U bent hier

Geloof & Geluk onderweg

Naar Barend van Orley (ca. 1488-1541 ), portret van Karel V met insigne Maria en Kind op de maansikkel, ca. 1515, eiken paneel, 41 x 2 9 cm, Brugge, Sint-Salvatorkathedraal.

 

INLEIDING

 

 

Al sinds de prehistorie tooit de mens zich met versierselen om zich van anderen te onderscheiden, om zich te beschermen of om te imponeren. In de Westerse wereld, vanaf de twaalfde eeuw, spelden mensen uit alle lagen van de bevolking sieraden op. Ze variëren van massaproductie uit eenvoudige materialen tot unieke gouden exemplaren. De middeleeuwse voorloper van onze pin en badge luistert naar de naam 'insigne' of 'enseigne'.

 

Individuen en groepen maakten toen - en maken nu nog steeds - gebruik van sieraden om een imago aan te meten. Het identiteitsteken benadrukt de positie die de persoon binnen de maatschappij inneemt of wenst in te nemen. Wat het middeleeuwse insigne verbeeldt moet behoren tot de parate kennis van de bevolkingslaag waarin de drager van het sieraad zich beweegt. Alleen als de voorstelling gelezen en begrepen wordt, is het insigne zinvol en krijgt het betekenis.

 

Een insigne staat niet op zich; het is nooit louter sierend. Het is een materiële herinnering aan een belangwekkende gebeurtenis, een groter object, een gedenkwaardig epos. Het meest aansprekende aspect van dit verhaal is op de insignes afgebeeld, wat zorgt voor grote en makkelijke herkenbaarheid. Het insigne functioneert zo als geheugensteun, die de drager moet helpen de herinnering levendig te houden. En tegelijk is het een boodschapper naar de medemens die, geprikkeld door het visuele kleinood, zijn interesse voor dit verhaal voelt aanwakkeren.

 

Tussen de late twaalfde en de zestiende eeuw ontstaat een enorme variëteit van massaal geproduceerde, zeer goedkope sieraden. Elk van hen voldoet meestal aan twee eigenschappen: het is gelukbrengend en kwaadafwerend.

Vandaag nodigen de speldjes ons uit om de laatmiddeleeuwse wereld van dichtbij te bekijken. Precies in die periode wordt de visuele cultuur enorm belangrijk; een ontwikkeling die niet meer zal stoppen. Het visuele vocabularium van de insignes gaat daarbij dwars door alle sociale lagen van de bevolking heen. Ze gunnen ons een boeiende en geestige blik op de laatmiddeleeuwse leefwereld.

 


INHOUD

1.      Drager van identiteit

2.      Sleutel tot de andere middeleeuwen

3.      'Teeken' van de pelgrimage

4.      Jeruzalem, Rome en Santiago

5.      Waar men gaat langs Vlaamse wegen

6.      Geestelijke pelgrimage

7.      Het insigne, de middeleeuwse pin

8.      Praktische informatie


 

 

DRAGER VAN IDENTITEIT

ONDERSCHEIDING MET GROTE ZEGGINGSKRACHT

 

 

In de late middeleeuwen zijn status, politieke kleur, religiositeit, maatschappelijke positie en sociale patronen via een speldenprik op mantel of hoed weergegeven. Een breed scala aan insignes, draag- en onderscheidingstekens fungeert als boodschapper. Van de kleinoden gaat een al dan niet verhulde of magische boodschap uit. Wie het teken ziet, voelt zich aangesproken.

 

 

VISUELE PROPAGANDA EN COLLECTIEF HERKENNINGSTEKEN

 

De middeleeuwse bovenklasse maakt rijkelijk gebruik van insignes om de status te benadrukken. Beambten, gezanten en muzikanten dossen zich uit met medaillons of broches, gedecoreerd met het wapen of de symbolen van de heer. En dit is nog maar het topje van de ijsberg. De volledige leefomgeving is tot in detail voorzien van heraldiek en iconografie. Een typerend voorbeeld is het stadspaleis van de heren van Gruuthuse in Brugge. Om zijn positie, rijkdom, macht en geloof te etaleren laat Lodewijk van Gruuthuse zijn wapen, devies en motto ontelbare keren afbeelden in de woning. Door latere herinrichtingen is er weinig van terug te vinden. Wel rest er nog een gegraveerd zilveren medaillon waarop het schild met wapen van Lodewijk in volle glorie is afgebeeld. Omgeven door de keten van het Gulden Vlies en een banderol met het persoonlijk motto 'Plus est en vous', drukt de plaquette ontzag uit voor de meester. Allicht is ze bij formele presentaties gedragen door hoge beambten in dienst van de heer van Gruuthuse.

 

Ambachtsgilden laten voor hun gezagsdragers soortgelijke kostbare tekens vervaardigen. In de schuttersgilden duiken zilveren insignes op als collectief onderscheidingsteken. Religieuze broederschappen gebruiken draagtekens die in de devotie passen. Bij geestelijken zijn de sluitgespen van de koorkappen rijk uitgewerkt met referenties naar het christelijk geloof, de patroonheilige of de drager zelf.

 

Het dragen van insignes om een politieke kleur te bekennen heeft een traditie die teruggaat tot in de veertiende eeuw. Een in 's Hertogenbosch opgegraven exemplaar in de vorm van een banderol met het korte opschrift '+ helpt god' is door de opstandige Gentenaren in 1382 op de witte mouwen gespeld, als collectief en herkenbaar element in de opstand tegen de Graaf van Vlaanderen. Kleding, kleur en visuele tekens zijn hier samen gebruikt om verbondenheid en partijvorming uit te drukken.

 

 

PRONKEN, TARTEN EN STIGMATISEREN

 

Vijfhonderd jaar geleden zijn de contrasten binnen de samenleving onvoorstelbaar groot. Kleding, sieraden, attributen en lichamelijke verzorging zetten de verschillen extra in de verf. Insignes geven hierbij interessante extra informatie. Op bepaalde portretten zijn ze heel duidelijk weergegeven, waardoor hun herkomst nauwkeurig te duiden is. Zo staat op een portret van een Afrikaanse man, van de Haarlemse schilder Jan Mostaert, een zilveren pelgrimsinsigne van Halle. Als hofschilder van Margaretha van Oostenrijk zal Mostaert de opvallende, zelfverzekerde Afrikaan wellicht aan het hof te Mechelen hebben geschilderd.

 

De ingeburgerde kleurling draagt betrekkelijk eenvoudige kleding. Een paltrok, het overkleed met lange vallende slippen dat de hogere kringen steeds in het openbaar dragen, ontbreekt. De in witleren handschoenen gehulde handen rusten op een rijk geborduurde beurs en op het handvat van het zwaard. Wordt hiermee aangegeven dat hij als vechtersbaas financieel carrière heeft gemaakt? Het edelmetalen pelgrimsteken van de Mariabedevaartsplaats Halle vergemakkelijkt de identificatie. In de periode dat het portret tot stand kwam is Halle het geliefd pelgrimsoord van de Habsburgs-Bourgondische vorsten. Aartshertog Ferdinand en Karel V zijn in 1520 samen op bedevaart gegaan naar Halle om Maria te danken voor Karels uitverkiezing tot Rooms koning. Onder de 95 lijfwachten die naar Aken meereizen, bevindt zich een zwarte Moor. Het zilveren pelgrimsinsigne identificeert de Afrikaan als lid van de directe entourage van de vorst. De laagste categorie personeelsleden moet het namelijk stellen met een loodtinnen pelgrimsteken als extra beloning voor geleverde diensten. De kledij en het insigne van de Moor laten zien dat hij carrière heeft gemaakt en in aanzien staat. Cosimo de Medici verlaagt zich van sociale positie wanneer hij zich rond 1535 door Pontormo laat portretteren in vergelijkbare kledij. De Florentijnse edelman associeert zich op die manier met Duitse en Zwitserse landsknechten die onder leiding van Karel V door Noord-Italië trekken, al draagt De Medici wel een gouden hoedenspeld.

 

Een andere mooie illustratie is het portret van hofnar Pock, een paneel uit de jaren 1517-1519 van de hofschilder van keizer Maximiliaan. De volkse figuur houdt een (te) volle glazen wijnbeker in de hand. Zijn kleding is bont van kleur en motieven, zijn rode muts tot aan de achterzijde overladen met strikken, insignes en een met edelstenen bezette struisvogelveer. Tussen de insignes prijkt een kostbaar gouden juweel dat een kruisje toont en een vergulde speld van de heilige Christoffel met het Christuskind op de schouder. Centraal draagt Pock een gekroonde M. De eerste betekenis van deze letterspeld verwijst natuurlijk naar Maria als Moeder Gods. Maar als hofnar maakt Pock ook een knipoog naar zijn broodheer keizer Maximiliaan. De insignes van Pock zijn niet ernstig bedoeld. Het juweel met het kruisje heeft hij niet alleen scheef opgespeld; de bovenste zwarte parel is verdwenen. Door het dragen van dit beschadigd insigne tart de hofnar de ijdelheid van de hovelingen met hun kostbare juwelen.

