U bent hier

Gezichten toen - Renaissanceportretten uit de Lage Landen

Gezichten toen - Renaissanceportretten uit de Lage Landen
Joos van Cleve, Zelfportret, ca. 1519, olieverf op paneel, 38 x 27 cm, Museo Thyssen-Bornemisza, Madrid.

 

Portretkunst stond ooit minder hoog aangeschreven dan historieschilderkunst. Men vond dat bij die laatste de persoonlijke inbreng van de kunstenaar groter was. Volgens scherpslijpers waren portretten uitstekend voor de commercie, minder voor de nobele kunst. Nu denken we er anders over. BOZAR legt, onder het curatorschap van Till-Holger Borchert (Musea Brugge) en Koenraad Jonckheere (UGent), uit wat zestiende-eeuwse portretten afkomstig uit de Lage Landen zo bijzonder maakt.

 

 

NEUROFYSIOLOGISCH VOORDEEL

 

Een man en een vrouw zijn driekwart naar elkaar toegekeerd: uitgestreken gezicht, onpeilbare oogopslag, handen vroom gevouwen. Een bevroren beeld van zwijgzaamheid en beheerstheid. Die immobiliteit accordeert met de staalblauwe lucht en het roerloze landschap onder een loden zon, dat achter het koppel en de loggia waarin het koppel zich bevindt, komt piepen. Het uitbundige bladerdak van de bomen verraadt het jaargetijde: zomer. Hans Memling (ca. 1435-1494), portrettist bij uitstek, vervaardigde deze portretten van Willem Moreel en Barbara van Vlaenderberch. (Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel) De welgestelde Willem Moreel was een man met macht. Hij bekleedde vanaf 1472 allerlei ambten bij het Brugse stadsbestuur, onder meer dat van burgemeester. Beide beeltenissen fungeerden oorspronkelijk als zijluiken van een devotietriptiek, met waarschijnlijk een Madonna als centrale figuur. Memling, Bruggeling uit Seligenstadt (Duitsland), vernieuwde de portretkunst met neutrale achtergrond van Van Eyck en Van der Weyden, door de invoeging van een panoramisch landschap. De portretten van Memling waren gegeerd. De Italianen in Brugge bestelden bij de meester hun beeltenis en verspreidden het potrettype in eigen land. Zelfs de Mona Lisa van Leonardo da Vinci (1452-1519) zit parmantig voor een vergezicht.

 

Al sinds de klassieke Oudheid geldt de richtlijn dat mannen in portretten, vanuit het standpunt van de geportretteerde, heraldisch rechts gepositioneerd zijn, en vrouwen links. De rechterkant heeft een connotatie van reinheid en macht. De patriarchale cultuur werd met andere woorden ook in het portret vertaald. Door vrouwen heraldisch links te positioneren werd hun inferieure publiek-maatschappelijke positie onderstreept. Statistisch onderzoek geeft een wetenschappelijke verklaring. Mensen nemen automatisch beter de kenmerken van een gezicht op wanneer dat in het linker blikveld is geplaatst, een positie in het voordeel van de rechter hemisfeer. Men bevoordeelde dus in neurofysiologische zin de man, ook al was men zich daar op dat moment nog niet van bewust.

 

 

SELFIE MET ANJER

 

De verworvenheden van Memlings portretkunst, en die van zijn voorgangers, leefden verder in het zestiende-eeuwse renaissanceportret uit de Lage Landen, maar tegelijkertijd onderging het genre veranderingen. Het is niet zo dat alle portretten opgewaardeerd werden met een achtergrondlandschap – wel integendeel. Al even succesvol als Memling was de onvermijdelijke Joos van Cleve (1485/90-1540/41) die, frank als hij was, zijn eigen beeltenis meerdere malen in zijn altaarstukken binnensmokkelde. De man runde een van de grootste ateliers in Antwerpen. Te oordelen naar het knappe Madrileense zelfportret, een selfie avant la lettre, was hij een karakter. Jammer dat het ouderdomscraquelé sterk de leesbaarheid en de appreciatie van het werk hypothekeert. Azuurblauwe fond, zwarte mantel en baret met stug rossig haar, mond in een gedecideerde plooi, en dan die zelfbewuste blik. Met een gracieus gebaar houdt Van Cleve een enkele anjer vast: een nuptiaal symbool dat mogelijk wijst op Van Cleves huwelijk met Anna Vydts in 1519. Memling is niet zo veraf, al zal men bij hem die graad van zelfbewustzijn tevergeefs zoeken. Zijn modellen kijken, het religieus decorum indachtig, ietwat steriel voor zich uit.

 

Het portret werd almaar groter en zou uiteindelijk een levensgrote beeltenis beslaan: van buste naar het portret ten voeten uit. Het stillevenaspect werd prominenter, maar ook dat gegeven was bijvoorbeeld al bij Memling te vinden. De achterzijde van zijn Portret van een biddende man (Museo Thyssen-Bornemisza, Madrid) herbergt een nis met een oosters tapijt, waarop een majolicavaas met bloemen prijkt. Daar waar Jan van Eyck zijn geportretteerden nog met een dermatologische exactheid schilderde, ontwaart men later een idealiserende tendens. Net zoals op Facebook anno 2015, trachtte men de werkelijkheid te verfraaien. Daarenboven lijkt het soms, met name bij Jan Gossart (ca. 1478-1532), alsof het renaissanceportret een versteend schilderij betrof met sculpturale, zelfs marmerkleurige gezichten.

