U bent hier

Félicien Ropsmuseum in Namen - Le beau Féli in zijn museum

Félicien Ropsmuseum in Namen
Met de klok mee: Het toilet, A vendre, Pornokrates en Venus en Cupido, Félicien Rops.

 

Ooit was Félicien Rops de schande van zijn geboortestad Namen: een spotter, een ketter, een pornograaf. Zijn stadsgenoten spuwden hem uit en die gevoelens waren voor honderd procent wederkerig. De tijden zijn echter veranderd en Félicien Rops is vandaag de trots van de Waalse hoofdstad.

 

 

DE VOORGESCHIEDENIS: EEN SEMI-CLANDESTIEN MUSEUM

 

Sinds 1964 hadden een driehonderdtal werken van Félicien Rops een onderdak gekregen in het museum voor Schone Kunsten in de Rue de Fer. Dat eerste museum heb ik in het begin van de jaren zeventig nog bezocht. Een ervaring die helaas niet meer voor herhaling vatbaar is. Je liep daar niet zomaar binnen. Je diende je eerst aan te melden bij de suppoost. Ik zie de blik nog van die man toen ik hem mijn wens kenbaar maakte om naar de werken van Félicien Rops te gaan kijken. Het was een mengeling van verwondering en ondeugendheid met een zweem van afkeuring.

 

Hij kwam van achter zijn metalen bureautje uit, greep en passant een sleutelbos en vergezelde mij zonder één woord te spreken het museum uit, het binnenplein over, in de richting van de uitgang. Werd ik zonder veel omhaal aan de deur gezet? Toch niet, want onder het toegangsportaal opende hij met veel sleutel-gerinkel een deurtje dat toegang gaf tot de portierswoning. Een kleine benedenruimte en een tweetal zalen boven stonden letterlijk volgestouwd met grafiek, tekeningen en schilderijen van Rops. Weer verraste de man mij door te wijzen naar een drukknop: "Daar kunt u bellen." Waarop hij de deur achter zich toetrok en mij met het nodige kabaal achter slot stak. Ik had het museum voor mij alleen en ik kwam ogen te kort. De zaaltjes op de bovenverdieping ademden de sfeer uit van een amateurskabinet uit het fin de siècle, met lage gecapitonneerde fauteuils en alles.

 

De meesterlijke tekeningen en grafieken met hier en daar een schilderij met zware gouden lijst hingen er naast en boven elkaar. Ik herinner mij niet dat daar enige thematische ordening in voorzien was. Het was een spervuur van creatieve vondsten zoals ik er zelden een zag. Ik weet niet hoe lang ik er gebleven ben. Het is wel een feit dat toen ik belde om er weer uitgelaten te worden, mijn bevrijder mij met een nog vreemdere blik aankeek. Ditmaal was het een brede samenzweerderige grijns, als bij een gesmaakte schuinse mop. Het was duidelijk dat de gewaagde prenten uit de verzameling hem niet onbekend waren en dat hij bij de bezoeker eenzelfde waardering verwachtte.

 

 

12 RUE FUMAL

 

In 1987 kwam aan die romantische, maar onhoudbare toestand een einde en opende een volwaardig Provinciaal Museum Félicien Rops zijn deuren in een ruim herenhuis in de Rue Fumal.

 

Een verantwoorde keuze, pal in het hartje van de oude stad, niet ver van het geboortehuis van de kunstenaar met vlakbij de mooie Saint-Loupkerk, een meesterwerk van jezuïetenbarok dat door Baudelaire bijzonder werd bewonderd. Bovendien behoorde de woning oorspronkelijk toe aan Théodore Polet de Faveaux, Rops' schoonvader.

 

Nu kon de verzameling van een betere accrochage genieten, chronologisch met enkele thematische uitwerkingen en aandacht voor de aangewende technieken. Na enkele jaren al blijken ook die ruimten niet meer te voldoen. De aangroei van de collectie zorgt voor plaatsgebrek en nieuwe museale functies kunnen niet naar behoren ingevuld worden. Achtereenvolgens worden een voormalige koffiebranderij in de tuin en het aanpalend huis ingepalmd. De nieuwe zalen worden geleidelijk aan voor het publiek opengesteld. Zo kunnen ook tijdelijke tentoonstellingen plaatsvinden, een belangrijke troef om het publiek telkens weer te lokken. Toch wordt in 2002 en 2003 de site in zijn geheel weer onder handen genomen, en wel op een zeer radicale wijze. Het ingrijpend vernieuwde museum is sinds november 2003 toegankelijk. Het resultaat van de hele opsmukoperatie liet niet op zich wachten.

