U bent hier

George Minne – St. Jan-Baptist

George Minne – St.-Jan
George Minne (1866-1941), St. Jan-Baptist, 1895, blauwe steen - 71 cm hoog, Museum voor Schone Kunsten, Gent.

 

'Vergeten in een dorpje van Vlaanderen leeft de kunstenaar die gebeeld heeft de oneindige ellende van alles, in gestalten groot als van steen alleenstaand door eeuwen heen.'

 

Met deze woorden besloot Gust Vermeylen zijn 'Nota over de pleisterbeelden van George Minne', vele jaren geleden. En nu nog zijn deze woorden de synthese van een belangrijke periode in de loopbaan van de beeldhouwer.

 

St. Jan-Baptist dagtekent uit 1895. George Minne is nog geen dertig, en drie jaar gehuwd. Pas te Brussel gevestigd, werkt hij met ijver aan de Academie onder leiding van Charles van der Stappen, leraar van de beeldhouwklas. Zoon van een architect, was Minne al vroeg vertrouwd met de begrippen van evenwicht, structuur en soliditeit. Voor zijn vader stond het trouwens als een paal boven water dat zijn zoon ook architect zou worden. En zoals veel kunstenaars heeft George Minne ondervonden wat het kost om tegen vaders wil in te gaan. Aan tegenkantingen, kritiek en sarcasmen ontbrak het niet. Hoewel een van zijn leraars aan de Academie te Gent eens uitriep : 'De Antichrist is in huis', bleef hij volhouden.

 

In 1891 trok George Minne naar Parijs om er enkele schetsen en foto's van zijn werken te laten zien aan Rodin, toen de grote meester van de beeldhouwkunst. Rodin liet hem echter horen dat hij geen raad gaf. De jonge Minne drong aan, zodat Rodin dan toch even de foto's bekeek.

 

- 'Hm, niet slecht, dat beeldhouwwerk. Wat een geluk, mijn vriend, dat gij op uw leeftijd reeds een atelier bezit dat ruim genoeg is om er dergelijke grote werken te kunnen maken.'

 

- 'Maar mijnheer Rodin, aarzelde Minne, dit beeldje is maar 17 cm hoog !'

 

- 'Als uw werken ondanks hun kleine afmetingen toch zo monumentaal schijnen heb ik u geen raad te geven, antwoordde Rodin. Werk, dan zult ge er komen.'

 

Die kleine anekdote laat blijken hoezeer George Minne, ondanks zijn afkeer voor het architectenberoep, de essentie van structuur en evenwicht in zich had opgenomen. Zijn figuren zijn mager, uitgemergeld soms, en steeds vol mystiek of fatalisme. Altijd vindt men er de onwrikbare princiepen van de bouwkunst in terug, ook in latere werken, waar meer soepelheid en rijkere vormen getuigen van evolutie naar rustige harmonie.

 

St. Jan-Baptist kan, evenmin als de overige werken van George Minne, beschouwd worden als behorende tot een bepaalde school. Ook niet tot een tijdperk en zeker niet tot een volk. Veel motieven van Minne komen uit het dagelijkse leven zonder daarom volkskunst te zijn. Een zeer intens geestesleven liet hem niet toe zich te beperken tot het realisme of het zoutloze symbolisme van die tijd. Zijn grote oprechtheid en eenvoud hebben hem hardnekkig doen streven naar de vormen die precies zijn visie zouden weergeven.

 

Hij wilde de synthese van zijn gemoed, sober en vrij van overtollige details, uitbeelden. Die ascetische vertolking stelt George Minne buiten zijn tijd. Zijn geestestoestand wordt symbool : liefde, pijn, vreugde, opoffering.

 

Het voorgestelde werk van George Minne is een van de werken waarin de plastiek het best zijn ascetisme uitdrukt. Het is een vertolking van het menselijk vernuft dat tracht Gods geheimen te doorpeilen. De smalle figuur van de geknielde heilige leunt enigszins tegen een zwaar perkament waarop staat : 'Fuit homo missus a Deo, cui nomen erat Joannes' (Er werd een mens door God gezonden, wiens naam Johannes was).

