U bent hier

Een prauwversiering - Nieuw-Brittannië

Een prauwversiering - Nieuw-Brittannië
Hout, beschilderd en uitgesneden, 53 cm hoog, prauwversiering van de Sulka, Nieuw-Brittannië. Collectie Van Baaren
 
Veel volkenkundige musea bezitten reeds lang geleden verzamelde artistiek zeer fraaie en wetenschappelijk zeer boeiende voorwerpen. Duidelijke gegevens erover ontbreken echter; deze zijn óf ter plaatse nooit genoteerd, óf later verloren gegaan. Het museum staat dan voor een moeilijke keus: ze in het magazijn opbergen of ze wèl, maar dan alleen als 'kunstwerk' opstellen.
 
Ook in onze collectie bevinden zich dergelijke stukken. Een voorbeeld is de in kleur afgebeelde prauwversiering. Het is in 1971 van de Hiltruper Mission in Münster naar Groningen gekomen. Op het erbij geleverde, nogal gescheurde en verkleurde etiket staan de woorden 'Schiff-Schnabel', 'Neu-Mklbg' en 'Tagliamare' geschreven. Het zijn woorden die de functie en het eiland en de plaats (?) van verzamelen lijken aan te geven. De nog leesbare gedrukte woorden 'Herz-Jesu-Missionshaus, Münster' duiden erop dat het door missionarissen werd verzameld.
 
Kloppen deze gegevens? Dat het inderdaad een prauwversiering is blijkt uit de vorm. Maar wie waren de mensen die ooit in de prauw hebben gevaren met deze beschilderde kop op de voorsteven?
 
Het Ethnografische Museum in Budapest heeft in een publikatie over haar bezit enkele stukken afgebeeld die er wat op lijken. Het Rautenstrauch-Joest-Museum in Keulen bezit een groot maskerfiguur waarvan de kop erg lijkt op die van onze prauwversiering. Hoewel de geleerden als herkomst van bovengenoemde voorwerpen heel verschillende eilanden van de Bismarckarchipel noemen, zijn wij maar afgegaan op de meest treffende gelijkenis, namelijk met die van het masker in Keulen.
 
We nemen daarom aan dat het in tegenspraak met de gegevens op het etiket, net als dat masker, afkomstig is van de Sulka op Nieuw-Brittannië.
 
De Sulka wonen langs de Widebaai aan de oostkust van dat eiland, iets ten zuiden van het Gazelle-schiereiland, die de noordoostpunt van Nieuw-Brittannië vormt.
 
Er is heel weinig bekend over deze mensengroep, maar op grond van de zeer schaarse gegevens lijkt het er op dat ze een cultuur hebben van het gewone Melanesische type.
 
De Bismarckarchipel die ten noordoosten van Oost Nieuw-Guinea ligt was vroeger een Duitse kolonie. Nieuw-Brittannië, dat toen Neu-Pommern heette, is het grootste eiland. Ten noorden ervan ligt Nieuw-lerland, het vroeger geheten Neu-Mecklenburg. Ook een ander voorwerp, een beschilderde paalplastiek, hier in zwart-wit afgebeeld is afkomstig uit dezelfde archipel en stelt ons voor dergelijke problemen.
 
Het is door ruil met het Museum voor Volkenkunde in Leipzig in 1972 in ons bezit gekomen.
 
In de door dat museum meegezonden beschrijving wordt het een dansfiguur genoemd, in 1914 gekocht van Richard Parkinson, een Duitser die in die streken zaken deed, maar ook voorwerpen verzamelde. Volgens deze gegevens zou het afkomstig zijn uit de streek van Lindenhafen op West Nieuw-Brittannië. Bovendien zou het voorwerp bij de dans in beide handen worden gehouden en 'sishanuga' of 'siskanuga' heten.
 
Hiermee in tegenspraak is de verklarende tekst bij de afbeelding van een voorwerp dat er sterk op lijkt en in het bezit is van het Linden Museum in Stuttgart. In deze tekst wordt als herkomst niet meer opgegeven dan Nieuw-Brittannië en wordt gezegd dat ze 'burbur' heten en als vrouwelijk beschouwd worden. Zij staan in het ceremoniële huis of eronder.
 
Er worden offers aan gebracht en ze hebben de vorm van een rond beschilderde paal. Alleen aan het hoofd is enigszins vorm gegeven, vooral aan de ogen. De 'rituele paal', zoals wij ons stuk maar hebben gedoopt, heeft hetzelfde uiterlijk en lijkt ongeveer van dezelfde lengte, bijna anderhalve meter.
 
Op grond van de stijl zou het ook van de Sulka kunnen zijn.
 
Kortom: een museum heeft vaak mooie, zeldzame en op zijn minst raadselachtige voorwerpen in huis die door te schaarse of bepaald niet eensluidende gegevens, objecten zonder meer blijven. Het zijn geen specimina, zoals museummensen de voorwerpen noemen waarvan voldoende gegevens bekend zijn.
 
Voldoende namelijk om over de functie van het voorwerp, over de cultuur van de makers en gebruikers zoveel aan de weet te komen, dat de museumbezoeker niet alleen een exotisch ding of een fraai kunstwerk ziet, maar ook een beeld krijgt van het leven en denken van bijvoorbeeld de Sulka op het verre Nieuw-Brittannië.