U bent hier

De treurenden in Sint-Jan-Hospitaalmuseum - Een keten van gemis

Nicolas Gruppa, Portraits des amoureux du Jardin Sainte-Claire, Avignon.

 

Laurent Busine, directeur van het MAC’s in Grand Hornu, koppelt hedendaagse verschijningsvormen van gemis aan een laatmiddeleeuwse rouwstoet.

 

 

meesterlijk expressief

 

De praalgraven van de twee grootste Bourgondische hertogen, Filips de Stoute en Jan zonder Vrees, behoren tot de meesterwerken van laatmiddeleeuwse beeldhouwkunst in Europa. Ze waren ontworpen voor het monastieke complex van de hertogelijke familie, de Kartuizerinnenkerk van Champmol, en werden uiteindelijk verhuisd naar het hertogelijk paleis in Dijon, dat al sinds 1799 het Musée des Beaux-Arts is. 

 

De renovatiewerken in het museum waren een buitenkans om 37 albasten pleuranten bij het graf van Jan zonder Vrees en zijn echtgenote Margaretha van Beieren, gedateerd tussen 1443 en 1470, op reis te laten gaan. Het Metropolitan Museum of Art in New York kreeg ze als eerste op bezoek en voor ze weer voor eeuwen naar Dijon terugkeren, zijn ze onder andere te gast in de Memlingkapel in het Sint-Jans-Hospitaalmuseum in Brugge.

 

Bij Lannoo verschijnt de catalogus De treurenden. Grafsculpturen voor de Bourgondische hertogen van Sophie Jugie, de directeur van het Musée des Beaux-Arts in Dijon. Daarin leren we dat we ons met de Kartuizerinnenkerk in een van de grootste artistieke centra van de late middeleeuwen bevinden. Alleen al voor de kwaliteit van de gewaden was het hertogelijk atelier gekend. En wat zo fijn is voor ons is dat door restauraties in de negentiende eeuw de treurende figuren haast intact zijn. 

 

Toch zijn de treurende hovelingen en kartuizermonniken vooral aangrijpend door de manier waarop ze de begrafenisstoet beleven: wenend, biddend, zingend, in gedachten verzonken, hun verdriet ventilerend, of troost biedend aan hun buurman. Precies deze kracht om emoties op te roepen maakte van deze graven in hun tijd ook vernieuwende esthetische werken. 

 

Wie de beeldjes een na een bekijkt, kan dat niet anders dan met stijgende bewondering. Ogen zijn gesloten of ten hemel gericht, of tranen worden onderdrukt. Een hoofd is schuin van mededogen, een hand ondersteunt een buurman of rust even op een gordelriem of -tas. Een vinger beroert de rozenkrans of fungeert bedachtzaam als bladwijzer in een boek. De wereld staat voor even stil. Zelfs de gewaden drukken de vele schakeringen van de rouw uit. Sommige gezichten zijn verborgen in de monnikskap of een mantel wordt gebruikt om tranen te drogen. 

 

 

voorbij de techniek

 

De eeuwenoude rouwdragers worden op bijzonder originele wijze gecombineerd met werk van Alberto Giacometti (1901-1966), Hans-Peter Feldmann (1941), Nicolas Gruppo (1970), Giuseppe Penone (1947) en David Claerbout (1969).

 

Vragen hoe curator Laurent Busine, directeur van het MAC’s (Musée des Arts Contemporains - Site du Grand Hornu), van Bourgondische pleuranten tot bij de Zwitserse kunstenaar Giacometti komt, is bijna vragen naar de werking van kunst zelf: “Dat is zeer mysterieus. Ik hou er in elk geval niet van om kunst in schuifjes te stoppen. Ook niet volgens vorm, zoals sculptuur of tekening, omdat ik ervan overtuigd ben dat een kunstwerk een uitdrukking is van een tijd of een gedachte. Eigenlijk verbindt niets de sculpturen van Giacometti aan de treurenden, tenzij misschien hun eenzaamheid. Wat raakt mij als ik naar de rouwdragers kijk? De techniek is heel zeker verfijnd, maar die expertise was nu eenmaal typisch voor de vijftiende eeuw. Het is gekend dat beeldhouwers toen een degelijke opleiding kregen. Voor mij is het nog veel interessanter dat we dankzij de techniek een beeld krijgen van mensen die lijden. Ze vertegenwoordigen het verdriet wanneer we verweesd achterblijven. En dan moet ik onmiddellijk aan de beelden van Giacometti denken. De ranke figuren staan geïsoleerd in de wereld, de grote, zware voet waarop ze staan, bevestigt dat alleen maar. Ze lijken verstard, ze kunnen niet bewegen, ze zitten letterlijk vast. Ik heb bij de Fondation Giacometti vijf bronzen beeldjes gevonden van ongeveer dezelfde lengte als de pleuranten, want ik wil dat mensen snel een overeenkomst zien. In Dijon rouwen de monniken om de overleden hertogen. Haal je ze uit hun context, dan worden ze universeler en treuren ze om de verloren dierbaren van heel de wereld.” 

 

 

gedachtenparcours

 

De volgorde en de inpassing in het decor vindt Busine bij elke tentoonstelling weer een moeilijke, maar boeiende oefening: “Het oog draagt immers een verhaal mee.” Bij het binnenkomen krijg je de beeldjes van Giacometti eerst te zien, vlak daarachter de treurenden - “als een soort psychologische barrière voor je de wandeling aanvat.”

