U bent hier

De Sint-Baafskathedraal in Gent - Monument en heiligdom

De Sint-Baafskathedraal in Gent - Monument en heiligdom

 


Inhoudsopgave

De Sint-Baalskathedraal in Gent (deel 1)

Monument en heiligdom

Coördinatie van de editie Geert van Doorne

  • Inleiding door Geert van Doorne
  • Een terugblik in de tijd door Marie Christine Laleman
  • De buitenarchitectuur door Patrick Devos
  • De binnenarchitectuur door Anthony Demey
  • De kathedraal vandaag door Andrea de Kegel

Inleiding

 

 

De Sint-Baafskathedraal is de meest volledige illustratie van de geschiedenis en de cultuur van de stad Gent. Zij staat op de plaats van de oudste municipale bidplaats, gewijd aan Sint-Jan, patroon van de Portus Gandensis. Zij gaf aan het vroege Gent bestaansrecht en was de eerste en voornaamste parochiekerk.

 

Haar koorruimte is het belangrijkste interieur van de machtige middeleeuwse stad, haar toren is de hoogste. Niettemin bewaart haar crypte schier onderontwikkelde uitingen van volksdevotie, terwijl boven het meest prachtlievende en symboolrijke schilderij ter wereld schittert.

 

Haar ongeëvenaarde artistieke uitrusting weerspiegelt de op- en neergang van de stede, of liever zij spiegelt ze voor. Zij is de uitdrukking van de hoogste spirituele en culturele ambities. Geen paus, koning of kardinaal bestelde Het Lam Gods, maar een Gents patriciër. In deze stad was er geen vorstelijke residentie, maar de bisschoppen beoefenden een prinselijk mecenaat. Ook in slechte tijden bleef men voor deze kerk ijveren: zowel uit de geuzentijd als de Franse overheersing bewaart zij kunstwerken.

 

Bovenal getuigt de Sint-Baafs van een onafgebroken koppeling tussen het streven naar eeuwige, universele waarden en de beleving van aan tijd, plaats en persoon gebonden belangen, zo zij al niet de synthese ervan heeft betracht.

 

In de crypte “heerste het gewijde, het geheime, het vertrouwde” (G. Bekaert), waar de eenvoudige mens voeling had met zijn doden en zijn heiligen. Maar “den sonderlinghen widen coor”, de meest verheven en heldere 14e-eeuwse ruimte van ons land, was het exclusieve domein van de priesters, van de geleerde magistri en de vermogende tirannieke patriciërs. De toren daarentegen behoort evenzeer de stad als de kerk toe: de oprichting ervan geschiedde met ruime communale toelagen.

 

De benedenkerk en de dwarsbeuk tenslotte zijn te danken aan een interventie van keizer Karel, die na de Grote Straf van 1540 zijn dynastie een plaats wilde geven in deze kwintessens van urbane mystiek. Een onhoudbare plaats: na de geuzentijd bleef van zijn keizersramen geen scherf over. Maar de kerkvorst Antonius Triest zou het Gezag herstellen door de uitbouw van een Théâtre Sacré in de leeggehaalde koorruimte. Toch bleef er naast het rijke salon van de prelaten een grote verzamelplaats voor het nederige volk. De meeste kunstwerken van Sint-Baafs betonen de liefdadigheid aan de pestlijders, de armen en de verdrukten. Zij vertroosten en beleren de lijdende gemeenschap.

 

Zo is de kathedraal van Gent vooreerst een historische plaats en een belangrijk heiligdom van Vlaanderen: daarover handelt deze aflevering. Maar zij is ook een schatrijk museum: daarom wordt aan haar kunstwerken (onder meer het ongeëvenaarde Lam Gods) een afzonderlijk tweede deel voorbehouden.

 

Geert van Doorne

 


Een terugblik in de tijd

 

 

Dat de Sint-Baafskathedraal, voorheen Sint-Janskerk, tot ver over de grenzen bekend is als een uniek bouwwerk met een onovertroffen kunstverzameling, staat onomstootbaar vast. De huidige, voor velen vanzelfsprekende toestand, is het resultaat van een eeuwenlange ontwikkeling die niet louter als een opsomming van data en bouwcampagnes kan worden vertaald. Een historische terugblik op de oudste stadskern van Gent onderstreept de verbondenheid met het ontstaan van de middeleeuwse stad en met haar ontwikkeling tot de grootstad van vandaag.