 

De laatmiddeleeuwse samenleving stigmatiseert de armen. Wie toestemming krijgt om te bedelen, moet op de kleding of aan een koord een stedelijk kenteken dragen: het 'bedelaarsbrevet'. Aanvankelijk zijn het loden zegels, later is het meestal een van dun bladkoper geslagen en jaarlijks te vernieuwen insigne. In Brugge en Rijsel is het een T-vormig kruis, in Antwerpen reikt men speciale penningen uit aan officieel geregistreerde bedelaars. In 1531 hervormt Karel V de regelingen rond armenzorg. Op keizerlijk gezag moeten armen die steun genieten van het Gentse stadsbestuur een strook wit laken, schuin vastgenaaid over hun bovenkleding, dragen. Kledingvoorschriften als herkenningsteken zijn er ook voor joden, ketters, geestelijk gestoorden en prostituees. Ze zijn niet alleen belasterend, ze moeten tegelijk de herkenbaarheid van deze bevolkingsgroepen verhogen. Een Vlaams paneel uit het eerste kwart van de zestiende eeuw confronteert arm en rijk met elkaar. De voortstrompelende bedelaar in het midden belichaamt op dramatische wijze het contrast tussen hoge en lage cultuur. Zijn ooit fraaie kleding zit vol gedichte gaten, rafels en scheuren. Hij reikt met zijn bedelnap naar de heilige Antonius, gehuld in uiterst kostbare en met bont afgewerkte kleding. Ook de overige figuren op het paneel dragen accessoires en insignes die hun rol en sociale positie bevestigen.

 


 

SLEUTEL TOT DE ANDERE MIDDELEEUWEN

PROFANE, OOK PROVOCERENDE INSIGNES

 

 

De late middeleeuwen roepen bij velen het beeld op van een wereld, beheerst door het christendom met heiligenverering en bedevaarten. De grote variëteit aan teruggevonden insignes laat evenwel ook een andere kant zien. Het is een breed scala aan afbeeldingen die om een of andere reden als sieraad zijn opgespeld: van miniatuur gebruiksvoorwerpen, bloemen en dieren tot allerlei scenische taferelen, letterspeldjes, wapentuig en heraldiek. Bij al deze figuratieve insignes vormen de loodtinnen speldjes de volkse tegenhanger van de elitecultuur. Ze hebben zo goed als allemaal hun parallellen of voorbeelden in kostbare juwelen of in gebruiks- en siervoorwerpen van de sociale bovenlaag.

 

 

MIDDELEEUWSE OBSCENITEITEN

 

Binnen de niet-religieuze draagtekens nemen de seksuele speldjes een opvallende plaats in. Met verbazingwekkende frequentie ontdekken archeologen ze tussen pelgrimsinsignes en andere volkssieraden. Van de late twaalfde tot de vroege vijftiende eeuw treffen we behoorlijk expliciete erotische voorstellingen aan. Fallussen en vulva's duiken op in dagelijkse taferelen. Aan het spit van het haardvuur hangt bijvoorbeeld geen varken maar een penis, de vetvanger blijkt vervangen door een vulva. Deze voorstelling is kenmerkend voor een hele reeks erotische speldjes. Waarom zijn ze gemaakt? Moeten we ze lezen als ondeugende knipoog, of schuilt er een moralistisch verhaal achter? Als amulet zijn ze makkelijk te duiden: het dragen van erotische insignes, hangertjes en speldjes heeft alles te maken met vruchtbaarheid en, in het directe verlengde daarvan, met welvaart en status. Gelet op de provocerende beeldtaal speelt imponeergedrag een rol, terwijl ze als amuletten tegelijkertijd een kwaadafwerende en geluksbrengende functie hebben.

 

We kunnen ons heel wat moeilijker voorstellen door wie en wanneer deze laatmiddeleeuwse obsceniteiten zijn gedragen. Visuele bronnen zijn er nauwelijks. We hebben alleen de zinnenprikkelende speldjes zelf. Sommige teksten helpen om het beeldmateriaal te duiden. In dertiende-eeuwse rijmpjes en verhalen komen tal van herkenbare beelden voor, zoals de als zelfstandige wezens levende geslachtsdelen. Boeken over hekserij bevatten bizarre fantasieën die terugkeren op insignes. Een speldje van een kat met een fallus in de bek of een margedecoratie in een handschrift waarbij een vrouw een kat achtervolgt die een fallus in de bek heeft, roepen de vraag op of het hier niet gaat om heksen die de gedaante van een kat hebben aangenomen.

 

Veel erotische insignes ontlenen hun motief aan een populair verhaal. Een kenmerkend voorbeeld is de geschiedenis van Aristoteles, de opvoeder-filosoof die wordt gelogenstraft. Dit oud, oosters thema is in het middeleeuwse West-Europa uiterst populair als moralistische anekdote. Phyllis, een jonge vrouw, verleidt de wijze Aristoteles tot een liefdesspel waarbij hij als rijdier rondkruipt. Zo zet de charmante hofdame de filosoof voor schut. Bij de aristocratie en burgerlijke bovenlaag is dit thema, zowel in verhaal- als in beeldvorm, uiterst geliefd. Het komt in diverse gedaanten voor: van prent tot decoratieve waterkan. De amusante geschiedenis dringt ook door tot bij het gewone volk. Van preekvoorbeeld ontwikkelt het zich tot onderwerp van vijftiende- en vroeg zestiende-eeuwse wagenspelen, het verschijnt in carnavalsoptochten en in 1511 als sneeuwpop in Brussel. Allicht zijn de gevonden insignes met het Aristoteles-onderwerp gekocht tijdens opvoeringen van volkstonelen. Opmerkelijk is dat de insignes de nadruk leggen op de sterk erotische weergave van het gegeven: geen enkele andere laatmiddeleeuwse beeldbron toont zo expliciet de seksuele opwinding van de filosoof.

 

 

HET ONEERBARE VERDWIJNT

 

Insignes met verhalende taferelen illustreren zowel volkswijsheden als verhalen van rondtrekkende toneelgezelschappen en vertellers. Bij dergelijke openbare vertoningen vervalt de grens tussen religieus en profaan, tussen rijk en arm die samen naar hetzelfde spektakel kijken. Na het schouwspel zijn de toehoorders in de ideale stemming voor de aankoop van insignes. Men mag aannemen dat profane insignes samen met religieuze tekenen zijn verkocht. Hoewel de kerk op veel plaatsen het alleenrecht heeft op productie en verkoop van devotionalia, zijn er clandestiene kraampjes te vinden in de omringende straten. In een Zuid-Nederlandse prent van rond 1500 - met zestien voorstellingen gewijd aan liefde, seksualiteit en vruchtbaarheid - draagt een nar een dienblad vol fallussen; precies zoals de verkopers van religieuze insignes hun goederen presenteren. De doorgedreven commercialisering van de heiligdommen is het onderwerp van een aantal spottende insignes. Een als pelgrim vermomde vulva komt in vele varianten voor. Zij is uitgerust met pelgrimshoed, stevig schoeisel, rozenkrans en pelgrimsstaf. Op de schouders heeft ze als pelgrimsteken een fallus-insigne opgespeld.

 

Vanaf de tweede helft van de vijftiende eeuw evolueren niet-religieuze insignes tot louter decoratieve sieraden. Een heel repertoire dat in de veertiende eeuw nog volop voorkomt, is in de zestiende eeuw verdwenen. Er is duidelijk een tegenstelling ontstaan tussen wat eerbaar en oneerbaar, acceptabel en niet-acceptabel is. Een spottende bijdrage aan dit dispuut is een Vlaamse diptiek, een persiflage op de rijke traditie van devote tweeluiken met het portret van de opdrachtgever en Maria met Kind. In gesloten toestand waarschuwt een charmante jongeman: 'laet dit hert gheslote(n) ha(n)ge(n), oft ghy sult sien my(n) bruy(n) wa(n)g(en)'. Wie het tweeluik toch opent, ziet een ontbloot achterwerk, waaronder geschreven staat 'Mi te misdienen en wilt nyet syn fel, want ic waerscoude te vor(n) wel'. Op het rechterluik ondersteunt een grimastrekkende man de boodschap: 'En deet waerschouwe(n) vuyl scorste druyt, Ic deed u springen ter venster vuyt'.

