U bent hier

FeliXart Museum - Avant-garde / Felix De Boeck / Hedendaagse kunst

Masker, 1920, olieverf op karton, 31,3 x 28,8 cm, Collectie Vlaamse Gemeenschap, BK6652.

 

Inleiding

 

Op een plek waar je het niet verwacht, bijna verborgen in het centrum van de kleine verstedelijkte Vlaamse faciliteitengemeente Drogenbos, ligt het FeliXart Museum. Het moderne witte gebouw domineert een domein van anderhalve hectare, de groene long van de gemeente. Het museum ligt naast een grote boomgaard en een achttiende-eeuwse geklasseerde boerderij met kruiden- en moestuintjes. Het domein was ooit eigendom van een van de grondleggers van de Belgische abstracte schilderkunst: Felix De Boeck (1898-1995). Dat hij als prominent avant-gardist de keuze maakte om zich op de familiale boerderij in Drogenbos te vestigen en te boeren om in zijn levensonderhoud te voorzien, maakt van deze veelzijdige kunstenaar een unicum in de Belgische kunstgeschiedenis.

 

Het FeliXart Museum opende in 1996 en nam stilaan afstand van zijn monografisch karakter. Het biedt niet alleen een staalkaart uit de vaste collectie – een duizendtal schilderijen en meer dan 1.600 tekeningen van de kunstenaar – maar verrast ook met steeds wisselende tentoonstellingen en projecten rond historische en hedendaagse avant-gardekunst.

 

Dit themanummer laat kennismaken met het oeuvre en het leven van Felix De Boeck, met een subtiele selectie uit de werken van de vaste collectie en vertelt de boeiende evolutie van het museum aan de hand van een representatief overzicht van de tentoonstellingen en projecten.

 


Inhoud

  • Felix De Boeck (1898-1995)

            Boer en pionier van de avant-garde

  • Van Museum Felix De Boeck naar FeliXart

             Een pad met twee sporen, in drie fasen

  • Aspecten, reflecties en talenten

            Tentoonstellingen in FeliXart Museum

  • Praktisch

 

Felix De Boeck (1898-1995)

Boer en pionier van de avant-garde

 

 

Je blik wordt eerst gezogen naar de heldere lichtgloed centraal in het beeldveld, waarna je ogen geleid worden langs de handpalm en de vingers die uitnodigend op de voorgrond verschijnen. Dan pas krijg je via de kleurwerking het totaalbeeld in het oog, waarin zich uiteindelijk een volledige menselijke figuur ontvouwt: in Barensnood (zie cover 2). De lijnen en vormen zijn duidelijk gebaseerd op de cirkel. De kleurnuanceringen leiden een onafhankelijk leven. Toch zijn kleurgebruik en lijnvoering in evenwicht. Het is de lichtwerking die je uitdaagt. 

 

Dit is ongetwijfeld een van de sleutelwerken van Felix De Boeck. Hij maakte het op 36-jarige leeftijd en getuigde daarmee van een enorm bewustzijn ten aanzien van leven en dood, of beter gezegd, ten aanzien van de geweldige dynamiek van het eeuwig levengevende. De Boeck laat hier een staaltje trompe l’oeil zien, vol beweging. Een decennium eerder was het niet denkbaar geweest dat hij opnieuw menselijke figuren zou integreren in zijn krachtige kleur- en lichtcomposities. Het oeuvre van deze autodidact getuigt dan ook van een uitzonderlijke evolutie.

 

 

VAN TRADITIE NAAR AVANT-GARDE (1915-1919)

 

Als prille tiener onderging Felix De Boeck een lange herstelperiode na een ziekte. Om de tijd te doden, startte hij met het natekenen van afbeeldingen uit de bijbel. Hij bleek heel getalenteerd en kreeg de kans om elke zondagvoormiddag bij zijn buurman, etser Pol Craps (1877-1939), tekenlessen te volgen. De schilder Louis Thévenet (1874-1930), die in die periode ook in Drogenbos woonde, zal hem overtuigen om de stap naar kleur te zetten.

 

Wanneer hij op 17-jarige leeftijd afstudeert aan het college van Ukkel, kiest De Boeck met hart en ziel voor het kunstenaarschap. Toch zal hij met zijn voeten in de aarde blijven, omdat hij tijdens de week moet helpen in het familiale landbouwbedrijf, dat hij na de dood van zijn ouders zal voortzetten. Dit geeft hem financiële zekerheid en tegelijk artistieke vrijheid. Het verklaart zijn van meet af aan eigenzinnige authentieke stijl. Zijn hele leven lang zal hij zonder uitzondering elke zondag besteden aan zijn kunst. Tijdens de week baat hij de boerderij uit. Voor hem was tekenen en schilderen als het schrijven van een dagboek. Het boerenleven zorgde voor de nabijheid en de beleving van de ritmische wetten in de natuur. Dat zien we onmiskenbaar weerspiegeld in zijn werk.

 

Na een periode van stillevens en natuurgetrouwe landschapstaferelen maakt De Boeck een ‘inhaalbeweging’: zijn stijl evolueert via het post-impressionisme, het fauvisme en het futurisme naar de abstractie. De contacten die hij in die periode legt, zullen voor hem zeer bepalend zijn. In 1916 maakt De Boeck op een tentoonstelling in Brussel kennis met het werk van Prosper De Troyer (1880-1961). Vanaf dan creëert hij intens kleurrijke landschappen volgens de principes van het neo-impressionisme, waarbij de kleur ontbonden wordt in hoofdtinten. Van hieruit is de brug naar een fauvistische tendens snel geslagen. In 1917 woont hij een bijeenkomst bij van de Brusselse kunstkring Doe Stil Voort. De Boeck maakt kennis met de Duitse expressionisten en de Italiaanse futuristen. Hetzelfde jaar organiseert de kring een expositie waar zijn eigenzinnige stijl zal schitteren naast die van bekende en oude schilders. De Boeck gaat ook schetsen in het gemeenschappelijke werkhuis, waar hij onder anderen Jozef Peeters (1895-1960) en Jan Cockx (1891-1976) ontmoet, die deel zullen uitmaken van de Antwerpse avant-garde. De invloed van het expressionisme zorgt voor een dynamische toets, waarbij de kleur in toom wordt gehouden door de vorm. Zowel in zijn Zonovergoten landschappen als in zijn Onweders speelt het licht een hoofdrol. De Boeck noemt dit zelf zijn ‘Sturm und Drang-periode’.

 

In 1918 blijft zijn blik hangen boven de brieven van Vincent van Gogh aan diens broer Theo. Ze waren geïllustreerd met zwart-wit tekeningen. Het is duidelijk dat de romantiek van de landbouwer en de spirituele zoektocht van Van Gogh De Boeck sterk aanspreken en een blijvende inspiratiebron vormen.

 

In hetzelfde jaar zal De Boeck een tiental werken tentoonstellen op twee exposities van de kring Doe Stil Voort, samen met andere ‘progressieven’ zoals Victor Servranckx (1897-1965), Jozef Peeters en Prosper De Troyer. 

 

De Boeck legt hier ook andere contacten, onder anderen met Frits Van den Berghe (1883-1939). De kring geeft hem de gelegenheid veel literatuur en moderne kunst uit te wisselen. Zo lezen ze het Manifest van het Futurisme, in 1909 gepubliceerd door Filippo Marinetti (1876-1944), die op dat moment correspondeert met De Troyer, en dwepen ze met het futurisme. Dit reflecteert zich in de analytische aanpak van zijn kunstwerken. 

 

 

AANZET TOT ABSTRACTIE (1919)

 

Het einde van de Eerste Wereldoorlog gaat voor Felix De Boeck gepaard met traumatische ervaringen, zoals de dood van zijn broer, na diens gevangenschap. Deze dramatische gebeurtenissen zal hij plastisch verwerken in het vervormen van het menselijk gelaat. Zo ontstaan talrijke angstaanjagende, schreeuwende maskers. Ze zijn opgebouwd op basis van dwarse snijdende lijnen, of uit grillige kronkelende lijnen, geïnspireerd door de expressiviteit van de lijn die hij via het futurisme had ontdekt. In deze gefragmenteerde maskers legde hij de basis van zijn eerste abstracte werken uit 1919. Ook De Boecks landschappen evolueren steeds meer naar abstracte composities, via stilering en fragmentatie van de realiteit. 