 

Elk bezoek aan de kathedraal verwijst naar episodes uit Gents rijke verleden en nodigt uit om over die aspecten iets meer te vernemen. Voor het verste verleden is de realiteit het moeilijkst te vatten: de beschikbare informatie is daarvoor immers te fragmentarisch. Wat dit betreft, kan deze inleiding dan ook niet meer zijn dan een momentopname van wat thans bekend is. Vooral nieuw archeologisch onderzoek, maar ook bijkomende studie van de schaarse geschreven bronnen kunnen in de toekomst tot andere inzichten leiden.

 

Van de meer recente periodes van ons verleden zijn beduidend meer materiële sporen bewaard gebleven, terwijl ook de archieven en, vanaf de 16e eeuw beeldmateriaal, tal van inlichtingen verschaffen. Hoewel het hier gebrachte verhaal niet meer is dan een beknopte inleiding, hopen we dat het voor vele geïnteresseerden een aanzet mag zijn om via een bezoek aan de Sint-Baafskathedraal ook Gent beter te leren kennen.

 

Een eerste belangrijk gegeven dat hier ter sprake moet komen, is de ligging van het kerkgebouw ten westen van de Schelde, in het midden van een halfcirkelvormige structuur die als de oudste stadsomwalling kan worden herkend. De gracht, aan stadszijde wellicht afgebakend met een aarden berm en misschien ook met een houten palissade, werd naar alle waarschijnlijkheid in de 9e eeuw aangelegd, in een periode van dreigende invallen van de Noormannen en van grote onzekerheid.

 

De oudere archeologische vondsten in het stadscentrum, zowel binnen als buiten dat omwalde areaal, zijn vrij schaars en wijzen op een eerder sporadische menselijke aanwezigheid in de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen. Zeker tot het midden of zelfs de tweede helft van de 9e eeuw moet de bewoning in die zone eerder beperkt zijn geweest. Het relatief grote aantal voorwerpen, afkomstig uit andere streken, dat tijdens het archeologisch onderzoek werd gevonden, zou een aanwijzing kunnen zijn voor de zich ontplooiende handelsactiviteiten. De nederzetting ontwikkelde zich dus tot een portus en overschreed reeds in de tweede helft van de 10e eeuw de oudste omwalling. De tot aan en zelfs over de Leie uitgebreide portus werd omstreeks 1100 van een nieuwe omwalling voorzien.

 

Uit die latere 10e eeuw stammen de oudst bekende geschreven bronnen met vermelding van een volkskerk, toegewijd aan Johannes de Doper. In 964 verleende de Franse koning Lotharius V (954-986) belangrijke voorrechten aan de Sint-Pietersabdij, waaronder het patroonschap over de enige kerk in de portus. Enkele niet-gedateerde en minder expliciete teksten maken het mogelijk te veronderstellen dat de kerk enkele jaren daarvoor, misschien op 15 april 939, door bisschop Transmar van Doornik en Noyon (937-950) werd gewijd aan Johannes de Doper, Vedastus en Bavo. De drie beschermheren duiden in alle geval op drie altaren, mogelijk opgesteld in een hoofdabsis en twee nevenkapellen. Van deze kerk zijn evenwel geen materiële sporen bekend. Het is ook niet geheel duidelijk of het om een eerste kerkwijding ging. Hoewel de oudste geschreven bronnen uit de 10e eeuw dateren, zijn meerdere auteurs geneigd een vroegere origine aan de Sint-Janskerk toe te kennen. Daarover bestaat op dit ogenblik echter helemaal geen zekerheid.

 

Een oprichting of heroprichting in de 10e eeuw past zeker en vast in de pogingen tot politiek, economisch, religieus en cultureel herstel na de verbrokkeling van het Karolingische rijk. Dit weerspiegelde zich in verschillende hervormingsbewegingen, waarbij die van de Bourgondische abdij van Cluny veruit de belangrijkste en de bekendste was. In onze streken nodigde graaf Arnulf I (918-965) Gerard van Brogne uit om de spirituele leiding van het klooster Blandinium, de latere Sint-Pietersabdij, op zich te nemen. Beiden kunnen een rol hebben gespeeld bij de overbrenging van relieken en de wijding van de eerste volkskerk in de portus, een gebeurtenis die ongetwijfeld gepaard ging met groots opgezette spektakelfeesten.

