen ook een belangrijke nijverheid, zowel in de steden als op het platteland. Op het platteland werd veelal gestookt op basis van rogge en gekiemde gerst (mout). Met het afval werd het vee op stal vetgemest. De mest van de dieren werd gebruikt om het landbouwland vruchtbaar te maken.
 

Vele ambachtelijke producten kwamen terecht in een internationaal handelscircuit. Ze werden uitgevoerd tot buiten de grenzen van Europa. Er bestond een handel vanuit de havens Vlissingen of Nantes naar de westelijke kusten van Afrika, waar de Europese producten werden ingeruild tegen negerslaven. Dit zwarte goud werd verscheept naar Midden- en Zuid- Amerika waar de ongelukkigen gedwongen werden te werken in plantages en mijnen. Uit de overzeese wingewesten werden goud, zilver en plantageproducten zoals suiker, cacao, koffie en katoen naar Europa gebracht. Deze handel bezorgde de Europese investeerders grote winsten. Het vergaarde kapitaal werd belegd in eigendommen - in de 18de eeuw werden heel wat herenhuizen (in Gent 'hotels' genoemd) gebouwd - maar ook in de opbouw en uitrusting van ateliers, manufacturen, werkhuizen en fabrieken. Dit handelskapitalisme zorgde voor het kapitaal van de eerste industriële revolutie.
 

Katoen was een van de producten die overzee en dankzij de inzet van slaven konden geteeld worden. Deze grondstof zou samen met ijzererts en steenkool de basisgrondstof worden waarop de eerste industriële revolutie tot stand kwam.

 

Heel het landelijk gebeuren tijdens het Ancien Régime wordt in het museum geïllustreerd door een muurtafereel, geschilderd op basis van een gravure uit een van de belangrijkste drukwerken van die tijd, de 'Encyclopédie ou Dictionnaire raisonné des sciences, des arts et métiers' (1751 - 1772) van de verlichte geleerden Didérot en d'Alembert. Opmerkelijk is de zaaimachine uiterst rechts op de schildering, bediend door een vrouw. In de nabijheid van deze muurschildering bevinden zich alaam en een aantal tuigen die reeds toen volop gebruikt werden in het boerenleven: vlashekel, ploeg, lijnzaadtremel, dorsvlegel, aardappelpoter, ossenjuk, vlasrepel, handzeis, boothamer, zwingelmes en boomzaag. Ook in Vlaanderen werd de aardappel, afkomstig uit Amerika, reeds volop geteeld. Vooral in de 19de eeuw zou de aardappel belangrijk worden voor de voeding van de verpauperde bevolking.
 

In een eerste speelkast ziet men onderaan de evocatie van een bakkerij in de 18de eeuw, bovenaan de maquette van graanvelden met het gezicht op de torens van Gent (dezelfde torens bemerkt men doorheen het grote raam met uitzicht vanuit het oosten op het centrum van Gent). Midden in deze speelkast wordt het leven verteld van één van de Franse filosofen die de terugkeer naar het landelijk leven en de natuur voorhield, Jean-Jacques Rousseau (1712-1778). Hij trok dit idee door naar de vrouw, waarvan hij de biologische rol onderstreepte. Ze diende vooral kinderen te baren en op te voeden; ideeën die door de Franse revolutionairen werden overgenomen.
De eerste informatieve cirkel links geeft een samenvattend overzicht voor de periode 1701-1750.

 

Een trapgetouw, in 1746 vervaardigd, illustreert de activiteit van een kleine landbouwer die zich in de wintermaanden als wever ontpopte om de eindjes aan elkaar te knopen. Het windas dat tentoongesteld wordt heeft alle kenmerken van een 18de-eeuws model. Terwijl het trapgetouw, afkomstig uit de streek van Brakel, representatief is voor het weven op het platteland, is de twijnmolen voor linnengarens uit 1789 een typisch voorbeeld van de ambachtelijke activiteit in de stad. Deze ovale twijnmolen - wellicht de oudste en de imposantste die nog bestaat - werd gebruikt om het vlasgaren te verdubbelen om op die manier een sterkere draad te bekomen. Deze draden werden gebruikt in de ketting van het weefsel. Deze twijnmolen kan als een voorloper van een 'machine' beschouwd worden. Aan de wanden geven de platen van een kalender een overzicht van de diverse fasen van de productie van vlas tot linnen, van op het platteland tot in de stad.
 

Een speelkast geeft een evocatie van een vlasveld tijdens de oogst (het slijten van het vlas). In een andere speelkast ziet men de maquette van de Vrijdagmarkt. Deze markt was in het Ancien Régime een belangrijke handelsplaats voor de verkoop van linnen. Van hieruit werd het uitgevoerd naar Frankrijk en Spanje.
 

De opstelling van de textielgetouwen werd evocatief uitgewerkt tegen een enorm raam dat een wondermooi uitzicht geeft op het centrum van Gent en op de symbolen van de 'machten' die het maatschappelijk leven in de 18de eeuw beheersten. De juridische macht was gevestigd in het Gravensteen, de burgerlijke stedelijk macht in het stadhuis en het belfort en de kerkelijke macht in de talrijke kerken, kloosters en abdijen. Het Toreken op de Vrijdagmarkt symboliseert de macht van de ambachten.

 

Iets verder in de museumopstelling staan een reeks unieke alambieken, kunstig vervaardigd. De grote, gemaakt van rood koper, waren bestemd voor het destilleren van alcohol; de kleinere, uit geel koper, voor het overhalen van likeuren. De evocatie van deze stookinstallatie vormt een uniek geheel. Een wijnpers, alcoholpomp en enkele kleiner objecten vervolledigen het.
 

Polders werden drooggemalen met de schroef van Archimedes (18de eeuw), waarvan in het museum een uniek exemplaar aanwezig is.
 

In vele steden waren ook de metaalnijverheid en de ledersector belangrijke bedrijfstakken. Een kleine evocatie geeft een beeld van een zestienjarig meisje (kinderarbeid bestond ook in de 18de eeuw) dat met de kruiwagen vellen vervoert voor de leerlooierij. Het tafereel is geïnspireerd door een schilderij van de Luikse schilder Léonard Defrance. Een arduinen vleesblok en een vleesmes waren de gebruiksvoorwerpen om vleesrestanten en vet van de vellen te schrapen. Leder was tijdens het Ancien Régime een veelgebruikt materiaal voor het vervaardigen van allerlei voorwerpen, gaande van riemen, scheden, laarzen, kledij, paardetuig, emmers tot en met behang.
 

Om het handelskapitalisme te illustreren werd in één van de speelkasten een maquette van de Gras- en Korenlei in Gent geplaatst. Het was de aanlegplaats van vrij grote handelsschepen. De evocatie van het dek van een slavenschip, hoewel ludiek opgevat, wijst ons op een realiteit, namelijk het transport en gebruik van slaven in mensonwaardige omstandigheden, waarmee vele van onze voorouders morele problemen hadden. Via het avontuurlijk leven van de Nederlandse soldaat John Gabriel Stedman (1744 - 1797), die naar de Antillen trok om aldaar opstanden van weggelopen slaven te onderdrukken, krijgt men niet alleen een gevarieerde kijk op het leven van de slaven, maar ook op dat van de planters en kolonisten.

 

Het belang van de drukkunst als medium om vanaf de 15de-16de eeuw informatie te verspreiden kan niet genoeg benadrukt worden. Dit wordt geïllustreerd door een houten drukpers met Bleaudegel en een papierpers voor handgeschept papier uit 1655, doch hersteld in 1763. Buiten aan de ingangstrap van het MIAT ligt een zogenaamde 'Hollander', een arduinen kuip waarin in de 18de eeuw lompen werden vermalen om papier te bereiden. De eerdergenoemde kaart van Ferraris geeft een idee van de druktechniek die men toen beheerste: kleurendruk bestond niet; de gravures werden achteraf met de hand ingekleurd.
 