 

Het bezoekersaantal schoot pijlsnel de hoogte in. En de verzameling blijft aangroeien, dank zij gerichte aankopen, bruiklenen en schenkingen. Vandaag telt zij al meer dan drieduizend werken en is het Félicien Ropsmuseum één van de belangrijkste monografische musea van ons land.

 

 

EEN FRIS MUSEAAL CONCEPT

 

De nostalgicus zal niet echt gelukkig zijn bij het betreden van het nieuwe museum. Het achttiende-eeuwse gebouw werd grondig uitgekleed, het belendende pand volledig herbouwd. Van het vroegere interieur zijn enkele markante elementen overgebleven en in de nieuwe omgeving geïntegreerd. Zo is er de sierlijke trap met zijn ranke spijltjes als een romantisch accent en vooral als belangrijkste circulatie-element tussen de verdiepingen. De onthaalbalie op het gelijkvloers is een elegant en functioneel stuk eigentijds meubilair. Hij priemt in de richting van de tentoonstellingszalen, onder een houten boogje van art nouveau signatuur door. Je herkent er nog de glazen deur in die ooit toegang gaf tot de wintertuin. Het brandglas en de deuren verdwenen. Enkel de houten structuur bleef behouden.

 

De oude indeling van het huis met kamers, gangen en overlopen heeft plaatsgemaakt voor een parcours door museale ruimten van uiteenlopende aard, de ene keer open en herinnerend aan een kunstgalerij, elders gedeeltelijk afgesloten met wanden die niet noodzakelijk de oude ruimte-indeling weerspiegelen. Zij bakenen ruimten af, maar gelijktijdig nodigen zij uit om nieuwe ontdekkingen te doen. Via vensters en doorkijken blijft de aandacht geprikkeld. De bezoeker krijgt al even een voorsmaak van de ontdekkingen die nog in het verschiet liggen.

 

Omwille van de kwetsbaarheid van de werken gebeurt de verlichting met glasvezel. Zo wordt een zacht, sfeervol licht bekomen. Aan de sfeerschepping werd inderdaad veel zorg besteed. De buitenmuren zijn met tulen gordijnen bekleed; de binnenmuren zijn bepleisterd en in gedempte, aan de werken van Rops ontleende, kleuren beschilderd. Het resultaat is bepaald charmant te noemen, een mengeling van eigentijdse helderheid en visuele accenten uit de negentiende eeuw, eclectisch maar zonder de schreeuwerigheid van het postmodernisme.

 

 

VOOR DE FIJNPROEVER

 

Het werk van Rops bestaat hoofdzakelijk uit tekeningen en grafiek, niet gemakkelijk om die dingen te valoriseren zonder in eentonigheid te vervallen. De blikvangers zijn strategisch opgehangen. Ook hier is discretie troef. Hier en daar geeft een schilderij een kleuraccent aan de ophanging. Grote formaten zijn er niet. Rops schilderde graag en goed, maar beschouwde zich op dat vlak eerder als een dilettant. Een verbazende bescheidenheid, volledig onterecht trouwens.

 

Om de aandacht gaande te houden werd een handigheidje bedacht. Her en der in de zalen staan toonkasten van een speciale soort opgesteld. Zij zijn voorzien van een armleuning en een bolvormige greep waardoor het tentoongestelde werk of document met het nodige comfort rustig kan bestudeerd worden. Onderaan bekijk je via een spiegel (of zijn het er twee?) een schets of een publicatie of een tekstuittreksel, kortom een document dat met het tentoongestelde stuk verband houdt, goed gevonden, maar misschien toch een beetje ver gezocht.

 

Het is inderdaad een museum voor de fijnproever. Even door de zalen struinen en je ziet eigenlijk niets.