 

De oudste overblijfselen in de crypte van de kathedraal gaan slechts terug tot de 12e eeuw. Het is evenwel mogelijk dat alle materiële sporen van de oudste kerken bij de latere verbouwingen werden uitgewist. De ligging van de huidige kerk beklemtoont nog steeds de verbondenheid met de oudste stadskern. De bidplaats bevindt zich immers aan het kruispunt van de twee belangrijkste verkeersassen binnen het omheinde areaal. Er zijn evenwel nog meer betekenisvolle aanwijzingen. Tot in de late 10e eeuw worden alle voornaamste gemeenschapselementen van de stad aangetroffen binnen die cirkelvormige structuur en ook vlakbij de vermoedelijke plaats van de oudste stadskerk. De stedelijke vierschaar of schepenbank vergaderde ten westen van de kerksite. In het Calandehuus kwamen de kooplui samen. Het meest opvallend is echter de ligging van het Geraard de Duivelsteen, tussen de Sint-Janskerk en de Schelde. Of het Geraard de Duivelsteen een voorloper of tijdgenoot is van het meer westelijk gelegen Gravensteen, kon nog niet worden uitgemaakt. De combinatie van een burcht met kerk in een bij een rivier aansluitend areaal, waarbinnen ook administratieve, juridische en economische functies zijn voorzien, is een gegeven dat het ontstaan van heel wat middeleeuwse steden in Noordwest-Europa kenmerkt.

 

Volgens geschreven bronnen zou de Sint-Janskerk omstreeks 1030 zijn herbouwd en mogelijk ook zijn vergroot. Een zekere Lausus zou daarbij een belangrijke rol hebben gespeeld. Over deze figuur en zijn mogelijke bijdrage werden reeds heel wat veronderstellingen geformuleerd. Thans neemt men aan dat hij een lekebroeder was en als ontwerper of inspirator instond voor de verbouwing van de kerk. Lausus is voorts bekend als een gezel van kerkhervormer Poppo van Deinze, die naderhand abt werd van de abdij van Stavelot, waar hij in 1048 overleed. Samen waren ze naar Jeruzalem afgereisd. De devotie voor het Heilig Graf, waarvan in de kathedraal getuigen uit de late middeleeuwen bestaan, gaat misschien terug tot Lausus. De uitbreiding van de kerk in de 11e eeuw, waarvan eveneens geen materiële sporen bekend zijn, is dus ook nog te situeren in de grote hervormingsbewegingen. De inzet van Poppo en zijn gezellen leidde tot het ontstaan of het vernieuwen van talrijke kloosters en kerken. Of zij ook letterlijk als bouwmeesters moeten worden gezien, is op dit ogenblik niet geheel duidelijk. Het is evengoed mogelijk dat de door hen verwoorde visie of ideeën door bouwvakkers in hout en/of steen werden omgezet.

 

Ten tijde van Lausus was Sint-Jan hoe dan ook de enige stadskerk. Pas in de late 11e of het begin van de 12e eeuw ontstonden twee nieuwe parochies. Onder andere door de bevolkingstoename en de bloei van de handelsactiviteiten binnen een reeds uitgebreide stedelijke nederzetting, werden Sint-Niklaas en Sint-Jacobs van de moederparochie van Sint-Jan afgesplitst. Een dergelijke ontwikkeling deed zich voor in heel wat middeleeuwse steden.

 

De derde belangrijke fase in de geschiedenis van de Sint-Janskerk is de volledige nieuwbouw in de 12e eeuw. Wie daartoe het initiatief nam en wie er financieel of materieel toe hebben bijgedragen, is thans niet meer bekend. Op grond van archeologisch onderzoek kan een driebeukige kruiskerk met vieringtoren en met een crypte onder de oostelijke koorpartij worden gereconstrueerd. Enkele resten in de crypte bleven tot op heden bewaard. De zuilen van de middenrij met eenvoudig gestileerd bladkapiteel en met hoekklauwen aan de basis, komen ook in de burgerlijke architectuur voor en wijzen misschien onrechtstreeks op een nauwe samenhang tussen de bouw van die Romaanse stadskerk en de patriciërselite, die over de mogelijkheden beschikte om hoge stenen huizen te laten bouwen.

