U bent hier

Gruuthusemuseum Brugge

Gruuthusemuseum Brugge

 

Gruuthusemuseum Brugge

Stéphane Vandenberghe


INHOUD:

  • Gruuthuse: een Brugs museum van toegepaste kunsten
  • De beeldhouwkunst
  • De  keuken
  • Keramiek
  • Glas
  • Zilverwerk
  • Koper en  brons
  • Maten en  gewichten
  • Wandtapijten
  • Meubels
  • Muziekinstrumenten
  • Munten  plaketten en  zegels
  • Justitie

 

Gruuthuse: een Brugs museum van toegepaste kunsten

 

 

Lodewijk van  Gruuthuse, de beroemdste bewoner van  het thans  als museum ingerichte stadspaleis, werd omstreeks 1427 geboren als zoon van Jan IV van Gruuthuse en Margaretha van Steenhuyse. Hij  erfde verschillende belangrijke heerlijkheden en lenen in Vlaanderen. In 1455 huwde hij met Margeretha van Borsele, die stamde uit een van de oudste en meest vooraanstaande Zeeuwse geslachten. Zijn familie bezat sinds enige generaties het 'gruutrecht' te Brugge.

 

Dit was het monopolie op de verkoop van gruut, een kruidenmengsel dat gebruikt werd bij het brouwen van bier. Dit recht verdween in 1380 ten voordele van een belasting op bier, vermits gruut toen door hop vervangen werd. Het 'gruuthuis' dat aanvankelijk een magazijn was voor het opgestapelde gruut, werd bij de aanvang van de vijftiende eeuw tot een luxueuze herenwoning verbouwd. De zuidelijke vleugel en de thans nog bewaarde bidkapel of oratorium werden tijdens de tweede helft  van  die eeuw  in opdracht van Lodewijk van Gruuthuse toegevoegd.

 

De bidkapel is een laatgotische ruimte die het voorrnalig Gruuthusehof met de Onze-Lieve-Vrouwekerk verbindt. Lodewijk van  Gruuthuse verkreeg op 7 januari 1472 de toelating van het bestuur van de Onze-Lieve­Vrouwekerk om de reeds begonnen 'oratorye' te voltooien. Het  geheel was  waarschijnlijk gedecoreerd met een muurschildering die thans  verdwenen of overschilderd is. Ze stelde  Lodewijk van Gruuthuse en Margaretha van Borsele voor die in geknielde houding de heilige Drievuldigheid aanbidden. Daarboven was het Gruuthuse-wapenschild  aangebracht met daarop  het motto 'plus est en vous' of 'meer is in u'. De bovenkapel heeft een tongewelf met een vijfdelige koepel. Op de zoldering bevond zich boven de bidbank oorspronkelijk een geschilderde voorstelling van het Laatste Oordeel. Daarvan is alleen een blauwe omraming bewaard gebleven. Vanuit de kapel konden de vroegere bewoners van het paleis de erediensten in de Onze-Lieve­ Vrouwekerk volgen. Pas in 1958 werd de inmiddels dichtgemetste bidtribune voor  het publiek toegankelijk gemaakt.

 

Lodewijk van Gruuthuse was een man van aanzien vermits hij geportretteerd werd  als ridder van de Orde van het Gulden Vlies, waartoe hij sinds 1461 behoorde. Hij was vanaf 1445 in dienst van de Bourgondische hertog Filips de Goede. Na het overlijden van de hertog in 1467 bleef Gruuthuse een  medewerker van zijn zoon en opvolger Karel de Stoute. Hij kreeg  zowel diplomatieke als militaire opdrachten. Omstreeks 1470 werd er getwijfeld aan zijn getrouwheid. Lodewijk van Gruuthuse nam  ontslag als stadshouder na de dood van Karel de Stoute in 1477. Toch werd hij nog eerste kamerheer van Maria van Bourgondië. Hij nam het evenwel niet meer op voor haar echtgenoot, de Habsburger Maximiliaan van  Oostenrijk, maar koos de kant van het opstandige Brugge, waardoor hij in 1491 in ongenade viel. Op 24 november 1492 overleed hij  in zijn  paleis.

 

Lodewijk was  een groot verzamelaar van  rijk versierde handschriften. In zijn  verzameling had hij zowel oude handschriften die hij had aangekocht, als nieuwe die hij  had laten maken… Deze bibliofiele belangstelling deelde hij met enige vooraanstaande leden van het  Bourgondisch hof, zoals hertog Filips de Goede  en diens  bastaardzoon Antoon van  Bourgondië, of abt Raphael de Mercatellis. Na de bibliotheek van Filips de Goede was de collectie van Lodewijk van Gruuthuse de belangrijkste en meest omvangrijke.

 

Het voormalige Gruuthusepaleis werd in het jaar 1596 gekocht door de Spaanse koning Filips IV, die het in 1623 schonk aan Wenceslas Coberger, de stichter van de 'Bergen van Barmhartigheid' in de Spaanse Nederlanden. Het huis van de heren van Gruuthuse kreeg daarmee een nieuwe functie. Het  werd een financieel weldadigheidsbureau, bewoond door enige intendanten van deze bank.

 

Op 22 februari 1865 kwamen enkele vrienden samen in de woning van de toenmalige rijksarchivaris Felix d' Hoop en besloten een oudheidkundig genootschap op te richten. Een week later, op 1 maart, gebeurde dit onder de benaming 'Société archéologique'.,De  doelstelling van de stichting was het opsporen en verzamelen van  kunst- en oudheidkundige voorwerpen om deze daarna in een museum te bewaren en te exposeren.

 

De  collectie van de 'Société archéologique' werd in 1866 geëxposeerd in de thesaurierskamer in het Belfort van Brugge. Omdat de verzameling steeds maar aangroeide, kreeg het Genootschap te kampen met plaatsgebrek. Het Stadsbestuur kocht in 1876 het voormalige Gruuthusehof aan. Het gebouw was ondertussen dringend aan restauratie toe, een opdracht waaraan in 1883 werd begonnen en die niet minder dan 12 jaar in beslag  zou nemen. Met de werkzaamheden aan de binneninrichting werd in 1888 gestart.

 

De bijgebouwen op de binnenkoer verkeerden in erbarmelijke toestand en  werden met  de grond gelijk gemaakt. De constructies langs de straatzijde werden afgebroken in 1908 en in de twee daaropvolgende jaren vervangen door het zogenaamde Steen,  waar zich  onder meer  de conciërgerie bevindt.

 


 

De beeldhouwkunst

 

 

De verzameling sculptuur van  het Gruuthusemuseum telt honderden voorwerpen, die op basis van de materie waaruit ze vervaardigd zijn, onderverdeeld kunnen worden in steen en pijpaarde, hout  en ivoor. Reliëfs of vrijstaande beelden  in terracotta of faience worden tot de keramiek gerekend.

 

In  de lapidaire afdeling worden talrijke stenen bouwelementen en kerkelijke steensculptuur getoond. Het betreft onder andere pijlers, kapitelen, consoles, schouwopstanden, doopvonten, grafzerken, reliëfs en gewelfsleutels. Voorbeelden uit  de Romaanse periode zijn  schaars. Enkele uitzonderingen daarop  vormen een paar kapitelen, een fragment van  een doopvont en een twaalfde-eeuwse latei of bovendorpel in roestbruine limonietsteen. De gotische steensculptuur is heel wat beter vertegenwoordigd, zoals blijkt uit de prachtige albasten reliëfs van Nottingham en andere Europese centra.  Het overige albastwerk is van  jongere datum.