 

 

ZUIVERE BEELDING (1919-1920)

 

In het academiejaar 1919-1920 volgt Felix De Boeck de lessen ‘Kunstgeschiedenis van de middeleeuwen tot de moderne tijd’ aan de VUB bij August Vermeylen (1872-1945), kunsthistoricus en politicus. Het is de enige vorm van kunststudie die hij zich eigen maakt. In die periode zien zijn eerste abstracte composities het daglicht. Ze zijn aanvankelijk sober van kleur en vorm, samengesteld uit geometrische lineaire of circulaire figuren. 

 

In januari 1920 woont hij een lezing bij van Theo van Doesburg (1883- 1931), die samen met Piet Mondriaan (1872-1944) stichter was van De Stijl. De bijeenkomst zal een grote invloed hebben op de jonge, gedreven kunstenaars die aan de basis liggen van Zuivere Beelding, de Belgische variant van het neoplasticisme. Antwerpen zal met de Kring Moderne Kunst de toon aangeven, rond de figuur van Jozef Peeters. In Brussel zal omstreeks 1920 een eerder Franstalige werking ontstaan, Le Centre d’Art, waaraan behalve de gebroeders Pierre (1898-1976) en Victor Bourgeois (1897-1962), Georges Vantongerloo (1886-1965), Victor Servranckx en René Magritte (1898- 1967), ook De Boeck zal deelnemen. 

 

De jonge kunstenaars van de eerste abstracte golf reageren met hun werk ferm op de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog. Ze pleiten voor een tabula rasa en voor volledige vernieuwing. Dit weerspiegelt zich duidelijk in de eerste zuiver abstracte werken. Ze noemen zich ook ‘constructeurs’, een term die een duidelijke breuklijn wil maken met de traditionele naturalistische of impressionistische beeldvorming. 

 


GRAFISCH DAGBOEK

 

Felix De Boeck is vooral bekend als kunstschilder met een compromisloos oeuvre aan schilderijen. Maar hij liet ook een indrukwekkende collectie tekeningen na. Dit grafisch werk is van onschatbare waarde om inzicht te krijgen in de ontwikkelingsgeschiedenis van zijn oeuvre. De tekeningen brengen ons immers het dichtst bij de authentieke expressie van de kunstenaar.

 

Vanuit de extreme stilering van de realiteit evolueert De Boeck snel naar een op de geometrie gebaseerde abstractie. Vele creaties doen ook dienst als visuele dagboekaantekeningen, vooral in periodes waarin hij geconfronteerd wordt met traumatische ervaringen zoals de dood van familieleden. Niet alle tekeningen fungeren als voorbereidende schetsen van afgewerkte schilderijen. Sommige tekeningen bestaan als kunstwerken op zich, bijvoorbeeld Verbondenheid met aarde en Zelfportret met insecten, of de serie ‘surrealistische’ werken zoals ’t Onbekende. Deze werken hebben geen tegenhanger in zijn schilderijen. 

 

Interessant is het feit dat Jan Boon twee abstracte tekeningen van De Boeck zal gebruiken voor zijn eerste publicatie, Zwarte Sneeuw. Dit theaterstuk uit 1918 werd waarschijnlijk in 1919 of 1920 uitgegeven. De tekeningen van De Boeck zijn te dateren rond 1918 en het is jammer dat de uitgave geen exacte datum van druk vermeldt, aangezien het mogelijk een van de eerste opnames van abstract werk in ons land zou kunnen zijn. 


 

Op 10 en 11 oktober 1920 vindt in Antwerpen het Eerste Congres voor Moderne Kunst plaats, onder leiding van Jozef Peeters en Huib Hoste (1881- 1957). Zowel fauvisten, expressionisten, futuristen als abstracten kunnen hier hun ei kwijt. Ook De Boeck omarmt enthousiast deze avant-gardesamenkomst. 

 

Van december 1920 tot oktober 1921 vervult De Boeck zijn legerdienst en staat zijn artistieke productiviteit op een laag pitje. Hij maakt in de legerbibliotheek kennis met de literatuur van Dostojevski (1821-1881). Via de lectuur van Schuld en Boete (1866) absorbeert hij de inzichten in de innerlijke drijfveren en instincten van de mens.

 

Intussen hangen wel enkele van zijn abstracte en pre-abstracte werken op de grote internationale tentoonstelling voor moderne kunst in Genève in 1921, naast meesterwerken van onder anderen Pablo Picasso (1881-1973), Georges Braque (1882-1963), Raoul Dufy (1877-1953), Fernand Léger (1881-1955), Henri Matisse (1869-1954), René Magritte en Theo van Doesburg.

 

De puur abstracte composities van De Boeck zijn het resultaat van een extreme stilering, waarvan de beginselen al terug te vinden zijn in de futuristische werken. Strikt genomen kan slechts een klein deel van De Boecks oeuvre als zuiver abstract beschouwd worden. Als er immers geen enkele concrete referentie is naar de empirisch waarneembare wereld, spreekt men van abstracte kunst. De abstracte conventies van Piet Mondriaan gingen voor De Boeck te ver, en daarom zal hij snel de ruimtelijke herkenningspunten zoals diepte en licht terug opnemen. Sprekend is dat de dichter Pierre Bourgeois in 1926 het abstracte werk van De Boeck bestempelde als: “Plastique pure sentimentale.”

 

Bovendien suggereren titels als Duizelingen, Daglichten en Abstracte Landschappen een verwijzing naar de descriptieve werkelijkheid, daar waar de zuiver abstracte werken de titels Abstract of Abstracte compositie krijgen. Met de reeks Duizelingen verlaat De Boeck het platte vlak en doet de diepte haar intrede: lang uitgerekte scherpe driehoeken zijn er rond één of meerdere vluchtpunten geordend waarbij de lichtgradaties de illusie van diepte opwekken.

 

 

VAN ABSTRACTE LANDSCHAPPEN TOT DE GENESISCYCLUS (1922-1929)

 

Wanneer Felix De Boeck zich vanaf 1922 opnieuw richt op de figuratie, behoudt hij de verworvenheden van zijn abstracte periode. Dit typeert zijn werk enorm. De Boeck gebruikt de geometrische figuren als natuurelementen. Aanvankelijk fungeert de ronde schijf die de zon voorstelt als lichtbron, maar De Boeck zal het mathematische middelpunt van het beeldvlak laten stralen als immaterieel lichtpunt in deze landschappen. De meetkundige onderbouw is in de hele serie identiek. De kleurnuanceringen geven de gemoedstoestand en andere externe invloeden weer. De idee van de zon behoudt hij door de lichtuitstraling, waar hij een metafysische betekenis aan geeft: het oeratoom of de Godsidee. Soms vermenigvuldigt hij de diagonalen, zodat ze als het ware over het wateroppervlak lijken te weerkaatsen. Kunstcriticus Jan Walravens (1920-1965), noemde ze daarom ‘Abstracte Zee’. Met deze extreem uitgepuurde werken stoot De Boeck op een absoluut punt binnen de abstractie. 

 

Dit punt van eindeloosheid betekende voor hem echter de mogelijkheid van een nieuw begin. Van 1923 tot 1929 (met een onderbreking in 1924-1925) wijdt De Boeck zich aan een nieuwe cyclus, die de dichter Henri Pichette (1924-2000) achteraf ‘de Genesis’ noemde: uit het middelpunt van de ‘abstracte zee’ ontstaan gestileerde uit geometrische figuren opgebouwde dieren. Zijn dagelijks contact met de natuur heeft zeker een rol gespeeld in deze figuratieve inslag.

 

Tot het midden van de jaren 1920 blijft De Boeck actief deelnemen aan de avant-gardebeweging. Op 21 en 23 januari 1922 vindt het Tweede Congres voor Moderne Kunst plaats, ook ditmaal in Antwerpen, waar op de bijbehorende tentoonstelling meesters als Paul Klee (1879-1940) en Kurt Schwitters (1887-1948) aanwezig zijn. In de zomer van datzelfde jaar zal het derde en laatste Congres plaatsvinden in Brugge. 

 

Een overzicht van enkele representatieve schilderijen werd in 1923 gepubliceerd in de avant-gardistische tijdschriften van Zuivere Beelding, Het Overzicht en 7 Arts. In het bijbehorend artikel spreekt de criticus Maurice Casteels (1890-1962) al over een kunstenaar die “in de marge” werkt aan een consequent oeuvre dat een grote overzichtstentoonstelling verdient. Datzelfde jaar hangt ook abstract werk van De Boeck in de stand van uitgeverij L’Equerre en het tijdschrift 7 Arts op het Salon de la lanterne sourde in het Egmontpaleis te Brussel. In 1927 vindt de grote groepstentoonstelling L’art Belge plaats in het Museum van Grenoble. Behalve de ‘vaders van de moderne kunst’ en gevestigde waarden als James Ensor (1860-1949) en Rik Wouters (1882-1916), werden ook de pronkstukken van de Belgische avant-garde getoond, onderverdeeld per stroming: de expressionisten met onder anderen Constant Permeke (1886-1952) en Frits Van Den Berghe, de surrealisten met René Magritte en Auguste Mambour (1896-1968), de groep Jeune Peinture en de vertegenwoordigers van de Plastique Pure, met De Boeck, Pierre-Louis Flouquet (1900-1967) en Victor Servranckx. 