 


 

'TEEKEN' VAN DE PELGRIMAGE

KOOPWAAR VOOR DE REIZIGER IN GODS NAAM

 

 

Elke bedevaart is erop gericht de gelovige dichter tot het religieuze ideaal te brengen. De mooiste en tegelijk moeilijkste bedevaart leidt naar Jeruzalem. Het hemelse Jeruzalem bereiken wordt verzekerd door een deugdelijk aards leven. Ontberingen en devotie helpen de pelgrim daarbij onderweg. De stoffelijke resten van heiligen die de pelgrim in diverse pelgrimsoorden ontmoet, maken het abstracte reisdoel concreet en tastbaar. Pelgrimsinsignes zijn devotionele souvenirs. Ze vormen een visueel en materieel houvast voor de reizigers zelf en voor ieder die hen ontmoet. Terug thuis bevatten zij de kracht en magie van het ver weg gelegen heiligdom.

 

 

PALSTER ENDE SCERPE NEMEN

 

De pelgrim is goed herkenbaar aan zijn kleding. Er is de ruimvallende mantel, met korte schouderkap waarop de bedevaarder schelpen en insignes kan aanbrengen. De breedgerande hoed, waarvan de opgeslagen voorzijde ook uiterst geschikt is om pelgrimstekens op te spelden, komt er pas vanaf de vijftiende eeuw. Essentieel zijn stevig schoeisel en een sterke gordel waaraan ondermeer een veldfles bevestigd kan worden. De wandelstaf en etenstas zijn de attributen bij uitstek, ook gekend als palster (staf) en scerpe (leren of linnen tas). Boven de handgreep van de staf bevinden zich een aantal stevige knopen en vaak ook een haak om de kalebas of drinkfles, schelp of reistas aan te bevestigen. De staf dient niet alleen om steun te geven aan overbelaste ledematen of op slecht gebaande wegen; de pelgrim kan hem als wapen gebruiken om dreigende honden weg te houden. Een veldfles behoort eveneens tot de standaarduitrusting van elke bedevaartganger. Tenslotte is er nog de pelgrimshoorn, bestaande uit een trompetachtig mondstuk en een naar buiten uitlopende klankbeker. De korte zijde van de gekromde hoorn heeft meestal twee aangebakken ophangogen, bestemd om er een draagriem aan te bevestigen. Bij processies en reliektoningen wordt met hoorngeschal en oorverdovend gejuich het heilige object begroet en gevierd.

 

Pelgrimage zorgt voor een grote mobiliteit in de laatmiddeleeuwse wereld. Devotionele reizen kunnen tot veilige, korte regionale uitstapjes beperkt blijven, maar ook uitgroeien tot jarenlange verre en avontuurlijke tochten. De reisroutes worden niet louter uit religieuze motivatie bepaald; ook handelsbelangen spelen mee. De handel met noordelijke streken verliep via de Hanze, waardoor de bedevaartsplaatsen binnen dit handelsgebied hun plaats krijgen in de devotie: het Noordduitse Wilsnack, het Engelse Canterbury of Saint Andrews in Schotland. De pelgrim vindt zijn weg door zich aan te sluiten bij groepen reizigers, hij kan terugvallen op de ervaringen van lotgenoten en onderweg instructies krijgen. De geletterde bedevaarder heeft route-overzichten, kaarten en plattegronden ter beschikking om de reis voor te bereiden. De bedevaarder kan rekenen op subsidiering. Stedelijke overheden, maar ook gilden en families, voelen zich financieel verantwoordelijk voor hun pelgrims. En natuurlijk komt de bedevaart ook de steun verlenende medemens ten goede.

 

 

IN GROTE HOEVEELHEID OVER DE TOONBANK

 

In principe toont het pelgrimsteken een voor de gelovige onmiddellijk herkenbare en liefst plaatsgebonden of, beter nog, devotiegebonden afbeelding. Het insigne is verondersteld iets van het heilige in zich op te nemen, door aanraking met het heilige, door spiegeling ervan of door zegening. Een duidelijke gelijkenis met het cultusobject maakt die magische intrinsieke waarde des te meer aannemelijk. De twaalfde-eeuwse pelgrimsgids Iter Sancti Jacobi beschrijft hoe in het noordportaal van de Jacobskerk te Santiago kamschelpen worden verkocht. Alles waar de toestromende pelgrims belangstelling voor kunnen hebben, is er te koop. Binnen het kerkelijk territorium gebeurt dit onder controle, in de stad zonder enige beperkingen. Wijnzakken, schoenen, knapzakken, leren veters en riemen en geneeskrachtige kruiden: langs de toegangswegen naar de kathedraal zijn talrijke kooplui te vinden.

 

Een vergelijkbare situatie doet zich voor in andere druk bezochte bedevaartsplaatsen. Jammer genoeg zijn de bronnen met precieze verkoopreglementeringen schaars. Dat geldt ook voor afbeeldingen van verkoopssituaties. Een miniatuur in een laatvijftiende-eeuws manuscript brengt als één van de 'vijftien vreugdes van het huwelijksleven' een pelgrimstocht in beeld. Langs de toegangsweg tot de bedevaartskerk zijn aan beide kanten kramen opgesteld. Tussen het gekleurde textiel en de andere souvenirs zijn vast en zeker ook insignes te vinden. Van sommige bedevaartsplaatsen kennen we het aantal pelgrimstekens dat over de toonbank is gegaan. Het Zwitserse Einsiedeln viert in 1466 het jubileum van het miraculeuze Mariabeeld. In iets meer dan twee weken tijd zijn daar 140.000 insignes verkocht, ongeveer 9.300 per dag. Vlaamse bedevaartplaatsen waarvan cijfers beschikbaar zijn steken hier bescheiden bij af. Zo zijn in 1472 op Sint-Jobsdag in het Brabantse Wezemaal 53 dozijn 'teekens' verhandeld, goed voor 636 stuks. Kleinere aantallen dus, maar over een periode van een eeuw tikt dit aan tot enorme hoeveelheden.

 

 

HET AANRAKINGSCONTACT VAN HET PELGRIMSTEKEN

 

'Au vrient', vertel ons, 'de teekens die ghy draegt an uwen hoet waar breng je die vandaan?' Waarop hij antwoordt: 'Van tHelich Bloet, van Onser Vrauwen, van Synte Nyclaeus, Ic hebbe te Roome ghesien den paeus'. Deze bondige beschrijving van een ervaren pelgrim komt voor in het zestiende-eeuws toneelstuk Tspil van den Berch van de Brugse rederijker Cornelis Everaert. De aangesproken bedevaarder heeft insignes opgespeld van het Heilig Bloed te Wilsnack (Noord Duitsland), van een niet nader genoemd Maria-bedevaartstoord, van de Heilige Nicolaas waarmee het Italiaanse Bari of het Franse Saint-Nicolas-de-Port bedoeld moet zijn, en van Rome. Dergelijke bronnen geven inzicht in de actieradius van de middeleeuwse reiziger.

 

Bij de pelgrimage worden de pelgrimstekens niet alleen gezegend. De bedevaarder drukt ze tegen het heiligengraf, de reliekhouder of het heiligenbeeld, met de bedoeling iets van het heilige mee naar huis te nemen. Het spiegelinsigne is het duidelijkste voorbeeld. Via het spiegeltje kan de pelgrim het beeld van het vereerde object opvangen en bewaren. Het is een handige oplossing voor de druk bezochte bedevaartsplaatsen, waar niet alle pelgrims tot dicht bij de relieken kunnen komen. Vanaf het midden van de vijftiende eeuw duiken spiegelinsignes op in talrijke pelgrimsoorden. Een van de meest sprekende voorstellingen is de krans van bolle spiegels die een pelgrim draagt op het paneel van de Meester van de Lucialegende in de Sint-Jacobskerk te Brugge. Alle kwaad dat deze pelgrim onderweg kan overkomen, zal steeds geconfronteerd worden met het eigen kwaadaardige spiegelbeeld en de beschermende uitstraling van de heilige die in de spiegeltjes is opgevangen.