 

In de Nederlanden was Mechelen het belangrijkste centrum van de albastsnijkunst De  kleine losstaande reliëfs, die  achteraf werden verguld en soms deel uitmaakten van een huisretabeltje, zijn  typisch voor de zestiende- en zeventiende-eeuwse productie.

 

In de gereconstrueerde gotische stijlkamer bevindt zich een merkwaardige zestiende-eeuwse zandstenen schoorsteenmantel. De zogenaamde Keizer Karelschouw in blauwe kalksteen in de zich  daarnaast bevindende beeldenzaal dateert  uit dezelfde eeuw.  Andere sculpturale hoogtepunten uit de collectie zijn  het vijftiende-eeuwse zandstenen beeld van  Sint-Sebastiaan, het munstslagersreliëf in Renaissance uit 1563, en het gedenkteken met de buste in wit  marmer van Karel II van Engeland uit 1659.

 

 Buiten op de Gruuthusekoer staan vier elegante putti, die Chinese kinderen voorstellen in typische klederdracht. Het zijn  de allegorieën van  de bouwkunst, de sterrenkunde, de muziek en de schilderkunst.

 

Ze werden in 1772 vervaardigd door  de Brugse beeldhouwer P. Pepers. Een verfijnd marmeren beeld is dat van  de Brusselse barones Augusta Liedts, die haar belangrijke kantverzameling aan  het museum schonk. Het is een werk van Hendrik Pickery, die in de negentiende-eeuwse Brugse beeldhouwkunst een centrale positie  innam.

 

Het beroemdste kunstwerk van  het Gruuthusemuseum is ongetwijfeld de Keizer Karelbuste in gebakken pijpaarde van de hand van de Duitse grootmeester Konrad Meit.  Het kunstwerk is omstreeks 1520 ontstaan, en geeft de jonge Vlaams-Habsburgse vorst zeer realistisch weer. De  polychromie en de sierlijke eikenhouten hoed zijn evenwel van latere datum.

 

De  kleine ivoren voorwerpen, waarvan de bewerking teruggaat tot een zeer oude traditie in de Grieks-Romeinse en de Byzantijnse wereld, nemen in het museum een  speciale plaats in. Omdat de basismaterie erg duur was, konden enkel het hof, de hogere geestelijkheid en de aristocratie zich deze luxeartikelen veroorloven. De Romaanse abtstai, opgesmukt met  een acanthusblad, kan als  een verre uitloper van de Karolingische ivoorbewerking beschouwd worden. Andere ivoren voorwerpen die respectievelijk met de liturgie of het gildenleven verband houden, zijn  de veertiende-eeuwse paxtafel en de armbanden van Vlaamse zeventiende-eeuwse schuttersverenigingen.

 

De  Normandische stad  Dieppe was van de zestiende tot. vorige eeuw  een belangrijk centrum voor  de aanvoer en verwerking van ivoor. Het klein ivoren portret van Elisabeth Ponsar houdt verband met  deze havenstad.

 

De Romaanse Madonna als Sedes Sapientiae is het oudste houten beeld in het bezit van het museum. Gotisch beeldsnijwerk is in de collectie ruim vertegenwoordigd, met zowel binnen- als buitenlandse voorbeelden. Enige retabelfragmenten of reliëfgroepen zijn, zoals blijkt uit de merken die erop zijn aangebracht, van Antwerpse makelij . Andere werken zijn dan weer uit Brussel of Brabant afkomstig. Mechels zijn de typische kleine beeldjes, ontstaan na 1500, die men ook 'poupeés de Malines' pleegt te noemen, alsmede een groter beeld met de heilige Martinus. Aan een Leuvense werkplaats is het aangrijpend beeld van Christus op de Koude Steen toe te schrijven. De sierlijke knielende engel  van de Boodschap maakte ongetwijfeld deel uit van een groter geheel, en is eveneens in een  Brabants beeldsnijcentrum ontstaan. Een even belangrijk retabelfragment is de lezende Madonna van Adriaen van Wesel, afkomstig van een gedocumenteerd Maria-retabel  in de Sint-Janskerk te 's-Hertogenbosch. Daarnaast omvat de museumverzameling nog een aantal  beelden van Duitse afkomst.

 

Voor  de barokke beeldhouwkunst in hout vertoont de collectie zekere leemtes, die hopelijk via  aankoop of schenkingen aangevuld zullen worden. Van de reeds vermelde Pepers is een mooi  Mariabeeld bewaard, en tot het meer volkskundig snijwerk ten  slotte rekenen we een  monumentale negentiende-eeuwse koekenplank voor speculaas, met  de heilige Nikolaas, en een breed brouwerijreliëf, beide in de keuken van  Gruuthuse tentoongesteld.

 


 

De keuken

 

 

Vele  bezoekers voelen  zich  geïmponeerd door de oude keuken van het Gruuthusepaleis, met zijn oorspronkelijke monumentale schouw. In deze ruimte worden meerdere tafels, zit- en bergmeubels tentoongesteld, waaronder een zeventiende-eeuwse spinde of opbergkast. Aan de muur hangen enkele handdoekrekjes, waarvan de functie voor zich spreekt. In de schouw staat er links een  grote bronzen kookketel of zogenaamde 'fournoyspot', die afkomstig is uit het nabijgelegen Sint-Janshospitaal en gebruikt werd om water op te warmen. Het 'gevaarte' is omstreeks het eerste kwart van de zestiende eeuw gegoten door de Mechelse geel- en klokkengieter Sirnon Waghevens en steunt  op een afzonderlijk smeedijzeren onderstel. In de onmiddellijke omgeving van deze ketel  bevindt er zich een ijzeren haarduitrusting met in het midden een haardplaat, uitschuifbare haardijzers, een vuurhaal, haalketen, haardgereihanger en vuurtang. Ervoor zijn links en rechts twee smeedijzeren hekkentjes opgesteld die de kinderen op veilige afstand van het brandend haardvuur moesten houden. In deze zaal bevinden er zich  gebak-,  wafel- en hostieijzers, waarvan de oudste exemplaren de wapenschilden dragen van de Bourgondische hertogen Jan zonder Vrees en Filips de Goede. Op andere  wafel- of lukijzers komt een volkse versiering voor of een  oud-Vlaamse nieuwjaarsspreuk. De stemmige ruimte is gestoffeerd met een vrij uiteenlopende collectie kook-, drink- schenk- en eetgerei, dat chronologisch te situeren valt tussen de vijftiende en de negentiende eeuw.

 

Een zeer groot gedeelte van de hier tentoongestelde voorwerpen is in aardewerk, dat aan de hand  van de gebruikte klei, de baktechniek, de vorm en de versiering toegeschreven kan worden aan zowel binnen- als buitenlandse pottenbakkersateliers. Op meerdere legplanken staan  kleine en grote baardmankruiken. Typisch zijn ook  de veldflessen met  plat  lichaam, die rondom voorzien zijn van  oortjes,  waardoor een koord kon worden gestoken. In deze keuken bevinden zich zowel kleine als grote sierborden in gele  of rode klei, die met allerhande ornamenten opgesmukt werden vooraleer ze gebakken werden. Monochrome of meerkleurige faience uit  Brussel, Friesland, Delft en Noord-Frankrijk wordt hier ook  geëxposeerd, naast een keuze uit  de rijke collectie groene wijn- of portoflessen. Sommige flessen zijn voorzien van al dan  niet gekroonde wapenschilden of initialen van adellijke families, waarvan slechts enkele  geïdentificeerd konden worden. Het  is bekend  dat Brugge over een glasblazerij beschikte en de flessen zelf voorzag van ijkringen.