 

Het daaropvolgende jaar stelt De Boeck een paar werken tentoon in de Parijse galerie Le Sacre du Printemps, georganiseerd door Michel Seuphor (1901-1999). Daar ontmoet hij Piet Mondriaan en de Parijse avant-garde. Ondanks deze internationale uitschieters bloedt de beweging vanaf 1925 zachtjes dood. De doorbraak van het expressionisme en het surrealisme zal in België de toon zetten in de verdere modernistische ontwikkelingen.

 

 

OPSTANDING EN LOUTERING (1924-1934)

 

Traditioneel gezien vormt kunst een weerspiegeling van wat er gaande is in de samenleving; ze geeft een bepaalde kijk op de wereld. Felix De Boeck biedt telkens weer een venster op zijn innerlijke wereld. Zijn kunst is een reflectie van de innerlijke gemoedstoestand en draagt telkens een paradoxaal karakter in zich. Dit ligt in het feit dat het hele leven en werk van De Boeck een combinatie is van het stoffelijke, het aardse enerzijds en van het geestelijke, het transcendentale anderzijds.

 

Felix De Boeck werd in zijn leven meermaals beproefd door persoonlijke drama’s. Vooral in de jaren 1925-1934 sloeg het lot hard toe. Na de dood van zijn broer in 1922, overleden achtereenvolgens, zijn vader, zijn moeder en vier van zijn vijf kinderen. Deze periode van diepe rouw en ontreddering weerspiegelt zich in de serie Maskers. Voor de vormentaal steunt hij hier duidelijk op een figuratieve geometrie.

 

Kunst hielp De Boeck het leed te aanvaarden door het dramatische te sublimeren. De tragische periode van het vroegtijdig overlijden van zijn kinderen zette hem aan tot het tekenen en schilderen van Geboortes en Moederschappen, afgewisseld met Dode kinderen. Deze series blijven een geometrische onderbouw trouw, waarbij de circulaire composities domineren op die met snijdende lijnen, als symbool van de universele krachten die wij ondergaan in het universum. De figuren van moeder en kind lijken door de cirkels oneindig in elkaar door te wentelen en zijn zo eeuwig met elkaar verbonden. Het motief van de cirkel leent zich uitstekend voor deze intimistische thema’s.

 

Behalve de filosofie van Pierre Teilhard de Chardin (1881-1955) waarin de verbondenheid over leven en dood zinvol blijkt, was Blaise Pascal (1623- 1662) zeker ook een inspiratiebron: “God is een cirkel waarvan het middelpunt zich overal bevindt en de omtrek nergens.” De kracht en intensiteit van De Boecks talent liggen in de manier waarop hij zichzelf weet te overstijgen in de dramatiek van grote thema’s als leven en dood.

 

Zijn techniek evolueert mee. Terwijl hij vroeger eerst de tekening op paneel, karton of doek aanbracht om de grafische lijnen in te kleuren, zal hij nu eerst de kleuren op het doek aanbrengen om dan de grafische cirkels en lijnen in de kleur te kerven. Deze vaardigheid, waarin hij duidelijk uitblinkt, dankt hij aan zijn allereerste tekenlessen die hij volgde bij de etser Pol Craps. Deze techniek hielp hem om het schilderproces van één schilderij te beperken tot één dag, de zondag.

 

 

HET GESPANNEN VOOROORLOGS KLIMAAT (1933-1935)

 

De samenleving evolueert richting de gruwel van de Tweede Wereldoorlog, en die aanloop vertaalt Felix De Boeck op het doek in de reeks dierengevechten (Hanengevecht en Stierengevecht), waarbij de cirkel de vormentaal domineert. De Boeck wendt hier zijn typische kleur- en lichtwerking aan om het driftige en de agressieve losbandigheid te visualiseren. 

 

In die periode ontstaat ook De Barensnood. De dramatiek van de hoogzwangere vrouw moet symbolisch bekeken worden in de context van internationale chaos. De Barensnood introduceert twee belangrijke vormelijke elementen: de ‘barokke’ achtergrond en het ‘illusionistisch’ perspectief opgebouwd vanuit de circulaire structuur die later is terug te vinden in de mystieke werken.

 

 

FRANCISCAANSE WERKEN (1935-1936)

 

Tijdens het interbellum zal Felix De Boeck zijn fascinatie voor de natuur uitdrukken in heel serene werken, waarbij de poëtische gevoeligheid gelinkt kan worden aan het animisme, de kunststroming die pleitte voor een terugkeer naar een eenvoudige intieme weergave van de werkelijkheid. De manier waarop De Boeck het essentiële visueel tracht te vatten, is mooi uitgebeeld in de zogenaamde Franciscaanse reeks. Titels als Regen, Vallend Blad en Drieluik van het Boontje suggereren kleine anekdotische elementen. De Boeck haalt de regendruppels uit hun concrete context en maakt ze op gestileerde wijze representatief voor elke regendruppel in het universum. In een delicaat kleurenpalet wordt de wet van vibratie uitgebeeld: de uitdeinende beweging van de cirkels die de druppels teweegbrengen bij het neervallen. De Boeck evoceert hier een pure Platoonse sereniteit, waar hij gaat voor de zuivere idee van ‘Regen’.

 

Tijdens het decennium van de Tweede Wereldoorlog werkte de kunstenaar ‘in stilte voort’, in de marge van de avant-garde beweging. De zaterdagse discussienamiddagen ten huize van De Boeck hoorden bij het vaste weekritme; hij ontving elke week schrijvers, dichters, beeldhouwers, componisten, kunstschilders... Onder hen: Pol Jacquemyns (1896-1977), Prosper De Troyer, Jan Boon (1898-1960), Pierre Bourgeois, Pierre-Louis Flouquet, Michel De Ghelderode (1898-1962), Charles Plisnier (1896-1952), Edmond Vandercammen (1901-1980), Willem Pelemans (1901-1991) en vele anderen. 

 

 

PORTRETTEN (1936-1938) EN ZELFPORTRETTEN (1941-1947)

 

Omstreeks 1936 profileert Felix De Boeck zich als portrettist. In eindeloze reeksen tekende en schilderde hij de gezichten van familieleden, vrienden, kennissen en mensen die hij bewonderde, zoals Jan Ruusbroeck, Pater Damiaan of Gandhi. Door de geometrische circulaire structuur, voorbereid op foto’s van de afgebeelden, krijgen de portretten een geïdealiseerd aspect. Dit kan verklaard worden door de betekenis die De Boeck aan het portret geeft, namelijk de zoektocht naar de ziel van de mens. De vaak atypische kleuren reflecteren de wisselende gemoedstoestanden. De uitgebreide reeks zelfportretten, in alle mogelijke kleurschakeringen, vormt binnen zijn oeuvre een visueel dagboek van zijn verschillende stemmingen. 

 

 

DE EXPRESSIE VAN DE HANDEN (1936-1942)

 

Vanaf de tweede helft van de jaren 1930 eist de christelijke iconografie zijn beeldveld op. Zo krijgen we werken als Hand van de Gekruisigde, Eucharistie en Christus aan het Kruis. De Boeck combineert verschillende vormen van perspectief binnen één beeldvlak: zo worden de figuren op de voorgrond groter afgebeeld en scherp omlijnd, die op de achtergrond kleiner en flou. 

 

Het vervormde perspectief doet denken aan de Christusfiguren die Salvador Dalí (1904-1989) vijftien jaar later schilderde.

