U bent hier

Etienne Elias kiest schilderkunst

Etienne Elias kiest schilderkunst
Allen Jones, Neither forget your legs, 1965, olieverf op hout, 128 x 101,5 cm Museum van hedendaagse kunst, Gent.
 
Het werk van Etienne Elias spreekt altijd direct aan door zijn fris en oorspronkelijk karakter. In het bijzonder in groepstentoonstellingen worden we onmiddellijk getroffen door de intense kleur- en vormgeving waarmee hij - sinds 1970 op klein formaat - zijn visie in beeld brengt. Alleen al door het formaat weet hij de kijker te verrassen. De laatste dertig jaar zijn we vooral met grote doeken, veelal van enorme afmetingen vertrouwd geraakt.
 
 
Daar tussen bewegen de werken van Elias zich als kleine juweeltjes, miniatuurprenten aan de wand. Ze functioneren als fixatiepunten of blikvangertjes, die de aandacht afleiden van datgene wat zich daarnaast afspeelt, van wat er gebeurt en leeft. Ze dwingen ons opnieuw te kijken, geconcen-treerder dan ooit en van dichtbij, zoals men dat ook nog wel eens doet ten aanzien van bepaalde paneelschilderijen van de Vlaamse Primitieven of Italiaanse schilders uit de vijftiende eeuw, waarmee ze in velerlei opzichten aanknopingspunten vertonen: zoals in het kleine zelfportret van 1970 bijvoorbeeld waar Etienne Elias voor zichzelf poseert zoals Jan de Candida voor Memling of Piero di Cosimo voor Botticelli. Ook de schilderwijze roept duidelijke herinneringen op aan deze vijftiende-eeuwse portretten.
 
 
Elk onderdeel is tot in de geringste details verzorgd. De lijn behoudt overal haar duidelijkheid, de vorm, zijn netheid en de kleur haar frisheid. Elk werk is een verzameling van scherp afgetekende elementen in de kleuren van de regenboog.
 
 
Hij heeft een bijzondere voorkeur voor ongemengde kleuren. Die veelkleurige indruk wordt nog aan zienlijk versterkt door de inbreng van de vele kleinere motieven. Deze maken wezenlijk deel uit van de fantasierijke thematiek, het zijn tevens tintelende kleuraccenten in een reeds zo kleurige omgeving: een huisnummerbordje, een alleenstaand vlaggetje, een banaal postkaartprentje, een vogeltje met of zonder kleurig takje in de bek, een staafje, een pijltje, een knalrood balletje, een schietschijf, een driehoekje, een cirkeltje of een vierkantje.
 
 
Niet zomaar lukraak gekozen of verspreid, doch kieskeurig gedoseerd en geschikt, brengen het intense koloriet en die veelheid aan speelse elementen geenszins de zo noodzakelijke eenheid in het gedrang. De over het ganse beeldvlak los verspreide onderwerpen en motieven tasten nergens het subtiele verband aan. Door de richtinggevende functie verwijst elk motief naar een daaropvolgend of verder gelegen element, waardoor onze blik rustig over het ganse beeldvlak wordt geleid.
 
 
Elk onderdeel zit aldus vast aan onderliggende krachtlijnen, die zowat de onzichtbare structuur kunnen betekenen. Hierin speelt ook weer de kleur een belangrijke functie. Ze verhoogt niet alleen de stabiliteit van de afzonderlijke beeldelementen, zij draagt bovendien in grote mate bij tot het reveleren van die visuele orde. Etienne Elias is de kleurige verteller van gewone dingen, zonder dat hij de draad van het verhaal kwijtraakt. Doorweven met allerlei anachronismen en met vele illusionistische valstrikken worden het nooit erg ingewikkelde verhalen. Het kan een onschuldige idylle zijn of een gekend sprookje, een of ander gefantaseerd feit, een ingebeeld portret of kinderlijk-naïeve droom, evenwel nooit de meest vanzelfsprekende situaties, hoe realistisch de schilderwijze ook moge wezen.
 