 

In het humanistisch geleerdenportret treffen we eveneens mensen die zich van hun beste kant laten zien. Vooraanstaande intellectuelen profileerden zich aan de hand van bepaalde uitgelezen attributen zoals pennen, brieven en boeken, en ze bevinden zich in een burgerlijk interieur, niet zelden een geleerdenkamer annex bibliotheek. Hier kunnen we wijzen op de traditie van het Eyckiaanse Hiëronymus-portret, waarin de geleerde heilige zich in zijn studiolo bevindt. Befaamd is het vriendschapsdiptiek uit 1517 dat Quinten Massijs (1466-1530) van Desiderius Erasmus en stadssecretaris Peter Gillis vervaardigde (The Royal Collection of Her Majesty the Queen, Buckingham Palace, Londen en Collection Lord Radnor, Salisbury). Erasmus schrijft stoïcijns in een boek, terwijl in een nis een werk van Hiëronymus ligt. Begunstigde van de portretten was hun gemeenschappelijke vriend en literator Thomas More (1478-1535).

 

Rond 1540-45 ontwerpt de Nederlander Maarten van Heemskerck (1498-1574) zijn Portret van Reinerus Frisius Gemma. Gemma was een Leuvense wiskundige, astronoom en geneeskundige. Hij was de leraar van Mercator, met wie hij samen een globe ontwierp. De bolleboos wijst retorisch naar een dergelijk attribuut, waarop de vier jaargetijden zijn aangegeven. Zijn met bont afgezette toga en met gouddraad versierde kraag zijn zo volumineus dat hij aan fysieke présence wint: mode is een statement. Op de cartouche links staat een Latijns opschrift: ‘Lux tenebris rursus/ luci tenebre fugienti succedunt/ stabilis res tibi nulla manet’. Vrij vertaald: ‘Het licht volgt op de duisternis, de duisternis op het vliedende licht, niets is standvastig’. Wisselende seizoenen en aardomwentelingen waren Gemma’s core business. De intellectueel bespeelt het vanitasmotief maar kon zelf, te oordelen naar dit flatterend portret, moeilijk weerstaan aan de ijdelheid der ijdelheden.

 

 

VROUWENSTREKEN

 

De portretkunst werd eeuwenlang bepaald door mannen; in dit opzicht weerspiegelde het genre de krachtverhoudingen in de toenmalige maatschappij. Daar waar mannen kiezen voor self-fashioning (zichzelf vorm geven, een beeld van zichzelf creëren) middels het portret, is er bij vrouwen eerder sprake van forced-fashioning. Vrouwen werden namelijk geconditioneerd door diezelfde mannen. Maar er bestaan ook uitzonderingen. De Antwerpse Catharina van Hemessen (1528-1567) schilderde in 1548 het oudste overgeleverde vrouwelijke zelfportret uit de Lage Landen. Ze beeldt zichzelf al schilderend voor de schildersezel af, daarmee lanceerde ze een gloednieuw type iconografie. Het opschrift tussen ezel en hoofd luidt: Ego Catarina de Hemessen me pinxi 1548. Met die Latijnse signatuur wees Van Hemessen fijntjes op haar gecultiveerde achtergrond.

 

Geheel anders van karakter is het uit de kluiten gewassen Portret van een oude dame van Frans Floris I (ca. 1520-1570). Een corpulente dame poseert frontaal, oogt stoer, handen stevig op de stoelleuning, geen gave gemanicuurde handen. Haar hond is dociel en fors, en doet eerder aan Titiaans portret van Karel V (Museo del Prado, Madrid) denken, dan aan vrouwenportretten met het obligate schoothondje. De anonieme vrouw valt op door haar goedlachse oogopslag. Die pretoogjes verlenen het kniestuk een spontane flair die de rigide etiquette omzeilt. De omvang van het schilderij doet vermoeden dat het om een welgestelde dame gaat. Haar gewaad bestaat uit kostbare materialen: zijde, satijn, bruine pels. Volgens de regels van de portretkunst laat de frontale pose geen pendantportret toe, en was de vrouw mogelijk een weduwe. Die positie gaf haar waarschijnlijk de vrijheid om de voorstelling naar haar eigen hand te zetten en platgetreden clichés mondjesmaat te vermijden. Zij lijkt de uniformiteit van vrouwenportretten, bepaald door aloude verwachtings- en rolpatronen, te doorbreken.

 

Matthias Depoorter


Info

Tentoonstelling

Renaissanceportretten uit de Lage Landen

Van 6 februari tot 17 mei 2015

Open: dinsdag t.e.m. zondag van 10 tot 18 uur, donderdag tot 21 uur

Gesloten: maandag

 

Paleis voor Schone Kunsten

Ravensteinstraat 23

1000 Brussel

Tel. 02 507 82 00

www.bozar.be

 

Archief

www.tento.be