 

Gruuthuse beschikt over  kleine en grote vijzels of mortieren, die niet alleen in de keuken maar  ook in de aansluitende apotheek tentoongesteld worden. Verschillende exemplaren werden overeenkomstig de Nederlandse of Latijnse opschriften in Brugge of in Mechelen gegoten. Andere daarentegen werden vervaardigd te Rotterdam of in Deventer. Op enkele boorden van  de legplanken staan verschillende tinnen borden met  ingeslagen Brugse merktekens uit de late achttiende of het begin van de negentiende eeuw.

 

Deze gegraveerde schotels houden verband met  de geboorte van een kindje en vermelden de naam van de meter en een jaartal. Naast deze doopschotels bleven ook prijsschotels bewaard die  geschonken werden naar aanleiding van een prijsschieting bij een lokale schuttersgilde.

 


 

Keramiek

 

 

De keramiekverzameling van  het Gruuthusemuseum is zeer omvangrijk, en kan daarom slechts gedeeltelijk geëxposeerd worden. De voornaamste en meest typische voorbeelden van bijna  alle productiecentra worden getoond  in de daartoe ingerichte keramiekzaal, in de museumkeuken en de daarbij aansluitende apotheek, alsook in de kleine kabinetten op  de verdieping. Gallo-Romeins en middeleeuws aardewerk wordt tentoongesteld in de archeologische sectie van  de nabijgelegen museumdiensten Sint-Jan.

 

Het  chronologische zwaartepunt van de keramiekcollectie ligt bij de postmiddeleeuwse periode en wordt rond 1900 afgesloten. Volgens de aard van het baksel, het decor of de beschildering en het glazuur kan deze groep gebruiks- en kunstvoorwerpen ingedeeld worden in rood en geel aardewerk, steengoed, faience en porselein. Bij de rood oxiderend gebakken voorwerpen neemt de Vlaamse productie in het algemeen de grootste plaats in. Veel alledaagse onversierde kook- en hengselpotten, warmwaterketels, schenkkannen, vergieten tot zelfs zeer grote versierde of onversierde borden behoren tot deze categorie. De versiering is in vele gevallen aangebracht door middel van een wit of rood opgelegd decor in ringeloortechniek en is daarna overtrokken met gekleurd of ongekleurd loodglazuur. Tot de bekendste objecten in zowel rood als geel aardewerk zijn de hengselpotjes, de waterfluitjes en de wijwatervaatjes uit het West-Vlaamse Torhout te rekenen. Ten onrechte worden soms talrijke siervoorwerpen aan dit productiecentrum toegeschreven, zoals aardewerk uit Marburg, Nederrijnse ateliers of andere tot op heden nog niet geïdentificeerde Zuid­Nederlandse of Noord-Franse centra.

 

Steengoed is in ruime mate aanwezig en kan overeenkomstig het type, decor en  glazuur toegeschreven worden aan Raeren en Bouffioulx voor wat België betreft. Voor Duitsland zijn hoofdzakelijk Keulen, Frechen, Siegburg, Langerwehe en het Westerwald als plaatsen van  vervaardiging te vermelden. De  productie van het aan de Belgisch-Duitse grens  gesitueerde pottenbakkersgebied van  Raeren, is vanaf de late Middeleeuwen van  grote betekenis geweest voor de ontwikkeling van versierd en onversierd steengoed. Van deze met zoutglazuur overtrokken producten bezit bet museum verschillende kruiken, die opgesmukt werden met boerendansfriezen, baardmaskers of wapenschilden. Soms werden dergelijke potten achteraf van tinnen of zelfs zilveren deksels voorzien. De Henegouwse dorpen Bouffioulx en Chátelet produceerden eveneens steengoed, waarvan de ornamentiek voor een groot deel op de productie van Raeren is geïnspireerd. Vooral brandewijntonnetjes, veldflessen en grote baardmankruiken komen uit deze regio, en zijn chronologisch te situeren van de zeventiende tot en met de negentiende eeuw. Kobaltblauw en mangaanpaars steengoed met mooie reliëfmedaillons is niet alleen uit deze eertijds tot het prinsbisdom Luik behorende dorpen herkomstig, maar ook uit de talrijke gemeenten van  het Kannebäckerland in het Duitse Westerwald.

 

De  tegelcollectie kan slechts in beperkte mate geëxposeerd worden. Met uitzondering van enige middeleeuwse vloertegels met wit slibdecor en Spaanse 'cuenca'-tegels uit de zestiende eeuw, dateert de uitgebreide tegelverzameling van Gruuthuse vooral uit de zeventiende en achttiende eeuw.  De oudste polychrome tegels  die vervaardigd werden in de Nederlanden zijn echte kunstwerkjes en met uitzondering van enige zestiende-eeuwse exemplaren te dateren na 1600. Tot  deze  groep zijn de kwadraat-, granaatappel- en pompadourtegels te rekenen, alsook de monogram-, medaillon- en ambachtstegels. Op de tegels werden vooral naturalistische voorstellingen vastgelegd, zoals kinderen, dieren, planten en bloemen, waarbij in de hoekmotieven de invloed van  China op te merken valt. Tijdens de achttiende eeuw verschijnen dunnere tegels met niet alleen blauwe beschildering, maar ook soms combinaties met mangaanpaars. Het is de periode van de eenvoudige herders- of herderinnetjestegels met spatwerk. Van de blauwe en paarse tegeltableaus van Nederlandse herkomst en met religieuze of profane onderwerpen bezit het museum enkele niet  onaardige exemplaren. West-Vlaamse centra ten slotte produceerden in de negentiende eeuw en eventueel zelfs vroeger tegels in rode klei met een geel of groen opgelegd decor.

 


 

Glas

 

 

Net zoals  in kerken en kloosters, is in de musea weinig van de middeleeuwse glasraamkunst bewaard gebleven, zeker in vergelijking met  de andere toegepaste kunsten. De sierlijke, gebrandschilderde en visblaasvormige venstervullingen met zwevende engelen, waarvan men aanneemt dat  ze uit het Brugse stadhuis afkomstig zijn, zijn de oudste in het Gruuthuse bewaarde getuigenissen van het glazeniersambacht.

 

Nog  in dezelfde gotische geest, maar chronologisch wel een eeuw  later te situeren, zijn de Sint-Joris- en Sint-Michielsfiguren uit de gildenkapel van de schilders en de glazeniers. Deze twee naast elkaar opgestelde heiligen met  een  uitgelengde spitse houding getuigen eveneens van een grote esthetische zeggingskracht.

 

De  op verschillende plaatsen in het  museum tentoongestelde kleine - ronde of ovale­ glasraammedaillons hebben  meestal  religieuze onderwerpen, en maakten uiteraard deel uit van kruisramen of grotere  ensembles.