 

In 1235 lieten Geraard de Duivel en zijn echtgenote werken uitvoeren in de crypte van de Sint-Janskerk. Sporen van deze verbouwingen, die mogelijk omwille van stabiliteitsproblemen noodzakelijk waren, kunnen nog in de crypte worden opgemerkt. De vermelding van deze weldoeners bevestigt de algemene opvatting dat particulieren door schenkingen en stichtingen hebben bijgedragen tot de uitbouw van de middeleeuwse kerken. Voor de 13e eeuw zijn trouwens nog meer begunstigers bekend zoals Boudewijn de Pape (1227), Gertrudis, weduwe van Jordaan Rijm (1286) en Eustachius de Briene (1270), om slechts enkele telgen uit de machtige patriciërsfamilies uit die tijd te noemen. Deze vermeldingen van giften verwijzen misschien naar de start van een groots opgezet nieuwbouwprogramma dat de bedoeling had om de Romaanse kerk tot een representatief gotisch bouwwerk om te vormen. Welke factoren hebben een dergelijke beslissing beïnvloed? Naast de ontwikkeling van de architectuur en een mogelijke rivaliteit met de meer recente stadskerken, de aangroei van de bevolking en de toename van hun middelen, kan ook de gewijzigde topografie van de Gentse binnenstad in niet onbelangrijke mate tot een nieuw bouwprogramma hebben geleid. In de loop van de 13e eeuw werd de binnenstad immers ongeveer 1 m of meer opgehoogd, wat precies ook het verschil is tussen de vloerniveaus van de Romaanse en de gotische stadskerk.

 

De werken aan de nieuwe kerk kunnen omstreeks 1274 begonnen zijn aan de oostzijde. Zowel de geschreven bronnen als de monumentale resten laten vermoeden dat een en ander vrij traag opschoot. In 1353 vond er een wijding plaats door de bisschop van Tournai (Doornik), doch het is zeker dat de koorpartij toen niet volledig was afgewerkt. De politieke, sociale en economische problemen waren er zeker mee de oorzaak van dat het groots opgezette plan voor de oprichting van een gotische kerk slechts moeizaam vorderde. Er waren duidelijk andere prioriteiten en die hadden niet enkel hun weerslag op de kerkelijke architectuur. Ook burgerlijke projecten, zoals het Belfort, ondervonden moeilijkheden.

 

Zeer kenschetsend voor de gespannen verhoudingen in Gent omstreeks het midden van de 14e eeuw is een beruchte dubbelmoord in 1354, die via processtukken en door de oprichting van het Kinderen Alijnshospitaal tot op heden bekend bleef. Samen met een achttal personen vielen Simon en Goessin Rijm de Sint-Janskerk binnen waar zij tijdens een kerkdienst Hendrik Alin vermoordden. Diens zwaar gewonde broer Zeger overleed enkele dagen nadien. Deze gebeurtenis illustreert de talrijke sociale moeilijkheden die zich ten tijde van graaf Lodewijk van Male (1346-1384) afspeelden. Om allerlei redenen was het tot scherpe tegenstellingen gekomen tussen de families Rijm en Alin, waarbij ook twee belangrijke ambachten, dat van de wevers en dat van de volders, tegenover elkaar kwamen te staan.

 

De werken aan de kooromgang en de transkapellen van de Sint-Janskerk werden alleszins tot in de 15e eeuw verdergezet. Opnieuw was er een opmerkelijke particuliere inbreng, vooral voor de afwerking en de aankleding van de zij- en transkapellen. Het meest bekend zijn uiteraard Joos Vijd (†1439) en Elisabeth Borluut die een kapel aan de zuidkant van het koor volledig lieten inrichten. De koorafsluiting, het grafmonument en vooral het altaar met het Lam Godsretabel dat bij Hubert van Eyck (†1426) werd besteld en door diens broer Jan van Eyck werd afgewerkt, waren de kroonstukken van hun inspanningen om hun kapel zo luisterrijk mogelijk uit te rusten. De officiële inwijding vond plaats op 6 mei 1432. In 1445 kozen de ridders van het Gulden Vlies de Sint-Janskerk uit als vergaderplaats voor hun zevende kapittel. De achtendertig blazoenen die het koorgestoelte bij deze bijeenkomst sierden, werden geschilderd door Hugues de Boulogne, hofschilder van hertog Filips de Goede (1396-1496).

 

De lange bouwperiode die nodig was om de koorpartij van de gotische kerk af te werken, vertaalt zich ook bouwkundig. Het eigenlijke 14e-eeuwse koor met opengewerkt triforium, eenvoudige zuilen, haakkapitelen en een houten afdekking, volgde nog grotendeels de traditie van de Scheldegotiek. De afwerking van de sluitstenen met maskers geflankeerd door bladwerk, zoals ze aan de zuidkant van het koor zijn terug te vinden, was in het 14e-eeuwse Gent een ruim verspreid motief.

