U bent hier

Frans Hals - De Bokkewagen

Frans Hals - De Bokkewagen

Hetgeen het schilderij dat u voor ogen hebt in beeld brengt, is niet ingewikkeld ; het toont kinderen in een landschap. Het jongste onder hen, een meisje, zit in een wagentje getrokken door een bok. Het dier wordt bij de teugels geleid door een knaap die een zweepje in de hand houdt. Een tweede, ietwat ouder meisje, loopt achter het wagentje aan. De kleine stoet komt van rechts en enigszins van uit de diepte, van onder de schaduwrijke bomen. De schilder heeft hem afgebeeld op het moment dat hij de voorgrond bereikt. Kinderen en dier zijn bijna in ware grootte weergegeven. De vreugde is algemeen : alien beleven blijkbaar pret aan deze tocht in open lucht en zelfs de harige en met bloemen omkranste bok, die behoedzaam, bijna dansend voortschrijdt, lijkt ingenomen met de rol die hem werd toegemeten. Het schilderij spreekt de duidelijke taal van een ooggetuigenverslag. Bijbedoelingen vanwege de kunstenaar hoeft men hier niet te zoeken. Het portret van de kinderen te schilderen is zijn wezenlijk opzet geweest, doch hij heeft de banale opstelling van een gewoon groepsportret en het doorgaans saaie en droge karakter ervan vermeden, door zijn modellen op te nemen in een actie, m.a.w. hij heeft er in zekere zin een genretafereel van gemaakt. Dit dynamische element, gepaard aan het levenskrachtige accent, dat men in al de werken van de tot de Hollandse School behorende Frans Hals aantreft, is op het eerste gezicht verrassend. Inderdaad, de samenleving in Holland in de 17de eeuw is gekenmerkt door haar sterk burgerlijke inslag. En de kunst die in haar schoot is ontstaan, draagt daar gewoonlijk de sporen van. Zij is vreemd aan elk breed spontaan gebaar, aan de grote stijl die de Vlamingen van die tijd — Rubens, Van Dyck, Jordaens — eigen was. Frans Hals, hoewel hij zijn leven in Holland doorbracht, was van Vlaamse herkomst, wat zijn bruisende, opborrelende vitaliteit verklaart. Hij werd geboren tussen 1581 en 1585, zeer waarschijnlijk te Antwerpen, als zoon van een bescheiden lakenwever, die van Mechelen herkomstig was. Reeds in 1591 treft men Franchoys Hals met zijn gezin te Haarlem aan, nadat hij als protestant en slachtoffer van de godsdienstige vervolgingen, als zovelen van zijn landgenoten, naar het Noorden was gevlucht. Zijn zoon Frans zal aldus zijn kinder- en jongelingsjaren in Holland beleven. Omstreeks 1600-1603 is hij te Haarlem in de leer bij Karel van Mander, een ander kunstenaar die de vulkanische bodem van Vlaanderen te warm had gevonden en voor de beroeringen was gevlucht. Hij treedt in het Sint-Lucasgild te Haarlem in 1610. Zijn eerste schilderij dat van een datum is voorzien, stamt uit 1611 : het is het portret van Jacobus Zaffius, proost van de Sint-Bavokathedraal aldaar. Haarlem was toen een welvarende stad, vooral dank zij de lakennijverheid en de bloeiende brouwerijbedrijven. Gelegen midden in een heerlijk en afwisselend landschap met bossen, vruchtbare velden, groene weiden, een breed strand en hoge duinen, een landschap zo vaak door de jonge Jacob van Ruysdael in beeld ge-bracht, werd de stad overheerst door de grote Sint-Bavokerk met haar hoog en indrukwekkend schip. Toen Hals nog een jongeling was, werd aan de voet van die kerk de Vleeshalle met haar ten hemel rijzende gevels opgericht door de stadsbouwmeester Lieven de Key — eveneens Vlaming van geboorte — die Haarlem het uitzicht zou verlenen dat het nu nog bezit. Alle standen wendden zich tot Frans Hals om geportretteerd te worden : zowel de fiere patricier als de rijke koopman, de strijdlustige geleerde als de gevierde kanselredenaar. Soms werden zij alleen afgebeeld, maar vaak ontstond tegelijkertijd het portret van hun echtgenote, of lieten zij zich afbeelden omringd door hun gezin. Tot de geledingen van zijn rijk geschakeerde gemeenschap, behoorden twee voor het toenmalige Holland bijzonder betekenisvolle instellingen, die ook in de kunst een blijvende uitbeelding hebben gevonden : de schuttersgilden, een soort vrijwillige militie waarvan de leden werden gekozen onder de voornaamste burgers, en de besturen, samengesteld uit regenten of regentessen, van de Stichtingen, liefdadigheidsinstellingen van openbaar nut. Zowel schuttersgilden als Stichtingen hebben behoord tot Hals' voornaamste opdrachtgevers en hebben bij hem groepsportretten besteld. Hals is niet minder groot als genre-schilder dan als portrettist. Van zijn eigenlijke portretten kan men reeds, zoals die in De Bokkewagen, getuigen dat zij door hun levendige beweging genre-achtig aandoen. Doch in zijn echte genrefiguren, waarin