 

Zowel de doorzichtige als  de gekleurde drink- en schenkglazen uit de achttiende en de negentiende eeuw zijn in de museumverzameling vrij  goed vertegenwoordigd in de collecties. Daarnaast bezit het Gruuthuse nogal wat laatbarokke hoge kelkvormige glazen met balustervormige stam, waarvan het bovendeel meestal  gegraveerd is met zeilschepen, gebouwen, bloemenguirlandes en allerlei personages. Veelal gaat het om Luikse, Hollandse en Duitse glazen, of vermoedelijk in Nederland gegraveerd kristal.

 

Uit dezelfde periode dateren  ook de slanke groene wijnflessen, waarvan er enige exemplaren het wapenschild van een adellijke familie of een  loden ijkring dragen. Ze werden vervaardigd door  de flessenfabrikant A.J. de Cornet uit Gent, die zich in de omgeving van de Jeruzalemkerk te Brugge installeerde en van 1749 tot 1770 de typische portflessen met kraagrand op grote schaal vervaardigde en exporteerde.

 


 

Zilverwerk

 

 

De omvangrijke collectie edelsmeedkunst uit Gruuthuse is een van de belangrijkste van het  land, en omvat meer  dan tweehonderd stuks, waarbij er verschillende getuigen van een  grote kunsthistorische waarde en een  degelijk vakmanschap. Alhoewel eertijds tientallen goud- en zilversmeden, onder wie menig vooraanstaand meester, hebben bijgedragen tot de bekendheid en de uitstraling van het Brugse liturgische en profane zilver, is er van  vóór  het Calvinistisch bewind weinig van die productie overgebleven. Aan de hand evenwel van aankopen en schenkingen groeide het museumbezit goed aan, wat niet wegneemt dat  er nog enige leemtes aan te wijzen zijn.

 

In tegenstelling tot het zilverwerk van de bedehuizen of kloosters, behelst de verzameling van het Gruuthusemuseum overwegend ambachtelijk en burgerlijk zilver. Het kerkelijk en eucharistisch vaatwerk dateert  hoofdzakelijk uit de zeventiende eeuw  of later.

 

Gedurende de Contrareformatie, die in de kunstgeschiedenis zowat samenvalt met de barok maar waarin ook nogal wat motieven uit de late Renaissance bleven naleven, werden voor de kerkelijke instellingen in Brugge en omgeving talrijke liturgische voorwerpen in zilver gemaakt. Deze stijlperiode wordt in de collecties prachtig geïllustreerd onder andere door een ostensorium van  1631, een chrismatoriurn van J. Blaevoet uit Ramskapelle, en een pronkkelk van  A.  Kerckhof met onder andere taferelen uit het lijden van Christus. Uit het Noord-Franse Rijsel is een  fraaie ciborie in Lodewijk XIV-stijl bewaard.

 

Ambachtelijk en burgerlijk zilver uit de achttiende en de negentiende eeuw is in de collectie goed vertegenwoordigd. Andere stukken zijn afkomstig van confrérieën en godvruchtige genootschappen. Hierbij vermelden wij  vooral de halsketting van de Confrérie van het  Heilig Sacrament van 1764 en  de vele negentiende-eeuwse voorbeelden van zilveren flambeeuwschilden.

 

Het zilveren, realistisch uitgevoerde gerechtigheidshoofd en de daarbij horende vuist werden vervaardigd ingevolge een rechterlijk vonnis. De edelsmeden vonden in de rijke Vlaamse steden koop- en kapitaalkrachtige afnemers, die gouden en zilveren gebruiksvoorwerpen als een statussymbool beschouwden. De via Frankrijk verspreide eet- en tafelgewoontes, waren uiteraard het voorrecht van de rijken. Alhoewel Antwerpen zowel kwalitatief als kwantitatief op het  vlak van de zilverproductie toonaangevend was, werden in verschillende Vlaamse steden eveneens mooie kunstvoorwerpen vervaardigd. In Brugge leverden generaties zilversmeden de meest uiteenlopende tafelbenodigdheden, waarbij alle decoratieve stijlen aan bod kwamen. Pronkstukken in de Gruuthusecollectie zijn hierbij de drinkbeker met deksel van Loys van Nieukerke van 1610-1611, de getorste pronkbeker in Lodewijk  XV-stijl, die eertijds behoorde aan stadsschout Valentin Stappens, en de koffiekan in dezelfde stijl, vervaardigd door zilversmid Ferdinand Du Baele (1761). Voorwerpen die in verband staan met het thee- en chocoladegebruik in de achttiende eeuw ontbreken vooralsnog in de collecties, maar olie­ en azijnstellen, een mosterdpot, een tafelkomfoor, borden, bestekken en tafelkandelaars zijn wel aanwezig.

 

Van talrijke Brugse ambachten bleven grote draagtekens of borstschilden bewaard, die nu tot de pronkstukken van de erezaal van het museum gerekend kunnen worden. De Brugse krijgs- en rederijkersgilden, die niet op basis van een beroep doch van een militair of recreatief doeleinde samengesteld werden, hebben eveneens representatieve voorwerpen in edelsmeedwerk nagelaten, zoals de sireschakel van de Sint-Sebastiaansgilde van Sint-Kruis Brugge van circa 1560. Enkele zeventiende-eeuwse ronde schilden met prachtig drijfwerk zijn in verband te brengen met de bekende rederijkerskamer 'De Drie Sanctinnen' en het plaatselijke Sint-Jorisgilde. Een ander belangwekkend Gruuthuseobject in zilver is de merkwaardige trekring met ketting van een andere  Brugse rederijkerskamer, namelijk die van de heilige Geest.  Van het burgerlijk zilver uit de vijftiende eeuw, is de plaket van Lodewijk van Gruuthuse ongetwijfeld een van de belangrijkste aanwinsten van de laatste jaren. Dit kunstwerk was oorspronkelijk met zilver opgesmukt, en versierde misschien een van de boekbanden uit de beroemde Gruuthuse-librije.

 


 

Koper en brons

 

 

Zowat in alle zalen van het Gruuthusemuseum treft de bezoeker karakteristieke voorwerpen aan  in geelkoper en brons, vervaardigd door lokale of uitheemse ambachtslui. De zeer uitgebreide verzamelingen omvatten zowel kerkelijk als burgerlijk koperwerk, daterend van de vijftiende-zestiende eeuw tot en met de negentiende eeuw.  Bronzen of koperen objecten  van vóór de zestiende eeuw zijn vrij schaars, want veel  is ten gevolge van  oorlogsomstandigheden in de smeltkroes verdwenen. Vijftiende- of zestiende-eeuws zijn de mooie gedreven offerandeschotels in geelkoper, met voorstellingen van Adam en Eva, Sint-Joris met de draak en de Boodschap aan Maria.  Liturgisch koperwerk komt in het Gruuthuse eveneens voor, zoals blijkt uit de tentoongestelde wierookvaten en altaarschellen.

 

Van Uitzonderlijke betekenis is de grafplaat in geelkoper van A. Porcket, meester en  ontvanger van het Brugse Sint-Juliaansgodshuis. Tot het zuiver utilitaire en profane koper- en bronswerk van de zestiende eeuw, rekene men  vooral de monumentale ketel  of grape uit de Gruuthusekeuken. Dit indrukwekkende recipiënt kan best vergeleken worden met een vooralsnog in Engeland bewaard exemplaar.  Beide ketels zijn uit Mechelen ingevoerd. Het Gruuthuse-exemplaar werd vrijwel zeker in het naburige SinHanshospitaal gebruikt. Vijzels en mortieren, onmisbaar in de huishouding en de apotheek voor  het verbrijzelen van kruiden en ingrediënten, komen in de verzameling zeer goed aan  bod.