In dat gedeelte van het museum dat aan de 18de eeuw gewijd is (de wanden zijn geel geverfd), hoort men de muziek van Wolfgang Amadeus Mozart (1756 - 1791). In 1765, toen hij samen met zijn vader en zus op tournee was, gaf hij een opvoering in de Baudelokapel aan de Ottogracht in Gent. De toren van deze kapel kan men zeer goed zien door het grote raam dat een uniek uitzicht geeft op de oude binnenstad. Aansluitend daarbij wordt in een speelkast een evocatie gegeven van een rijk gedekte tafel tijdens een huisconcert. De theekan staat er niet toevallig: thee was in die dagen een drank die, net als koffie en chocolade trouwens, alleen de rijkeren zich konden veroorloven.
 

In het interieur van een rijk koopman tonen de wandschilderingen onder meer een kasteeltuin in Engelse landschapsstijl, het beurtschip de barge dat aanlegt aan de Brugsepoort te Gent en koopwaar aanvoert vanuit Oostende alsook een gezicht op de eerste plantentuin van Gent, de 'hortus Gandavensis', die in 1797 werd opgericht in de tuin van het Baudeloklooster, in de directe omgeving van het museum.

 

 

De vrouw achter de schermen
 

Het economisch-sociaal gebeuren tijdens het Ancien Régime werd beheerst door mannen. Het was een man die aan het hoofd stond van de boerderij. Het was een man die de pacht inde. Het was een man die de kerkelijke diensten voorging. Het waren mannen die in de ambachten de dienst uitmaakten. Het waren mannen die geronseld werden voor het leger. De meeste kooplui waren mannen. Het was een man die aan het hoofd stond van het slavenschip. Het was een man die het gezin naar buiten vertegenwoordigde.
 

Dit betekent niet dat vrouwen hun tijd in ledigheid doorbrachten. Vele plattelandsmeisjes gingen buitenhuis werken. Na jarenlange dienstarbeid hadden ze een eigen bruidsschat verdiend, wat hun toekomstige vaak in staat stelde om zich als zelfstandig ambachtsman te vestigen. Niet alle meisjes werden dienstmeisjes. Velen kwamen terecht in de huisnijverheid of in de ambachtelijke nijverheid en gingen werken als naaister, borduurster, handschoenmaakster of leurster.
 

Vooral in de ambachten en op de boerderijen werden de vrouwen beschouwd als leveranciers van onbetaalde, ondersteunende diensten in het huishouden en op het bedrijf. Als moeder of als 'werkster' waren zij de praktische spil van het gezin. Slechts enkele vrouwen slaagden erin zich aan de anonimiteit van het vrouw-zijn te onttrekken.

 

 

De Franse revolutie, een ommekeer
 

De wereld, zo beweerden de verlichte filosofen, was onderhevig aan natuurwetten. De orde in de samenleving poogde men, via empirisch onderzoek, af te leiden uit de wetmatigheid van de natuur. Volgens de natuurwet ligt de macht niet meer bij een absolute monarch, maar bij het volk.
 

Volgens diezelfde natuurwet werd de vrouw beschouwd als het 'wijfje' van de mens (homme) en als bezit van de echtgenoot. De vrouw diende, aldus de Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau (1712 -1778), in de eerste plaats echtgenote en moeder te zijn.
 

De rechten van de mens, zo sterk verdedigd in 'Les Droits de l'Homme et du Citoyen' van 1789, golden niet voor vrouwen. Nochtans waren deze laatsten tijdens de Franse Revolutie niet achterwege gebleven wanneer de trom roffelde om het Ancien Régime omver te werpen.
 

Voorvechtster Olympe de Gouges, die in 1791 'Les Droits de la Femme et de la Citoyenne' publiceerde, ging op de guillotine Marie Antoinette (1755-1793) achterna. De geschriften gepubliceerd in 1792 door een tijdgenote, de vrijgevochten Engelse Mary Wollstonecraft, onder de titel 'The Vindications of Rights', waarin ze opkwam voor arbeid, ongehuwd moederschap, eigen bezit en politiek beslissingsrecht, waren hun tijd ver vooruit en werden door de publieke opinie niet ernstig genomen. De Code Napoléon (1804) stelde voor een lange periode orde op zaken: de plaats van de vrouw was de huiselijke kring waar zij, politiek machteloos en onderworpen aan de echtgenoot, belast was met de zorg voor het nageslacht. Volwassen gehuwde vrouwen werden door dit burgerlijk wetboek als onmondige kinderen behandeld. Zo konden ze geen eigen contracten afsluiten. De wet van 1792 liet echtscheidingen toe, maar ze werden verre van aanbevolen. De moraal van de revolutie hechtte een groot belang aan de rede bij het oplossen van
huwelijksproblemen, en dit in het belang van het kind.

 

De Franse Revolutie gaf vooral heel wat rechten en vrijheden in handen van de burger. Het verbod op samenscholing van arbeiders zou in de toekomst de fabrieksarbeiders beletten op georganiseerde manier hun rechten te verdedigen. De ambachtscorporaties werden afgeschaft en de arbeiders werden volledig afhankelijk van hun patroon.

 

 

De eerste industriële revolutie
 

De periode die zou beheerst worden door de fabrieksarbeid was niet veraf meer. In Engeland brak de eerste industriële revolutie, die in feite het resultaat was van een lange evolutie, reeds volop uit in de 18de eeuw. In België startte ze omstreeks 1800.
 

Door de verbetering van de landbouwmethodes steeg de agrarische opbrengst. Meer monden konden gevoed worden. De stijgende bevolking deed op haar beurt de vraag naar producten toenemen. Vooral in de textielsector gaf dit stimulansen tot mechanisatie. Textielmachines, in beweging gebracht door één centrale krachtbron, werden in fabrieken geplaatst. De verbetering van de ijzerproductie liet toe bruggen, machines, spoorwegen, locomotieven en metalen schepen te bouwen.
 

Met gietijzeren elementen, kolommen en liggers konden in 'fabrieken' grote werkplaatsen overspannen worden.
 

De uitvinding van de stoommachine zorgde voor een nieuwe vorm van drijfkracht, alhoewel wind-, water- en rosmolens nog zeer lang in gebruik bleven. James Watt (1736 - 1819) is ongetwijfeld een figuur die nog altijd tot de verbeelding spreekt.
 

De op industriële manier vervaardigde producten, leder, machines, metaalwaren, textiel, enz. konden met de stoomtrein of stoomboot gedistribueerd worden. Talrijke kanalen werden gegraven en België kreeg het dichtste spoorwegnet ter wereld.
 

De overgang naar een ander 'geïndustrialiseerd' productiesysteem, dat geheel werd beheerst door de burgerman, had verstrekkende gevolgen voor de familiale arbeidseenheden die tijdens het Ancien Régime bestonden. Mannen, vrouwen, maar ook kinderen dienden hun vertrouwde leefomgeving te verlaten om in een vreemd arbeidsklimaat te gaan werken. De industriële revolutie had nefaste gevolgen voor het gezinsleven. De moordende concurrentie van de fabrieken luidde de ondergang van de huisnijverheid in.

 

Het leven van de Gentse ondernemer, burgemeester, smokkelaar en waaghals Lieven Bauwens (1769-1822) vormt een onderdeel van het 'jounalistenspel' voor de jeugd. Zowel een maquette als een fotovergroting geven weer hoe de fabriek van Lieven Bauwens, gevestigd in het voormalige Kathuizerklooster te Gent, er omstreeks 1803 langs de binnenkant uitzag.
 