 

De enorme uitdrukkingswaarde van de handen werd al aangewend in De Barensnood en die vinden we later terug in De Zelfgave en de Triptiek van de arbeid. In 1942 vervolledigt De Boeck De Zelfgave, een hoogtepunt binnen zijn mystiek werk dat hij later nog talrijke keren zal hernemen. De aanloop naar dit meesterwerk startte ongeveer vijf jaar eerder in een werk dat Innerlijke Bewogenheid uitbeeldt. “Het begint met handen die wringen, dan het lichaam dat door de handen wordt bedekt, dat is de wanhoop. Op het derde luik zijn de handen bijna open, dat is het gebed. Op het vierde zijn ze open, dat is de zelfgave. Feitelijk is het heel uw innerlijk leven dat ge in beeld brengt, ...” De Boeck analyseert hier het innerlijke leven. Hij vertaalt het naar een visueel onderzoek in alle mogelijke posities, handelingen en houdingen die het handenspel kan vertonen, telkens in een andere kleurtonaliteit. Het licht vervult de ontspannende factor die de handen opent. In De Zelfgave is de figuur volledig omschreven door een cirkel. Vanuit de cirkel gaat De Boeck het bolvormig perspectief uitwerken, wat voor de uitvergroting en dus de benadrukking van de handen zorgt. Of Felix De Boeck geïnspireerd werd door Hand met spiegelende bol van Maurits Cornelis Escher (1898-1972), moet nog onderzocht worden, maar het is wel bekend dat laatstgenoemde omstreeks 1937 in het naburige Ukkel woonde.

 

Dezelfde visuele impact ervaren we in de Triptiek van de Arbeid uit 1944: De Zaaier, De Spitter en De Maaier. De intense activiteit van deze figuren, die uiteindelijk niet dichter bij zijn dagelijkse arbeid konden aanleunen, wordt veredeld tot een sacrale gebeurtenis. Hiermee geeft hij duidelijk een andere invulling dan collega-kunstenaar Constant Permeke, die de hardheid van het boerenleven log in beeld brengt. 

 

Pierre-Louis Flouquet zal de term ‘Spiritueel Expressionisme’ introduceren om de authentieke stijl van De Boeck te beschrijven. Dit doet hij naar aanleiding van een tentoonstelling in 1952 in de Galerij Giroux te Brussel. De expositie, die zijn afwezigheid op de kunstscène doorbreekt, krijgt enorm veel mensen over de vloer en het werk van De Boeck oogst oprechte bewondering. De toeloop wordt vergeleken met de expo van Rik Wouters in de jaren 1920 in dezelfde galerie. De authenticiteit van De Boeck toont het zoeken naar een actuele beeldtaal om oude universele waarden weer te geven. 

 

 

NACHTLICHTEN (1952-1955)

 

In 1952 zal Felix De Boeck zich laten inspireren door de lichtjes van de schepen op de Schelde in Antwerpen en ontstaat de fantastische reeks Nachtlichten. Het vernieuwende hier ligt in het decentraliseren en fragmenteren van de lichtbron binnen een duidelijke meetkundige opbouw. De kunstwerken vertalen een moedige en geslaagde manier om het spanningsveld uit te beelden tussen de microcosmos van de individuele mens en de macrokosmos van de universele energie. 

 

Het thema Nacht boven de hoeve (ca. 1935) bereidt de stilering voor die de schilder verder doordrijft in Nachtlichten. De minimalistische landschappen bewandelen de grenslijn tussen figuratie en abstractie. Deze ambiguïteit maakt de werken bijzonder aantrekkelijk. 

 

 

HET EXPERIMENT MET DE FLUORESCERENDE VERF (1956-1957)

 

De ontwikkeling van de Nachtlichten zet zich door in het gebruik van de fluorescerende verf. In deze periode legt De Boeck een meer improviserende werkwijze aan de dag. De componist en vriend Louis De Meester (1904- 1987) laat hem kennismaken met de nieuwe verf. De Boeck combineert ze met transparante olieverf, maar is onzeker over het resultaat over de jaren heen. De eerste werken in deze fluo-pigmenten zijn zelfportretten, die veel kleurrijker worden, terwijl ze tevoren monochromer waren. De kleurwerking lijkt het tragische van de geportretteerde te accentueren. De lichtintensiteit, intrinsiek aan dit coloriet, zorgt onder de speciale Woodlamp voor een specifiek effect dat wel aan gekleurde glasramen doet denken. Wanneer de Duitse verfproducent failliet gaat, stopt hij met het experiment. De fluorescerende werken worden nochtans goed onthaald bij de critici.

 

 

DE BOECK EN HET ARTISTIEKE CIRCUIT IN DE JAREN 1960-1980

 

1958 is een jaar dat De Boeck in de kijker loopt. Hij wordt ridder in de Kroonorde en stelt een twintigtal portretten tentoon in Studio Fonteyn in Leuven. Bovendien is hij te gast in het televisieprogramma Ten Huize van... van Joos Florquin. De impact die het verschijnen op een massacommunicatiemedium inhoudt, is voor die tijd niet te onderschatten.

 

De grote Wereldtentoonstelling van 1958 doet De Boeck schitteren door zijn afwezigheid. Wanneer een jaar later in het Hessenhuis in Antwerpen de expo Hulde aan de Pioniers plaatsvindt, een retrospectieve van de eerste Belgische abstracte kunstenaars, wordt dit in ere hersteld: De Boeck zal deelnemen met 13 werken.

 

Onder invloed van de tweede golf abstractie na de Tweede Wereldoorlog, zal De Boeck tussen 1959 en 1965 terugkeren naar vlakke abstracte composities. Hiervoor grijpt hij vooral terug naar tekeningen uit de jaren 1920, die toen nog niet in schilderijen waren uitgewerkt. Dit verklaart waarom sommige werken van twee dateringen voorzien zijn.

 

Hoewel zijn artistieke evolutie vanaf 1965 stagneert, wordt zijn werk wel opgenomen in retrospectieve tentoonstellingen. In 1965 houdt hij zijn eerste grote retrospectieve in het Museum van Elsene, waarvoor goede vriend en fervent verdediger van zijn kunst, Jan Walravens, een monografie schrijft. In 1966 exposeert hij in het Centraal Museum in Utrecht voor de tentoonstelling Belgische schilderkunst van 1890 tot heden

 

Wanneer de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België in 1972 voor het eerst hulde brengen aan de eerste abstracten met de expositie Naar een zuiver beelden, behoort De Boeck tot de exposanten. Het museum zal De Boeck een grote retrospectieve geven in 1981 met een selectie van 53 schilderijen en 64 tekeningen, onder de titel Van Punt tot cirkel. Naar aanleiding van de tentoonstelling schonk De Boeck een collectie van 114 tekeningen, die zijn hele oeuvre omspant. 

 

 

EEN KRACHTIG EINDE: DE SYNTHESEREEKSEN ‘BEGIN- EN EINDPUNT’ EN ‘RUIMTE’ (1983-1995)

 

Met Begin- en eindpunt reduceert Felix De Boeck zijn iconografie tot het absoluut minimum. Het punt van waaruit alles ontstaat, wordt nu tevens een punt waar alles naar terugkeert en symboliseert het nakende levenseinde van De Boeck zelf. Het autobiografisch karakter werd voorbereid in de reeks Deemstering, waarin een extreem gestileerd zelfportret in een etherisch abstract landschap zweeft. De terugkeer naar de abstracte taal werd mee bepaald door de fysieke beperkingen die de hoogbejaarde kunstenaar ondervond. De evolutie getuigt van een nieuwe artistieke impuls op zoek naar de ultieme synthese. Zo zal Ruimte ontstaan: het geheel van alle composities in één beeld. Via horizontale gekerfde lijnen worden verschillende lichtbronnen geordend volgens een strakke meetkundige structuur van cirkels en diagonalen binnen een ‘barokgekleurd’ beeldvlak dat lijkt uit te deinen. Hemel en Aarde. Denken, voelen, doen. De mens en het universum. De Boeck heeft hier een juist evenwicht gevonden tussen een symbolisch idealisme en de mystieke figuratie. 

 


 

Van Museum Felix De Boeck naar FeliXart

Een pad met twee sporen, in drie fasen

 

 

De geschiedenis van het museum begint in 1969. Ter gelegenheid van de officiële opening van het gerenoveerde gemeentehuis van Drogenbos, werd Felix De Boeck gevraagd werk tentoon te stellen op de zolderruimte. Na een eerste schenking van 71 werken, maakte hij in 1992 nog eens 637 schilderijen over aan de Vlaamse Gemeenschap, die zich engageerde om een museum te bouwen op de gronden die de kunstenaar aan de gemeente Drogenbos had geschonken. Daarmee werd de droom van de schilderboer vervuld: zijn werken zouden een onderdak vinden en toegankelijk blijven. Felix De Boeck woonde de eerste steenlegging in 1994 bij. De offi- ciële opening vond plaats in 1996, een jaar na de dood van de kunstenaar. Architect Rob Geys ontwierp het modernistische gebouw naar de geest van het vroeg geometrisch werk van De Boeck. 