 

De zestiende-eeuwse mortieren zijn  voornamelijk afkomstig uit  Mechelen, een  stad  die  op  dat  vlak overigens toonaangevend was.  Van  de lokale  of te Brugge werkzame ambachtslui met name J. Blanpain, N. Moerman en G. Dumery zijn  eveneens bronzen mortieren bewaard. De  koperslagers die  te Brugge met andere aanverwante beroepen tot het belangrijke smedenambacht behoorden, hebben heel  wat koperwerk nagelaten dat verspreid over  de diverse museumzalen wordt tentoongesteld. Grapen en kookketels, schuimspanen,  doof- of bluspotten en  vuurtangen werden gebruikt in de keuken en bij de haard.  Zowel op de tafel,  in de muurnissen en op andere plaatsen, stonden kandelaars. De  collectie omvat zowel pin-, knoop- als schijfkandelaars van alle  periodes, alsmede olielampen en geornamenteerde wandblakers.

 

De laatgotische lavaboketeltjes of aquamaniles daarentegen hadden zowel een liturgische als een profane functie. De bidkapel biedt plaats aan een koperen processiekruis van 1624 uit de kerk van Hoeke bij Sluis, een geajoureerde altaarlezenaar van 1775, een collectebus van de Confrérie van Onze-Lieve-Vrouw van Assebroek (1730) en enige fraaie gedreven wandschilden in rocaille-stijl. Zowel de kerken, kapellen, kloosters als burgerlijke gebouwen lieten bronzen klokken maken.

 

Een  zeldzaam overblijfsel van het Brugse renaissancistische klokkenpatrimonium is de Sint-Basiliusklok van Marc Le Serre van 1592. Verder bezit het museum nog  twee zeventiende-eeuwse klokken, de ene vervaardigd door de Antwerpse klokgieter Meichior de Haze (1632-1687), de andere door  de Bruggeling Alex Cambron (1682).

 

Het  roken van  de kleipijp veronderstelde ook het gebruik van  tabaksdozen, en hiervan getuigen enkele gedreven achttiende-eeuwse exemplaren uit de Duitse stad  Iserlohn, met  vooral historische, militaire of vorstelijke voorstellingen.

 

Voor de uitzonderlijke koperen weegtoestellen, de maten en  de gewichten verwijzen wij naar het desbetreffende hoofdstuk, evenals voor de niet minder belangrijke groep van koperen  zegelmatrijzen.

 


 

Maten en gewichten

 

 

Op het  vlak van de gewichten mag het Gruuthusemuseum zich beroemen op een vrij uitgebreide collectie met zelfs enige  topstukken. Dit  is beslist het geval  met een prachtig Nürnbergs sluit- of pijlgewicht dat bestaat uit een reeks in elkaar passende bakjes, waarvan het  buitenste een  zeer mooi versierd deksel met een scharnier en een rijk uitgewerkte sluiting heeft. Dit door de beëdigde meesters en  wegers geijkte meetinstrument uit de zestiende eeuw is het grootste bewaarde exemplaar in de Nederlanden. Het geheel weegt niet minder dan 64 pond!

 

Tot dezelfde periode behoren de houten maatbekers voor droge waren, en de metrieke korenschaal met houten afstrijkstok voor het bepalen van de massa van graan. IJzeren weegschalen, houten balansen met ijkmerken en w1sters of 'Romeinse balansen', maken ook deel uit van het meetinstrumentarium dat door de officie van de ijking werd gebruikt. Tot slot  zijn er nog de houten vouwmeters, meetlatten, ellen en vergierroeden te vermelden, waarvan het  gebruik voor de hand  ligt.

 


 

Wandtapijten

 

 

De  collectie wandtapijten is zonder enige twijfel een van de belangrijke troeven van dit museum. Van de meer dan twintig stuks waarover het museum beschikt, wordt het merendeel sinds  de vernieuwde opstelling tentoongesteld. Weefsels die ooit tot één en dezelfde serie behoorden of die  deel uitmaakten van reeksen met een analoog  onderwerp, zijn thans samen geëxposeerd. Wandtapijten ontwierp men zelden afzonderlijk. Zij maakten deel uit van een reeks of 'kamer', waarop een heel  verhaal voorgesteld werd.

 

De verzameling omvat hoofdzakelijk wandtapijten van Brugse makelij en hiermee wordt uiteraard rekening gehouden bij  nieuwe aankopen. In de verschillende zalen  hangen zowel zestiende- als zeventiende-eeuwse wandtapijten, die soms nog in de boorden voorzien zijn van  het stadsmerk, de weversspoel en de merken van  de wever of zijn atelier. De Brugse 'tapijtsiers' vroegen in 1547 een eigen merkteken aan  dat onder de vorm van een  gekroonde gotische 'b'  ingeweven werd. Vanaf het einde  van  de zestiende eeuw  gebruikten zij echter een ander teken, namelijk de spoel of 'broche'. Het was een typisch instrument dat  bij  de  vervaardiging met de 'houtelisse' of staande weefgetouwen aangewend werd. Zoals de weversspoel bewijst, werkte men eertijds te Brugge op getouwen met hoge schering, in tegenstelling tot andere  centra  in Vlaanderen, waar men  overwegend op een liggend weefgetouw werkte.

 

Slechts enkele  wandtapijten uit het museum dateren uit  de zestiende eeuw. Van alle in de stad  geweven tapijten is  slechts van één de naam van een  ontwerper of kartonschilder bekend, namelijk Lancetoot Blondeet (1498-1561).

 

Achter de buste van keizer Karel V hangt een klein verdurefragment. Het werd in 1528-1529 te Brugge geweven in het  atelier van Antoon Segon, naar de ontwerpen van Lancetoot Blondeet en Willem de Hollandere. In verdures worden bloemen en  planten voorgesteld, afgewisseld met dieren. Deze bloementapijten getuigen van een  groot realisme en  een  liefde voor de natuur. Dit fragment maakte deel uit van  een veel groter geheel, waarin centraal een blazoen of wapenschild verwerkt was. Het is afkomstig van de vroegere Schepenkamer van het  Brugse Vrije. In deze horizontale bloementapijten kwamen de wapens voor van Karel V, met de dubbele adelaar waarrond de ketting van het Gulden Vlies, en die van het Brugse Vrije.

 

In de wapenzaal worden drie zestiende-eeuwse wandtapijten getoond met taferelen uit  de antieke geschiedenis, die betiteld  kunnen worden als het Leven of de Triomf van Caesar. Deze  reeks  telde  in  totaal waarschijnlijk een vijftiental onderwerpen die nu verspreid zijn  over  meerdere locaties.  Het museum bezit uit deze serie de Clementie van de veldheer, een Gevechtstafereel  (dat een weversmerk draagt) en  de Toespraak van de veldheer. Deze wandtapijten hebben de typische gele  en rode kleuren in. de boorden, die  men ook  weervindt op de reeks van Gombaut en  Macée.