 


 

JERUZALEM, ROME EN SANTIAGO

DE BELANGRIJKSTE BEDEVAARTPLAATSEN VAN HET WESTEN

 

 

De bedevaarten naar de drie heilige steden Jeruzalem, Rome en Santiago de Compostela worden de 'peregrinationes maiores' genoemd, de grotere pelgrimages. Slechts weinigen combineren de drie tot een gigantische reis omdat het minstens een jaar tijd vergt. Tijdens dezelfde bedevaart zowel Rome als Santiago aandoen, komt vaker voor. Wie naar één van de drie heilige steden trekt, bezoekt onderweg ook de kleine heiligdommen. En overal aanschouwt hij heiligenlevens en wonderverhalen, bekijkt hij relieken en koopt souvenirs.

 

 

JERUZALEM, HET HEILIG MAAR VERRE LAND

 

Jeruzalem komt hiërarchisch op de eerste plaats. In deze stad is Christus gekruisigd en begraven. De volledige Passie van Christus is er te volgen. Uit het Heilig Land worden bedevaartsampullen gevuld met Jordaanwater als gewijd souvenir meegebracht. Het meest karakteristieke teken voor de Jeruzalemvaarder is de palmtak die herinnert aan de intocht van Christus op Palmzondag.

 

De bedevaart naar Jeruzalem is een gevaarlijke, verre en dure reis die slechts weinigen kunnen ondernemen. Wie dicht bij huis toch een beeld van de stad wil krijgen, kan terecht bij grootschalige architectuurkopieën, uitzonderlijke relieken in schatkamers van kerken en bij afbeeldingen in manuscripten en boeken. Of men zo een reëel beeld van Jeruzalem opvangt is de vraag, want de werkelijke en symbolische weergave van de stad lopen in de middeleeuwen voortdurend door elkaar. De productie van steeds kostbaardere en nauwkeurigere schaalmodellen van de Heilig Grafkerk is tekenend. Zijn ze in de middeleeuwen nog van steen, loodtin en edelmetaal gemaakt, vanaf de zestiende eeuw gebruikt men andere kostbare materialen. Bijzonder waardevol is een olijfhouten schaalmodel, ingelegd met parelmoer, been en ivoor.

 

 

ROME, HET WAARDIGE ALTERNATIEF

 

Rome, de uitvalsbasis van de pausen, is het centrum van het middeleeuwse christendom. De begraafplaats van de apostelen Petrus en Paulus is na Jeruzalem het hoogst gewaardeerde bedevaartsdoel. Naarmate het Heilig Land minder toegankelijk wordt, is Rome meer en meer een volwaardig alternatief. De pelgrim bezoekt niet alleen de Sint-Pietersbasiliek en de apostelgraven. Alle Zeven Hoofdkerken van Rome, vaak nog aangevuld met andere kerken en kapellen, behoren tot de vaste pelgrimsroute. De relikwieën bieden de gelegenheid het hele leven van Christus te volgen: van navelstreng, moedermelk en windselen uit de kribbe, tot Judas' zilverlingen, stukken geselkolom, doornenkroon en kruishout... Via deze en talloze andere relieken kan de Rome-pelgrim zich geestelijk in het Heilig Land verplaatsen.

 

Het Vera Icon, de doek waar aan Christus zijn bebloede en bezwete gezicht tijdens de kruisweg laat afdrogen door Veronica, is in de late middeleeuwen een van de meest kostbare relieken in Rome. Vanaf de dertiende eeuw wordt het doek jaarlijks vanuit de Sint-Pieter in processie naar een andere Romeinse kerk gedragen. Gelijktijdig ontstaan pelgrimstekens met de Vera Icon, veelal van beschilderd leer en perkament, maar ook van metaal.

 

Het meest kenmerkend voor de Rome-reiziger zijn pelgrimstekens die de sleutels van Petrus weergeven. Als opvolger van Christus op aarde ontvangt Petrus de sleutelmacht, waarmee hij toelating kan verlenen tot de hemel.

 

 

COMPOSTELA, VOLKSBEDEVAART BIJ UITSTEK

 

Vanaf de late achtste eeuw ontstaat de bedevaart naar het graf van apostel Jacobus de Meerdere in Santiago. Vanaf de elfde eeuw is het de meest populaire bedevaartsplaats van het Christelijke Westen. De reis is volledig over land af te leggen, waardoor de tocht naar Compostela de volksbedevaart bij uitstek wordt. Maar ook in hogere sociale klassen blijft het een uiterst geliefde bestemming.

 

Het patroonschap van de apostel Jacobus als beschermheilige van de bedevaartgangers staat centraal in diens verering. Geleidelijk wordt hij zelf afgebeeld als pelgrim; dus als spiegelbeeld van de bedevaartgangers die zijn graf bezoeken. Als pelgrimsteken brengen ze de overbekend geworden Jacobsschelp mee naar huis. De meest waarschijnlijke verklaring hiervoor is dat de Jacobsschelpen massaal naar Compostela zijn gebracht als voedsel voor de pelgrims, die zich vervolgens tooien met de voor hen exotische en opvallende schelpen. Ze zijn dikwijls voorzien van een in loodtin of ander metaal gegoten versiersel met de voorstelling van Jacobus. In de latere middeleeuwen vervaardigt men imitaties van de Jacobsschelp, gesneden uit been en ivoor of vervaardigd uit metaal.

 


 

WAAR MEN GAAT LANGS VLAAMSE WEGEN

BRUGGE EN ANDERE DEVOTIEPLAATSEN

 

 

In Vlaanderen zijn er heel wat laatmiddeleeuwse Maria-devotieplaatsen die passen in een algemeen West-Europees patroon. Daarnaast is er veel plaatsgebonden heiligenverering. Dikwijls hebben ze een regionaal bereik, soms een ruimere, zelfs internationale, uitstraling. In en bij veel Vlaamse kapellen, kerken en abdijen kan de pelgrim insignes kopen. Sommige kloosters en kerken ondernemen bedeltochten met hun reliekschrijn of mirakelbeeld. In het kielzog van deze 'questierders' zijn niet alleen collectebussen en offerschalen rondgegaan, maar zijn ook passende devotionalia verkocht.

 

Vanaf de late dertiende tot ver in de vijftiende eeuw is Brugge de belangrijkste handelsstad van noordwest Europa en trekt vele vreemdelingen aan. Zowel in oppervlakte als in aanzien domineert de Kerk het laatmiddeleeuwse Brugge. Zeven parochiekerken, eenentwintig kloosters en acht liefdadigheidsinstellingen beheersen het stadsbeeld. Vandaar dat Brugge ook wel omschreven wordt als 'het nieuwe Jeruzalem'. Brugge kent in de late middeleeuwen veel devoties, waarvan er verschillende ook pelgrims van buiten de stad aantrekken. Vier belangrijke bedevaartsdoelen staan centraal: de Heilig-Bloedkapel, het Sint-Janshospitaal, de Onze-Lieve-Vrouw van de Potterie en de Jeruzalemkapel.

 

 

HEILIG-BLOEDKAPEL EN ONZE-LIEVE-VROUW TER POTTERIE

 

In het midden van de twaalfde eeuw laat kruisvaarder graaf Diederik van den Elzas de Burchtkapel op de Brugse Burg herbouwen tot Sint-Basiliuskapel. De reliek van het Heilig Bloed van Christus komt in de eerste helft van de dertiende eeuw naar Brugge en krijgt een plaats in de bovenkapel van de Heilig-Bloedbasiliek. Gevat in een glazen ampul bevindt zich een druppel bloed die van Christus zelf afkomstig zou zijn. Sinds 1388 is de ampul besloten in een glazen kokertje met gouden montuur. Het Heilig Bloed wordt de bekendste van alle Brugse relieken. De verering neemt zo'n hoge vlucht dat in de veertiende eeuw de uitbreiding met de Heilig-Kruiskapel, een tweede ruimte aan de zuidzijde van de bovenkapel, noodzakelijk is. Vanaf het einde van de dertiende eeuw groeit de jaarlijkse processie op 3 mei uit tot het hoogtepunt in de verering. In de optocht lopen burgerlijke en geestelijke hoogwaardigheidsbekleders en vertegenwoordigers van gilden en ambachten. Nog elk jaar op Onze-Lieve-Heer Hemelvaart vindt 'Brugges mooiste dag' plaats. Via laatmiddeleeuwse tekeningen weten we dat de leden van het broederschap 'vanden heleghen bloede' op hun toga een voorstelling geborduurd hebben van een pelikaan die zijn jongen voedt met zijn eigen bloed. Die was ook afgebeeld op de verdwenen gebrandschilderde ramen van de Heilig-Bloedkapel. De talrijke teruggevonden insignes met voorstelling van de pelikaan zijn onlosmakelijk te verbinden met deze Brugse devotie.

