U bent hier

Henri Van Cutsem - Mecenas in Brussel en Doornik

Jean-Louis David, Portret van de grootmoeder van Henri Van Cutsem, Musée des Beaux-Arts, Doornik.

 

Doornik bezit niet alleen de meest merkwaardige kathedraal van het land. Op loopafstand vindt u het meest originele museumgebouw uit de voorbije eeuw. Het werk van een toparchitect voor een topcollectie. 

 

 

een goede neus

 

Victor Horta ontwierp het gebouw in opdracht van Henri Van Cutsem (1839-1904) die toen de belangrijkste particuliere kunstverzameling in ons land bezat. Van Cutsem was een bemiddeld man, eigenaar van een groot hotel in Brussel. Hij stamde uit een oude Brabantse familie met belangstelling voor cultuur. Zo liet zijn grootmoeder zich portretteren door J.L. David, die ze had leren kennen tijdens zijn verblijf in Brussel. Het is een klein meesterwerk. De vader van Henri, Joseph-Adolphe, studeerde architectuur en volgde tekenles bij Ingres in Parijs, tot hij zich met de familiezaak moest bezighouden. Toen hij 1874 overleed, erfde Henri (die zelf aardig wat kon tekenen) het familiefortuin en begon kunst te kopen. 

 

Die eerste aankopen betreffen kunstenaars die toen nog helemaal niet beroemd waren, zoals Henri de Braekeleer en even later ook Coosemans, David Oyens en Charles Degroux. Men kan alleen maar vaststellen dat Van Cutsem, zonder (of niet gehinderd door) enige raadgever of expert, er in slaagde de goede namen er uit te pikken. En hij bleef dat doen. Het is geen toeval dat hij later tot de allereerste kopers van Manet, Seurat en Van Gogh behoort. Hij kocht ook Monet en Zuloaga. Niemand deed hem dat op het einde van de negentiende eeuw in België na.

 

Men zou Van Cutsem een verzamelaar van hedendaagse kunst kunnen noemen. Hij kocht vooral werk van levende kunstenaars. Hij hield nauwelijks rekening met de modes, laat staan met een dwingend concept als dat van de hedendaagse kunst zoals men dat vandaag begrijpt. Op dat gebied stond hij niet alleen. In een belangrijke kunstvereniging als de XX was er geen dominante tendens, tenminste niet in de beginjaren. Bij de start van deze vereniging, in 1884, bezat Van Cutsem overigens al werk van een vijfde van de stichtende leden. Het symbolisme, dat nauw aansloot bij de Art-Nouveau esthetiek, kon hem nauwelijks boeien. Maar hij gaf Victor Horta wel een van zijn eerste opdrachten, de bouw van een galerie (als tentoonstellingsruimte) en een achtergevel aan zijn herenhuis in Sint-Joost-ten-Noode (het huidige Charliermuseum). Voor wat het impressionisme betreft, gaat zijn voorkeur uit naar het Franse origineel. De Belgische impressionisten laten hem blijkbaar koud. 

 

Het is dus juister te spreken van een eclectisch verzamelaar, die een persoonlijke reden heeft voor elke aankoop. Uitzonderlijk is dat de aankoop van een schilderij samen ging met die van tientallen tekeningen (in het geval van Ensor maar liefst 50). Van Cutsem zocht geen schijnwerpers in de pers voor zijn aankopen. Hij hield in zijn luxueus herenhuis in Sint-Joost wel een salon voor vrienden in grootburger - lijke stijl. Daar ontdekt men zijn wereld. Die omvat veel realistische schilders, Guillaume Van Strydonck, Theodoor Verstraete, Guillaume Charlier, Auguste Oleffe, Hippolyte Boulenger, Louis Pion, André Collin, Jan Toorop, Willem Delsaux, Constantin Meunier, Willy Finch, Louise Héger en James Ensor.

 

Een regelmatige gast is ook de beeldhouwer Charles Van der Stappen, van wie Van Cutsem, als eerste, een Art-Nouveau beeldje kocht. De sfeer was vriendschappelijk en vertrouwelijk – er zijn geen ruzies in dat milieu bekend. Dat doet al denken aan de even hartelijke sfeer van de kunstenaarskring rond de Beerselse brouwer Van Haelen, in zijn villa in Linkebeek, waar Ensor ook kind aan huis was, naast de jonge Brabantse fauvisten (Schirren, Dehoy, Albert, Thévenet, Brusselmans…), een generatie later.