In de onmiddellijke nabijheid staan de machines van de eerste industriële revolutie. Een met een vliegende schietspoel uitgerust weefgetouw illustreert een belangrijke stap in de technische evolutie. Twee modellen van spintoestellen, namelijk een model van de spinning jenny (uitgevonden door James Hargreaves) en een model van de waterspinmachine (waterwheel) van Richard Arkwright, tonen de overgang van spinnewiel naar spinmachine.
 

De aanwezige 'mule jenny' is van het type dat in Engeland spinning mule wordt genoemd. De mule jenny is één van de pronkstukken van het MIAT. De machine wordt gedateerd omstreeks 1810. Van deze machine wordt gezegd dat ze door Lieven Bauwens werd overgesmokkeld.
 

Alle machines die de industriële revolutie evoceren worden aangedreven door één centrale drijfas. Deze is op zijn beurt verbonden met een stoommachine van de Brusselse constructeur Bollinckx. De evocatieve configuratie die men hier ziet heeft in werkelijkheid echter nooit bestaan, omdat zowel machines uit verschillende bedrijfstakken als van diverse constructieperiodes hier samengebracht zijn. Maar ze geeft een idee van hoe machines, vanaf de eerste industriële revolutie, fabrieksmatig werden opgesteld: een spincontinu van het einde van de 19de eeuw, een mechanisch weefgetouw ca. 1860, een textielveredelingsmachine, een looiton, een meettoestel om de oppervlakte van huiden te meten. Aan de andere zijde bevinden zich gietijzeren fabricaten en een kollergang (een wals voor het fijnmalen van ertsen, kleurstoffen, oliezaden, cacao). Beide verwijzen naar het belang van de metaalnijverheid bij het tot stand komen van de eerste industriële revolutie. Heel speciaal is het handweefgetouw dat uitgerust is met een
Jacquardkop. Door deze uitvinding van de wever Joseph Marie Jacquard (1752-1834) uit het Franse Lyon werd het mogelijk zeer ingewikkelde tekeningen in het weefsel te verkrijgen.

 

Een reeks historische personages uit het journalistenspel geven aan dat de industriële revolutie 'gemaakt' werd door mensen en 'ondergaan' werd door mensen. We vermeldden reeds Lieven Bauwens en James Watt, maar er zijn ook de textielarbeidster Delphine Respeliers (1861-1945), de textielarbeider en socialistisch voorvechter Pol De Witte (1848-1929), de thuiswever Joseph De Schrijver (1835- ) en ook de burgerlijke Jenny Marx (1814-1881), echtgenote van de befaamde filosoof Karl Marx (1818-1883).

 

 

De 19de eeuw of de eeuw van de burgerman
 

Door de Code Napoléon uit 1804 was de vrouw gebonden aan het gezin door ondergeschiktheid aan de man. Het moederschap was haar ware bestemming. Alle fundamentele beslissingen hoorden de huisvader toe. Elk streven naar vrijheid en onafhankelijkheid voor de vrouw gold als 'onvrouwelijk' en werd in de kiem gesmoord. De sfeer die de samenleving bepaalde wordt aangeduid met de term 'Victoriaans': zelfvoldaanheid , conservatisme, strenge fatsoensnormen, nuchterheid en gebrek aan humor.
 

De toepassing van Victoriaanse waarden bracht een dubbele moraal mee voor man en vrouw en had een tomeloze schijnheiligheid tot gevolg, die een grote bloei opleverde van de pornografie en de prostitutie. Zowel de industriële revolutie als de ideeën van de Franse Revolutie kwamen vooral de burgerij ten goede. Het economisch liberalisme verzekerde vrijheid van individueel handelen. De kapitalistische arbeidsmoraal maakte van werken de hoogste waarde. De niet-bezittende arbeidersklasse, het proletariaat, zou tot het einde van de 19de eeuw niet aan de politieke besluitvorming mogen deelnemen.
 

Dat was ook zo in het jonge België. In 1830 hadden de (Franstalige) Belgen zich losgetornd uit het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en een grondwettelijke monarchie in het leven geroepen. De erg liberale Belgische grondwet gold in de 19de eeuw als een na te volgen voorbeeld.

 

De Belgische onafhankelijkheid in 1830 wordt symbolisch weergegeven door een reconstructie van de Muntschouwburg. Hier werd immers in augustus 1830 de opera 'La muette de Portici' opgevoerd, de directe aanleiding voor de opstand van de patriotten. Achter de reconstructie bemerkt men een aantal originele windassen en een houten trommelhijssysteem, afkomstig uit de Koninklijke Opera van Gent. Als decor laat een uitvergrote Epinalprent zien hoe ook de vrouwen bij de opstand waren betrokken.
 

Met de onafhankelijkheid van België zit de bezoeker volop in de eerste helft van de 19de eeuw. Een museumstraat gebouwd met originele winkelpuien bevat drukwerk met inlichtingen over de onafhankelijkheid, over de Belgische vorsten, over de romantische zienswijze op de vrouw. Ook de verzamelde uitgaven van Hendrik Conscience staan hier uitgestald.
 

Langs de overzijde bemerkt men het model van de koopvaardijbrik 'Le Commerce de Gand'. Door middel van dit schip wordt de handelsactiviteit in de eerste helft van de 19de eeuw geïllustreerd. De brik werd beschouwd als een zeer snel en handig zeilschip dat tevens geschikt was voor de grote vaart. De razeilen stonden er borg voor dat in gebieden waar de wind gedurende langere periode hoofdzakelijk uit één richting kwam, toch goede voortgang kon gemaakt worden. Op kortere kustreizen, waar vaak wisselvallige winden overheersten, kwam de uitstekende wendbaarheid van de brik goed van pas. Het nadeel van de brik was dat hij heel wat matrozen vergde om het schip optimaal in vaart te houden. De relatief hoge bemanningsgraad was er de oorzaak van dat bij de opkomst van de stoomvaart de brik als eerste van het toneel verdween (de befaamde klipper hield het iets langer vol). De brik 'Le Commerce de Gand' was hetzelfde lot beschoren. Rond 1850 werd hij, voor de vaart naar Engeland langs het Kanaal van Terneuzen, vervangen door een stoomschip van Engelse makelij, dat overigens dezelfde naam zou dragen.
 

Een 'Colombienne' kniehevelpers Lejeune wijst op het belang van de pers in de 19de eeuw. Het dagblad en het met litho's geïllustreerde boek worden uiterst waardevolle media voor de informatieoverdracht. Dat zal nog in sterkere mate blijken tijdens de tweede industriële revolutie.

 

 

De tweede industriële revolutie
 

Vanaf 1850 werd de samenleving overspoeld door een nieuwe golf van vernieuwingen, gepaard gaande met een bijna onbegrensd geloof in de mogelijkheden van techniek en industrie. In deze tweede industriële revolutie waren staal, electriciteit en haar talrijke toepassingen, chemie, nieuwe motoren (ontploffingsmotoren) toonaangevend. De wetenschap maakte enorme sprongen voorwaarts. Industriële toepassingen van wetenschappelijke ontdekkingen bleven niet uit. De fabrikanten poogden de arbeidskosten zoveel mogelijk te verlagen, onder meer door automatisering en gestandaardiseerde massaproductie. Door fusies en samenwerkingsverbanden streefde men ernaar de markt te monopoliseren. De nieuwe technologische investeringen vroegen steeds meer kapitaal. Familiebedrijven werden omgevormd tot naamloze vennootschappen. Er onstond een grote belangstelling voor overzeese gebieden die grondstoffen leverden. Kolonialisme en imperialisme bloeiden op. Twee figuren zijn daar op een heel eigen manier voorbeelden van, namelijk de ontdekkingsreizigers Alexandrine Tinne (1835-1869) en Henry Morton Stanley (1841-1904). De eerste was een schatrijke Haagse dame die met hebben en houden doorheen de Sahara op avontuur trok. De tweede stond samen met koning Leopold II (1835-1909) aan de basis van de latere Belgische kolonie Congo.
 