 

Een andere Brugse trekpleister, zij het slechts van regionaal belang, is het miraculeus Mariabeeld in het gasthuis Onze-Lieve-Vrouw ter Potterie, een armenhospitaal voor vrouwen. Het hooggotisch beeld van witte steen dateert van circa 1300. Oorspronkelijk bevindt het zich aan de buitenzijde tegen de gevel van de Potteriekerk. Onder toenemende druk van de vereerders plaatst men het in de loop van de vijftiende eeuw in de kerk. In 1625 verhuist het naar de toen ingewijde Onze-Lieve-Vrouwebeuk. Het opvallende levensgrote Mariabeeld van de Potterie vormt geleidelijk aan het onderwerp van een eigen cultus. De wonderen van Onze-Lieve-Vrouw van de Potterie spelen hierbij een hoofdrol. Ze zijn opgeschreven in een vroeg zestiende-eeuws mirakelboekje dat de belangrijkste verhalen vertelt aan de hand van zestien tekeningen. Deze vormen het uitgangspunt voor een reeks wandtapijten die tot op vandaag bij het mirakelbeeld hangen. Opmerkelijk is de stereotype voorstellingswijze van Maria: steeds verschijnt ze als stralenkransmadonna. Vanaf de vroege zeventiende eeuw zijn er van zilverblik geslagen medailles van de Potterie, bedevaartvaantjes en gedrukte prentjes beschikbaar. Maar wellicht zijn er ook vroeger al insignes met de afbeelding van het wonderbeeld verkocht. Zo is in Middelburg een pelgrimsteken gevonden, waarbij het staande beeld van Maria met Kind aan weerszijden van haar voeten de gotische letter b heeft gekregen, een verwijzing naar Brugge.

 

 

SINT·JANSHOSPITAAL EN JERUZALEMKAPEL

 

Het Sint-Janshospitaal, met drie monumentale ziekenzalen, is in het midden van de twaalfde eeuw gesticht. Volgens een reglement uit 1188 moet het zowel zieken opnemen als gastvrijheid verlenen aan behoeftige pelgrims. Dat zijn voor het grootste deel passanten, maar sommige komen ook voor de in het hospitaal gevestigde devoties. In het Sint-Janshospitaal zijn verschillende heiligen vereerd. Bedevaartgangers komen vooral naar de patroonheilige van de hospitaalkapel: Sint-Cornelius. In de late veertiende eeuw krijgt de Corneliusgilde de beschikking over een eigen kapel. Hiervoor is omstreeks 1400 een groot beeld gecreëerd. Cornelius is voorgesteld als paus met een tiara op het hoofd, een staf in de linkerhand en een jachthoorn in de rechterhand. Dit laatste attribuut verwijst naar de woordovereenkomst tussen het Latijnse cornu (hoorn) en de naam van de heilige. Cornelius wordt in het Sint-Janshospitaal meestal samen vereerd met de heilige Ghislenus. Beiden gelden ondermeer als beschermer bij epilepsie en mentale aandoeningen. In het hospitaal zijn pelgrimsinsignes, waarop de twee heiligen zijn afgebeeld , aan de gelovigen verkocht.

 

De Jeruzalemkapel is in 1424-1429 gebouwd door de familie Adornes, een vooraanstaande Genuese handels- en bankiersfamilie die al ruim een eeuw in Vlaanderen was gevestigd. Bijna een halve eeuw later laat Anselm Adornes, als monumentaal aandenken aan zijn 'groote voyaige' naar Jeruzalem en het Catharinaklooster op de berg Sinaï, de kapel ingrijpend verbouwen. Vooral in de toren verwijst het curieuze gebouw als architectuurkopie naar de Heilig Grafkerk te Jeruzalem. Het vernieuwde interieur is ook uiterst symbolisch uitgewerkt. Zowel het Heilig Graf is er weergegeven, als de berg Golgotha via de hoger gelegen kruiskapeL In de kapel komt de Brugse Broederschap van Jeruzalemvaarders bijeen. Het streefdoel van Anselms architecturale veranderingen is duidelijk: de kerk moet als plaatsvervangend bedevaartsdoel dienst kunnen doen. Het gebouw zelf functioneert daarbij als een reusachtige reliekhouder. Tijdens zijn bedevaart heeft Anselm gewijde relieken verzameld . In de Jeruzalemkapel kan de pelgrim een hele rondreis maken langs allerlei heilige plaatsen uit het Nieuwe Testament.

 

Ook de verdere aankleding van de Jeruzalemkapel dient houvast te geven bij de lijdensdevotie. Het altaarstuk dat Jan Provoost, zelf lid van de Jeruzalembroederschap, omstreeks 1505 schildert, speelt een cruciale rol. Het moet opgesteld zijn in de boven- of Kruiskapel, waarvan het altaar gewijd is aan de heilige Catharina. Eén meter twintig hoog, en geopend meer dan vier meter breed, zal het grote paneel meteen voor ontzag gezorgd hebben. Als hoofdonderwerp is op het middenpaneel de kruisiging op de Calvarieberg in beeld gebracht. De eigenlijke kruisiging is voltrokken. Johannes en de Maria's treuren op de voorgrond. Alle anderen trekken in een lange stoet terug naar Jeruzalem, dat behoorlijk realistisch is weergegeven. De luiken zijn gewijd aan Catharina van Alexandrië; links in twistgesprek met heidense wijsgeren, rechts wordt ze onthoofd. Het drieluik is verspreid geraakt over musea in Brugge (Groeningemuseum), Antwerpen (K.M.S.K.) en Rotterdam (Boijmans-Van Beuningen).

 

 

CHRISTUS EN MARIA, OVERAL AANWEZIG

 

Maria met Kind zijn in Vlaanderen op vele plaatsen vereerd, al zijn relieken van zowel Christus als Maria heel zeldzaam. Beiden zijn immers met lichaam en ziel ten hemel opgenomen. Naar Christus verwijzen vooral fragmenten van het kruis. In Antwerpen wordt een uitzonderlijk 'echte' reliek van Christus aanbeden: zijn voorhuid. Ze is net na de dood van Godfried van Bouillon geschonken aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk.

 

Van Christus en van Maria zijn er heel wat beeltenissen, schilderijen of beeldhouwwerken die miraculeus blijken te zijn. Het wonderbeeld van Hulsterloo, uit het midden van de twaalfde eeuw, is een van de oudste bewaard gebleven mirakelbeelden in de Nederlanden waarrond een bijzondere verering ontstaat. Van het volgens de lokale traditie in 1339 uit de zee gehaalde kruisbeeld van Damme blijft slecht een klein fragment bewaard, waarrond tot vandaag een sterke devotie bestaat.

 

Aardenburg, Boudelo, Geraardsbergen, Ninove en Gistel zijn slechts enkele van de laatmiddeleeuwse devotieplaatsen waarvan insignes bekend zijn. Het meest complete beeld van de Vlaamse bedevaartsoorden is te vinden in overzichten van opgelegde bedevaarten. Zowel stedelijke en landelijke overheden als kerkelijke instanties leggen strafbedevaarten op. Ze hadden een dubbel doel: enerzijds de loutering van de veroordeelde en het zielenheil van de slachtoffers, anderzijds de tijdelijke verbanning van de veroordeelde. Alle mogelijke gecombineerde bedevaarten zijn als straf bedacht, soms ook verbonden aan een minimale reistijd. Enige relatie tussen de overtreding en het bedevaartsoord lijkt er niet te zijn, wel tussen de zwaarte van de tocht en de ernst van het delict. Verplichte Maria-bedevaarten komen het meeste voor. Een Brugse veroordeling uit 1427 is extreem zwaar. Een man moet achtereenvolgens bedevaarten afleggen naar Rome, Santiago en Bari (Italië). Na elke terugkomst dient hij binnen de drie weken opnieuw te vertrekken. Als de drie bedevaarten volbracht zijn, moet hij bovendien nog een vol jaar buiten Vlaanderen verblijven. Als hij zijn straf niet volgt, riskeert hij onthoofding. Aanvankelijk moeten de veroordeelden de strafbedevaarten ook werkelijk uitvoeren. Vanaf de vijftiende eeuw zijn zo goed als alle opgelegde bedevaarten afkoopbaar. Bij kerkelijke veroordelingen is afkopen niet zo gemakkelijk.