 

In een eerste fase, van 1996 tot 2003, namen de vzw Vrienden van Felix De Boeck en de gemeente de uitbating van het museum op zich. Het was meteen duidelijk dat een dergelijk groot project – het gebouw straalt toch die ambitie uit – niet door een kleine gemeente alleen gedragen kon worden. Om een actievere exploitatie mogelijk te maken, creëerden de gemeente Drogenbos, de provincie Vlaams-Brabant en de Vlaamse overheid, via De Rand vzw, een nieuwe vzw Museum Felix De Boeck. Het voornaamste actiepunt was het behalen van het kwaliteitslabel ‘erkend museum’. Deze, naar internationale criteria gemodelleerde erkenning, moest ervoor zorgen dat het museum zich ontwikkelde binnen de moderne museumpraktijk.

 

 

BREDER VERHAAL

 

Nog voor de bouw van het museum bestonden er grote twijfels over de mogelijkheid om zich als monothematisch museum blijvend te verantwoorden. Het ging niet zozeer om bezoekersaantallen en inkomstencijfers. Musea dienen zelf mee te bepalen hoe ze hun maatschappelijke rol al dan niet bevestigen. En dit kan alleen door een eigen sterke identiteit uit te werken. De ‘sterkte’ is de mate waarbij rekening gehouden wordt met de externe vragen naar verantwoording, die een grote mate van flexibiliteit en visie veronderstelt. Hoe deze paradigmaverschuiving verzoenen met een duidelijk omschreven schenking en met de wil van Felix De Boeck? Dat was de grote uitdaging waar het museum in 2005 voor stond. 

 

In die tijd dacht de sector na over het begrip ‘erfgoedensembles’. Het zijn plaatsen waar verschillende opvattingen over cultuurbeleving samenvallen. Dit stond uiteraard niet los van de sensibilisering die de toenmalige Vlaamse minister van Cultuur, Bert Anciaux, met zijn participatie-discours lanceerde. Hieruit ontstond het idee voor een tweesporenbeleid waarin de figuur van Felix De Boeck, die tegelijk avant-gardist en boer was, centraal stond. Het opende de mogelijkheid om zowel in te zetten op een zuiver museaal en artistiek luik als op een breder cultuur- en erfgoedverhaal, waarvan de hoeve en de beschermde boomgaard deel uitmaakten. Deze twee sporen krijgen vorm in het logo dat hoort bij de naamsverandering tot FeliXart Museum, waarbij de X aangeeft dat de werking een integratie is van beide aandachtsgebieden.

 

 

VOOR DE FIJNPROEVERS

 

Het FeliXart Museum werd weleens ‘het best bewaarde geheim van Drogenbos’ genoemd, vooral om te wijzen op het beperkte publieksbereik. Na de opening in 1996 liepen de bezoekerscijfers sterk terug. De traditionele aanpak van een monothematische opstelling bleek, zoals gevreesd, geen garantie voor succes. Alleen instellingen met grote namen zoals een Picasso of een Van Gogh kunnen dit volhouden. Bovendien heeft het museum zijn ligging niet mee. FeliXart ligt aan de periferie van een grote stad. Dit impliceert dat er een aanleiding moet zijn om het museum te bezoeken en het is duidelijk dat Felix De Boeck deze ‘trekkersrol’ niet alleen kon dragen. Tegelijkertijd waren de fondsen onvoldoende om de nodige promotie te voeren. 

 

Het is niet de ambitie om één groot publiek naar De Boeck te leiden, maar met een divers aanbod te mikken op selecte doelgroepen; fijnproevers als het ware. Zo is de artistieke poot verbreed naar de hele generatie eerste avant-gardisten waartoe De Boeck behoorde. Hier bestond een museaal hiaat omdat geen museum in ons land er zich exclusief op focuste. Dat is dus al een belangrijke maatschappelijke verantwoording. Het tweede spoor, de meer subjectieve cultuurbeleving van erfgoed, is verbreed met een verhaal rond ecologie en leefmilieu. De boomgaard is immers het enige openbare stuk groen in Drogenbos. Met de artistieke missie mikt het museum op een regionale en hopelijk ook (inter)nationale uitstraling; met erfgoed en ecologie zorgt het voor een eerder lokale inbedding. Dit beantwoordt aan de behoeften van de verschillende partners/overheden. Deze aanpak verdrievoudigde de bezoekersaantallen van de museale activiteit en het plan zette FeliXart op de kaart bij de Monumentenstrijd van de Vlaamse overheid, net als bij de Museumprijs van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen.

 

 

LINK MET MODERNISME

 

Anders dan verwante biografische musea gaat FeliXart heel ver in het inbedden van de centrale figuur in een bredere werking. Het museum is bekender door de tijdelijke tentoonstellingen dan door de vaste collectie. Steeds probeert FeliXart de museale opstelling zo te maken dat de vaste collectie een aanvulling vormt op het gevarieerde aanbod. Daarbij schuwt het de hagiografie en streeft het naar onverwachte effecten. In de marge van de tijdelijke tentoonstellingen, zoals die rond Paul Van Hoeydonck, kreeg het museum in de kwaliteitskranten de eerste lovende kritieken op De Boecks werk sinds de dood van de kunstenaar. Het oeuvre van Felix De Boeck, dat tachtig jaar overspant, is immers enorm gevarieerd maar als dusdanig onbekend bij het groter publiek. Het is ook een manier om de clichés die er rondom zijn werk bestaan, te ontkrachten. Een hele generatie heeft zich in de jaren 1970 en 1980 een beeld van De Boecks werk gevormd, met een sterk persoonlijke biografische en religieuze focus. Uiteraard blijft dit onderdeel in zijn oeuvre essentieel, maar de uitdaging bestaat erin het publiek te confronteren met de genese van De Boecks artistieke parcours en met nieuw onderzoek. De link met het modernisme en de eerste abstracten blijft hoe dan ook een kunsthistorisch ijkpunt. Die pioniersrol kan men De Boeck niet ontzeggen. En op die sterkte hoopt het museum de rest van zijn oeuvre verder ingang te doen vinden. 

 

 

DRAAGVLAK VOOR EEN RUIM PROJECT

 

FeliXart is onderdeel van een ruimer project. In het beleidsplan stond allereerst de uitbouw van het museum centraal. In 2009 evolueerde het van de basiserkenning naar een regionale indeling. Dit betekende een erkenning van het parcours en bracht, via de beheersovereenkomst met de provincie Vlaams-Brabant, een duidelijke inhoudelijke focus op depotwerking en expertisedeling, die mee zorgt voor een regionale en lokale ondersteuning. Dat slaat inhoudelijk de brug naar de tweede fase, waar de uitbouw van het tweede spoor op de agenda staat. Om een werking rond erfgoed en ecologie met een publieksgerichte en toeristische functie uit te bouwen, lag het voor de hand dat er overleg kwam met gespecialiseerde en regionale spelers. Zo ontstond vanaf het begin een strategische samenwerking met de gemeente Drogenbos en het Regionaal Landschap Pajottenland en Zennevallei. In de herwaardering van de hele Zennevallei wordt Drogenbos samen met Halle een begin- of eindpunt. Om de volledige integratie mogelijk te maken, de derde fase, zijn de publieksgerichte restauratie van de hoeve en de aanschaf van de resterende aanpalende groene gronden essentieel. De restauratie verloopt moeizaam. De eerste werkzaamheden startten pas in 2012, maar dit is normaal omdat er een draagvlak nodig is op alle bestuursniveaus. Ook hier speelt de maatschappelijke verantwoording. Om het evenwicht tussen de twee sporen mogelijk te maken is er al die jaren voor gezorgd om een draagvlak te creëren voor het volledige FeliX-plan, wat ook een vermelding in het Vlaams regeerakkoord opleverde. Het is de bedoeling om het project een lange adem te geven, ongeacht de mogelijke accentverschillen in de loop van de tijd.