Producten werden op een totaal andere manier aan de man gebracht dan honderd jaar voorheen. De reclame via dagblad en affiche slaagden erin niet-levensnoodzakelijke producten bij de bevolking als onmisbaar te laten aanvoelen. De consumptiemaatschappij was geboren. In de 20ste eeuw zou ze zich volop verder ontwikkelen en een toppunt kennen tot in onze dagen. Het was vooral de burgerij die in de 19de eeuw zou genieten van het werk van de machine. Zij had immers het nodige geld om zich de aangeprezen kookfornuizen en naaimachines aan te schaffen. Burgerdames lieten zich graag fotograferen op de dijk te Oostende of lieten zich rondrijden in een 'brouette', een éénpersoonswagen getrokken en voortgeduwd door enkele armoezaaiers. De tijd van de auto, met achter het stuur een pronte dame, is niet meer veraf. Welk belangrijk en uiterst negatief gevolg de auto had voor mens en dier wordt getoond in een evocatie in één van de speelkasten.
 

Meisjes moesten koket en elegant zijn en werden voorbereid om onderdanige echtgenotes en goede moeders te worden. Niet alle vrouwen legden zich hierbij neer. Beter onderwijs was één van de eerste en hardnekkigste eisen van de ontluikende feministische beweging. Zoé Gatti de Gamond (1805-1854), de eerste Belgische feministe, richtte verschillende scholen op voor vrouwen. Haar dochter Isabelle zette de strijd voor degelijk onderwijs voort. Het hoger onderwijs was in België nooit wettelijk verboden geweest, maar tussen droom en daad stonden vele vooroordelen en praktische bezwaren. In het academiejaar 1880-1881 slaagden drie meisjes er toch in zich aan de Université Libre de Bruxelles te laten inschrijven. Isala van Diest (1842-1905) werd de eerste vrouwelijke Belgische arts. Marie Popelin (1846-1913) zou als advocaat nooit aan de balie mogen pleiten.
 

Ze werd één van de belangrijkste Belgische voorvechtsters van de rechten voor de vrouw. Bovendien had er tijdens de tweede industriële revolutie een geleidelijke arbeidsspecialisatie plaats. Vooral op het einde van de 19de eeuw gingen steeds minder vrouwen en kinderen werken in de fabriek. Een aantal ongehuwde vrouwen vond werk in nieuwe beroepen: het onderwijs, de telefonie, dactylografie en secretariaatswerk. Anderen werkten thuis of werden ingeschakeld in de zogenaamde armoede-industrie als sigarenmaaksters, kantklosters of naaisters. Velen woonden en werkten in ellendige omstandigheden of kwamen terecht in de prostitutie. De arbeidersvereniging zou in de woon- en werkomstandigheden slechts langzaam verandering brengen.
 

De traditionele, door de burgerij aanvaarde schilderkunst stond mijlenver verwijderd van de avant garde. Enkele schilderijen van meisjes en dames tonen dit meer dan duidelijk aan: Henri-Jacques Bource, 'De rijpe kersen' (1874), Giron 'Drie dames' (1898), Juliaan De Vriendt 'Damesportret' (1905). Hoe ver staat deze kunst niet verwijderd van een Vincent Van Gogh (1853-1890), die in een speelkast wordt besproken en in de 19de eeuw zijn schilderijen nog niet aan de straatstenen kwijt kon?

 

Een reeks van machines en objecten illustreren een aantal typische kenmerken van de tweede industriële revolutie. Deze objecten staan opgesteld tegen een achtergrond van fotowanden waarop belangrijke gebeurtenissen en uitvindingen uit de tweede helft van de 19de eeuw worden afgebeeld.
 

Tegenover deze wand staat een vitrinekast met het geraamte van een gorilla; ernaast het geraamte van een mens. Symbolisch verwijzen ze naar de totaal nieuwe visie op de evolutie van het leven met 'On the Origin of Species by Means of Natural Selection', 1859, door Charles Darwin (1809-1882). Darwin vindt men ook terug in de levenskasten, samen met andere wetenschappers en technici zoals Thomas Alva Edison (1847-1931) en Louis Pasteur (1822-1895).
 

Op dit ogenblik is de bezoeker volop in de tweede helft van de 19de eeuw beland. De eenvoudige winkelpuien van het begin van de eeuw hebben plaats gemaakt voor de uitstalramen van een authentiek warenhuis, met een winkelpui naar ontwerp van de Gentse architect Leon De Keyser.
 

Een schilderij van Armand Heins wijst op het belang van het haventransport (in dit geval de Gentse haven die op het einde van de 19de eeuw een sterke uitbreiding kende). Een model van een stoomlocomotief accentueert het belang van de spoorweg als transportmiddel.

 

 

Tijdens de Belle Epoque staat de vrouw op de barricade
 

De 19de eeuw gleed bijna ongemerkt over in de 20ste eeuw. De Belle Epoque was volop aan de gang. Door de spectaculaire vernieuwingen in wetenschap en techniek was het vertrouwen in de vooruitgang groot. De Belle Epoque was geen tijd van grote politieke vernieuwingen, maar wel van uitgesproken sociale tegenstellingen. De rijken toonden onbeschaamd hun overvloed; voor de armere bevolkingslagen behoorden armoede en miserie nog steeds tot de dagelijkse realiteit.
 

In het begin van de eeuw kende de eerste golf van het 'burgerlijk' feminisme een hoogtepunt. De vrouwenbewegingen zetten hun strijd voor stemrecht en gelijke rechten verder. Vooral de strijd van de suffragettes in Groot Brittannië haalde geregeld de internationale krantenkoppen. Door het uitblijven van het stemrecht werden de acties van de suffragettes steeds grimmiger.

 

Om naar de 20ste eeuw te gaan moet de bezoeker één verdieping afdalen. Hij komt terecht op een klein pleintje dat inhoudelijk kan beschouwd worden als de voortzetting van de evocaties op de hoogste verdieping. Het pleintje werd gekasseid met originele 19de-eeuwse bestrating. De grauwrode bakstenen fabrieksmuur in de opstelling met de fabriekspoort van de 'Filature Georges en Max Van Acker' laat ons vermoeden dat in de Belle Epoque nog vele arbeiders met fabriekswerk aan de kost kwamen. Het mosterdfabriekje van Tierenteyn staat voor het economisch belang van het middenstandsbedrijf. Het kleine en middelgrote bedrijf zou gedurende de ganse 20ste eeuw mede de economie bepalen. Binnenin ziet men een pletmolen voor mosterd, een kleine gietijzeren cilindermolen en mosterdtonnen. De winkelpui zelf heeft nog alle kenmerken van de neo-classicistische traditie en vertoont nog geen art nouveaukenmerken. De prachtige booglamp die het pleintje belicht was maar mogelijk dankzij de vooruitgang van de elektrische toepassingen. Elektrische verlichting is ook aanwezig in het interieur van het bediendehuisje omstreeks 1910. Meer en meer personen vonden werk in de tertiaire sector. Mannen, maar ook meisjes en vrouwen uit de kleine burgerij gingen uit werken als winkeljuffrouw, kantoorbediende of onderwijzeres.
 