hij niet, zoals in een protret, een figuur hoeft af te beelden zoals zij zich blijvend voordoet, kan hij ten voile zijn vermogen ontvouwen om plotselinge wijzigingen van het gemoed, het voorbijgaand moment in de psychische beroering weer te geven. Voor deze karakterfiguren doet hij zijn keuze, eens onder het typische volkje uit de straten van Haarlem — de bontgeklede omroeper, de rommelpotspeler, het vissersmeisje en de haringverkoper — dan onder het lustige volkje uit de kroegen, de jonge drinker, de vedelaar, de rauwe deerne, alien vrolijk en bezield met een gezonde levenslust. Hij weet ze weer te geven zoals hij ze dagelijks zag, trouw en onvervalst, en met een meesterlijke zekerheid. Hoewel het hem eigenlijk nooit aan bestellingen heeft ontbroken en hij een grote faam genoot, slaagde hij er nooit in genoeg te verdienen om het bestaan van zijn gezin, dat ten minste tien kinderen telde, te verzekeren. Zijn leven lang werd hij door schuldeisers achtervolgd. Daarbij maakten ernstige huiselijke zorgen van allerlei slag het hem nog moeilijker. Op het einde van zijn leven werd zijn financiële toestand zo slecht, dat hem door de stad een jaarlijks steungeld werd toegekend. Als hij, meer dan tachtig jaar oud, in 1666 overlijdt, laat de stad Haarlem op haar kosten voor hem een graf openen in het koor van de Sint-Bavokerk, een buitengewoon blijk van de openbare waardering die hij genoot. Zoals gewoonlijk bij Hals, wordt in De Bokkewagen de persoonlijkheid van de figuren sprekend en met een levendige frisheid weergegeven. Het algemeen koloriet van het schilderij, ca. 1620-1630 ontstaan, is rijk, met fijne schakeringen in de zorgvuldig gemodelleerde aangezichten, de kledijen en het landschap, en bruine, doorzichtige schaduwen. In zijn later werk zal Hals de veelkleurigheid geleidelijk laten varen, ten koste van een overheersende grijs-zwarte toon, zonder dat even-wel het schilderij hierdoor zijn lichtende kracht ver-liest. Het geniale bij deze kunstenaar manifesteert zich op de meest treffende wijze in zijn factuur : hij bezat de gave met enkele vluchtige toetsen een synthese te leveren van vorm, kleur, materie en atmosfeer, en vooral wist hij, door de weergaloze virtuositeit van zijn penseel, de tastbare materie tot drager te maken van abstracte waarden. In De Bokkewagen gebruikt hij reeds — vooral in sommige gedeelten van de kledijen, zoals in de kraag en de mouw van het jongetje — die energieke, vrije doch gedisciplineerde toets en die beheersing in de middelen waarop grotendeels zijn onsterfelijke faam berust. Hoezeer het schilderij te Brussel ook geest en oog bekoort, toch schenkt het geen volledige voldoening wat het evenwicht van de compositie betreft : de rechterhelft schijnt te overwegen. En wat is de bedoeling van het gebaar met de rechterhand van het meisje dat achter de wagen loopt ? Naar wat wijst het eigenlijk ? De verklaring voor die anomalieen ligt meer dan waarschijnlijk in het feit dat De Bokkewagen een fragment is. Eenzelfde gebrek aan evenwicht treft men aan in een familieportret, eveneens van Hals, dat niet minder dan negen figuren telt, uit de verzameling van Lord Boyne, thans in bruikleen in het Museum te Birmingham, en dat op stilistische gronden in dezelfde tijd is te situeren. Hier overweegt evenwel de linkerhelft, terwijl de moeder met de hand een gebaar doet naar rechts, even onbegrijpelijk als dat van het meisje uit De Bokkewagen. Bovendien is het Boyne-schilderij van een breedteformaat met zeer ongewone proporties. Recent onderzoek heeft aangetoond dat beide schilderijen dezelfde hoogteafmeting bezitten en dat zij bij elkaar aansluiten, zodat men thans aanneemt dat zij oorspronkelijk samen hoorden. In zijn oorspronkelijke toestand was dit geheel har-monisch van compositie, doordat de compacte elementen uiterst links en rechts tegen elkaar opwegen. De handgebaren van moeder en meisje bezitten nu ook betekenis, aangezien deze figuren naar elkaar wijzen, wat een bindingselement te meer oplevert tussen links en rechts. De kunst van Hals is doorgaans mannelijk van karakter. Dit manifesteert zich in zijn portretten onder de vorm van een mengsel van fier zelfbewustzijn en joviale levenslust, echter niet steeds zonder dat een lichte me-lancholische inslag daarmee gepaard gaat. In zijn laatste levensjaren neemt de kunstenaar een meer subjectieve houding aan ; hij peilt achter de gelaatstrekken naar het diepste van het wezen en offert daartoe sommige van de meest typische uiterlijke kenmerken van zijn modellen op. Hij weet dan, door zich boven het tijdelijke te verheffen, in zijn kunst het allerhoogste te bereiken.