 

In Dijon staan de pleuranten vlakbij de grond en zijn ze deels verstopt in bogengalerijen. Hier staan ze op sokkels, zodat je goed kan zien hoe gracieus de gewaden vallen. Ook Giacometti is van een uitzonderlijke kwaliteit.

 

Van daar wordt de bezoeker uitgenodigd naar de zolders, eerst naar een kleinere waar de zusters vroeger sliepen. Daarvoor leent het MAC’s 100 Jahre uit, een werk van de gepassioneerde Duitse beeldenverzamelaar Hans-Peter Feldmann. De 101 portretfotootjes, van een baby van acht maanden tot een honderdjarige, stellen onze tijdlijn voor. “Vreemd aan dat werk is dat iedereen blijft stilstaan voor de foto met zijn leeftijdgenoot,” zegt Busine: “Waar bevind ik mij, hoever ben ik nog verwijderd van de symbolische grens van het leven, op honderd jaar? Hoeveel heb ik al achter de rug? Confronterend was de bezoekster die maar bleef talmen bij de foto van de 98-jarige: er restten haar als het ware nog maar twee foto’s.”

 

Hierrond stelt Busine een amalgaam van koffertjes en dozen op uit het Gruuthuse en het Hospitaalmuseum O.L.V. Ter Potterie: “Een dertigtal dozen voor eender wat, liefdesbrieven, zilverwerk, kleinoden... mensen steken hun hele leven in dozen. En daarbij plaatsen we een vijftiende-eeuwse doodskist, onze laatste doos, prachtig versierd langs de binnenzijde.”

 

 

mysterie van de herinnering

 

De overige werken worden opgesteld op de grote zolder onder het monumentale, dertiende-eeuwse dakgebinte. Busine vindt het een hele eer: “Net de romp van een schip, maar dan omgekeerd: het waren trouwens botenbouwers die dit soort zolders maakten.” Gruppo plaatste voor zijn werk Portraits des amoureux du Jardin Saint-Claire, Avignon mannen en vrouwen voor de camera en vroeg hen aan een geliefde te denken. “Onvoorstelbaar hoe op dat moment elk van die gezichten opklaart,” zegt Busine: “Soms gebeurt dat heel subtiel: een blik die wat dieper wordt. We weten niet aan wie die persoon denkt, het kan de partner zijn, of iemand anders, kind of kat misschien, het heeft geen belang. Er gebeurt iets van binnen en Gruppo vangt dat op. Het is een manier om liefde weer te geven, zoals op deze tentoonstelling ook het verdriet gestalte krijgt.”

 

“Voor mij zijn het de werken die tellen, niet de namen,” zegt Busine over de onbekende kunstenaar uit Avignon: “Misschien was ik daar in het begin van mijn carrière nog mee bezig, nu kijk ik naar de kracht van de werken zelf. Behalve enkele middeleeuwse kunstkenners kent ook niemand Jean de la Huerta en Antoine le Moiturier die de pleuranten vervaardigden, de essentie is de ontroering die er van uitgaat.”

 

Busine koos ervoor hier een minder bekend werk van de Italiaan Giuseppe Penone bij te plaatsen: “Maar des te mysterieuzer: Tre Pietre zijn drie voorstellingen van dezelfde steen, waardoor ik verbanden zie met het rouwproces. We rouwen om dezelfde persoon, maar praat je er met elkaar over, dan herinnert iedereen zich precies iemand anders. Dat is normaal, omdat we allemaal andere levens en een andere relatie met die persoon hadden. Ook de middeleeuwse rouwdragers betreuren telkens een andere persoon, dat is het mysterie van de herinnering.”

 

In twee zijvertrekjes is de Vlaming David Claerbout met twee werken aanwezig. Mist over landscape dat slechts beetje bij beetje ontwaard wordt omdat de toeschouwer eerst wordt verblind, drukt voor Busine dat sprankeltje hoop uit na een onherstelbaar verlies. 

 

De installatie wordt gelinkt aan het achttiende-eeuwse schilderij De uitvinding van de tekenkunst van JosephBenoît Suvée: “De verliefde vrouw tekent de schaduw van haar geliefde op de muur, zodat ze hem nog kan zien als hij weg is. In de verwarring om de afwezigheid van een dierbare, wordt het kunstwerk geboren.”

 

Als uitgeleide wordt Claerbouts video The Long Goodbye uit de collectie van het MAC’s vertoond: “Vertrekt de vrouw die ons uitwuift eerst, of doen wij dat? Met het vallen van de avond, gaat de camera steeds sneller achteruit en zien we de vrouw oplossen in het landschap en de tijd. Ja,” zegt Busine met een zucht: “Het is een zeer melancholische tentoonstelling.”

 

An Devroe


Info

Tentoonstelling

De treurenden. Tranen van liefde

Nog tot 19 aug. 2012

Open: van dinsdag t.e.m. zondag van 9.30 tot 17.00 uur

Gesloten: maandag

 

Sint-Janshospitaal

Mariastraat 38

8000 Brugge

Tel. 050 44 87 11

www.museabrugge.be