 

 

VOER VOOR NOG VELE JAREN ONDERZOEK

 

De afgelopen jaren organiseerde FeliXart tentoonstellingen rond figuren of gebeurtenissen die een band hebben met Felix De Boeck. Die contextualisering zal deel uitmaken van toekomstig onderzoek. De Boeck is nu veel meer dan vroeger opgenomen in de tentoonstellingen van de grotere musea in Vlaanderen. In 2013 is er een belangrijke presentatie van zijn werk in de expo rond de Belgische avant-garde in het MSK Gent. Belangrijke werken uit de jaren 1920 zijn in langdurig bruikleen bij MuZee Oostende. Dat is alleen mogelijk door de erkenning die het museum heeft kunnen realiseren. Omgekeerd zal de hernieuwde kennis van De Boecks oeuvre afstralen op de werking van het museum. Zo is de beoogde missie gerealiseerd. Dit is een werk dat nooit eindigt. Er zal steeds behoefte zijn aan nieuwe impulsen, middelen en energie. In 2011 deed de Stichting Felix De Boeck een uitzonderlijke schenking aan de Provincie Vlaams-Brabant, die het beheer ervan toevertrouwde aan FeliXart. Het gaat om kunsthistorisch belangrijke werken van de kunstenaar uit de periode 1917-1955. In de loop van 2012 wijdde FeliXart er een tentoonstelling aan. Bij die schenking behoorde ook de interessante briefwisseling van de kunstenaar. 

 

Sinds 2011 is de wetenschappelijke werking van FeliXart echt operationeel. Na een inhaalbeweging in de registratie van de verschillende collecties die het museum beheert, kon het veel meer verbanden leggen en analyses aan een feitelijk onderzoek onderwerpen. Uiteraard was de ontsluiting van de tekeningen van essentieel belang. De archieven van Felix De Boeck vormen op dit moment een van de belangrijkste nieuwe bronnen voor onderzoek over de periode van het modernisme in België. Al dit materiaal is beschikbaar voor onderzoekers en via het digitaliseren ervan zal ook het breder publiek ermee kunnen kennismaken. De correspondentie, het archief en de bibliotheek zullen nog voor vele jaren voer voor onderzoek zijn. Het is de basis van de werking rond de vaste collectie, zowel intra als extra muros.

 


 

Aspecten, reflecties en talenten

Tentoonstellingen in FeliXart Museum

 

 

In korte tijd is het museum geëvolueerd van een biografisch museum, exclusief gewijd aan Felix De Boeck, naar een themamuseum dat focust op het modernisme, de avant-gardekunst en de abstractie. Het werk, de woonplaats en de spirituele erfenis van de schilder-boer blijven het aanknopingspunt en de inspiratiebron. Het geactualiseerd tentoonstellingsbeleid heeft drie platformen: Aspecten, Reflecties en Talenten.

 

 

ASPECTEN: DE VASTE COLLECTIE HERBEKEKEN

 

Onder de noemer ‘Aspecten’ presenteert FeliXart wisselende selecties uit de eigen collectie. Het museum beheert ongeveer 1.500 schilderijen en 2.000 tekeningen van Felix De Boeck, plus een uitgebreid archief met correspondentie, kunstboeken en -tijdschriften, foto’s en audiovisueel materiaal. De rijkdom ervan maakt het mogelijk om diverse aspecten van zijn leven en werk te onderzoeken en te ontsluiten. 

 

Een van de manieren om Felix De Boeck anders te bekijken was om via getuigenissen een caleidoscopisch beeld van de kunstenaar en mens te verkrijgen. Zo werkte het museum van 2008 tot 2010 twee videoprojecten uit met twee verschillende invalshoeken. In Oog in oog gaven kunsthistorici en verzamelaars, zoals Serge Goyens de Heusch en André Garitte, kritische maar eerlijke analyses. En er is ook geluisterd naar bekende figuren die een band hebben met De Boeck. Zo zijn er getuigenissen van televisiepresentator Mark Uytterhoeven, een kleinzoon van Prosper De Troyer, en van Eddy Merckx, om maar de bekendste namen te noemen. Geconfronteerd met De Boecks eigen woorden, tekende dit een kleurrijk en complexer beeld dan tot dan toe werd aangenomen. In het andere videoproject, Uit de eerste hand, gaf Felix De Boeck zelf – in korte interviews uit het beeldarchief – uitleg over bepaalde thema’s of specifieke werken. 

 

Tot 2012 presenteerden de tentoonstellingen van de vaste collectie bijna uitsluitend schilderijen. Dankzij de schenking van een – kunsthistorisch gezien – uitzonderlijke collectie van 1.660 tekeningen van Felix De Boeck door de Stichting Felix De Boeck aan de Provincie Vlaams-Brabant, kon het museum ook zijn grafisch werk in het daglicht brengen. Naar aanleiding van de schenking, werd een selectie van ongeveer vijfhonderd tekeningen getoond in de tentoonstelling Het oeuvre van Felix De Boeck in tekeningen. De rijkdom van deze collectie – het gaat om de grootste overzichtscollectie van een modernistische kunstenaar in zijn geheel bewaard – maakte het mogelijk om alle ontwikkelingen in de beeldtaal van de kunstenaar te laten ontdekken, en de resultaten van wetenschappelijk onderzoek omtrent deze evoluties te ontsluiten. 

 

 

REFLECTIES: DE BOECK IN EEN BREDERE CONTEXT

 

Aan de hand van tijdelijke retrospectieve of groepstentoonstellingen plaatst het museum het oeuvre van Felix De Boeck in dialoog met het werk van twintigste-eeuwse kunstenaars, zowel tijdgenoten van de eerste generatie abstracten, als hedendaagse kunstenaars die al dan niet enig verband hebben met De Boecks werk. Deze contextualisering is van groot belang, vooral om zijn pioniersrol in het modernisme te benadrukken. Het FeliXart Museum heeft namelijk de ambitie om deze minder bekende en minder onderzochte periode in de kunstgeschiedenis weer de aandacht te geven die ze verdient. 

 

De eerste uitgebreide overzichtstentoonstelling over een tijdgenoot van Felix De Boeck waarmee het FeliXart Museum uitpakte, was Karel Maes, in 2007. Samen met Felix De Boeck, Jozef Peeters en Pierre-Louis Flouquet was Karel Maes (1900-1974) een van de grondleggers van de Belgische abstracte kunst. Hij ontwierp illustraties voor talrijke avant-gardetijdschriften zoals 7 Arts, Het overzicht, Ruimte en Ca ira, en paste zijn abstracte beeldtaal ook toe in het ontwerpen van meubels, glasramen en tapijten. Behalve schilderijen en grafisch werk presenteerde de retrospectieve ook nooit eerder getoonde meubels en tapijten van deze veelzijdige, maar vergeten kunstenaar. 

 

In 2011 bracht FeliXart een andere belangrijke figuur uit de historische avant-garde in herinnering. Uit het veelzijdige oeuvre van Paul Joostens (1889-1960), schilder, graficus, assemblagekunstenaar en dichter, focuste het museum op zijn collages. Paul Joostens was namelijk de eerste Belgische avant-gardist die (al in 1917) de collagetechniek gebruikte. Ter gelegenheid van de tentoonstelling toonde het museum een collage uit 1920 van de hand van Felix De Boeck, een uniek stuk uit de collectie. 

 

Ook de tweede generatie abstracte kunstenaars krijgt een plaats in Reflecties. In 2010 verzamelde de retrospectieve Maurice Carlier - Licht in beweging ongeveer 150 nooit eerder samengebrachte werken van deze Brusselse kunstenaar. Maurice Carlier (1894-1976) behoorde tot de pioniers van de abstracte beeldhouwkunst in België. Hij beheerste verschillende artistieke technieken, zoals meubelkunst, schilderkunst, grafische kunst en beeldhouwkunst. Na de oorlog raakte Maurice Carlier gefascineerd door monumentale openluchtbeeldhouwkunst, waar hij voornamelijk geïnteresseerd was in het effect van de natuurlijke verandering van het zonlicht op een beeldhouwwerk. Hij bouwde zelfs een reusachtige ‘zonnemachine’ om de zonnebelichting te simuleren. Ze werd in het FeliXart Museum nagebouwd. In het najaar van 2011 was er een ruim overzicht van het abstracte werk van Paul Van Hoeydonck (°1925), bekend als ‘ruimtevaartkunstenaar’ wegens zijn beeldje Fallen Astronaut dat sinds 1971 op de maan staat, maar vooral ook een belangrijke vertegenwoordiger van de tweede golf abstracten. Na de Tweede Wereldoorlog werd de abstractie na twintig jaar stilte nieuw leven ingeblazen. De naoorlogse drang tot vernieuwing versnelde de opkomst van non-figuratieve bewegingen. Talrijke kunstgroepen zagen het daglicht. Zo was Paul Van Hoeydonck medestichter van de Brusselse groepen Art Abstrait, Formes en Art Construit. Hij trachtte verder te gaan dan de zuivere geometrische abstractie: door een spel van onregelmatige vormen, in vaak felle kleuren, slaagde hij erin bewegingsillusies op te wekken. Beweging en licht zijn de sleutelwoorden in zijn abstract œuvre, en dit kondigt al zijn evolutie naar de Space Art aan. 