 

Reeds vanaf de dertiende eeuw verbleven Spaanse handelaars te Brugge, waar zij  bedrijvig waren in de invoer van wol, de noodzakelijke grondstof voor de Vlaamse lakennijverheid. Nogal wat Spanjaarden integreerden zich  in het stedelijk leven  en bekleedden openbare functies. Zij vormden samen met  de Italiaanse en de Duitse handelaars de ruggengraat van  de internationale bloei van Brugge. De  in deze stad gevestigde Spanjaarden verscheepten talrijke kw1stwerken, waaronder wandtapijten, naar hun thuisland. Een bekend voorbeeld is het wapentapijt van de familie Nagera.

 

In de zaal  die toegang  verleent tot de bekende vijftiende-eeuwse bidkapel van Gruuthuse hangt een bijna vierkant wandtapijt met  de Kruisafneming van Christus uit de eerste helft van de zestiende eeuw, waarvan men niet weet waar het  vervaardigd is.

 

De  voorstelling is gevat in een triomfboog in renaissance­ stijl  met een drieledige omlijsting met kapiteelpilasters. Het wandtapijt werd geweven naar een gravure van de Italiaanse kunstenaar Marcantonio Raimondi, die zich op zijn beurt liet inspireren door Rafaël.

 

De vier wandtapijten uit de late zestiende eeuw, die in de erezaal van het museum tentoongesteld worden, illustreren het  levensverhaal van de herder Gombaut en de herderin Macée. De volledige serie telde oorspronkelijk acht onderwerpen, verdeeld over negen weefsels. Het eerste thema  is over twee wandtapijten opgesplitst. Een volledige reeks met hetzelfde onderwerp wordt nog bewaard in het museum van de Franse stad Saint-Ló. Op deze kleurrijke serie wordt het onbekommerd landelijk herdersleven geïllustreerd aan de hand van de belangrijkste levensfasen en  verklaard door ingeweven teksten. Veel dubbelzinnige situaties worden in deze opschriften toegelicht en metaforisch geïnterpreteerd. De nadruk wordt gelegd op de ontluikende seksualiteit, die achteraf zal leiden tot een huwelijk, de ouderdom en ten slotte de dood.

 

Het verhaal van Gombaut en Macée was blijkbaar succesvol. Het wordt onder meer getoond in een reeks houtgravures die op het einde van de zestiende eeuw gedrukt werden door een graveur-uitgever uit Tours, die zich omstreeks 1596 te Parijs had gevestigd. Het komt tevens voor op een  tapijtenreeks die vóór 1627 en wellicht ook nog daarna werd geweven in de Parijse ateliers du Faubourg St.-Marcel.  Dat het thema in de Nederlanden geliefd was blijkt  uit de Brugse reeks, maar ook uit gelijkaardige series die in Brussel en Oudenaarde werden geweven.

 

Twee Brugse wandtapijten uit de museumverzameling behoren tot de zesdelige serie  met de Geschiedenis van Pompeius en zijn omstreeks 1640-1650 te dateren.

 

Deze  kleurrijke weefsels hebben als onderwerp De onderwerping van Tigranes en  De onderwerping van Labienus. Deze Geschiedenis van Pompeius is de enige bekende Brugse zeventiende-eeuwse reeks  met taferelen uit  de antieke geschiedenis. In dezelfde periode weefde men in de ateliers van  Brussel wandtapijten met hetzelfde thema. Er moeten dus blijkbaar wisselwerkingen geweest zijn tussen de beide centra. In de boorden van de tapijten uit de Brugse reeks worden de werken van Hercules getoond. Zij vormen als het ware de mythologische parallel van de heroïsche deugden die door de historische daden van Pompeius worden verwezenlijkt.  In de zijboorden komen duidelijk de gebruikelijke Brugse stadsmerken met  de gotische 'b' en de weversspoel voor, alsook  een niet-geïdentificeerd weversmonogram.

 

Het Gruuthusemuseum bezit drie wandtapijten van de zeer populaire en succesrijke serie van de Zeven Vrije Kunsten, die te Brugge meermaals geweven werd tussen het  midden en het derde kwart van de zeventiende eeuw. Van deze reeks zijn ondertussen minstens elf edities bekend in binnen- en buitenlandse openbare en privé-verzamelingen. Een normale uitgave van de serie omvat acht stuks, met één wandtapijt voor elk der vrije kunsten, alsook de zogenaamde 'apotheose' waarop alle zeven vrije kunsten uitgebeeld worden. De Brugse tapijten werden geweven naar olieverfschilderijen van de Antwerpse kunstenaar Cornelis Schut (1597-1655).

 

De Zeven Vrije Kunsten verzinnebeelden het  leerprogramma dat eigen is aan de vrije mens, behorend tot de toenmalige hogere stand. De eerste stap van dit programma behelsde drie vaardigheden, het Trivium, met in volgorde de Grammatica of het leren lezen en schrijven, de Dialectica, de redeneerkunst of de eerste basis van het filosofisch denken en de Retorica, de kunst van het  spreken in het  openbaar. Daarop volgt het Quadrivium met de vier exacte wetenschappen, namelijk de Aritmetica of wiskunde, de Geometria of meetkunde, de Musica en  ten slotte de Astrologia of Astronomia. In de Apotheose - het  grootste wandtapijt uit deze serie - zijn  de Zeven Vrije Kunsten op een weids terras  verenigd in een harmonische samenkomst.

 

Men herkent van  links naar rechts Astrologia met de hemelsfeer, in het midden de orgelspelende Musica, die door een  fluitspelend kindje begeleid wordt, en  rechts daarvan ligt Geometria op de grond met de wereldbol en daarnaast een open boek en plannen van militaire gebouwen. Achter haar zit Aritmetica aan een tafel, terwijl zij in een koopmansregister kijkt dat  door een jongeling wordt vastgehouden. Volledig in het midden geeft Grammatica les aan twee kinderen. De gelauwerde Mercurius met staf stelt de Retorica voor en is in gesprek met  Dialectica, die  een  beeldje vasthoudt.

 

Tussen de vier gedraaide zuilen op de achtergrond staat een  triomfboog met  op het centrale boogveld attributen van vijf kunsten of Artes. Op de sierlijke boord  bovenaan staat in een cartouche een Latijns opschrift dat vertaald kan worden als  'De oorlog onderdrukt de Kunsten, door wie hij  ondersteund wordt'. Van  deze allegorische groepering van kunsten en wetenschappen, die getuigt van een grote graad van verfijning en luxe, bezit het museum drie exemplaren: het geheeltapijt, of de zogenaamde Apotheose, de  Dialectica en de Astrologia, evenwel behorende tot twee  verschillende series.

 


 

Meubels

 

 

De  Gruuthusecollectie van meubels en meubilair omvat met uitzondering van de Romaanse stijl zowat alle periodes. De authenticiteit of de ouderdom van sommige gotische stukken is niet steeds geheel onomstreden. Volledig gave meubelen uit de late Middeleeuwen zijn immers uiterst zeldzaam en zoals ook in andere musea is vastgesteld, werden dikwijls oorspronkelijke structurele of decoratieve elementen bij restauraties of reconstructies in min of meerdere mate opnieuw samengebracht. Het dateren gebeurt overwegend op grond van de typologie van de meubels, waarbij rekening gehouden moet worden met  het feit dat talrijke meubeltypes door verschillende generaties gekopieerd werden. Zowel de gotische als de latere meubels zijn gemaakt volgens het principe van de skeletbouw met  een  geraamte van stijlen en regels die door pen- en  gatverbindingen in elkaar worden gezet. De niet-constructieve delen worden opgevuld met houten panelen, die veelal  voorzien zijn van leder­ versiering of gelooid perkament, of van gesculpteerde decoratieve motieven zoals  een Sint-Andrieskruis, bladwerk en druiventrossen. Maaswerk en visblaas­ motieven die vaak  in deze paneeltjes voorkomen, herinneren aan  de gotische venstertraceringen uit  de bouwkunst. Het zijn  vooral de vrij eenvoudige twee- of vierdeurskasten met centrale makelaar die onze aandacht vragen, evenals het hangkastje, waarbij het  zichtbare beslagwerk vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw verdwijnt, of beperkt blijft tot  sleutelplaten en scharnieren. De koffers in 'gotische stijl' dateren in vele gevallen uit latere tijden, maar hebben hun nut als didactisch materiaal voor de studie van het bergmeubel en de meubelornamentiek.