 

De houding van Johannes geeft de geest aan van het werk : de man die boete en nederigheid preekte, is op de knieën gezonken in verbijstering en angst voor de geweldige zending die hem werd opgedragen. Zijn lichaam is zo verteerd door wegbijtende versterving dat het mouwloze, recht neerhangende kleed geen lichaam meer lijkt te omhullen.

 

De intense expressionistische drang van Minne geeft aan die zielige boeteling nochtans een indruk van ongebreidelde kracht en brandend innerlijk leven. Roerloos, als uit een rots gehouwen, schijnt St. Jan reeds eeuwen neergeknield. Zijn hoofd, dat veel te groot is voor zijn lichaam, steunt zwaar voorover op twee ruwe dopershanden. De magere en gespierde armen zijn vast tegen elkaar aangedrukt als in een gebaar van wanhoop.

 

Weelderig haar omringt een grof en hoekig gezicht, vol kuilen en scherpe voren, het gelaat van een mens uit de woestijn. Het majestatisch hoog voorhoofd is doorgroefd met vele dikke rimpels, donker van gedachten. De strakke blik schijnt niets te zien. En toch voelt men dat die wijd opengesperde ogen veel meer zien dan om 't even wie onder ons ooit zal ontwaren.

 

De uitdrukking van eindeloos ingespannen denken contrasteert zo scherp met de hulploze eenzaamheid van dit mensenlichaam, dat wij als 't ware zelf de druk ondergaan van de eeuwigheidsoverwegingen die St. Jans gemoed beroeren.

 

Op zijn gelaat staan de onmacht en de fataliteit tegenover het mysterie pijnlijk scherp en met feilloze zekerheid uitgebeeld. De enigszins ruwe techniek van dit arduinen blok en het ascetisme van George Minne hebben St. Jan-Baptist opgevoerd tot een hoogtepunt van vormgeving. De uiterst gevoelige verbeelding van de beeldhouwer heeft immers in dit zware stuk materie zoveel energie geconcentreerd, met zoveel ingetoomde vitaliteit, dat naar mijn mening dit werk niet als symbolistisch kan bestempeld worden, maar wel als een zuiver voorbeeld van onbedwongen expressieve kracht.

 

Ik heb reeds gezegd dat George Minne in geen enkele periode kan ondergebracht worden. De geknielde figuur van Johannes de Doper illustreert dat zeer goed : de mystiek die ervan uitgaat is nooit het kenmerk geweest van een bepaalde periode, echter wel het privilege van enkele kunstenaars uit alle tijden, die erin slaagden het diepste dat ze in zich hadden tot uiting te brengen.

 

In 1895, toen dit werk gemaakt werd, kon niemand vermoeden welke eindeloze ellende onze tijd zou overhoop zetten. In het koortsachtig tumult uit het begin van onze eeuw bleef Minne met dezelfde vurigheid tekenen en beeldhouwen, 'vergeten in een dorpje in Vlaanderen', nl. te St.-Martens-Latem. Enkele jaren later vinden wij daar naast Minne een groep jonge kunstenaars zoals Binus van den Abeele, Valerius de Saedeleer, Karei en Gustaaf Van de Woestijne, en later Servaes, Permeke, Van den Berghe, Gust De Smet e.a. Wat men de 'Latemse School' heeft geheten was in feite alleen een groep vrienden, kunstenaars en kunstliefhebbers, die te Latem kalmte en natuurschoon hadden gevonden.

 

Tijdens de eerste wereldoorlog verbleef Minne in Wales (Engeland). Het waren jaren van voortdurende kwelling en angst om zijn zonen aan het IJzerfront.

 

Honderden tekeningen, steeds 'Moeder en Kind', getuigen van de diepe indruk die de oorlog op hem maakte. Terug te St-Martens-Latem gevestigd, werd zijn kunst steeds voller, harmonischer. Hij bleef nochtans die sereniteit en soberheid van stijl behouden die zijn werk zo scherp zouden kenmerken. De tweede wereldoorlog was voor zijn verfijnde geest een brutale slag. Zijn werklust en gezondheid leden er hard onder, zodat veel figuren onvoltooid gebleven waren toen hij op 18 februari 1941 overleed.

 

George Minne blijft een kunstenaar wiens werk ons meer zal aangrijpen naarmate wij beter aanvoelen hoe volledig het evenwicht is tussen de zuivere inspiratie en de krachtige plastische uitbeelding ervan.