 

Eind 2012 wijdde het FeliXart Museum een retrospectieve aan de BelgischAmerikaanse kunstenaar Jan Yoors (1922-1977). Centraal stonden wandtapijten, maar ook gouaches, sculpturen, tekeningen en foto’s van een in België ten onrechte vergeten kunstenaar, die zijn inspiratie haalde uit zijn rijke levenservaringen zoals zijn jeugd bij een zigeunerfamilie, zijn activiteit in het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog, zijn vele reizen en reportages onder andere in het Amazonegebied, het Verre Oosten en Rusland, alsook in de New Yorkse wijken zoals Harlem. 

 

In het najaar van 2013 staat een retrospectieve van het oeuvre van een van de grootste kunstcritici van het interbellum, Michel Seuphor (pseudoniem van Fernand-Louis Berckelaers, 1901-1999) op het programma. Deze intellectuele omnivoor was als dichter, essayist en kunsthistoricus een belangrijke promotor van de abstracte kunst. Dankzij zijn gedrevenheid verwierven de eerste abstracten, die in tegenstelling tot de expressionisten en de surrealisten geen enkele steun van overheden en mecenassen kregen, enige bekendheid. Hij wordt beschouwd als dé geschiedschrijver van de abstracte kunst, met onder andere Dictionnaire de la peinture abstraite (1957) en De abstracte schilderkunst in Vlaanderen (1963). Het is minder bekend dat achter deze theoreticus ook een beeldende kunstenaar verscholen zit. Voor de eerste keer sinds de tentoonstellingen in Centre Pompidou en het Gemeentemuseum in Den Haag in 1977, komt zijn plastisch werk museaal weer onder de aandacht.

 

Michel Seuphor stond aan de wieg van avant-garde kunstgroeperingen en tijdschriften. In 1921 richtte hij samen met Geert Pijnenburg (1896-1980) – later vervangen door Jozef Peeters – het politiek maar later vooral literair en cultureel tijdschrift Het Overzicht op. Hij speelde ook een belangrijke rol in de oprichting van Cercle et Carré, een groep die hij in 1929 samen met de schilder Joaquín Torres-García (1874-1949) opstartte, met de bedoeling om kunstenaars uit verschillende kunstdisciplines van de avant-garde bijeen te brengen. Na enkele korte verblijven in Parijs, de draaischijf van het kunstgebeuren in die periode, verliet Seuphor in 1925 definitief zijn geboortestad Antwerpen om zich in de Franse hoofdstad te vestigen. Daar kwam hij in contact met grote namen uit de literaire en artistieke internationale avant-garde: dichters zoals Jean Cocteau (1889-1963) en Tristan Tzara (1896-1963), maar ook beeldende kunstenaars als Robert Delaunay (1885- 1941), Fernand Léger, Constantin Brancusi (1876-1957), Pablo Picasso en Piet Mondriaan. Met deze laatste onderhield hij een levenslange vriendschap en werkte hij nauw samen. Zo ontwierp Mondriaan in 1926 de decors voor het theaterstuk L’Ephémère est éternel dat Seuphor geschreven had. Dit decor zal ter gelegenheid van de tentoonstelling in het FeliXart Museum gereconstrueerd worden. Een tweede samenwerking vond plaats in 1928, waar ze met een Tableau-poème deelnamen aan een Parijse tentoonstelling van samenwerkingsprojecten van schrijvers en schilders. Seuphor is ook de auteur van Mondriaans eerste biografie in 1956. 

 

Gelijklopend met zijn schrijfactiviteit, wijdde Seuphor zich aan de beeldende kunst. Na geëxperimenteerd te hebben met typografische gedichten en eenlijnige tekeningen in de jaren 1930, vond hij zijn stijl in de dessins à lacunes, waarmee hij omstreeks 1948 begon. In deze pentekeningen domineren horizontale rechte lijnen, die op verschillende afstanden van elkaar getrokken worden. Door onderbrekingen in deze lijnen ontstaan er uitgespaarde vormen die zich van de achtergrond lijken los te maken. Seuphor: “Ik trek een lijn, ik trek een andere lijn, nog een andere en nog een andere. Tussen de lijnen begint iets te trillen. In de witte ruimten krijgen de vormen hun zelfstandigheid. Het niet geschrevene wordt leesbaar, de leegte spreekt, het onbestaande blijkt met zin beladen.”

 

Behalve grafisch werk, hebben ook toegepaste kunsten, zoals tapijtweefkunst en keramiek, een mooie plaats in de tentoonstelling. Michel Seuphor verenigt in zijn oeuvre de Platoonse idealen van de historische avant-garde met de kunstpraktijk van de latere generaties abstracten.

 

 

REFLECTIES: RECONSTRUCTIES, LANGLOPENDE PROJECTEN EN GROEPSTENTOONSTELLINGEN

 

In de jaren 1920 nam Felix De Boeck actief deel aan het modernistische avontuur. Hij werkte onder anderen mee aan het avant-gardistische tijdschrift 7 Arts. In 1923 vond in het Egmontpaleis in Brussel de tentoonstelling Les Arts Belges d’Esprit Nouveau plaats. Daar kon men de stand van uitgeverij L’Equerre en het tijdschrift 7 Arts bezoeken, waar abstract werk hing van de protagonisten van Zuivere Beelding zoals Pierre-Louis Flouquet, Karel Maes, Jozef Peeters, Victor Servranckx en Felix De Boeck. 85 jaar later, in 2008, werd deze stand, ontworpen door Victor Bourgeois, gereconstrueerd in het FeliXart Museum op basis van het beschikbare archiefmateriaal en bruiklenen van de toen getoonde werken.

 

De tentoonstelling Grenoble 1927: een panorama van de Belgische kunst presenteerde in 2012 een reconstructie van de vergeten tentoonstelling L’art belge die in 1927 in Grenoble georganiseerd werd, met werk van de grootste namen uit de Belgische moderne kunst: James Ensor, René Magritte, Léon Spilliaert (1881-1946), Constant Permeke, Gustave Van de Woestyne (1881- 1947), Frits Van den Berghe, Victor Servranckx en ook Felix De Boeck. Dit project was niet alleen een herontdekking van moderne Belgische kunstwerken waarvan de meeste niet meer in België werden getoond sinds 1927, maar leverde ook een belangrijke bijdrage aan de erkenning van het internationale niveau van Felix De Boeck. 

 

De meeste reflectietentoonstellingen duren tussen drie en vijf maanden. Andere zijn van langere duur. Zo is de permanente collectie sinds september 2011 en tot 2017 verrijkt met topwerken uit de interbellumperiode. Tijdens de sluiting van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen voor renovatiewerken, heeft het FeliXart Museum de kans gekregen om uitzonderlijke, minder getoonde, kunstwerken uit de Antwerpse collectie uit de jaren 1920-1950 te presenteren. Twee ruimtes bieden een blik op de bruisende kunstwereld tijdens het interbellum, van de abstractie tot het expressionisme, met werk van Prosper De Troyer, Marthe Donas (1885-1967), Jozef Peeters, Oscar (1887-1970) en Floris Jespers (1889-1965), Paul Joostens, Jan Kiemeney (1889-1981), Jules Schmalzigaug (1882-1917), Edmond Van Dooren (1896-1965) en Ossip Zadkine (1890-1967). Een mooie aanvulling waarmee tijdelijke tentoonstellingen steeds een context krijgen. 

 

Het FeliXart Museum organiseerde al vier groepstentoonstellingen. In 2006 was er Amici. Om het werk van Felix De Boeck met de jonge generatie te confronteren, kregen vijf hedendaagse kunstenaars de opdracht om hun visie en ervaring met De Boecks leven en werk creatief te verwerken. Dit gaf verrassende resultaten. Vaast Colson (°1977), bijvoorbeeld, maakte een schilderij van het museumdomein in acht uur tijd met behulp van acht scheerspiegels, verwijzend naar het werk- en leefritme dat Felix De Boeck zichzelf oplegde: acht uur fysieke arbeid, acht uur geestelijke arbeid, acht uur slapen. Nadia Naveau (°1975) speelde in op het repetitieve kleurgebruik van Felix De Boeck met groene soldatenfiguren. Andere interventies waren van Anton Cotteleer (°1974), Annelies Vanhaverbeke (°1980) en Caroline Coolen (°1975).