Het uiteinde van het pleintje wordt afgesloten door een verkleinde reconstructie van een triomfboog, ontworpen door de Gentse architect Geo Henderick. Het lag in de bedoeling dergelijke triomfboog te plaatsen op de wereldtentoonstelling te Gent in 1913. Het ontwerp werd echter nooit gerealiseerd, in tegenstelling tot zijn 'Hal der Machines en der Elektriciteit'. Achter de triomfboog ziet men enkele machines die in werkelijkheid op de wereldtentoonstelling gestaan hebben of er hadden kunnen staan: een metaaldraaibank Comhaire, een dubbele tafelbreimachine Stibbe; een ingekorte natte vlascontinu Mackie, een nietmachine voor tijdschriften Bremner, medico-dyitamische toestellen Zander, enz.
 

Eén van de wanden werd bekleed met de houten lambrisering die vroeger de gelagzaal Gambrinus (bouwaanvraag uit 1897) in de Vlaanderenstraat in Gent sierde. De lambrisering in art nouveaustijl is vermoedelijk van architect Adrien Ledoux. Twee anonieme schilderijen in sociaal-realistische stijl getuigen nog van het belang van de textielnijverheid in die periode. Het meest linkse schilderij toont een binnengezicht in een spinnerij. Talrijke vrouwen zijn er aan het werk. Het rechtse schilderij stelt een weverij voor. Iets meer triomfalistisch zijn de vier schilderijen van Constant Dratz. Ze zijn waarschijnlijk geschilderd voor de grote 'Internationale Coöperatieve Tentoonstelling' in het Gents Citadelpark in 1924. Nadien sierden ze een tijd lang de zoldering van de grote vergaderzaal der Textielcentrale van het Algemeen Belgisch Vakverbond op de Vrijdagmarkt te Gent.

 

 

De Eerste Wereldoorlog
 

Vlaanderen en in het bijzonder Gent hebben nauwelijks geprofiteerd van het economisch elan dat een wereldtentoonstelling meestal met zich meebrengt. De Eerste Wereldoorlog confronteerde mannen en vrouwen met wreedheden, gruwelijke slachtpartijen, gifgas, bombardementen, duikboten en tanks. De oorlog eiste in het totaal tien miljoen doden. In de opstelling wordt heel die periode geëvoceerd door een loopgracht, zeer kenmerkend voor deze stellingenoorlog.
 

In België lag de normale industrie grotendeels stil. Naarmate het tekort aan mankracht nijpender werd in landen als Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland, gingen steeds meer vrouwen, gelokt door de hoge lonen, werken in de metaal- en wapenindustrie. In 1918 stelde de bekende Duitse wapenfabriek Krupp, op een totaal van 110.000 werknemers, 30.000 vrouwen te werk.

 

 

De interbellumperiode
 

'Zonder de vrouwen hadden we de oorlog niet kunnen winnen' riep de Amerikaanse president Woodrow Wilson uit in 1918. Onmiddellijk na de oorlog werden echter de meeste gehuwde vrouwen opnieuw naar de haard gestuurd. Het zogenaamde traditionele gezin, met buitenshuis werkende vader en een thuisblijvende moeder, werd ook in arbeidersmiddens steeds meer de norm. In de loop van de jaren twintig kregen vrouwen in verschillende landen stemrecht. Maar in Frankrijk (1944), Italië (1945) en België (1948) duurde het nog tot na de Tweede Wereldoorlog vooraleer vrouwen volwaardige politieke rechten kregen. Op het terrein van opleiding, onderwijs en burgerrechten werd, ook in België, geleidelijk vooruitgang geboekt. Maar de overtuiging, dat de vrouw voornamelijk in het gezin en het huishouden thuishoorde, bleef domineren: vrouwenarbeid doet de werkloosheid stijgen en schaadt de familie, zo luidde het.
 

In Europa was pas in het midden van de jaren twintig de economische erfenis van de oorlog verteerd. De jaren 1926-1929 werden synoniem met economische hoogconjunctuur, stijgende levensstandaard, internationale ontspanning en herwonnen optimisme. Auto en vliegtuig verbraken het monopolie van de spoorweg. Bakeliet, kunstrubber en nylon boden nieuwe mogelijkheden in industrie en huishouden. De mechanisatie in de industrie en de standaardisering van de producten leidden tot meer comfort, maar ook tot massificatie.
 

De film, uitgevonden in 1895 door de gebroeders Lumière, werd het nieuwe cultuurmedium. De triomftocht van de stomme film, werd in 1927 door de geluidsfilm opgevolgd.
 

De economische crisis van de jaren 1929-1935 was de zwaarste depressie sinds het begin van de industrialisatie. Ze begon met de ineenstorting van de beurs van New York op 24 oktober 1929 en bleef aanslepen tot het midden van de jaren dertig.
 

In de jaren dertig kreeg de draadloze telegrafie een grote sociale betekenis toen de radio in de huiskamer binnendrong. In 1935 kwam de eerste radarapparatuur tot stand. In 1938 startte men in Amerika met de eerste televisie-uitzendingen.

 

Men spreekt van de roaring twenties, die beelden oproepen van kortgeknipte, kortgerokte dansende dames. De gemiddelde levensstandaard heeft vóór 1950 nooit meer het niveau van deze jaren bereikt. Het burgerlijk comfort werd meer en meer betaalbaar. De opstelling toont een fornuis uit een burgershuis en benadrukt het sanitair comfort: betonnen badkuip, lavabo, waterboiler. De twintiger jaren leiden in de opstelling als vanzelfsprekend naar de reconstructie van een cinemazaaltje. Het cinemazaaltje zelf werd opgericht als evocatie van een interbellumzaaltje uit ca. 1928, zoals de Gentse architect Geo Henderick 'Ciné Palace' had ontworpen. Binnenin bevindt zich een filmprojector Zeiss-Ikon. In dit zaaltje worden regelmatig stomme films geprojecteerd.
 

Vlakbij ziet men een arbeidersinterieur uit de dertiger jaren. De diverse interieurs in de opstelling laten toe de evolutie van het huishoudelijk comfort op de voet te volgen.
 

Iets verder bemerkt de bezoeker een elektrisch fabrieksschakelbord uit de interbellumperiode. Aanpalend ziet men een confectieatelier voor dameslingerie, voorzien van industriële naaimachines Singer en van diverse naai- en borduurmachines voor huiselijk en ambachtelijk gebruik. Ook de stoffensnijmachine Phillipsohn & Leschzine is van de dertiger jaren. In het atelier bevinden zich rond de modelbuste Tina stukken lingerie in diverse stadia van afwerking.
 

Bij een fotowand met situatiefoto's van de dertiger jaren staan diverse machines en toestellen uit die periode: machines van de hoedenmakerij Bolle, een automatische deegkneedmachine Ooms, een cilindermolen voor maalderijen Seck, diverse burotica, een kappersstoel en een elektrisch watergolftoestel, een bakelietpers Netstal.
 

Vlakbij vindt de bezoeker een evocatie van koffiebranderij Antverpia uit Sint-Amandsberg met branderijinstallatie en winkelinrichting.

 

 

De Tweede Wereldoorlog
 

De opkomst van het fascisme en het nazisme betekende aanvankelijk een terugval voor de situatie van de vrouw: de man wordt soldaat, de vrouw wordt moeder. Naderhand werden door de naderende oorlog steeds meer vrouwen ingezet in de wapenindustrie. Tijdens en in het zog van de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) gebeurden talrijke uitvindingen en technische verbeteringen die uiteindelijk zullen leiden tot de derde industriële revolutie, zoals de kernsplitsing en de atoombom, de straalmotor en raketbouw, de toepassing van de peniciline in de geneeskunde, enz.