 

De transkapellen waren geconcipieerd vanuit een geheel ander bouwkundig inzicht. De sacristie die in het begin van de 15e eeuw ten noorden van de kerk werd gebouwd, is eveneens kenmerkend voor de vanuit Brabant geïnspireerde gotische vormentaal. Latere wijzigingen en vooral restauraties sedert de 19e eeuw hebben de oorspronkelijke discrepanties wel enigszins afgezwakt.

 

n het derde kwart van de 15e eeuw startte een nieuwe bouwplaats ten westen van de Romaanse kerk. Philip Conroult, abt van de Sint-Pietersabdij, legde er de eerste steen voor een westtoren die mogelijk door Jan Stassins was ontworpen. Het wapenschild van Pieter de Villa, in de kapel ten noorden van de toren, wijst op een wellicht niet onbelangrijke financiële bijdrage van deze Italiaanse bankier. Dat het bouwwerk ook door de stedelijke overheid werd betoelaagd, blijkt uit de stadsrekeningen. Opnieuw volgde er een lange bouwperiode vooraleer de toren was afgewerkt. Dit was wellicht pas omstreeks 1536. Ondanks latere verbouwingen en enkele restauraties, wordt de westtoren gekenmerkt door een verfijnde vormgeving die kan wedijveren met andere pronkstukken van de Brabantse gotiek zoals de toren van de kerk in Breda (Nederland).

 

Nog vóór de voltooiing van de toren trachtte men een verbinding te realiseren tussen de eerder afgewerkte koorpartij en de nieuwe westtoren. De oude Romaanse benedenkerk, die nog steeds in gebruik was, diende te worden gesloopt, een opdracht die in 1522 werd toevertrouwd aan François Morael. De bouwcampagne van de nieuwe benedenkerk kende evenmin een vlot verloop. Opnieuw waren er stadstoelagen en financiële bijdragen van particulieren. Ook keizer Karel (1515-1555) deed in 1550 een belangrijke gift om de afwerking te bevorderen. Een uitvoerig en zeer precies bestek licht ons in over wat toen nog allemaal moest worden gerealiseerd.

 

De rouwdienst voor het overlijden van de keizer in 1558, kon nog niet in de Sint-Janskerk worden gecelebreerd. De plechtige bijeenkomst van het kapittel van het Gulden Vlies in 1559 kon er wel worden gehouden. Een vijftigtal wapenschilden, geschilderd op paneel en thans opgehangen in het zuidelijke transept, worden toegeschreven aan Jacques le Boucq uit Valenciennes en brengen de namen in herinnering van de ridders die toen in Gent vergaderden.

 

In de 16e eeuw waren er nog meer gebeurtenissen die de toekomst van de Sint-Janskerk hebben bepaald. Door een bul van paus Paulus III van 1536 werden de benedictijnermonniken van de Sint-Baafsabdij geseculariseerd en ontvingen ze de titel van kanunnik. Tengevolge van de opstand van de Gentenaren en de daaropvolgende Carolijnse Concessie, in 1539-1540, werd de Sint-Baafsabdij ontruimd en werd op die plaats een gebastioneerde vesting, bekend als het Spanjaardkasteel, aangelegd. Het kanunnikenkapittel werd overgeplaatst naar de Sint-Janskerk die Bavo als eerste beschermheer kreeg. De laatste abt van de Sint-Baafsabdij, Lucas Munich (1535-1562), werd de eerste gemijterde proost van de collegiale kerk. Op 12 mei 1540 verlieten de kanunniken de abdij en brachten hun kostbare bezittingen over naar de oudste stadskerk. Veel van deze kostbaarheden gingen later verloren. Een aantal kunstschatten in de kathedraal, zoals het Karolingische evangeliarium van Livinus of het parement van abt Lieven Hughenois (1517-1535), zijn van de Sint-Baafsabdij afkomstig.

 

De vestiging van een kapittel in de Sint-Janskerk leidde tot nieuwe mogelijkheden voor de afwerking en verfraaiing van de gotische kerk. In dit verband moet zeker de bijdrage van proost Viglius Aytta (1507-1577) worden vermeld. Deze rechtsgeleerde uit Friesland bekleedde verschillende staatsfuncties en bestreed als trouw aanhanger van het vorstelijke gezag de hervormingsgezinde ideeën die steeds meer aanhang kregen bij de humanistische elite en de geschoolde burgerij. Na zijn wijding tot priester in 1562, werd hij proost van het Sint-Baafskapittel.