 

Zittekisten of banken ontbreken vooralsnog in de Gruuthusecollecties, alsmede driepikkels of 'scupstoelen'. Het  knielbankje of 'schabel' met de gotische inscripties  'Jhesus' en  'Maria' is een  interessant meubeltje, maar de authenticiteit ervan wordt door sommigen betwijfeld.

 

De  mooie tweedeurskasten uit de erezaal en de renaissancezaal zijn de voornaamste Gruuthusemeubels uit de Renaissance. De sierlijke kast waarop de portretbuste van Karel V prijkt, heeft een klassieke vormgeving en een regelmatig gestoken decor met zuilen en Ionische kapitelen, bossages, bladwerk en leeuwenkoppen.

 

De buffetkasten zijn door een middenregel ingedeeld in een onderkast met versierde deurpanelen, en een bovenkast met figuratief snijwerk. Enkele mooie exemplaren bevinden zich  in de tapijtenzaaL In de erezaal stelt het museum enige kleinere versies voor van deze buffetkastjes, producten van  het lokale meubelbedrijf.

 

Het Gruuthusemuseum bezit een grote variëteit aan barokke berg- en zitmeubels. Architecturale elementen zoals  frontons, gekoppelde of getorste zuilen, pilasters met bossages of stenen banden, zijn hier in ruime mate aanwezig. Naast de kleine of grotere 'spinden' die met hun opengewerkte deurtjes voor het goed behoud van levensmiddelen zorgden, vragen de meer luxueuze en rijk gebeeldhouwde kasten de meeste  aandacht.

 


 

Muziekinstrumenten

 

 

Het Gruuthusemuseum bezit een niet onbelangrijke collectie van oude muziekinstrumenten. Overeenkomstig de functie en de bouwtechnische aspecten kunnen deze instrumenten typologisch onderverdeeld worden in klavier-, snaar- en blaasinstrumenten. Tot de eerste groep behoren het beroemde virginaal (1591) en het klavecimbel (1624) van de Antwerpse instrumentenbouwers Hans en Andreas Ruckers de oude, versierd met opgekleefde renaissanceornamenten in papier. De drie tafelklavieren of aangeslagen chordafonen uit de late achttiende eeuw werden vervaardigd door instrumentenbouwers van Gent  (1777),  Duinkerke (1792) en Bergen (1798).

 

De snaarinstrumenten zijn vertegenwoordigd door de gewone gitaar en de lier- of luitgitaar, de  cister, de mandoline, de draailier, een beschilderd hakkebord, een harp met dubbele pedaalwerking alsook een viool van de Antwerpse vioolbouwer Matthils Hofmans van de late zeventiende eeuw.  De blaasinstrumenten of aerofonen vormen de grootste groep  van de collectie. Zeer zeldzaam zijn de zestiende-eeuwse blokfluit van Claude Rafi uit Lyon, en de geelkoperen trompet van de Brugse instrumentenbouwer Choquet uit  dezelfde periode. Met de dwarsfluit, de klarinet, de clannetto d'amore, de hobo, de fagot, het serpent en de ophicleïde komen verschillende achttiende- en negentiende-eeuwse instrumentenbouwers uit België,  Frankrijk, Engeland, Duitsland en Zwitserland aan bod.

 

In tegenstelling tot al deze orkestinstrumenten, is de in 1968 door het  museum aangekochte 'Kalliope' of 'polyphon' met verwisselbare platen  een alleenstaand mechanisch, maar  tevens romantisch muziekmeubel uit het eind van de negentiende eeuw dat trouwens nog steeds functioneert.

 

 

In het muziekcabinet van Gruuthuse bevinden zich ten  slotte nog enkele bronzen bellen en klokken, zoals die afkomstig van de stedelijke beiaard, die  in  de achttiende eeuw gegoten werden door  de reeds hoger vermelde Brugse klokkengieter J. Dumery.

 


 

Munten, plaketten en zegels

 

Vele munten en penningen uit de Gruuthusecollectie zijn afkomstig uit de verzameling van de bekende Brugse numismaat A. Visart de Bocarmé. De  opstelling van munten en medailles is chronologisch opgevat en biedt een overzicht van de muntslag van het Romeinse tijdvak tot ver in de negentiende eeuw.

 

De oudste munten in het bezit van het museum zijn enkele  goudstaters uit de Keltische periode en de Romeinse keizerlijke munten vanaf de Flavische dynastie tot en met het Dominaat of de Tetrachie.

 

Met de gouden triens van Dorestad uit de zevende eeuw komen we terecht in de Merovingische numismatiek. Hiertoe behoren ook enkele  Frankische imitaties. Verder bezit het museum Karolingische denarii van Karel de Kale en zijn opvolgers. Munten van de graven van Vlaanderen, onder meer van Boudewijn IX, Filips van den Elzas, Johanna en Margareta van Constantinopel en Gwijde van Dampierre ontbreken evenmin. Vanaf de veertiende eeuw werden zeer mooie gouden munten geslagen, waaronder die van Lodewijk van Nevers en Lodewijk van Male, de laatste graaf van Vlaanderen, de bekendste zijn.

 

De daarop volgende Bourgondische periode is zeer goed vertegenwoordigd, vermits Brugge toen een eigen belangrijk muntatelier had. De bronzen, zilveren en gouden Bourgondische en vroeg-Habsburgse munten uit Brugse en buitenstedelijke ateliers  zijn overigens topstukken.

 

De zestiende eeuw is eveneens goed gedocumenteerd met munten van Karel V en Filips II. De zilveren patakons en dukatons werden ingevoerd onder het bewind van de aartshertogen Albrecht en Isabella. Voor de rest van de zeventiende eeuw zijn vooral de grote zilveren munten te vermelden van Filips IV en Karel II. Voor de achttiende eeuw  zijn dat de munten van Karel III, Filips V, Maria-Theresia en Jozef  II.

 

Medailles en historiepenningen ontbreken evenmin. Ze zijn veelal het werk van Vlaamse, Italiaanse, Franse en Duitse graveurs. Plaketten of kleine reliëfs in metaal, lood of tin met vooral allegorische of mythologische onderwerpen hebben in de zestiende eeuw  bijgedragen tot het vulgariseren van  de antieke kunst en horen dan ook echt in de renaissancesfeer thuis.  Italiaanse en Duitse plaketten waren in de zestiende eeuw  veel minder zeldzaam dan Nederlandse of Franse. Omdat ze zo gegeerd waren, werden ze tot in de zeventiende eeuw nagegoten.