 

In Gent, Aalst, Dendermonde en Oudenaarde zijn omvangrijke lijsten van verplichte pelgrimages bewaard. Het Oost-Vlaamse Geraardsbergen, waar men de heilige Adrianus vereert, komt weinig voor onder de strafbedevaarten. Toch moet de stad vaak het reisdoel voor bedevaarten geweest zijn, gelet op de grote aantallen insignes die vaak tot op grote afstand van Geraardsbergen zijn teruggevonden. Veel Vlaamse bedevaartsoorden zijn ondertussen verdwenen. Bij andere, zoals in Gistel, is de traditie nog springlevend. De eerste zondag na haar feestdag, 6 juli, gaat er nog jaarlijks de Godelieveprocessie door.

 


 

GEESTELIJKE PELGRIMAGE

BEDEVAARTEN ZONDER ECHT OP REIS TE GAAN

 

 

In de late middeleeuwen krijgt pelgrimage een negatieve bijklank. Bedevaartgangers zouden als een slechter mens terugkeren, in plaats van gelouterd. En hoe aantrekkelijk het ook is om de gewijde plaatsen persoonlijk te bezoeken, stilaan groeit het besef dat het helemaal niet nodig is om op reis te gaan. Elke christen kan 'in spiritu' - door het gebed - de levensweg van Christus, Maria en de heiligen volgen. Wanneer hij dat oprecht doet, levert de geestelijke pelgrimage een even hoog immaterieel rendement als de werkelijk afgelegde bedevaartstocht.

 

De laatgotische bidkapel die Lodewijk van Gruuthuse in 1472 laat bouwen tussen zijn stadspaleis en de aangrenzende Onze-Lieve-Vrouwekerk, moet een ideale plaats geweest zijn voor een individuele geestelijke bidtocht. Lodewijk heeft zicht op het hoogaltaar, de kooromgang en enkele van de straalkapellen; maar ook op zijn eigen toekomstige grafplaats en op de familiegrafmonumenten.

 

 

EN DE KONINGIN BLEEF THUIS

 

Afbeeldingen waarbij de hele Passie van Christus gesitueerd is in en rond een gedetailleerd zicht op Jeruzalem zijn bedoeld als houvast tijdens het gebed. Door naar het schilderij te kijken, kan de biddende gelovige een pelgrimage afleggen waarin zich simultaan vele scènes uit het passieverhaal afspelen: van de Intocht in Jeruzalem tot de Hemelvaart. Soms zijn de devotie-schilderijen voorzien van letteraanduidingen die dienen als hulpmiddel voor de spirituele reis. Rond 1495 schildert een onbekend Brugs meester dergelijk memorieschilderij, vermoedelijk als geschenk van keizer Maximiliaan I aan zijn nicht koningin Eleonora van Portugal en haar schoondochter Isabelle van Aragon. Op een bidbank op de voorgrond zijn ze weergegeven als vrome weduwen, treurend om de dood van hun echtgenoten, respectievelijk schoonvader en zoon. Dankzij het schilderij kunnen ze zich samen spiritueel naar Jeruzalem verplaatsen en er de Passie volgen. Van statie naar statie maken ze een geestelijke tocht door de Heilige Stad, die eindigt waar hij begon en dus zorgt voor een eindeloze gebedencyclus.

 

Ook gebedenboeken en gebedssnoeren zijn hulpmiddelen bij geestelijke tochten. Laatmiddeleeuwse gebedssnoeren bestaan in vele variëteiten, afhankelijk van de gebedencycli: hoe meer gebeden, hoe langer het snoer. Sommige bidsnoeren zijn extra uitgewerkt met afbeeldingen die naar de Verlossing verwijzen, andere vestigen de aandacht op de vergankelijkheid door tussen de kralen of als afsluiting doodskoppen en andere symbolen te voegen.

 

Opmerkelijk bij geestelijke pelgrimage is dat steeds de bedevaart letterlijk wordt geïmiteerd. Binnen de kloostermuren zijn symbolisch gemarkeerde wandelroutes uitgedacht en stappen de kloosterlingen van halte naar halte. 'Onderweg' bidden ze evenveel paternosters als er mijlen zijn tussen hun klooster en het echte pelgrimsoord. In navolging hiervan ontstaan vanaf de vijftiende eeuw op tal van plaatsen kruiswegstaties in openlucht. Zo wordt concreet houvast geboden voor de geestelijke pelgrimage, de bedevaart zonder echt op reis te gaan.

 

 

DE BOODSCHAP BEKRACHTIGEN

 

Duurdere pelgrimsinsignes, dunner van uitvoering en vaak in zilver of koper, worden vanaf de vijftiende en zestiende eeuw als kostbaarheden bewaard. Vaak zijn ze verwerkt in andere religieuze voorwerpen. Door insignes in getijdenboeken en manuscripten te naaien of te lijmen, verbindt de gelovige de lichamelijke inspanning van de pelgrimage met godsvruchtige oefeningen. Het gebed tot een bepaalde heilige krijgt een extra accent door een pelgrimsteken afkomstig van een aan die heilige gewijd bedevaartsoord in het boek te bewaren. De insignes maken het de lezer mogelijk om in gedachten en dankzij aanraking van de tekens die heiligdommen opnieuw te bezoeken. Andere insignes en kostbare devotionele sieraden zijn als hangertjes bevestigd aan reliekhouders, of bevestigd op een heiligenbeeld of processiekruis.

 

Soortgelijke verzamelingen insignes zijn ook bijeengebracht in Besloten Hofjes , kleine sterk op privé-devotie gerichte verzamelkastjes, waarin heiligenbeeldjes omringd zijn met allerlei relieken en kleine devotionele en decoratieve objecten. Het Besloten Hofje vormt een afgesloten wereld, waarbij de gelovige langs alle verzamelde elementen een spirituele pelgrimage kan maken. Schrijnwerkers en beeldhouwers vervaardigen de kasten en de heiligenbeeldjes, de kloosterzusters zorgen zelf voor het verpakken van de relieken, de aanmaak van de zijden bloemen en dieren en de beschrijvende briefjes en teksten die her en der in de kastjes zijn aangebracht. Insignes spelen in iconografisch opzicht een belangrijke rol in de Besloten Hofjes, omdat zij de boodschap bekrachtigen die via de heiligenbeeldjes en relieken wordt weergegeven.

 

Zelfs tot na de dood moet het insigne functioneren. Op de begraafplaats van de Duinenabdij te Koksijde zijn bij archeologische opgravingen enkele skeletten aangetroffen met een Jacobsschelp. De doden nemen hun insigne mee het graf in, zodat ze aan het einde der tijden - bij de wederopstanding - als pelgrims herkend zullen worden. Uitzonderlijk zijn pelgrimsinsignes ook teruggevonden in de fundamenten van een bouwwerk. Ze zijn aangebracht om heil en zegen te verkrijgen over het huis en zijn bewoners. Tegen het einde van de zestiende eeuw verdwijnt het als massaproduct gegoten insigne zo goed als volledig, op enkele locale uitzonderingen na. Gedrukte papieren bedevaartvaantjes en prentjes in hoogdruk (houtsnede) of diepdruk (gravure) komen er voor in de plaats. Ook uit bladkoper of zilver geslagen insignes maken in de tweede helft van de zestiende eeuw plaats voor gegoten of gestempelde medailles, die men als hangertje draagt.

 


 

HET INSIGNE, DE MIDDELEEUWSE PIN

MASSAPRODUCTIE MET INTERESSANTE INFORMATIE

 

 

Zoals elders in Europa zijn in het laatmiddeleeuwse verstedelijkte Vlaanderen bijna overal insignes gemaakt en verkocht. Afhankelijk van materiaal en uitvoering zijn uiteenlopende productiemethoden mogelijk. Voor loodtinnen speldjes is de aanmaak vrij gemakkelijk: men snijdt een mal, smelt een hoeveelheid tin of lood en giet het in de mal. Even wachten tot het afkoelt en het insigne is klaar. Het gieten van loodtinnen insignes is dankzij de lage smelttemperatuur een eenvoudige zaak. Op veel bedevaartsplaatsen worden de pelgrimstekens ter plekke gegoten in mallen die door edelsmeden of vorm- en stempelsnijders zijn geleverd.