 

Eén van de meest merkwaardige kunstwerken uit die tijd, dat door zijn toedoen in de Sint-Baafskerk terechtkwam, is een triptiek van Frans Pourbus van 1571. Het drievoudige paneel dat voor zijn grafkapel was bestemd, geeft als het ware een symbolische voorstelling van de religieuze meningsverschillen uit die tijd. Dit komt voornamelijk tot uiting in het middenpaneel waar men onder de schriftgeleerden rond Christus, enerzijds vertegenwoordigers van de katholieke kerk zoals Karel V, Filips II, de hertog van Alva en Viglius zelf, en anderzijds hervormingsgezinden zoals Jan Calvijn en Jan van Hembyze, kan herkennen.

 

Over de talrijke kunstuitingen die in de eerste helft van de 16e eeuw in de Sint-Janskerk tot ontplooiing konden komen, evenals over de betrokkenheid van keizer Karel, zijn familie en hofvertrouwelingen, is ontzaglijk veel geschreven informatie voorhanden. Tot de minder bekende aspecten behoort wellicht de bijdrage van twee kanunniken, die op musicaal vlak actief waren. Zo was er Roger Pathie (ca. 1510-ca. 1565), die in 1540-1542 als kanunnik van Sint-Baafs wordt vermeld, en waarvan verschillende polyfonische werken bekend zijn. Tot de belangrijkste Gentse componisten uit die tijd behoort ook Cornelius Canis (1506-1561), alias Cornelis de Hondt, die na een carrière aan de hofkapel van keizer Karel terugkwam naar Gent en als kanunnik in de Sint-Baafskerk werd begraven. Van hem zijn een zestigtal composities bekend.

 

De collegiale periode van de Sint-Janskerk was uiteindelijk zeer kort, want in 1559 besloot paus Paulus IV tot de oprichting van een aantal nieuwe bisdommen in de Nederlanden, waaronder Gent in de Vlaams-Brabantse kerkprovincie. Dit was één van de beslissingen ingevolge de pogingen binnen de katholieke kerk, voornamelijk bepaald door het concilie van Trente (1545-1563), om het katholieke geloofsleven grondig te herbronnen. Cornelius Jansenius (1510-1576), die als theoloog van de Leuvense universiteit het concilie bijwoonde, werd de eerste bisschop van Gent.

 

In feite verliep de vestiging van de bisschoppelijke bevoegdheid niet zo vlot. Jansenius werd in 1565 aangesteld, doch deed pas in 1568 zijn intrede in Gent. Na zijn overlijden in 1576, bleef de bisschopszetel een tijd vacant. De tweede bisschop, Willem Lindanus (1586), nam zijn functie slechts één jaar waar. Pas vanaf 1589-1590, met bisschop Pieter Damant (1589-1609), kwam er een blijvende bisschoppelijke vestiging, waarvan het katheder in het koor van de kerk tot op vandaag getuigt.

 

De moeilijkheden rond de oprichting van een bisschoppelijke zetel en de reden waarom het opbouwend werk van Jansenius voor een hernieuwde godsdienstbeleving geen blijvende gevolgen kende, moeten worden toegeschreven aan de onzekere politieke situatie en de bepalende rol die de godsdienst daarin speelde. In 1566 werd de dreiging voor een gewapend conflict zo groot dat heel wat parochieverantwoordelijken en religieuzen hun voornaamste kunstschatten in veiligheid brachten. Dank zij dergelijke voorzorgsmaatregelen bleef onder meer het Lam Godsretabel tot op heden bewaard. Op 22 augustus 1566 brak een beeldenstorm los onder leiding van rederijker Jan Onghena. Vrijwel in alle kerken en kloosters werd vernieling aangericht, waarover tijdgenoten, zoals Marcus van Vaernewijck in zijn Van die beroerlicke tijden in die Nederlanden, uitvoerig berichten. Als belangrijkste stadskerk, en zeker ook omwille van de banden met het Spaanse vorstenhuis en tal van andere hoogwaardigheidsbekleders, was de Sint-Baafskerk een uitgelezen doelwit voor beeldenstormers.