 
Hij noemt zichzelf terecht een 'idealistisch' realist. Al zijn werken hebben slechts één grondthema gemeen: zijn liefde voor de natuur, voor het gras, de bloemen, de plantengroei, kortom voor alles wat leeft. 'De wereld van Elias', zo schreef Jasia Reichardt1, 'is zoals bij Rousseau, vervuld van beminnelijke charme en vrolijkheid, het is een wereld van onverstoorbare rust op een zalige, zomerse namiddag'. Elk werk is een ander paradijselijk toneel waarin de natuur of de landschappelijke omgeving wedijvert met onderwerpen, feiten of gebeurtenissen uit het mondaine grootstadsleven. Die eigenschap om natuur en cultuur, het landschap en de grootsteedse werkelijkheid te orkestreren geven aan zijn werken een vreemde dubbelzinnigheid.
 
 
Vooral in deze kleine werkjes van Etienne Elias kan er moeilijk sprake zijn van een natuurlijke schilderwijze of van een na-tuurgebonden koloriet (zie bijvoorbeeld Roger Raveel). De visie van Etienne Elias op de natuur en het leven wordt duidelijk gemaakt door een grootsteedse ervaringswereld of door een meer gecultiveerde instelling. Etienne Elias is immers een rasechte stedeling. Geboren en getogen te Oostende nam hij in dezelfde stad zijn intrek. Hij woont er op een flat boven een bioscoop in de Langestraat, het Montmartre van Oostende, één der meest beruchte straten van België.
 
 
Daar leeft Etienne Elias als een twintigste-eeuwse renaissancejonker. Hij kleedt zich liefst met blinkende, satijnen of lederen kostuums, draagt kleurige, blinkende halssnoertjes, tooit zich met oorbelletjes, en zovele kettinkjes meer. Zijn raam ziet uit op het huis van James Ensor, één van zijn kunstidolen. Etienne Elias kijkt er nog steeds naar op. Voor scheppende kunstenaarspersoonlijkheden heeft hij een zwak en hij gelooft in de dwingende realiteit van het kunstwerk.
 
 
Terwijl hij met het ene oog Ensor viseert, bekijkt hij met het andere oog het dag- en nachtleven en kan hij genieten van het drukke stadsleven, van de meest gekke tot de meest alledaagse situaties: mensen uit alle milieus en hoeken van de wereld, toeristen in hun carnavaleske bontheid, de lichtreclames en kleurige affiches, de hippie, de mode en andere typische grootsteedse bijzonderheden. Geen enkel aspect of detail ontsnapt er aan zijn blik. 'leder schilderij moet iets anders zijn omdat ik steeds op wandel ben en nog durf kijken naar alles... Soms geniet ik evenveel van een glaasje yoghurt of een appel, als van de Mona Lisa', beweert Elias.
 
 
Zo beschouwt hij ook kunst en leven, ernst en humor, droom en werkelijkheid als gelijkwaardige uitgangspunten voor zijn kunst. Het zijn de eeuwige spanningsvelden waaruit zijn inspiratie groeit en gestalte krijgt. Het werk van de huidige Elias is bovendien de resultante van een evolutie die zich vanuit de Pop art heeft ontwikkeld, vooral de Engelse Pop art met Hockney, Blake en Jones. Door de specifieke eigenaardigheden, zowel wat het vocabularium als wat de geest van het werk betreft, wist hij zich evenwel heel vroeg hieraan te onttrekken, waardoor hij niet in een bepaalde stijlcategorie is onder te brengen. Het enige waarnaar hij streeft is een 'happysfeer' te scheppen in de huidige wereld met naïeve kunstprenten die dezelfde rol vervullen als de vaas voor Mare uit 'Mare groet 's morgens de dingen' van Paul van Ostaijen.
 
 
Echt benieuwd ben ik om te zien in hoeverre we de huidige Elias kunnen ontdekken doorheen zijn keuze uit het Belgisch Kunstpatrimonium.
 
 
Jan Hoet
 

 


Reinier Lucassen Portret van Mike Hammer

 
 
Lucassen is afkerig van technische perfectie. Maar hij kan het ook niet echt. Lucassen kan niet tekenen, kan niet iets juist weergeven. Ik heb vroeger zelf gedacht dat een schilderij beter was naarmate het gebrekkiger, schetsmatiger was. Daar ben ik nu overheen: ik geloof dat de vaardigheid, de 'kunde' erg belangrijk is, ook voor het publiek. Ik geloof ook niet dat Lucassen een groot publiek bereikt. Hij communiceert met een groep mensen die zijn werk kennen en die hem volgen.
 