 

Een reusachtige foto illustreert op overtuigende wijze hoe vrouwen tijdens de oorlog werkten in de wapenindustrie: op de voorgrond enkele machines en voorwerpen, waaronder een prachtige revolverdraaibank Gisholt, gebruikt in de wapenindustrie, een zeldzaam type van fiets, een Duits machinegeweer. Dit laatste werd in mei 1998 opgebaggerd uit de Leie aan de Korenlei in Gent. Van het Amerikaans leger is de waterpomp Wallace & Tieman afkomstig.

 

 

Van de consumptiemaatschappij naar de derde industriële revolutie
 

Na de Tweede Wereldoorlog werden de vrouwen, net als in 1918, teruggestuurd naar de keuken. In België kende de loonarbeid van vrouwen in 1947 een dieptepunt en bereikte pas in het begin van de jaren zestig het niveau van 1910.
 

De jaren vijftig worden het hoogtepunt van de vrouw als moeder en huisvrouw; betaalde arbeid van gehuwde vrouwen werd ontmoedigd. Net als na de eerste wereldoorlog werd er een geboortepolitiek gevoerd om de oorlogsverliezen te compenseren wat, in combinatie met een herwonnen geloof in de toekomst, leidde tot de bekende 'babyboom'. In de geïndustrialiseerde landen betekenden de jaren vijftig het begin van een lange periode van hogere levensstandaard, langere levensduur, betere gezondheid en nieuwe levenswijzen. Het tijdperk van de massaconsumptie, dat reeds van bij de tweede industriële revolutie potentieel aanwezig was, brak nu voorgoed aan. Het levensniveau bleef onafgebroken stijgen tot 1979. Vrijwel iedereen had nu electriciteit en stromend water. Huishoudtoestellen zoals wasmachines, elektrische strijkijzers, gasfornuizen, diepvriezers en ijskasten maakten de dagelijkse sleur lichter. De tijd die aan het huishouden werd besteed, daalde maar vaak was de toenemende drang naar perfectie zo groot dat de druk op de vrouwen nog toenam. Het feit dat de fabrieken meer en meer geautomatiseerd werden, zoals de lopende band aantoont, liet de jeugd toe langer naar school te gaan.
 

Vanaf de jaren zestig was de uitbreiding van de buitenhuisarbeid voor vrouwen niet meer tegen te houden. Meer en meer vrouwen deden hogere studies en wilden niet langer kiezen tussen werk en gezin. De toename van de Belgische beroepsbevolking in de naoorlogse periode kan bijna volledig op rekening van de vrouwen geschreven worden. De herintrede van de vrouwen op de officiële arbeidsmarkt is bijna uitsluitend te situeren in de dienstensector. De aanhoudende economische moeilijkheden sinds het begin van de jaren zeventig en de stijgende werkloosheid hebben de deelname van de vrouwen aan het arbeidsproces nauwelijks afgeremd.
 

In de jaren zestig werd een tweede golf van feminisme, die uit de Verenigde Staten kwam, gedragen door jonge, goed opgeleide vrouwen, die in het kielzog van mei 1968 een bewustwordingsproces doormaakten. Zij streden voor het beëindigen van iedere seksuele discriminatie, voor gelijk loon voor gelijk werk en voor het recht hun eigen leven te bepalen.
 

Bepaalde technieken, toestellen en machines hebben ertoe bijgedragen dat de situatie van de meeste vrouwen op persoonlijk en professioneel gebied, althans in de Westerse industrielanden, in de loop van deze eeuw gevoelig is verbeterd. Dat wil echter nog niet zeggen dat alle problemen zijn opgelost en er aan iedere discriminatie een einde kwam. De realiteit is veel ingewikkelder. Vrouwen zijn langer werkloos en armer dan mannen. Vrouwen verdienen gemiddeld nog altijd minder dan mannen. Het principe gelijk loon voor gelijk werk werd reeds in 1919 erkend, maar de toepassing gebeurt in verschillende landen tergend langzaam. In Europa doen momenteel meer vrouwen dan mannen universitaire studies, maar daardoor worden de verschillen op de arbeidsmarkt nog niet weggewerkt. De discriminatie mag dan minder brutaal zijn dan vroeger, zij is op een meer stilzwijgende en onderhuidse manier nog steeds aanwezig.

 

De evocatie van een industriële wasserij bevat machines en toestellen van de jaren dertig, veertig en vijftig: een houten horizontale wasmachine, voorloper van de horizontale gietijzeren industriële wasmachines, diverse industriële wasmachines van het constructiebedrijf E. Dhooge, een wasmachine Miele met wringer, een droogzivierder Heynssetts en een linnenpers op gas. Diverse machines worden via een transmissieas aangedreven door een dieselmotor Ruston & Hornsby.
 

Ietwat verder staat een letterzetterij, met daarbij aansluitend de drukkerij. Het verschil met de drukmachines uit vroegere perioden is duidelijk. Het zetten van letters en het drukken onderging inderdaad een belangrijke evolutie. De meeste van deze machines zijn werkensklaar en in de toekomst zullen er regelmatig demonstraties op gegeven worden: lettergietmachine Ludlow Typograph met metalen letterkast, een regelzetmachine Intertype, een loodoventje met afzuigkap en loodzaagmachine, een papiersnijmachine Wilmotte,...
 

In de bottelarij zaten meisjes aan de lopende band die in 1908 door Henry Ford ingevoerd werd bij de constructie van zijn befaamde T-Ford, waarvan 15 miljoen exemplaren werden geproduceerd. Deze band is kenmerkend voor de massaproductie in de 20ste eeuw. De machines in het MIAT zijn afkomstig uit de voormalige fabrieksgebouwen van de stokerij en wijnhandel Bruggeman op de Tichelrei in Gent. Ze werden gebruikt om etiketten op wijn- en likeurflessen te kleven. Verder staan er onder meer een automatische kurkmachine, een volautomatische vul- en kurkmachine, houten wijntonnen en diverse flessenwagentjes en flessenbakken.
 

De vooruitgang van de geneeskunde wordt voorgesteld door een dokterscabinet met Röntgenapparaat voor tuberculose-onderzoek. De keuken-woonkamer en badkamer van de jaren 1950 en 1970 geven een goede evocatie van de vooruitgang in de huishoudelijke apparatuur, maar accentueren anderzijds het verschil met onze huidige keuken- en badkameruitrusting.
 

In het museum wordt de stap van de jaren vijftig naar onze huidige periode op huiselijk vlak geëvoceerd door de slaapkamer van een tiener uit de jaren zestig. Op industrieel vlak gebeurt dit door diverse apparaten en machines die geleidelijk onze samenleving mee bepaald hebben, zoals main frame computers, televisie, een politiemoto, een stereocamera voor cartografie en een plastic-machine Battersfeld.

 

 

De katoenfabriek
 

Op de twee hoogste verdiepingen van het MIAT wordt, zoals hierboven aangetoond, uitgelegd hoe de industriële samenleving evolueerde van 1750 tot 2000. Na de evocatie van dit verhaal krijgt de bezoeker de gelegenheid één aspect van die samenleving in het bijzonder te bestuderen en te bekijken, namelijk het tot stand brengen van een industrieel product. Het vervaardigen van 'industriële' producten is wellicht één van de belangrijkste en meest kenmerkende aspecten van die industriële samenleving. Gebruiksvoorwerpen en producten in het algemeen worden immers in de industriële samenleving op een totaal ander manier vervaardigd dan tijdens het Ancien Régime. Ze worden namelijk geproduceerd in een fabriek door machines en niet meer als individuele objecten, maar in massa.
 

