U bent hier

Emile Claus - IJsvogels

Emile Claus - IJsvogels
Olieverf op doek · 147 x 203 cm · gesigneerd links onder: Emile Claus - Museum voor Schone Kunsten Gent

 

Emile Claus is de Vlaamse vertolker van de zon en het licht. 'Die goede zon', schrijft hij in een brief uit 1913, 'wil mij aan het werk vinden wanneer zij haar stralend licht over Vlaanderen giet'. Van jongsaf werd hij bekoord door het typische licht van onze vochtige hemel en door de wazige lucht die de felle contrasten dempt en toch aan iedere vorm en kleur een diepere trilling geeft.
 
Alhoewel hij geen revolutionair baanbreker is, wordt zijn naam toch vereenzelvigd met een kunststroming die omtrent de eeuwwisseling vooraanstaande Belgische schilders verenigt en heeft hij in de periode van 1890 tot 1914 een soort geestelijk leiderschap gehad met sterke invloed op jongere kunstenaars. Het lumininisme, zoals die kunststroming hier werd genoemd, bekommerde zich hoofdzakelijk om problemen van licht en atmosfeer. Het was trouwens geen bij uitstek Belgisch verschijnsel, want het hing samen met concepties die hun oorsprong vonden in het Frans impressionisme van 1874. Hoofdbekommernis was niet zozeer de vorm in zijn materiële werkelijkheid weer te geven, als wel de juiste atmosfeer die deze vorm omhult, tastbaar te maken.
 
Emile Claus is slechts na een langzame evolutie tot een zuiver, voldragen luminisme gekomen. 'Ijsvogels' uit 1891 is in dit opzicht een typisch werk, omdat het nog de kenmerken draagt van een vroegere stijl, maar daarbij volop aan het begin staat van de beste en meest vruchtbare periode uit de carrière van de kunstenaar. Emile Claus werd in 1849 te St.-Eloois-Vijve, in West-Vlaanderen geboren. Zijn opvoeding miste de fatsoenlijke degelijkheid van een burgermilieu, maar de vrijheid vergoedde dat ruimschoots door een poëtisch gevoel en een levendige opmerkingsgave in hem wakker te roepen. Nog jong ontwikkelde hij een bijzonder tekentalent en volgde de plaatselijke academie te Waregem. Het resultaat was niet schitterend.
 
Hij beproefde verschillende beroepen tot Peter Benoit hem een helpende hand reikte en hij zich te Antwerpen vestigde om er de academie te volgen als leerling van Jacob Jacobs. De Antwerpse school zat toen nog geklemd in een enge traditie van sombere asfaltkleuren en burgerlijke anekdotes waaruit Claus zich langzaam zal trachten te bevrijden. Zijn eerste belangrijk doek schilderde hij in 1880. 'Rijkdom en armoede' is een werk dat al de kenmerken van de heersende tijdgeest inhoudt. De afbeelding van de twee arme straatkinderen ademt nog de droge lucht en het dode licht van het atelier, maa; toch vertegenwoordigt het reeds iets meer dan een gewone chromo. Het is een eerste poging tot het direct weergeven van een levend document. Het kunstenaarsoog is als de gevoelige plaat die het vluchtig beeld automatisch vastlegt. Die belangstelling voor de fotografisch juiste weergave van een ogenblik was trouwens niet toevallig, daar omstreeks 1880 het gebruik van het fototoestel meer algemeen werd en er aldus momentopnamen konden gemaakt worden. Wij weten niet of Emile Claus zelf het fototoestel heeft gebruikt of de fotografie als hulpmiddel voor zijn composities toepaste. Wanneer wij de 'Ijsvogels' nauwkeuriger bekijken, stellen wij ook hier die bijzondere karaktertrek vast. Afgezien van de kleur krijgen de vormen in hun wit-zwart contrasten een directe aanwezigheid, alsof zij in een momentopname werden vastgelegd. Dat is wel het meest treffend in de jongensfiguur.
 