 
Toch vind ik zijn werk heel mooi, hij is vooral een zeer groot colorist. Ook de inhoud boeit mij, het is zeer emotioneel en agressief. Het is geïnspireerd op de detectiveverhalen van Mike Hammer (Lucassen haalt vaak thema's uit literatuur en strips). De agressiviteit wordt ook sterk bepaald door de niet-esthetische manier van schilderen.
 

Roger Raveel - De muur

 
 
Het werk van Raveel vind ik ontzettend 'aangenaam': ik kan daar echt van genieten, vooral van de kleuren.
 
 
Toen ik hem ontdekte, in 1956, zaten we op de academie midden in 't expressionisme: alles was zwaar van atmosfeer, in zwarten en bruinen. Maar Raveel kwam met een palet dat was samengesteld uit àlle kleuren, en hij gebruikte sterke contrasten, zette groen tegen rood (dat is uit den boze! nog steeds!). Dat heeft mij altijd geboeid, veel meer dan de techniek, die ik nog steeds expressionistisch vind.
 
 
Ik ben korte tijd sterk beïnvloed geweest door Raveel, voornamelijk door de kleur. Toch is hij met heel andere dingen bezig dan ik: hij gaat ook wel uit van zijn onmiddellijke omgeving, en daarom staat hij heel dicht bij de mensen, maar hij is een buitenmens en ik kom uit de stad... Ik voel mij eigenlijk meer verwant met andere schilders van het stadsleven, als Hockney, Jones en Lucassen. Wat ik erg belangrijk vind van Raveel, is de enorme vrijheid die hij heeft geschapen: hij gebruikt elementen van het constructivisme en van het expressionisme binnen één schilderij.
 
 
Dat vierkant is zo'n beetje zijn handtekening geworden, maar het geeft ook ruimte en diepte aan het schilderij. Er worden veel theorieën over verkondigd, dat het ruimte zou laten voor de communicatie met de toeschouwer en zo... Maar ik geloof dat zulk soort theorieën altijd veel later ontstaan. Een echte kunstenaar probeert altijd iets te maken, wat hij zelf formidabel vindt en dat hopelijk overkomt bij andere mensen. Komt dat bij enorm véél mensen over, dan moet hij zich wel heel erg gelukkig voelen.
 

Allen Jones - Neither forget your legs

 
 
Ik ben geen bezeten fan van Jones, maar ik heb hier een aantal tijdgenoten willen bespreken en dit is een van Jones' goede werken (in tegenstelling tot wat hij nu maakt: poppen met glazen bladen erop als tafels en zo).
 
 
Wat mij hierin boeit is het eigentijdse: je kunt niet meer aan gisteren denken als je dit werk ziet. Als je naar werk van Raveel kijkt, kun je nog altijd denken aan de expressionisten, je kunt zien waar het mee te maken heeft. Dit werk van Jones is zowel van vorm als van inhoud zeer actueel: die kousen, die benen, die minirokken zie ik graag, het heeft erg veel te maken met affiches, met publiciteit. Ik voel ook verwantschap met mijn eigen werk. Trouwens, de hele Pop art is voor mij erg belangrijk. Pop art is voor mij het hoogtepunt van de twintigste eeuw: het heeft niet alleen een grote vernieuwing in de schilderkunst gebracht, maar ook in de muziek. Zonder die muziek kan ik niet meer leven, die is typerend voor deze tijd.
 
 
Behalve met Jones voel ik mij vooral ook erg verwant met Hockney. Engeland is niet rijk geweest aan schilders, maar Jones en Hockney staan op een zeer hoog peil.
 

Peter Phillips - Lions versus Eagles

 
 
Dit is voor mij de actualiteit, het doet denken aan deze tijd, nozems, rockers, mannen op motoren. Het is een echt 'pop'-schilderij: een insigne om op iemands rug te plakken, op een leren vest. Zoals Allen Jones heeft Peter Phillips een heel eigentijdse manier van schilderen.
 