In het MIAT wordt dit getoond aan de hand van een voorbeeld, namelijk het produceren van 'katoen'. De katoennijverheid was één van de belangrijkste sectoren tijdens de eerste industriële revolutie. In Vlaanderen en Gent werden jarenlang stoffen op basis van katoen geproduceerd. De katoenproductie wordt geëvoceerd in een fabrieksruimte van ruim 900 m².
 

In dit overzicht wordt niet op het technisch aspect van elke tentoongestelde machine ingegaan, maar wordt enkel een samenvattend overzicht gegeven van de katoenproductie. In deze reusachtige evocatie bevinden de spinnerij en de weverij zich in één ruimte. In realiteit kwam dergelijke situatie niet voor. Spinnerijen en weverijen waren bijna steeds in afzonderlijke fabrieken ondergebracht.

 

 

De katoenspinnerij
 

Katoen is een plantaardige vezel. Duizenden van deze vezels omgeven de zaden van de katoenplant. Deze is in oorsprong afkomstig uit Indië. De planten horen thuis in een matig vochtig klimaat, met een gemiddelde temperatuur van 30°C. Deze klimaatgordel strekt zich uit over China, Japan, Centraal-Afrika en Egypte tot Midden-Amerika en het zuiden van Noord-Amerika. De Verenigde Staten kenden reeds in de 19de eeuw een enorme opbloei van de katoenteelt. De katoen werd een van de belangrijkste industrieel-agrarische producten van de industriële samenleving.
 

Wegens de verscheidenheid van streken waar de katoen geteeld kan worden, bestaat er een grote variëteit van katoensoorten, elk met een zeer specifiek karakter en kenmerkende eigenschappen. Belangrijk zijn: de gemiddelde lengte van de pluizen van de katoenvlok (tussen 25 en 35 mm), de kleur, de zuiverheid, de veerkracht. De vlokken katoen werden vroeger geplukt met de hand door honderden plantage-arbeiders. In de Verenigde Staten werden daarvoor in de 18de en in de eerste helft van de 19de eeuw negerslaven voor gebruikt.
 

Omstreeks 1910 ontwierp een zekere A. Campbell een mechanische plukmachine. Om een goede opbrengst te bekomen wordt de katoenplant elk jaar opnieuw gezaaid. Wanneer de katoen geplukt is, moet men ze ontdoen van de zaden. Een machine waarmee dit kon gebeuren, de zogenaamde 'greneermachine', werd reeds uitgevonden in 1793 door de Amerikaan Elie Withney.
 

De vlokken katoen worden daarna in jutebalen geperst en van de plantages naar de uitvoerhavens gevoerd. Een baal weegt ongeveer 200 kg. Het geheel wordt door bandijzers samengehouden. Op de plaats van bestemming gekomen, wordt de katoen vervoerd naar de verschillende spinnerijen. Daar begint de spincyclus, waarbij een groot aantal machines betrokken zijn. In de spinnerijen wordt uit de losse katoenvlokken een draad gesponnen. Om katoendraad te verkrijgen met standvastige eigenschappen gaat men diverse katoensoorten mengen. De katoen wordt daartoe uit haar juteverpakking verwijderd. Katoen uit verschillende verpakkingen wordt nu in een baalbreker gebracht. Daar wordt de katoen losgeslagen en een eerste maal gereinigd. Daarna wordt de katoen naar de openerinstallatie gebracht. Deze bestaat uit verschillende openmachines, ventilators, ziftkooien, slagmachines (de batteurs) en walsen die de katoen telkens opnieuw in kleine vlokken openslaan en reinigen. Het uiteindelijk resultaat is een soort wattenlaag. Deze
wattenlaag gaat in de vorm van een katoenlap naar de kaarde. Hierin wordt de katoen nogmaals gereinigd, worden de vezelvlokjes uiteengeplukt tot losse vezels en worden de vezels ook zoveel mogelijk evenwijdig gelegd. Men verkrijgt nu een heel licht vlies bestaande uit honderdduizenden vezeltjes.

 

Dit vlies wordt nu door een trechter geleid waardoor een dik lont ontstaat. Deze lont heeft echter nog niet veel samenhang en sterkte en vooral is ze zeer ongelijkmatig. Daardoor kan men ze nog niet gebruiken om er draad van te maken. De lonten dienen eerst nog naar de uitrekbanken gebracht (de étirage). Hier gaat men zes lonten samenvoegen om er één gelijkmatige lont van te maken. Na de étirage kan men met het vormen van de draad beginnen. In voorspinmachines en spilbanken wordt de lont verder verfijnd. Na diverse verfijningen krijgt men een wiek die naar de eigenlijke spinmachine kan gevoerd worden. In de periode 1800-1950 kende men twee grote types van spinmachines: de ringspinmachine en de self-actor. Beide machines zorgen ervoor dat de wiek verder uitgerokken wordt, de vereiste draaiing of 'tord' krijgt en de bekomen draad wordt opgewonden op een spoel of 'cops'. Vooral de selfactor geniet bij het grote publiek bekendheid. Het is namelijk de machine die centraal staat in de film Daens van de Belgische regisseur Stijn Coninckx.

 

 

De weverij
 

Men krijgt nu een draad opgewonden op spoelen. Vooraleer deze draad geschikt is om geweven te worden dient hij eerst nog een aantal voorbereidende behandelingen te ondergaan. Eerst wordt het garen op kruisspoelen of bobijnen gebracht. Dit gebeurt op een bobijnmolen of 'bommolen'. De bobijn bevat zo'n 34.000 m garen, dat is 25 maal meer dan op een 'cops'. Door deze grote hoeveelheid garen op het bobijn zal men bij de volgende machines veel minder oponthoud hebben. Wil men gladde draden zonder uitstekende pluisjes of stukjes vezel, dan worden deze afgebrand op een zengmachine. Soms maakt men van de cops uit de spinnerij strengen. Dit gebeurt op de haspelmachine. Deze strengen kunnen gemakkelijk behandeld worden in de ververij. Hier worden de strengen geverfd, al dan niet na eerst gebleekt te zijn. Soms wil men de draad versterken. Hiervoor neemt men twee of meerderde draden en gaat men ze rond elkaar draaien. Dit gebeurt in de twijnmolen.
 

In een weefgetouw wordt gewerkt met twee verschillende draden, de kettingdraden en de inslagdraden. De kettingdraden liggen in de lengterichting van het weefsel en worden gedurende heel het weefproces opgespannen. Ze vormen met honderden naast elkaar gelegen de breedte van het weefsel. De inslagdraden worden tussen de kettingdraden gevlochten. Ze worden door de schietspoel van de ene naar de andere zijde van het weefsel overgebracht. Om een weefselbreedte te verkrijgen van bijvoorbeeld 120 cm moeten soms 8000 draden naast elkaar liggen, afhankelijk van de dikte van de draad. Om dat enigzins overzichtelijk te laten gebeuren, gaat men de draden in groepen verenigen op de garenboom. Dit gebeurt door een scheermachine en het rek waarop de bobijnen staan noemt men een scheerrek.
 

Voor het weven is naast de kettingdraad ook een inslagdraad vereist. Deze draad moet in de schietspoel geplaatst worden. De inslagdraad zit in de schietspoel op kleine houten klosjes, 'pirns' genoemd.
 

In de spoelmolen worden de draden afgewonden van de bobijnen en opgewonden op 'pirns'.
 

De kettingdraden zitten op het weefgetouw op de garenboom en de inslagdraden in de schietspoel. Het weven zelf gebeurt onder de vorm van een binding. De binding is de wijze waarop de kettingdraden en de inslagdraden elkaar kruisen. De eenvoudigste binding noemt men de lakenbinding of de platbinding: de eerste inslagdraad gaat over de eerste kettingdraad, vervolgens onder de tweede en dan terug over de eerste (zoals een mat wordt geweven) en zo verder. De tweede inslagdraad begint nu onder de eerste kettingdraad en wisselt telkens af.
 