 

Voor het insigneresultaat is de kwaliteit van de mal essentieel, en die varieert van zeer primitief tot uiterst verfijnd vakmanschap. Meestal zijn insignes gegoten in vormen van zeer fijnkorrelige of gladde natuursteen, zoals leisteen en kalksteen. Naarmate de productie stijgt, dient men over meerdere gietmallen te beschikken. Daar elke mal met de hand is gesneden, zijn er toch steeds minimale verschillen tussen ogenschijnlijk identieke pelgrimstekens. De aankoop van een stenen gietmal betekent een relatief forse investering en daarom zal men een gebroken mal zo vaak als mogelijk herstellen. Wanneer ze onbruikbaar wordt, snijdt men uit de resterende vlakken weer andere gietvormen. Bronzen gietmallen komen ook voor, maar ze zijn nog minder bewaard dan de stenen vormen omdat het brons telkens opnieuw is versmolten. Voor kleinschalige productie gebruikt men vooral afgedankt tin. Ingeleverd oud metaal, vooral borden en kannen, wordt ruimschoots aangewend voor het insignegietwerk. Op zeer druk bezochte bedevaartplaatsen moet de productie bijna volledig van nieuw metaal zijn uitgegaan. Onderzoek naar de samenstelling van de loodtin-legering wijst er op dat insignes uit druk gefrequenteerde pelgrimsoorden een nauwkeuriger verhouding respecteren van drie delen tin op twee delen lood, wat zowel de metaalkwaliteit als het gietproces ten goede komt.

 

 

MASSAPRODUCT VAN DE MIDDELEEUWEN

 

Het insigne is een massaproduct. Pelgrims uit alle windstreken komen samen en nemen identiek beeldmateriaal mee. Thuis wordt dit gekopieerd, waardoor een vermenigvuldiging van dezelfde beeldtaal ontstaat. Ruim 250 jaar voor de introductie van de grafiek is het insigne een van de weinige middeleeuwse bronnen die duidelijk verwijst naar de massa. De op bedevaarten en kermissen verworven tekens zijn op de kleding, maar zeker ook in de bagage mee naar huis genomen. Daar spelen ze, al dan niet doorgegeven aan anderen, nog een tijdlang een devotionele rol. De goedkope loodtinnen exemplaren raken na verloop van tijd verloren of zijn weggegooid.

 

Vlaanderen is in de twaalfde tot zestiende eeuw samen met Noord Italië de meest welvarende streek ter wereld, en dit dankzij het drukke internationale handelsverkeer. Die commerciële activiteit laat haar sporen na in de bodem. Eeuwen later komen insignes terug aan de oppervlakte bij stadskernonderzoek en tijdens graafwerkzaamheden met behulp van de metaaldetector in afvallagen en andere archeologische contexten. Ze zijn ontdekt in oude woonkernen, langs oude wegen en waterlopen. Enkele locaties in Vlaanderen zijn uiterst rijk wat betreft teruggevonden religieuze en profane insignes. Daarbij speelt de bodemgesteldheid een bepalende rol: in vette, natte en zuurstofarme lagen blijven kleine metalen objecten en organische materialen goed bewaard, in zandige waterdoorlatende grond gaan metalen en andere voorwerpen snel verloren. In Brugge, Sluis en Ieper zijn om die redenen veel insignevondsten gedaan, terwijl er uit Gent, Kortrijk en Rijsel nauwelijks bekend zijn.

 

Toevallig aangesneden oude afval- en ophopingslagen kunnen het beeld ineens ingrijpend veranderen. Uit het Noord-Brabantse 's Hertogenbosch bijvoorbeeld waren nauwelijks insignes gekend, tot in de jaren negentig bij opgravingen op één locatie honderden insignes aan het licht komen. Er worden meer religieuze insignes gevonden dan profane; een verhouding van tweederde religieus tegen eenderde profaan.

 

 

GEBEURTENIS IN ÉÉN BEELD GEVAT

 

Een houvast om insignes te interpreteren is dikwijls moeilijk te vinden. Pelgrimstekens vormen een relatief duidelijke groep, omdat het insigne steeds verwijst naar een herkenbaar aspect van de cultus: het mirakelbeeld, het gebouw, een belangrijke scène uit het heiligenleven... Dikwijls bevestigen opschriften de herkomst en de devotie. Profane insignes vormen een heterogene groep, waarbij imitatie van de elitecultuur door lagere sociale klassen een belangrijke rol speelt. Bij het kopiëren wordt een opschrift nogal eens foutief begrepen, analfabeten geven letters weer als onleesbare tekens, afbeeldingen verliezen details, inhoudelijke elementen ondergaan cruciale wijzigingen. De beeldtaal van de profane insignes kan overal aan ontleend zijn, waardoor het verbeelde vaak moeilijk te duiden is. Toch vormen de insignes nu een unieke visuele bron voor middeleeuwse verhalen, volkswijsheden, geloof en bijgeloof. Het is interessant dat ze informeren over de verbreiding, zowel sociaal als geografisch, van de afgebeelde thema's.

 


 

PRAKTISCH


Dit magazine verschijnt naar aanleiding van de tentoonstelling:

Geloof & Geluk. De middeleeuwse pin: laat u (n)iets op de mouw spelden

Brugge Bruggemuseum Gruuthuse

22 september 2006 - 4 februari 2007.

 

KUNERA:

afzonderlijke insignevondsten met bijhorende literatuur zijn toegankelijk via de database Kunera. Ze is ontwikkeld op de Radboud Universiteit Nijmegen, en telt anno 2006 ongeveer tienduizend religieuze en profane insignes. www.let.kun.nl/ckd/kunera


HERKOMST VAN DE ILLUSTRATIES:

het merendeel van de illustraties komt uit de catalogus van de tentoonstelling Geloof & Geluk. Sieraad en Devotie in middeleeuws Vlaanderen, uitgegeven door Terra / Lannoo.


AUTEURS

 

  • Lothar Casteleyn, is kunsthistoricus en als adjunct-conservator verbonden aan het Bruggemuseum, het stadshistorisch museum van Brugge op 7 historische locaties. Tijdens Brugge 2002, Culturele Hoofdstad van Europa, verzorgde hij de publiekswerking bij de tentoonstellingen Jan van Eyck, de Vlaamse Primitieven en het Zuiden, Besloten wereld, Open boeken en Hanze@Médici.

  • Jos Koldeweij, is hoogleraar kunstgeschiedenis van de middeleeuwen aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij heeft zich gespecialiseerd in de beeldende kunst en kunstnijverheid van de late middeleeuwen. Hij was ondermeer verantwoordelijk voor de tentoonstelling Jheronimus Bosch (2001) te Rotterdam, Zilver uit 's-Hertogenbosch (1985) en in In Buscoducis. Kunst en cultuur te 's-Hertogenbosch in Middeleeuwen en Renaissance (1990) in Den Bosch.

ILLUSTRATIES

Naar Barend van Orley (ca. 1488-1541 ), portret van Karel V met insigne Maria en Kind op de maansikkel, ca. 1515
eiken paneel, 41 x 29 cm, Brugge, Sint-Salvatorkathedraal

Meester van de Vorstenportretten, Portret van Lodewijk van Gruuthuse (ca. 1422-1492), ridder van het Gulden Vlies, in gebed met bidsnoer, Brugge, ca. 1475
paneel, in originele lijst, 42,5 x 31,3 cm,  Brugge, Groeningemuseum

Anonieme edelsmid, Medaillon met wapen en devies van Lodewijk van Gruuthuse (wellicht afkomstig van een draagteken), Brugge, tussen 1461-1492
zilver, diameter 11,5 cm, Bruggemuseum - Gruuthuse

Insigne, banderol 'helpt god', motto van de opstandige gilden onder leiding van Philips van Artevelde, Gent 1382
loodtin, vondst Stort Burgemeester-Loeffplein, 's-Hertogenbosch, Cothen, coll. H.J.E. Van Beuningen

Insigne, Maria met Kind op troon, geflankeerd door engelen met banderols waarop 'ave maria', midden onder 'de hal', Halle, 1475-1525
zilver, diameter 35 mm, Neurenberg, Germanisches National Museum

Jan Mostaert (ca. 1474-1552/1553), Portret van een gekerstende moor (Christoph le Mohr?)
eiken paneel, 30,8 x 21,2 cm, Pelgrimsinsigne: Onze Lieve Vrouw van Halle, Amsterdam, Rijksmuseum

Anoniem, omgeving Bernhard Strigel (ca. 1480-1528), Portret van Pock, hofnar van keizer Maximiliaan, ca. 1517-1519
Verschillende insignes: gekroonde letter M (= hier 'Maximiliaan'), Christoffel, een wapen en een juweel met een kruisje
eiken paneel, 31 x 22 cm, Privé-collectie

Pontormo (1494-1556), Portret van hertog Cosimo I de' Medici in lansknechttenue
op de baret een verguld insigne met een heroïsche antieke voorstelling van Hercules, Firenze, ca. 1530-1535
Los Angeles, The J.Paul Getty Museum

Insigne, Gekroonde letter M, opschrift AMV AMV, Ave Maria Virgo
loodtin, h 28 mm, br 22 mm, vondst Nieuwlande, Utrecht, Museum Catharijneconvent

