U bent hier

Georges Seurat - De Seine bij la Grande-Jatte

Georges Seurat - De Seine bij la Grande-Jatte
Georges Seurat (Parijs 1859 -1891), De Seine bij 'la Grande-Jatte' (Lente 1888), Olieverf op doek, 65 x 82cm, gesigneerd onderaan rechts: Seurat, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel.
 
 
Dertig jaar geleden kwamen de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten te Brussel in het bezit van een aantal uitzonderlijk fraaie schilderijen van Franse meesters. Dit, dank zij een vorstelijke schenking van Anna Boch, een meer dan verdienstelijke kunstenares, die innig bevriend was geweest met de toongevende impressionisten en hun werk met liefde en speurzin had verzameld. Zij staat bovendien in de geschiedenis geboekt als de enige persoon die tijdens het leven van Van Gogh de arme Vincent een schilderij heeft afgekocht.
 
Het legaat Anna Boch omvatte o.m. een bijzonder zeldzaam stuk van een Franse meester die - voor zover mij bekend - slechts door twee werken vertegenwoordigd is in ons openbaar kunstbezit. Het tweede schilderij 'De krijtrots' bevindt zich in het Museum voor Schone kunsten te Doornik. Het gaat namelijk om 'De Seine bij la Grande-Jatte', door Georges Seurat geschilderd in de lente van 1888, drie jaar vóór zijn vroegtijdige dood op tweeëndertigjarige leeftijd.
 
Zijn bestaan zelf is door een zeker mysterie omgeven. Het is zelfs niet uitgesloten dat hij een dubbel leven zou geleid hebben, doch dit doet niets ter zake. Men schildert hem af als een fijne, aristocratische figuur, minzaam en toch gesloten, even geestdriftig in kunstdiscussies als geheimzinnig in privé-aangelegenheden. Hij moet bijzonder verstandig geweest zijn, niet alleen geleerd, doch intuïtief schrander. Dit bewees hij door de vernuftige wijze waarop hij de nieuwste theorieën inzake licht en kleur, pigmentatie en trilling, werkelijkheid en perceptie doorgrondde en uitwerkte tot een systeem dat sloot als een bus, als het maar niet door 'vaklui' zonder inspiratie toegepast wordt.
 
Grosso modo komt de geniale vondst van Seurat op het volgende neer. Aangezien het wetenschappelijk vaststaat dat ons oog, vanop een bepaalde afstand, kleine, aaneengesloten kleurenstippels niet afzonderlijk onderscheidt maar als één toon opvangt, kan de schilder, in plaats van die toon te zoeken door het mengen van primaire kleuren op zijn palet, dezelfde primaire kleuren in dezelfde dosering als kleine punten (points) naast en door elkaar weven totdat een identieke toon optisch waargenomen wordt (vandaar 'pointillisme'). De illusie is nooit volkomen doch die stippeltechniek heeft op de traditionele factuur van de impressionisten het voordeel aan de kleur een gewisse trilling te verlenen, als de weerkaatsing van het licht op de vormen, zonder die te verdoezelen, een effect dat de luministen tevergeefs hadden gepoogd te bereiken. Dit alles klopte volkomen met de golven-theorie die toen nog in haar experimenteel stadium stond.
 
Die methode om de tonen te ontleden, te delen (diviser: vandaar 'divisionisme') leidde tot een systeem dat er duidelijk op wijst, hoezeer het pointillisme een apollinische stijlvorm is, d.w.z. om met Nietzsche te spreken: een stijl die streeft naar orde, regelmaat, harmonie en evenwicht.
 
Laten we zien in hoever dit alles blijkt uit het schilderij dat ons bezig houdt. Het landschap is een vrij banaal gezicht op de Seine in de periferie van Parijs, een oord dat aan Seurat reeds een meesterwerk had geïnspireerd 'Zondagnamiddag op het eiland 'la Grande-Jatte' waarvoor hij niet minder dan 38 geschilderde schetsen en 23 tekeningen ontwierp en dat thans in het bezit van de Tate Gallery is te Londen. Het schilderij waarover wij spreken is minstens vier jaar later ontstaan en kan derhalve moeilijk doorgaan voor een van de vele voorstudies ervan. De compositie is herleid tot haar uiterste, geometrische eenvoud: een paar waterpaslijnen, één diagonaal en twee, drie min of meer loodrechte vormen. Een structuur waarin de grote les van Cézanne tot haar uiterste consequentie doorgedreven werd.
 
Maar de strakheid van die meetkundige compositie wordt, in de letterlijke zin van het woord, opgelost in een trillend spel van tienduizenden luchtige stippeltjes, als bonte confetti van blauw, geel en paars, met af en toe een tikje vermiljoen, speels en toch zó bedachtzaam aangebracht. Alle vormen gaan zinderen in het licht zonder hun soliditeit op te geven. Heel het landschap trilt van leven en beweging en blijft nochtans statisch en onbewogen. Seurat is er eindelijk in geslaagd aan het impressionistisch 'instantané' een blijvende vorm te geven. De momentopnamen van zijn tijdgenoten heeft hij tot tijdeloze synthesen van licht-kleur-vorm en beweging omgetoverd.
 
Dat kon hij omdat hij niet alleen een bijzonder intelligent mens was, maar omdat hij tevens een hartstochtelijk en waarachtig schilderstemperament bezat. De theorie was bij hem geen doel doch een middel, een geniaal, subtiel en dankbaar middel, waarvan hij wellicht de enige schilder is geweest die er al de geheimzinnige mogelijkheden van kende en spontaan wist toe te passen. Dit in strijd met zijn onmiddellijke discipels Signac, Pissarro, Van Rysselberghe en anderen die zich wel de handgrepen van Seurats systeem hadden eigen gemaakt doch nimmer het greintje genie hebben bezeten dat van hun leermeester een van de allergrootste schilders van de XlXe eeuw heeft gemaakt.
 
Sprekend over Seurat en zijn volgelingen gewaagt men dikwijls van neo-impressionisme. Die term - minder gepast dan divisionisme - wijst niet op een uitloper van een stervende beweging maar een nieuw vertrekpunt dat één van de bronnen voor het grandioos avontuur onzer eeuw is geweest. In die zin is Seurat, met Cézanne, Gauguin, Van Gogh, Ensor en Munch één van de voorlopers van de moderne kunst en niet de geringste.
 
Em. Langui,
Administrateur-Generaal bij het Ministerie van Nat. Opvoeding en Cultuur.