 

Een honderdtal zegelmatrijzen van de stedelijke of de kerkelijke overheid, van kloosters, abdijen en ambachten zijn te dateren tussen de veertiende en de negentiende eeuw.  Deze zegelstempels zijn hoofdzakelijk van lokale herkomst, wat niet belet dat er ook enige andere West-Vlaamse lokaliteiten in de sigillografische collectie van het Gruuthuse vertegenwoordigd zijn.

 


 

Justitie

 

 

In de wapenzaal worden verschillende rechtshistorische voorwerpen tentoongesteld, waarvan de guillotine de grote publiekstrekker is. Het museum bezit evenwel oudere gerechtigheidsobjecten, zoals twee zilveren voorwerpen die chronologisch nog tot de vijftiende eeuw  opklimmen en die bovendien vrij  goed gedocumenteerd zijn. Het betreft een kleine in massief zilver gedreven buste  van een man met vrij goed geprononceerde gelaatstrekken, gestileerd haar en geaccentueerde oogleden. De buste zou volgens archiefteksten een zekere Pieter van der Gote voorstellen.

 

Als inwoner van de gemeente Dudzele bij Brugge werd hij wegens verzet tegen de gerechtelijke overheid in 1464 door de vierschaar van het Brugse Vrije uit Vlaanderen verbannen.

 

Deze buste - het enige nog in zilver in België bewaarde exemplaar - werd op kosten van  de veroordeelde vervaardigd door de edelsmid Jan van der Toolne. Hij moet blijkbaar een belangrijke ambachtsman geweest zijn, vermits hij ook edelsmeedwerk leverde voor hoogwaardigheidsbekleders uit zijn tijd zoals Guillaume Filastre, Filips de Goede en Pieter Bladelin. Het hoofd was zeer kostbaar en werd als voorbeeld tentoongesteld in de raadzaal van het Brugse Vrije.

 

De deels beschadigde gerechtigheidsvuist die ernaast is opgesteld, zou een rechterhand voorstellen.

 

Deze gebalde vuist is vermoedelijk in verband te brengen met een vroege vermelding in lokale archiefteksten. In de periode kort  vóór  1417-1418 werd de Brugse slotenmaker Claise van Steenackere betaald voor het maken van een vertind ijzeren hengsel waarin een zilveren vuist in de raadkamer van het Brugse Vrije opgeborgen was. De buste en  de vuist zijn de enige gerechtigheidsvoorwerpen in zilver die bekend zijn.

 

Ze zijn dan ook  bijzonder interessant omwille van hun historisch documentaire waarde. De erg  gehavende schedel in smeedijzer die daarnaast ligt, is van jongere datum en herinnert aan een poging tot verraad van een inwoner van Eeklo in 1691. Hij werd voor dit feit door de Brugse magistraat veroordeeld tot de doodstraf door onthoofding. De man in kwestie zou tijdens de Frans­ Spaanse oorlog een plan uitgewerkt hebben om de stad Brugge via de Smedenpoort aan het Franse leger over te leveren. Het vonnis schreef toen voor  dat het hoofd  van de veroordeelde aan de gevel  van  de Smedenpoort moest worden opgehangen. Daar hangt nu nog een moderne kopie.

 

De guillotine, die achteraan in de zaal opgesteld staat, geldt als een van de belangrijkste vernieuwingen van de Franse Revolutie. De  werking van dit 'gevaarte' is vrij simpel. De stalen valbijl werd in uitgangspositie met een touw in de hoogte vastgezet en de lange plank die thans in horizontale positie te zien is, werd in verticale stand gebracht. De ter dood veroordeelde werd met op de rug gebonden handen en ontblote nek rechtstaande met  behulp van riemen aan  deze plank vastgemaakt. Daarna werd de plank met  het  lichaam van  de veroordeelde in horizontale positie  gebracht. De hals van de veroordeelde werd in de daartoe bestemde holte vastgeklemd. Daarop werd het touw van de valbijl losgelaten, zodat  de bijl met schuine snede naar beneden suisde en het hoofd van de romp scheidde. Dat was  althans de bedoeling, maar  het mes wilde wel eens haperen... Nadat de guillotine op de binnenkoer van het gerechtsgebouw op een schaap werd uitgetest op zondag 16 oktober 1796, werden François Piqueron en  Placide De  Lattre wegens moord en  diefstal vier  dagen  nadien gehalsrecht. De uitvoering van  het vonrus werd voltrokken op de Grote  Markt en nam slechts vier minuten in beslag. Omdat de beul van Gent, in tegenstelling tot zijn Brugse collega, die pas in dienst was gekomen, reeds ervaring had met het 'toestel', werd de onthoofding door hem uitgevoerd. De laatste onthoofding te Brugge had plaats op 3 april 1862 voor de gevangenispoort aan het Pandreitje. De meest tot de verbeelding sprekende is ongetwijfeld die van  de beroemde West-Vlaamse roverskapitein Lodewijk Bakelandt en zijn bendeleden op  2 november 1803.

 

Het in het museum bewaarde exemplaar is niet de enige guillotine in België. Een analoog instrument bevindt zich in het Musée de la Vie Wallonne te Luik.

 

Vóór de guillotine staat het handafhakkingsblok, een strafinstument dat door de Napoleontische 'Code  Pénal' van 1810 ingevoerd werd. Het foltertuig was speciaal bedoeld voor de executie van moordenaars. Op het schavot diende de schuldige te kijk te staan terwijl de gerechtsdeurwaarder het arrest van veroordeling voorlas. Daarna werd eerst de rechterhand afgehouwen en onmiddellijk daarna het hoofd.  Het kapblok heeft aan de breedste zijden een  uitsparing waarin de arm werd gelegd en achteraan is een draagketting vastgemaakt die verbonden is met twee stalen messen, waaronder een hakbijl en een hakmes.

 

Gruuthuse beschikt ook over zogenaamde justitiezwaarden uit de vijftiende of de zestiende eeuw. Het zijn tweesnijdende slagzwaarden met brede  kling en een bladgeul in het midden. Wellicht zijn dit beulszwaarden gebruikt voor het onthoofden van ter dood veroordeelde misdadigers. Als  gerechtszwaarden waren zij ook  een rechtssymbool en werden om die reden soms in de zaal van  de vierschaar of aan de buitengevel van een stads- of schepenhuis uitgestald.

 

Van de twee smeedijzeren kanonnen of bombardes die stenen kogels verschoten, is van één de herkomst gekend. Het werd ontdekt bij  graafwerken in de Kapellestraat te Oostende op het einde van de negentiende eeuw. Beide vuurwapens zijn chronologisch te situeren in de tweede helft van de vijftiende eeuw.

 


 

Auteursidentificatie:

Stéphane Vandenberghe (Geboren te Mechelen op 21.12.1950) is verantwoordelijk voor de collecties van het Gruuthusemuseum en het Historisch erfgoed te Brugge. Is gespecialiseerd in de toegepaste kunsten. Schreef enige boeken over de middeleeuwse en post-middeleeuwse archeologie en uiteraard de toegepaste kunsten. Verleende zijn medewerking aan meerdere tentoonstellingen in binnen- en buitenland.

 


 

Praktische informatie

 

Adres en openingsuren

Gruuthusemuseum

Dijver 17

8000 Brugge

050/44.87.11

Open  van  9.30 tot 17.00 u

Maandag gesloten