Omgeving Barend van Orley (ca. 1488-1541), Antonius geeft zijn bezit aan de armen, Zuidelijke Nederlanden, ca. l515-1525
Retabelfragment, eiken paneel, 94 x 68,6 cm, New Orleans, Museum of Art

Insigne, Maurus staand op luipaard, St-Maur-des-Fossés, 1250-1350
loodtin, h. 80 mm Vondst in de Leie te Gent, Bijlokemuseum

Insigne, Kam met copulerend paar 1325-1375
loodtin, 30 x 45 mm, vondst Brugge, Garenmarkt, Bruggemuseum - Gruuthuse, coll. H. Van De Pas

Insigne, Drie fallusdieren dragen vulva op draagbaar, 1375-1425
loodtin, h 56 mm, br 45 mm, vondst Brugge, Cothen, coll. H.J.E. Van Beuningen

Herberg- of bordeelscène, 1350-1450
loodtin, h 31 mm, br 31 mm, opgegraven in Valenciennes, Valenciennes, Musée des Beaux-Arts / Service Archéologique de Valenciennes

Insigne, Man, vrouw en knecht roosteren en bedruipen een fallus aan het spit, 1350-1400
loodtin, h 49 mm, br 42 mm, vondst Amsterdam, Cothen, coll. H.J.E. Van Beuningen

Insignes Aristoteles en Phyllis 1325-1375
loodtin, hoogte 32 & 28 mm. Vondsten Ieper en Nieuwlande, Collecties Stedelijke Musea Ieper & H.J.E. Van Beuningen

Aquamanile, Aristoteles en Phyllis Zuidelijke Nederlanden of Lotharingen, ca. 1400
geelkoper, h 35 cm, br. 38 cm, Nantes, Musée Dobrée

Satirisch diptiek 'laet dit bert ghesloten hangen' Zuidelijke Nederlanden, ca. 1520
olieverf op paneel, elk luik 58,5 x 44 cm, Luik, Universitaire collecties, Université de Liège, Collections artistisques, Legs Wittert, (1903)

Pelgrim, h 83 mm, br 19 mm, vondst Ieper, Verdronken Weide, Collectie VIOE West-Vlaanderen

Pelgrim met reistas, staf en gehuld in korte mantel met spitsuitlopende capuchon of kaproen
loodtin, h 41 mm, br 16 mm, vondst Ieper, Majoorgracht (Bollaertbeek), Ieper, collectie Patrick Van Wanzeele

Anoniem, De heilige Judocus, Brugge, midden 16de eeuw
Altaarvleugel, eikenhout, oorspronkelijke omlijsting, h 87,5 cm, br 25,5 cm, Brugge, Groeningemuseum

Hs. 'Vijftien vreugden van het huwelijksleven', Frankrijk, 1485
papier, 27,9 x 20,0 cm, Sint-Petersburg, National Library of Russia, HS. FR.F.P.XV.4, FOL. 76v. (Voronava & Sterligov, Western Illuminated Manuscripts)

Meester van de Lucialegende, Geschiedenis van de Heilige Lucia (detail: pelgrim met spiegelinsignes), 1480
doek, 180 x 74 cm, Brugge, Sint-Jaobskerk

Model van de Heilige-Grafkerk, Jeruzalem 17de eeuw
olijfhout en parelmoer, h 24,8 cm, br 52,5 cm, d 36,5 cm, Bruggemuseum - Gruuthuse

Codex Aldenburgensis, ms 127/5, gedetailleerde afbeelding van de heilige stad Jeruzalem
Brugge, Grootseminarie

Jacobus-stempelboekband, Brugge, begin 16de eeuw
geprent leer, h 40.5 cm, br 26.5 cm, Bruggemuseum - Gruuthuse

Insigne, Petrussleutels, tiara en Vera Icon, Rome 1425-1475
loodtin, 59 mm, vondst Brugge, Garenmarkt, Bruggemuseum

Buitenzicht Onze-Lieve-Vrouw ter Potterie

Heilig Bloedprocessie
uit: 'Brugge. Wandelen langs historische kerken', Bisdom Brugge

Insigne, Pelikaan met jongen 1450-1500
loodtin, diameter 27 mm, vondst Nieuwlande, Cothen, coll. H.J.E. Van Beuningen

Insigne, Stralenkransmadonna, Onze-Lieve-Vrouw van de Potterie, de letters b-b, Brugge, 1500-1550
loodtin, h 45 mm, vondst Middelburg, Collectie Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland (SCEZ)

Onze-Lieve-Vrouw van de Potterie redt een Hamburgs schip en de Bruggeling Joris van den Kerckhove Ex-voto-schilderij, 1632
olieverf op paneel, 54 x 41 cm Brugge, Hospitaalmuseum Onze-Lieve-Vrouw-ter-Potterie

Mirakelboekje van Onze-Lieve-Vrouw-ter-Potterie, Brugge, 1520/1521
pentekening op papier, h 21,5 cm, br 14 cm, Brugge, Hospitaalmuseum Onze-Lieve-Vrouw-ter-Potterie

Paus Cornelius met staf (afgebroken) en hoorn, Brugge, laat 14de eeuw
eikenhout met oorspronkelijke polychromie, h 166,5 cm, Brugge, Hospitaalmuseum Sint-Janshospitaal

Insigne, Cornelius met hoorn en kruisstaf, 1475-1525
loodtin, h ca. 30 mm, br ca. 30 mm, Cothen, Coll. H.J.E. Van Beuningen

Jan Provoost (ca. 1465-1 529), Triptiek uit Jeruzalemkapel Brugge, Middenpaneel: Kruisiging van Christus, ca. 1505
Paneel 117 x 172,5 cm, Brugge, Groeningemuseum

Pelgrimssouvenirs uit Geraardsbergen (boven)
uit Oudenburg, Mesen, Ninove, Oostkerke, Damme, Lo, Ninove, Kruiszande, Geraardsbergen, Lede (van links naar rechts en van boven naar onder)

Anoniem, Passie van Christus, ca. 1500-10
Musea Nacional do Azulejo, Lissabon

Bidkapel Gruuthuse

Gebedsnoer, 8 kralen en memento-mori-kraal (vrouw en doodskop), midden 14de eeuw
ivoor, Noordelijke Nederlanden, opgegraven te Bergum, Leeuwarden, Fries Museum

Gebedsnoer met 44 mensenhoofden gesneden uit kersenpitten, Zuidelijke Nederlanden, Bourgondië (?), tweede helft 15de eeuw
kralen van ca. 12 mm, Antwerpen, Museum Mayer van den Bergh

Besloten Hofje, Crucifix, Maria en Johannes, stichters met de heiligen Petrus en Cornelius op de luiken, Mechelen, 1525-1528
insignes van onder andere Wezemaal, Geraardsbergen en Leuven
eikenhouten kast, gesloten 75.5 x 72 cm, Mechelen, Stedelijke Musea (Schepenhuis)

Getijdenboek D'Oiselet, schutblad met 23 ingenaaide zilveren en verguld zilveren insignes, Brugge, kalender Doornik aangepast voor Brugge, ca. 1450
perkament, 19,6 x 13,4 cm, 's Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, MS. 77 L 60, Fol. 97v-98

Bedevaartsvaantje Cornelius Ninove 1925-1950
30 x 23,2 cm Brugge, Volkskundemuseum, coll. Guillaume Michiels

Insigne, Tronende Maria met Kind krijgt de letter M aangeboden, Halle, 1450-1500
loodtin, h 75 mm, br 57 mm, vondst Raversijde, polder Oostende, Raversijde, Museum Walraversijde

Ridder te paard met zwaard en schild, 1350-1450
loodtin, h 30 mm, br 27 mm, opgegraven in Valenciennes, Musée des Beaux-Arts / Service Archéologique de Valenciennes

Gietmal voor een insigne: Gudula, Cornelius en Gertrudis, spiegellijstje en twee pelgrims, h 88 mm, br 62 mm, Brussel, 1400-1500
leisteen, h 14.5 cm, br 8,2 cm, d 1,7 cm
Afkomstig uit de collectie Frans Claes, Antwerpen. Brussel, Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis

Bustespeldje in vierpas, 1300-1375
loodtin, h. 23 mm, opgegraven in Ieper, Ieper, Stedelijke Musea

Metaaldetector in actie, 2006, opgraving Spinolarei, Brugge, Raakvlak

Opgraving Prinsenhof Brugge, 2005, Raakvlak

Juweel van verguld zilver met twee parels, West-Europa, midden 16de eeuw
h. 40 mm, Kortrijk, Stedelijke Muse
a