 
In dit werk voel ik mijn generatie aan: wat er is gebeurd (en nog steeds gebeurt) vanaf de jaren vijftig tot nu. Natuurlijk ben ik ook een nozem, ik ben een volksjongen, ik heb ook gereden op die motoren. Het heeft iets te maken met masochisme...
 
 
Veel meer kan ik er niet over zeggen.
 

René Magritte Het rijk der lichten

 

 
Toen ik student was op de academie mocht je niet over Magritte spreken: dat was kitsch, daar maakte je je belachelijk mee. De voornaamste reden was de verfbehandeling: als de verf niet met klodders over het doek liep was het niets waard. De professoren die daar les gaven waren ook allemaal neo-expressionisten of neo-abstracten, die de laatste zucht van die stromingen nog probeerden op te vangen. Maar technisch gezien heeft Magritte juist zeer zorgvuldig gewerkt: hij heeft de olieverf heel dun opgebracht (je mag er niet te dik mee werken: de conditie gaat dan veel sneller achteruit).
 
 
Dit schilderij vind ik heel mooi, ook van kleur, wat zeldzaam is bij Magritte, want meestal is de kleur niet het meest belangrijk. Het roept sferen op: je vraagt je af wat er gebeurt in die kamer. Het is al laat en er brandt toch nog licht,... ik stel mij voor dat daar mensen liggen te vrijen...
 
 
Mij boeit het realisme geweldig omdat het zo direct overkomt bij de mens. De meeste kunst schept tegenwoordig zoveel problemen: je moet eerst de hele catalogus gelezen hebben om er iets van te begrijpen. Hier is dat niet nodig, deze kunst is probleemloos: je kunt er van genieten en je gelukkig voelen.
 
 
Magritte is voor mij van groot belang, hij heeft een enorme stootkracht gegeven aan de Pop art. Ik geloof dat hij met Duchamp en Rousseau de basis heeft gelegd voor de kunst van de jaren zestig.
 

 


Léon Spilliaert - Baadster

 
 
Het totale œuvre van Spilliaert spreekt mij niet aan. Het is over het algemeen heel somber.
 
 
Ik zie liever vrolijke schilderijen of, zoals dat bij ouderen als Jeroen Bosch het geval is, schilderijen die weliswaar ellende tonen, maar als onderdeel van het geheel: je ziet de aarde maar ook de hemel. De negatieve kant is daar een vingerwijzing naar het goede. Spilliaert is zo ontzettend dramatisch. 
 
 
Dit werk fascineert mij omdat het ook nu gemaakt had kunnen worden: het heeft iets psychedelisch door het water met die kringetjes en het tweedimensionale, platte karakter van het beeld. Het doet mij sterk aan een schilderij van Hockney denken.
 

 


James Ensor - Zonderlinge maskers

 
 
Ensor is erg miskend, want hij is eigenlijk één van de grootsten van zijn tijd. Ik vind hem boeiender dan Cézanne bijvoorbeeld, omdat hij dichter bij de mensen staat. Hij heeft op een geniale manier de wereld waarin hij leefde uitgebeeld. Het is nu nog altijd een 'maskerade' in Oostende: de middelmaat regeert en alles wat nieuw is wordt bekritiseerd en afgebroken. Ensor zelf werd enorm bespot, ook omdat hij altijd in zeer opvallende kleren rondliep: hij was een provo van zijn tijd!
 
 
Van schildertechniek heeft hij nooit veel begrepen: veel werken moeten nu gemaroufleerd1 worden omdat ze met slechte verf op een slechte kwaliteit doek zijn geschilderd en nu reeds barstjes vertonen. Ik bedoel daar niets mee te zeggen over de waarde, over de kwaliteit van het schilderij: als men hem vergelijkt met De Braekeleer, dan is het duidelijk dat deze technisch veel beter kon schilderen dan Ensor, maar Ensor heeft werkelijk een vernieuwing gebracht.
 
 
Dit werk vind ik ontzettend mooi van kleur en er zit ook veel licht in. Het doorkijkje op een straat in Oostende geeft het schilderij nog meer ruimte en leven. Het behoort tot een van zijn twintig meesterwerken en het staat op één lijn met de meer bekende, grote werken in Antwerpen.
 