 

De verdraagzaamheid waartoe bij het ondertekenen van de Pacificatie van Gent in 1576 was besloten, leidde niet tot een algemeen aanvaarde oplossing, zeker niet in Gent dat van 1578 tot 1584 door een calvinistische dictatuur werd geleid. Zes kerken, waaronder Sint-Baafs, werden voorbehouden voor de calvinistische eredienst. Jakob Kimmedonck of Kimedonckius, een uit de omgeving van Keulen afkomstige theoloog, werd er hoofdpredikant. Daarvoor ontving hij tevens een staatstoelage van 500 gulden. Kimmedonck was terzelfdertijd ook docent aan de hogere theologische school die in Gent was opgericht. Bijzonder geroemd waren zijn volksvoordrachten en bijbelcommentaren die hij in de Sint-Baafskerk hield. Na de val van Gent in 1584 trok Kimmedonck naar Middelburg en later naar Heidelberg, waar hij in 1596 overleed.

 

De terugkeer van Gent onder Spaans, en dus katholiek bestuur had tot gevolg dat heel wat politici, handelaars, intellectuelen, ambachtslieden en kunstenaars hun toevlucht zochten in Groot-Brittannië of Noord-Nederland. Hier spanden de burgerlijke en kerkelijke overheid zich samen in om de ideeën van de Contrareformatie, zoals vastgelegd op het concilie van Trente, op grote schaal te verspreiden en het vooropgestelde ideaal van een volledig religieus renouveau zo goed mogelijk te realiseren. De geestelijkheid speelde dan ook een belangrijke rol in het openbare leven. Zo werd het advies van de bisschoppen ingewonnen voor tal van niet-religieuze aangelegenheden en werden de bisschoppen ook met andere functies bekleed zoals bijvoorbeeld Antoon Triest (1622-1657) die lid werd van de Raad van State.

 

Bisschop Triest was trouwens één van de meest markante persoonlijkheden uit die contrareformatietijd. Hij heeft niet alleen bijgedragen tot een nieuwe bloei van de religieuze beleving in zijn bisdom, wat zich ook weerspiegelde in de talrijke kerken en kloosters die toen werden gebouwd of herbouwd, maar hij is ook in de Gentse geschiedenis bekend gebleven omdat hij zijn persoonlijk fortuin ter beschikking stelde voor allerlei caritatieve en artistieke realisaties.

 

Na de periode van de beeldenstorm was het vooral Triest die zich heeft ingezet voor een nieuwe en luisterrijke verfraaiing van de Sint-Baafskathedraal. Een belangrijke bouwkundige ingreep was het aanbrengen van een stenen overwelving boven het koor in 1628, ter vervanging van de vroegere houten overdekking. Dit gewelf heeft wellicht een beveiligende rol gespeeld toen een groot gedeelte van de dakconstructie boven het koor in 1640 in vlammen opging. Tijdgenoot Justus Billet geeft een boeiende getuigenis van deze gebeurtenis.

 

De klemtoon van Triests bijdrage lag evenwel op het interieur. De gotische vormgeving werd stelselmatig verwijderd of verborgen voor kunstwerken naar de smaak van die tijd. Eén van de meest sprekende barokwerken is het schilderij De intrede van Bavo dat door Pieter Paul Rubens (1577-1640) voor het hoofdaltaar werd vervaardigd en nu in een kranskapel kan worden bezichtigd. Even illustratiefis het orgel dat Triest in 1635 bij de Rijselse orgelbouwers Ludovic Bis en Pierre d’Estrée bestelde en waarvan in het huidige orgel nog enkele onderdelen zijn opgenomen. Triest was een bijzonder ondernemend man. Tijdens zijn leven belegde hij een deel van zijn fortuin in een fonds, waaruit later voor de verfraaiing van de kerk kon worden geput.

 

Talrijke kunstwerken uit de latere 17e en de 18e eeuw konden dank zij dit fonds worden gefinancierd. Zij werden telkens voorzien van het wapenschild van de Trieststichting, als herinnering aan deze zeer opmerkelijke mecenas. Tot de meest treffende voorbeelden hoort de preekstoel, in 1745 vervaardigd door Laurent Delvaux (1696-1778).

 

De Gentse architectuur van de 18e eeuw wordt hoofdzakelijk gekenmerkt door burgerlijke realisaties, waaraan de economische heropleving zeker niet vreemd was. Van echte kerkelijke architectuur was nauwelijks sprake. Tot de kleinarchitectuur in de Sint-Baafskathedraal uit die periode behoorden twee sierlijke rococoportalen die omstreeks 1767 naar een ontwerp van bouwmeester B. Guimard bij het transept werden gerealiseerd. Op zijn minst even merkwaardig is de klassiek geïnspireerde marmeren koorafsluiting naar een ontwerp van Pieter Antoon Verschaffelt (1710-1793) en versierd met grisailleschilderingen door Pieter Norbert van Reysschoot (1738-1795). Eveneens uit de 18e eeuw stamden twee kapellen die aan elke zijde tegen het koor werden aangebouwd, met name de Heilig Grafkapel (1769) en de kapel van de Nood Gods (1784).