 

 

een museum van horta

 

Van Cutsem had een villa aan de dijk te Blankenberge, villa Quissisana, nu afgebroken. Hij nodigde daar veel kunstenaars uit, die vaak inspiratie vonden in het leven van de vissers (Charlier, Verstraete, Pion, Delsaux, Van Zevenberghen). Daar schilderde Van Strydonck, in het salon, het iconische Vriendenportret met het felle licht van de zomer aan zee. Zo Blankenberge iets betekent in de kunst van de Belle Epoque, dan is dat in de eerste plaats, zo niet uitsluitend te danken aan Van Cutsem. Hij bezat ook een eigendom in de Ardennen, in Ochamps. De kunstenaars werden er ook uitgenodigd, maar er zijn minder werken van daar bekend. In 1904 maakte hij in die omgeving een fietstocht, waarbij hij een longontsteking opdeed. Daar was toen geen remedie voor en hij overleed drie dagen later.

 

In die korte tijd maakte hij een vriend, de beeldhouwer Guillaume Charlier, universeel erfgenaam. Van Cutsem had in de voorgaande jaren zowel zijn echtgenote, zijn twee kinderen en zijn broer en zus verloren. Charlier kreeg zo het vruchtgebruik van de herenwoning in Sint-Joost en de opdracht het aanzienlijke fortuin te verdelen via legaten aan vele kunstenaars (o.a. Oleffe, Frison en Collin) en ervoor te zorgen dat de verzameling terecht kwam in het nieuw te bouwen museum te Doornik, volgens de plannen van Horta. Deze wilsbeschikking is wellicht het grootste voorbeeld van kunstmecenaat in de geschiedenis van België. 

 

De bouw liep niet van een leien dakje. Horta wijzigde zijn plannen. Dat was zijn gewoonte. Zo verdwenen, bij voorbeeld, de ruimten voorzien voor de administratie. Toen het museum in 1927 eindelijk geopend werd, was er één toilet en een minuscuul bureau voor de conservator. Wegens de financiële situatie na de Eerste Wereldoorlog en de muntontwaarding kwam van de door Horta voorziene interieurafwerking met kostbare marmersoorten niets meer in huis. De stad moest immers bijspringen voor de afwerking. Maar dat is waarschijnlijk een geluk geweest.

 

De witte muren dienen juist de prachtige ruimten van Horta en vormen een goede achtergrond voor de op zich al zware negentiende-eeuwse lijsten van veel schilderijen. De eerste conservator was de 75-jarige Louis Pion, een lid van de vriendenkring van Van Cutsem. Zijn zoon Léonce volgde hem een paar jaar later op, voor een periode van vijftig jaar. Hij weerde alle min of meer moderne twintigste-eeuwse werken. Daar bracht de derde (maar nog steeds onbezoldigde) conservator, baron Serge Le Bailly de Tilleghem verandering in. Zo kon het midden van de twintigste eeuw een plaats krijgen in het museum. 

 

 

op weg naar 2015

 

Er zijn nu concrete plannen voor een uitbreiding van het museum met een aanpalende nieuwbouw, in het raam van de voorbereiding van Bergen, Culturele Hoofdstad van Europa in 2015. Daar wordt een internationale architectuurwedstrijd voor uitgeschreven. Wie gaat in de clinch met Horta? Voor de nieuwe conservator, Jean-Pierre De Rycke, is het de ideale gelegenheid om de ondertussen al flink aangegroeide collectie op een nieuwe manier te ordenen. De prelude ervan is de tentoonstelling, in 2012, van de honderd meesterwerken van het museum (met nieuwe catalogus). Hij bestudeert momenteel de verzameling oude kunst, die in de loop van de negentiende eeuw getoond werd in het stadhuis (een overblijfsel van de Sint-Maartensabdij) en daarna in de Lakenhal op de Grote Markt. Die omvat op - merkelijke werken uit de Vlaamse en Rijnlandse scholen. Zo is er een fascinerend werk De hersteller van de blaasbalgen dat misschien teruggaat op een verloren werk van Hieronymus Bosch.

 

Voor de Rycke is de verzameling van Doornik wellicht de meest representatieve in het land voor de negentiende eeuw. Ze omvat immers grote romantische historiewerken van Gallait en, dank zij het legaat Van Cutsem, een uitgelezen keuze uit de realistische en sociale kunst van de tweede helft van de eeuw, en, niet te vergeten, een zeer interessante internationale dimensie. 

 

Joost De Geest

 


Info

Musée des Beaux-Arts

 

Van 1 november tot 31 maart

Open: woensdag t.e.m. zaterdag van 10 tot 12 uur en van 14 tot 17 uur; zondag van 14 tot 17 uur

Gesloten: dinsdag

 

Van 1 april tot 31 oktober

Open: woensdag t.e.m. maandag van 10 tot 17.30 uur

Gesloten: dinsdag

 

Eclos Saint-Martin

7500 Doornik

Tel. 069 33 24 31

www.tournai.be/musee-beaux-arts