In 1882 brak het succes voor Claus door met zijn doek 'Het hanengevecht', waarvoor zelfs Parijs grote belangstelling toonde. Enkele jaren later vestigde de meester zich definitief te Astene in zijn villa 'Zonneschijn', waarvan de naam geïnspireerd werd door zijn vriend Pol de Mont die toen zijn nieuwe creatie 'Prinses Zonneschijn' bracht. Claus ging regelmatig naar Parijs, waar hij een atelier had en sterk onder de indruk kwam van Claude Monet en de impressionisten, alhoewel deze laatsten toen reeds de plaats hadden geruimd voor de neo-impressionisten. Hij werd ook uitgenodigd ten huize van de auteur Camille Lemonnier en het was deze laatste die hem tot het ware luminisme overhaalde. Bij Lemonnier leerde Claus het begrip de natuur te schilderen niet zoals zij is, maar zoals men ze ziet en aanvoelt. Hij zou zich nochtans nooit helemaal aan zijn eigen gevoelens overgeven; daarvoor zag hij niet breed genoeg en miste hij de geniale kracht. Dat valt ook op in 'Ijsvogels' waarin hij de compositie nooit loslaat en waarin wij een zekere beperking in de interpretatie blijven gevoelen, die geen diepere ontroering of belangstelling wekt. Het grote publiek dat aanvankelijk vreemd stond tegenover die obsessie van licht onthaalde de nieuwe reeks werken, die vanaf 1891 met 'Ijsvogels' werd ingezet, met hernieuwd enthousiasme.

 

Dat nieuwe succes vond zijn verklaring vooral in het feit dat omstreeks die periode de nationale pers zich verzette tegen de werken van Cézanne en Gauguin en dat Claus, met zijn frisse natuurhoekjes, zijn roze huizen en kleurige zonnestralen, beantwoordde aan de gestelde eisen. Als antwoord op een enquête van het tijdschrift 'Art moderne' schreef G. Morren in 1904 : 'Heymans en Claus zijn de twee beste schilders die wij in België hebben. Zij hebben tientallen leerlingen met hun raadgevingen willen bijstaan. Deze leerlingen zouden zich dan ook in een groep moeten verenigen, met aan hun hoofd deze twee geëerde en geliefde leiders'. Die groep werd inderdaad nog hetzelfde jaar opgericht onder de titel 'Vie et lumière'. Tijdens de eerste wereldoorlog verbleef Emile Claus te Londen, waar hij de wisselende lichtschakeringen van dag en nacht over de Theems trachtte vast te leggen. Maar zijn techniek paste zich moeilijk aan de grijze misttonen aan, alhoewel hij toch enkele merkwaardige gezichten van de Theems-oevers schilderde : 'Zonsondergang te Londen' (Kon. Musea voor Schone Kunsten, Brussel). Toen hij naar Astene terugkeerde waren de roem en erkenning die hem vroeger ten deel vielen veel verminderd. Hij stierf in huize Zonneschijn in 1924.

 

'Ijsvogels' betekent dus in de produktie van Claus een overgang van zijn vroegere realistische werkwijze naar een meer geëvolueerd luminisme. Het schilderij verraadt karaktertrekken van beide stijlen die hier op gelukkige wijze werden saamgebracht zodat er, door een verschil in toets en kleur, een verschil in materie werd bereikt, waardoor de indruk van dit wintertafereel zo direct tastbaar is geworden. Het geheel is een in sourdine gehouden grijsblauwe compositie waarin de roze tinten van de winterzon schuchter doorbreken. Karakteristiek voor zijn vroegere stijl is de jongensfiguur op de voorgrond, die als een bijna fotografische weergave, sterk afgetekend is in het landschap en duidelijk weerspiegeld wordt op het ijs. De vele kleine toetsen echter van rood en blauw in jas en broek vertegenwoordigen een nieuw element dat de figuur een sterker reliëf verleent. Zeer realistisch van factuur is ook de rivierberm links, waardoor Claus zich een zeer gevoelig natuurwaarnemer toont. De ijsmassa van de Leie zelf werd in bredere streken geborsteld, waarin wit, geel, roze en blauw het ijs doen leven en een contrast vormen met de kortere toetsen van de sneeuwmassa op de oever, die een lichter en donziger effect geeft. Ook de drie kinderfiguurtjes zijn anders opgevat dan de jongensfiguur op de voorgrond. Ze zijn schematischer en reeds vervagend in het licht, vooral het zittend meisje, met een losse penseelstreek opgebouwd.

 

Maar het meest opvallend in zijn hernieuwing is wel de behandeling van de achtergrond en de lucht. De bomen vormen een wazige onvaste massa, die zo typisch wordt voor zijn latere werken. Het is of de lucht de vormen vervaagt en ze met een nevel omhult. Die lucht domineert het licht in korte, trillende, rode en gele toetsen. Het is de roze zonnegloed van Claus die hier gedempt doorbreekt: de stille glans van een Vlaams winterlandschap, maar ook die vreugdige gloed die in het werk van de meester een blijvende karaktertrek zal worden.

 

Dra. Phil Mertens. 

 


Keuze uit te raadplegen Nederlandse boeken:

Pol de Mant, De schilderkunst in België van 1830 tot 1921, Den Haag 1921. 

Cyriel Buysse, Emile Claus, mijn broeder in Vlaanderen, Gent 1925.

François Maret, Emile Claus, Monografieën over Belgische kunst, Antwerpen 1949.