 

Je moet er echt je tijd nemen en dan is het genieten. Genieten van de schitterende karikaturen (hij spaart zichzelf niet en steekt de draak met zijn breed voorhoofd), de spotprenten (Napoleon als kreupel geraamte en zijn leger dat geen slag beter is), bijtende aanklacht (het contrast tussen een weesjongetje en alle andere deelnemers aan Een begrafenis in Wallonië), de negentiende-eeuwse vrouw in al haar verleidelijke schoonheid (Twee vriendinnen) en verval (De absintdrinkster), erotiek met verve (de Cent légers croquis zijn pareltjes in het genre). Bij de schilderijen vernoem ik in uiteenlopende genres een karaktervol portret van een Antwerpse oude vrouw en het befaamde Dimanche à Bougival waarin de halfontklede zusjes Duluc, Rops' simultane liefjes, bespied worden door een voyeuristisch burgermannetje.

 

 

ROPS ALS STUDIEOBJECT

 

Ondertussen is het museum uitgegroeid tot een belangrijk studiecentrum van het werk van Félicien Rops, de kunst van de negentiende eeuw en de graveerkunst. Het werk aan een beredeneerde catalogus van heel het oeuvre is onderweg. De volgende zware klus wordt het ontsluiten van de briefwisseling van de kunstenaar. Hierin valt te vrezen dat volledigheid een wensdroom zal blijven.

 

Totnogtoe werden zowat drieduizend driehonderd brieven bestudeerd. Rops was een begenadigd briefschrijver. Hij had een zeer eigenzinnige stijl, schuwde het gebruik van neologismen niet, jongleerde met woordspelingen en gekke wendingen, doorspekte zijn betoog met tekeningen en schetsen, maar voor alles kwam hij onomwonden voor zijn mening uit: een goudmijn voor de vorser, een genot voor wie met de man en de tijdsgeest een beetje vertrouwd is.

 

Tijdelijke tentoonstellingen bieden de kans om deelaspecten van Rops' werk toe te lichten, of thema's onder de aandacht te brengen die met hem in verband kunnen gebracht worden, zoals 'de absint' of 'het erotisch ex libris'. Voor de komende lente is het uitkijken naar een tentoonstelling van het oeuvre van Alfred Kubin. De catalogi die bij die gelegenheid worden samengesteld zijn uiteraard kostbare naslagwerken en beantwoorden volledig aan de wetenschappelijke doelstellingen van het museum.

 

 

DE MONOGRAFIE

 

De publicatie in de herfst van 2005 van een monografie over Rops en zijn museum mag gezien worden als het afsluiten van de herinrichting van het museum tot een authentiek Ropscentrum met een uitstraling die het provinciale niveau ver overstijgt. Het boek is een gemeenschappelijke uitgave van het Mercatorfonds en van Dexia dat hiermee met de traditie van de Musea Nostrareeks van het Gemeentekrediet aanknoopt, maar mikt toch hoger.

 

Het werk staat onder de redactionele leiding van de conservator Bernadette Bornier en verrast aangenaam door de diversiteit in de benadering van het fenomeen Rops.

 

Het is een interessante staalkaart van de onderscheiden domeinen waarin het onderzoek naar Rops' wereld kan gevoerd worden. Sommige onderwerpen zijn voorspelbaar, zoals de karikatuur, het landschap, de brieven, de erotiek (Félicien Rops, Handelsreiziger in onbetamelijkheden voor de firma Satan & Co luidt de titel van het artikel. Je moet er maar op komen!). Sommige zijn echt verrassend. Dat hij een uitgesproken liefhebber was van vrouwelijk schoon was geweten, maar op zijn andere passie is nooit diep ingegaan: de botanica. Zijn methodes waren niet echt wetenschappelijk, zijn notities konden vollediger en systematischer, waardoor hij meer naar voor treedt als een enthousiast liefhebber dan als een wetenschapper. Maar hij legt een herbarium aan te Thozée, het kasteel waar hij graag verblijft zolang het in zijn huwelijk nog tamelijk goed gaat. Hij maakt schetsen over de aanleg van het park. Een schrift met notities en vaststellingen in verband met tuinplanten draagt de veelbetekenende titel Hortus Thozeanus. Bloemen brengen hem in vervoering en hij hecht er meer belang aan dan aan het lintje van het Erelegioen, beweert hij.

 

De langste en wellicht meest waardevolle bijdrage in het boek is een chronologisch overzicht van werk en thematiek aan de hand van oordeelkundig geselecteerde illustraties en bondige notities. Sommige werken worden nog eens extra besproken, niet zelden aan de hand van eigen uitspraken van Rops. Hij was inderdaad een kunstenaar die het niet kon verdragen dat zijn intenties verkeerd geïnterpreteerd werden. Keer op keer kon hij zich erover ergeren en telkens zette hij weer eens klaar en helder de puntjes op de i.