 

Voor APPELL (2008) bedachten directeur Sergio Servellón en de Duitse kunstenares Suse Weber een totaal nieuw concept op het gebied van het presenteren van hedendaagse kunst. Uitgaande van het spanningsveld tussen de artistieke vrijheid en de beperkingen van de presentatievorm, kregen jonge hedendaagse kunstenaars de opdracht om ieder een kunstwerk te installeren binnen een vlak van 9 m x 1,6 m x 1,6 m, waarbij het eerste getal de hoogte is. Geen enkel ander criterium werd opgelegd. In die zin brak APPELL duidelijk met de traditionele omgang met hedendaagse kunst. 

 

Le Cube au Carré (2008-2009), een rondreizende groepstentoonstelling, bracht namen uit drie generaties abstracte kunstenaars – van Jozef Peeters en Marcel-Louis Baugniet (1896-1995) via Jo Delahaut (1911-1992) tot Mark Verstockt (°1930) en Bob Van der Auwera (°1949) – samen rond het vierkant en de kubus.

 

Een verlangen naar abstractie (2011) koppelde de historische avant-garde aan hedendaagse kunst. De groepstentoonstelling handelde over de verschillende gedaantes van de abstractie in haar honderdjarige geschiedenis, vertrekkende van de historische avant-garde in de jaren 1920 en de vroege experimentele film, via de pioniers van de computerkunst, tot de hedendaagse mediakunst. 

 

 

TALENTEN: PLAATS VOOR HEDENDAAGSE KUNST

 

Binnen het Talenten-platform presenteert het FeliXart Museum het werk van beloftevolle kunstenaars in het kader van Doe Stil Voort-tentoonstellingen, waarvan de naam geïnspireerd is op de Brusselse kunstenaarsgroepering waarmee Felix De Boeck in 1917 voor de eerste keer tentoonstelde. Sinds 2007 verwelkomde het museum werk van onder anderen Nicolas Baeyens, Philip Janssens, Renato Nicolodi, Nick Andrews, Leen Voet, Maria Dukers, Rémi Tamburini en Maarten Van Den Eynde. Via dit peterschapsproject kregen ze de kans om hun werk aan het publiek voor te stellen in een museaal kader.

 


 

FOCUS OP WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK

 

 

Het FeliXart Museum heeft ook een wetenschappelijke functie. Het evolueert tot een studiecentrum dat niet alleen focust op het werk van Felix De Boeck, maar ook op zijn pioniersrol in het modernisme, en op het werk van zijn tijdgenoten. Niet enkel het uitgebreid archiefmateriaal (correspondentie, foto’s, oude publicaties) maar uiteraard ook de werken uit de collectie zelf (schilderijen en tekeningen) vormen zeer interessante onderzoeksbronnen. Zo werd vorig jaar een ‘verborgen’ collectie ontdekt. Een veertigtal schilderijen uit het midden van de jaren 1920 (vanaf 1922) tot het midden van de jaren 1930 bevat onderschilderingen uit de periode 1919-1922, de pioniersperiode van de abstracte kunst in België. Gelet op de waarde van dit patrimonium, zoekt het museum de beste manier om het werk te analyseren, te conserveren en te ontsluiten. Het complex onderzoek wordt nog extra bemoeilijkt omdat sommige schilderijen aan beide zijden beschilderd zijn. Twee stappen worden ondernomen voordat de onderzoeksresultaten ontsloten kunnen worden: een inventarisatiefase, die sinds kort via een volledig geautomatiseerd collectieregistratiesysteem gebeurt, gevolgd door een onderzoeksfase bestaande uit een contextbepalend archiefonderzoek enerzijds, en materiaaltechnisch onderzoek anderzijds, door analyse van pigmentgebruik bijvoorbeeld.

 

Met het toenemende aantal tijdelijke tentoonstellingen was ook de depotwerking aan vernieuwing toe. Sinds 2012 beschikt het museum over een halfopen depot (visueel opengesteld voor het publiek), dat behalve tijdelijke opslagplaatsen voor kunstwerken ook een aangepaste werkruimte biedt voor het veilig inpakken en uitpakken van kunstwerken, het opmaken van conditierapporten evenals het uitvoeren van kleine restauratiewerkzaamheden. Met deze nieuwe depotwerking speelt het FeliXart Museum een voortrekkersrol, en kan het expertise delen met verschillende erfgoedactoren in de regio, onder meer over conditierapportering, digitalisering en inventarisatie. Het diepgaande onderzoekswerk dat gepaard gaat met de tijdelijke tentoonstellingen wordt niet alleen in de tentoonstellingen zelf ontsloten, maar wordt tevens in mooie publicaties gegoten. Vaak gaat het niet louter om een tentoonstellingscatalogus, maar is het een omvangrijk referentiewerk, dat enerzijds bestaat uit wetenschappelijke bijdragen van specialisten van de tentoongestelde kunstenaars geïllustreerd met foto’s en archiefdocumenten, en anderzijds uit een uitgebreid overzicht van beeldmateriaal.

 


 

Praktisch

 

FELIXART MUSEUM

Kuikenstraat 6

1620 Drogenbos

T +32 (0)2 377 57 22

F +32 (0)2 377 29 15

info@FeliXart.org

www.felixart.org

 

OPEN

Van donderdag tot zondag van 10u30 tot 17u00

Groepsbezoeken zijn ook mogelijk alle andere dagen van de week mits reservatie

Toegankelijk voor rolstoelgebruikers

 

TARIEVEN

Standaardtarief voor individuele bezoekers: 5 euro

Preferentieel tarief: 2, euro (65+, Studenten, Leraren, OKV, Pasar, Gezinsbond, Willemsfonds, gehandicapten)

Gratis toegang voor kinderen onder 12 jaar, Pers, Gidsen, Vrienden van Felix De Boeck, ICOM

 

EDUCATIEVE DIENST

Rondleidingen voor groepen volwassenen

Rondleidingen en workshops voor scholen 60 euro per groep (maximum 20 leerlingen per groep)

Inkom en workshop: 2,5 euro per leerling

Picknickmogelijkheid in de cafetaria, of in de tuin bij mooi weer.

Zoektocht voor gezinnen

 

EVENTS EN ZAALVERHUUR

Zowel voor particulieren als voor bedrijven stellen we onze accommodatie ter beschikking voor kleine en grote events, van brunches tot recepties, walking dinners, lezingen, seminaries...

Voor meer informatie: info@felixart.org

 

BEREIKBAARHEID

Vanuit Brussel-Zuid:

Tram 82 richting Drogenbos kasteel, halte Grote Baan

Tram 4 richting Stalle P, tot terminus

Bus MIVB: 98 halte ‘Eggergat’

Bus De Lijn: 153, 154 halte ‘Eggergat’ of ‘Drogenbos Calmeyn’ 


AUTEURS

 

Johan Cuppens, journalist

Caroline Meert, educatieve dienst en communicatie FeliXart

Lies Rock, kunsthistorica

Sergio Servellón, directeur FeliXart


ILLUSTRATIES

 

Foto’s van de werken van de Collectie Vlaamse Gemeenschap: ©Vlaamse Gemeenschap - Fotograaf: Hugo Maertens

Andere foto’s in deze bijdrage: © FeliXart Museum - Fotograaf Jo Vandermarliere


BEKNOPTE BIBLIOGRAFIE

 

CASSIMAN Bart, Felix De Boeck of de weg van de Plastique pure sentimentale naar een vergeestelijkt realisme, Proefschrift ter verkrijging van de graad van licentiaat aan de Rijksuniversiteit Gent, Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde, Promotor Prof. Dr. M. De Maeyer, Gent, 1984.

 

DE PUYDT Raoul Maria, Felix De Boeck, Stichting Kunstboek, Oostkamp, 2004. DUSAR Lutgart, Doorheen het leven en werk van Felix De Boeck: Zijn vormingsjaren en deelname aan de modernistische kunststrekkingen van de twintiger jaren, geplaatst in het kader van de Europese en Belgische kunstevolutie, Proefschrift aangeboden tot het verkrijgen van de graad van licentiate in de Kunstgeschiedenis, Promotor: Prof. Dr. Valentin Denis, Katholieke Universiteit Leuven, 1973. 

 

MERTENS Phil, Felix De Boeck. Punt en cirkel, Tentoonstellingscatalogus Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel, 1981.

 

SERVELLON Sergio, Het oeuvre van Felix De Boeck in tekeningen, FeliXart MuseumPandora Publishers, Drogenbos, 2013.