Soms zijn er erg ingewikkelde bindingen. Op die manier kan men ruitjes of strepen of kepers in een katoenen stof verkrijgen. Voor sommige zeer ingewikkelde bindingen, om bijvoorbeeld de figuur van een bloem in en weefsel te verkrijgen, kan men geen beroep meer doen op het traditionele weefgetouw. De Fransman Jacquard vond hiervoor een weefgetouw uit waarop een Jacquardkop wordt gemonteerd. Deze Jacquardkop werkt met ponskaarten zoals een draaiorgel.
 

Er bestaat vanzelfsprekend nog een totaal ander tecniek om het weefsel van figuren te voorzien, namelijk het bedrukken van het weefsel. Ook daarvan en in verband met de textielveredeling, zoals het kalanderen (het op kalanders glanzend maken van het weefsel) staan een aantal machines in de katoenfabriek van het MIAT.

 


Een gezellig familiemuseum

 


Momenteel zijn er in het MIAT een kleine 3000 m² voor het publiek toegankelijk en zoals hierboven reeds werd aangeduid zal in de toekomst het museum verder worden uitgebreid met een machinegalerij uit een wereldtentoonstelling en met een ruimte waar zal getoond worden hoe er geleefd en gewerkt werd in de industriële samenleving. In de zeer nabije toekomst wordt gestart met de permanente uitbouw van een opstelling die gewijd zal zijn aan het eerste onderwerp dat ooit in het MIAT werd uitgewerkt als tijdelijke tentoonstelling, namelijk 'Kinderarbeid van omstreeks 1800 tot 1914'. Zoals in deze vroegere tentoonstelling zal gepeild worden naar de relatie kinderarbeid en industriële revolutie, de wetgeving, de omvang van kinderarbeid in België, de arbeidsomstandigheden waarin de kinderen moesten werken, de levensomstandigheden en uiteraard de arbeid zelf. Het MIAT is het enige museum ter wereld dat blijvend aandacht schenkt aan dit actuele thema. Voor vele van onze voorouders was kinderarbeid een harde realiteit.
 

Voor vele kinderen is kinderarbeid nog altijd een dagelijkse verplichting. Met deze opstelling over kinderarbeid vervult het MIAT een belangrijke maatschappelijke rol.
 

Het MIAT is in nauwelijks twintig jaar tijd uitgegroeid tot één van de meest interessante middelgrote musea in Europa. Het behandelt in zijn museumcollecties en opstellingen de verlichte 18de eeuw, de vaak verguisde 19de eeuw en ook onze eigen 20ste eeuw. Het geeft een historisch overzicht van pakweg 250 jaar waarin het vooral nagaat welke de invloed was van de diverse industriële revoluties op het sociaal, economisch en cultureel leven van de mens. Het is het enige museum in België dat een chronologisch overzicht geeft van een kwart millennium geschiedenis van de industriële samenleving. Kleine en grote evocaties krijgen als het ware een kapstokfunctie, van waaruit opnieuw een verhaal kan verteld worden. Op een kleine 2000 m² wordt het verhaal verteld van de vrouw: hoe ze leefde en werkte, hoe ze gelijkwaardigheid ten opzicht van de man verwierf en verwerft. Hiermee vindt men in het MIAT de belangrijkste permanente tentoonstelling over het wel en wee van de vrouw in de drie voorbije eeuwen.
 

Met zijn alternatieve bezoeken in spelvorm is het MIAT een ideaal museum voor groepen en families. Grootouders kunnen aan hun kleinkinderen vertellen en tonen hoe het vroeger was, wat zijzelf nog meegemaakt hebben en wat sinds die goede oude tijd veranderd is. Na het museumbezoek kan men even verpozen in een aangenaam cafetaria, waar van dinsdag tot en met vrijdag tijdens de middag een arbeidersmaaltijd wordt opgediend. In de museumwinkel kunnen katoenstoffen, handdoeken en zakdoeken worden gekocht of kan men zich documenteren in de talrijke boeken die over facetten van het industrieel verleden handelen of in het 'Tijdschrift voor Industriële Cultuur' dat sinds 1983 driemaandelijks wordt gepubliceerd.
 

De MIAT-opstellingen vormen voor de volwassenen, jongeren en kinderen een uitstekende gelegenheid om inzicht te krijgen in de groei van de voorbije samenleving. Op die manier kan de bezoeker het hedendaags gebeuren beter begrijpen en zelf een blik werpen naar de toekomst.

 


Foto's

MIAT Josiane Kisteman tenzij anders vermeld.

 

Auteursidentificatie

René De Herdt (°1945) studeerde geschiedenis aan de UFSIA en de RUG. Vanaf 1971 was hij verbonden aan het Stadsarchief Gent en in 1976 begon hij aan de uitbouw van het Museum voor Industriële Archeologie en Textiel te Gent.

Bij het tot stand komen van de tekst werd gesteund op gegevens die samengebracht werden door onder meer Guido Deseyn, Maria De Waele, Josiane Kisteman en Ann Van Nieuwenhuyse.

 

Info:

MIAT (Museum voor Industriële Archeologie en Textiel)

Minnemeers 9

9000 Gent

Tel. 09/223 59 69

Fax 09/233 07 39

Open: alle dagen 9.30 - 17 uur

Maandag gesloten 

www.miat.be


 

Ancien Régime, Archimedes, Arkwright Richard, Bauwens Lieven, Belle Epoque, Bollinckx, Brouhon Pierre, Campbell Joseph Anderson, Ceuteric-Van Huffel, Code Napoléon, Coninx Stijn, Conscience Hendrik, d'Alembert Jean le Rond, Daens Adolf, Damesportret, Darwin Charles, De Amerikaanse secessieoorlog, de Ferraris Joseph, de Gamond Zoé Gatti en Isabelle, De Herdt René, De Keyser Leon, De rijpe kersen, De Schrijver Joseph, De Vriendt Juliaan, De Waele Maria, De Witte Pol, Defrance Léonard, Deseyn Guido, Desmet Adolphe, Detaeye S, Diderot Denis, Dierman Ferdinand, Dratz Constant, Drie dames, Edison Thomas Alva, Eerste tweede en derde industriële revolutie, fascisme, Flanders Technology, Ford Henry, Franse revolutie, Gebroeders Lumière, Giron, Guequier Pierre, Hargreaves James, Hebbelinck-Struye Paul, Heins Armand, Henderick Geo, IREWOC, Jacquard Joseph Marie, Kisteman Josiane, Koning Boudewijnstichting, La muette de Portici, Ledoux Adrien, Leopold II, Marie Antoinette, Marx Jenny, Marx Karl, Mozart Wolfgang Amadeus, Muntschouwburg, Nationale Loterij, nazisme, Pasteur Louis, Popelin Marie, Respeliers Delphine, Rosseel Jan, Rousseau Jean Jacques, Stanley Henry Morton, Stedman John Gabriël, Tijdschrift voor Industriële Cultuur, Tinne Alexandrine, UNESCO, Van Acker Georges en Max, van Diest Isala, Van Gogh Vincent, Van Huffel Pierre, Van Nieuwenhuyse Ann, van Siclers Engelbert, Vandecapelle J B, Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, Verenigingen voor Industriële Archeologie en Textiel, Verheecke Gerda, Vlaams Ministerie van Onderwijs, Vrouwenstemrecht, Watt James, Willem I, Willem-Frederik, Wilson Woodrow, Withney Elie, WO I, WO II, Wollstonecraft Mary, OKV1999, Boncquet Dirk, Bource Henri-Jacques, OKV1999.1