Paulus Moreelse - Kinderportret

 

 
Moreelse kende ik niet. Dit is het eerste schilderij dat ik van hem zag en ik herkende mij meteen in die wereld: een kind, met een gordijn en een vogeltje in de hand. Heel intiem. Het was voor mij het mooiste in al die zalen van het museum.
 
 
Het is een schilderij dat mij zeer na staat; ik heb dat ook gedaan, een mens echt gezellig op een schilderij zetten.
 
 
En of dat nu een kind is of een koppel, dat doet niet ter zake. Familieportretten, dat willen de mensen toch graag hebben? Als ze op reis gaan, dan fotograferen ze niet het landschap, maar zichzelf, met hun kinderen, met hun vrouw of man. En het landschap op de achtergrondje voelt dat Moreelse dit met ontzettend veel liefde en genot heeft geschilderd en dat is ook de reden dat ik het heb gekozen.
 
 
Ik heb mijn hele keuze voornamelijk op vrolijke schilderijen gericht.
 

 


Gerard David - De heilige Maagd met de papschotel

 

 
Bij de meeste Primitieven zie je van die vrome boerenmeiden: op een madonna van Van Eyck kun je niet verliefd worden. Bij Gerard David wel: dit is een heel mooi meisje. Ik vind het ook een sexy schilderij: een alledaags tafereeltje van een moeder die haar kind te eten geeft. Ik zou dit schilderij heel graag bezitten: je kunt hier heel lang mee leven, je gelukkig voelen. Naar een schilderij van Spilliaert bijvoorbeeld, moet je niet te lang kijken, die maakt je 'down'.
 
 
Maar hier bij Gerard David is dat anders: ik zou hier iedereen die problemen heeft wel naar toe willen sturen.
 
 
Ook heel mooi is het doorkijkje (dat gebruik ik veel in mijn werk). Het wil iets zeggen van: we zijn hier niet alléén, er speelt zich buiten ook nog iets af.
 
 
De mensen sloten toen hun ogen niet voor de omgeving waarin zij leefden. Zo'n kast met potjes erop is voor hen boeiend genoeg om met veel liefde te schilderen...
 

Biografie

Etienne Elias geboren te Oostende op 23 april 1936. Studies aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Gent. Woont en werkt te Oostende. Leraar plastische kunsten aan de Rijksnormaalschool te Brugge.

  • Deleu-prijs voor grafische kunst, 1959
  • Melding Europa-prijs voor schilderkunst, Oostende, 1962
  • Prijs voor jonge Belgische schilderkunst, 1965
  • Beschildert samen met Roger Raveel, Raoul de Keyser en Reinier Lucassen de kelders van het kasteel te Beervelde, 1966 Prijs 'British International Print Biennale', 1968
  • Eerste Triënnale voor Plastische Kunsten in België, Brugge, 1968
  • Forumprijs voor grafiek, Gent, 1969
  • Tweede Triënnale der Zuidelijke Nederlanden, Eindhoven, 1969
  • Tweede Triënnale, Brugge, 1970
  • Elfde Biënnale van Sao Paolo (Brazilië), 1972
  • Derde Triënnale, Brugge, 1974
  • Biënnale voor Grafiek, Florentië (Italië), 1976 

Vanaf 1960 groepstentoonstellingen onder meer te Gent, Düsseldorf, Londen, Oostende, Brussel, Groningen, Antwerpen, Milaan, Eindhoven, Amsterdam, Keulen, Buenos Aires, Sao Paulo. Stelde onder andere alleen ten toon te Gent, Oostende, Brussel, Amsterdam, Brugge, Haarlem, Dordrecht, Milaan, Keulen, Antwerpen. 

Werk onder andere in bezit van het Stedelijk Museum te Amsterdam, het Frans Halsmuseum te Haarlem, het Museum voor Stad en Lande te Groningen, het Provinciaal Museum te Utrecht, het Museum van Dordrecht, het Museum Boymans van Beuningen te Rotterdam, de musea van Gent, Brugge, Brussel en Oostende, de verzamelingen van de Belgische Staat, van de Provincie West-Vlaanderen en van het Prentenkabinet te Brussel.