 

Met de kunstkritiek lag hij ook geregeld overhoop. Het begon al op het ogenblik dat zijn karikaturen werden opgemerkt. Zijn werk werd met dat van zijn Franse collega's vergeleken. Men noemde hem 'de Belgische Gavarni' en daar kon hij niet mee lachen. Later maakte men hem schatplichtig aan Daumier. In zijn latere onderwerpen waarin de Parijse demi-monde één van de vele thema's was, werd hij op één lijn geplaatst met Alfred Stevens. Dat maakte hem uitzinnig. Het leidde tot heftige uithalen aan het adres van Stevens die hij oppervlakkigheid en middelmatigheid verweet. Critici heeft hij leren wantrouwen.

 

Maar met zielsverwanten sloot hij eeuwige verbonden, zoals met Baudelaire, die hem de enige valabele kunstenaar in België noemde of met Rassenfosse, zijn jongere collega met wie hij de kunst van de 'vernis mou' tot alchemistische hoogtepunten dreef. Zij waren zo fier over hun empirisch opgebouwde resultaten dat zij die de naam 'Ropsenfosse' meegaven. Aan deponeren werd toen nog niet gedacht.

 

Als er iets is dat museum en boek ons duidelijk maken, dan is het dat Félicien Rops een ongemeen gedreven en productief kunstenaar was. Gemakzucht was hem vreemd. Schoonheid had voor hem een eigentijds gezicht, een vrouwelijk gezicht welteverstaan, en op dat vlak was hij een 'connaisseur'. Hij wist van zijn liefhebberij zijn beroep te maken, en dan hebben wij het zeker niet over botanica.

 

Rik Sauwen

 

 


INFO

Provinciaal Museum Félicien Rops

Rue Fumal 12

 B-5000 Namur

Open: dinsdag tot zondag van 10 tot 18 uur (in juli en augustus alle dagen open)

Gesloten: 24, 25 en 31 december, 1 januari

Bibliotheek met werken en tijdschriften over Rops, over negentiende-eeuwse kunst en gravurekunst (open op dinsdag en donderdag van 13.30 tot 17.00 uur) Museumshop: catalogi, posters, postkaarten ...

Tel.: 081 22 01 10  

http://www.museerops.be/


Illustraties:

(U kan deze bekijken in het PDF-formaat)

Portret van Félicien Rops

Het Toilet
Pastel, bergkrijt, potlood en aquarel, 22 x 14.5 cm
Privé-verzameling

A vendre, 1890
Schets, potlood en Conté-potlood, aquarel met hoogsels in gouache en kleurpotlood, 31 x 21.5 cm
Namen, Verzameling Amis du Musée-Rops

Pornokrates
Aquarel, temperagouache en kleurpotlood op een schets met grafietpotlood, gehoogd met pastel en met pen in Oost-Indische inkt, 38.5 x 26.5 cm
Verzameling van het Ministerie van de Franse Gemeenschap

Venus en Cupido
Pastel en gouache op een tekening met zwart krijt, 21.8 x 14.8 cm
Verzameling van het Ministerie van de Franse Gemeenschap

De dansende dood, 1865
Vetkrijt, gehoogd met wit krijt, bewerkt met naald en schrapper, 25 x 13 cm
Collectie Félcien Ropsmuseum, Namen

Frontispice van Les Epaves (1866) van Charles Baudelaire
Drogenaald, 19.8 x 12.8 cm
Collectie Félicien Ropsmuseum, Namen

Tentoonstellingszaal Félicien Ropsmuseum

De Zeemanskroeg, 1875
Aquarel en pastel, gehoogd met gouache, 60.5 x 46.5 cm
Verzameling van het Ministerie van de Franse Gemeenschap

Het Strand van Heist
Olieverf op doek, 16.4 x 31.4 cm
Collectie Félicien Ropsmuseum, Namen

De gevel van het Félicien Ropsmuseum, Rue Fumal

Toegangstickets van het Félicien Ropsmuseum

La grande Lyre, 1887
Illustratie voor het boek 'Poésies' van Stéphane Mallarmé
Heliogravure met droge naald
Collectie Félicien Ropsmuseum, Namen