 

De Sint-Baafskathedraal en haar voorgangers zijn in de eerste plaats cultusgebouwen waar de gelovigen de door een priestergemeenschap geleide diensten kunnen bijwonen. De 20e-eeuwse bezoeker vergeet echter vaak dat een kerk in vroegere tijden ook een sociale ontmoetingsplaats bij uitstek was waar heel wat meer geschiedde en kon gebeuren. Tenslotte was de kerk ook een zeer gegeerde begraafplaats. De meest kapitaalkrachtigen konden in de kerk zelf terecht. Voor de anderen bleef het kerkhof over, dat zich volgens iconografische documenten ten oosten van de kerk uitstrekte. Op het kerkhof had niet iedereen een bovengronds gedenkteken en wat in niet duurzame materialen werd opgetrokken, zoals bijvoorbeeld houten kruisen, hield niet lang stand. Inde kerk zelf werd een bijzetting vaak aangeduid door een grafplaat, een epitaaf of een monument. De plaats van deze soms zeer kunstig uitgewerkte sculpturen stemt niet noodzakelijk overeen met de plek waar de herdachte overledene precies werd bijgezet. Vooral uit de periode van na de beeldenstorm tot de late 18e eeuw is in de kathedraal een hele verzameling grafmonumenten aanwezig die een beeld geeft van de ontwikkeling van de funeraire sculptuur en/of van de levenswijze van hen die deze monumenten bestelden. Wat de periode vóór de beeldenstorm betreft, zijn slechts enkele exemplaren tot ons gekomen, waaronder de bijzondere graftombe van Margaretha van Ghistel (†1431). Bij decreet van Jozef II (1780-1790) werden de bijzettingen in de kerken en kerkhoven van de binnenstad verboden. Na enkele jaren werd de ruimte van de kerkhoven geürbaniseerd en in de stadsorganisatie opgenomen.

 

De ontwikkeling die Gent in de 19e eeuw kenmerkte, uitte zich onder meer door de industrialisatie en de enorme bevolkingstoename. In de eerste helft van de 19e eeuw hadden middenstand en kleine burgerij elke beschikbare ruimte in de Gentse binnenstad opgedeeld in beluiken en arbeiderswoningen. Dit maakte de stadskern overbevolkt en onleefbaar, wat zich ook in de onmiddellijke omgeving van de kathedraal liet gevoelen. Langzamerhand groeide het idee om van Gent, naar het voorbeeld van Parijs en tal van andere Noordwesteuropese steden een moderne grootstad te maken, met brede verkeersassen en ruime pleinen. Het ontwerp dat architect Edmond de Vigne en ingenieur Edouard Zollikofer aan het stadsbestuur voorlegden om het nieuwe station, het Zuidstation, met het oude stadscentrum te verbinden, werd mits enkele aanpassingen in 1880-1888 gerealiseerd. De open ruimte die hierdoor ten zuidoosten van de kathedraal ontstond, was aanvankelijk bedoeld om te worden bebouwd.

 

De stedebouwkundige ingrepen die in oorsprong een sociale grondslag hadden en erop gericht waren om sloppenwijken te saneren, groeiden immers snel uit tot een massale speculatie in onroerend goed. Het was dan ook pas na heel wat discussie en een fikse vergoeding dat de betrokken Compagnie Immobilière afzag van de bouw van een woonblok op die plaats. De voorstanders van een open uitzicht op één van Gents grootste historische monumenten wonnen het pleit.

 

Het aldus ontstane Geraard de Duivelhof werd in 1913 opgesmukt met een monument voor de gebroeders Hubert en Jan van Eyck, afgetuind met een Art Nouveau omheining in gietijzer, een uniek architectonisch kleinood waaraan de meeste passanten zonder enige aandacht voorbijgaan.

 

Korte tijd na de realisatie van het Zollikofer-De Vigne-plan volgde de verdere sanering van de Gentse binnenstad onder impuls van burgemeester Emile Braun (1849-1927). De grote monumenten uit het stadscentrum werden vrijgemaakt, met een klemtoon op de drie torens die het kenmerk van Gent moesten worden. Alle stedebouwkundige ingrepen, waaronder de aanleg van het Sint-Baafsplein ten westen van de kathedraal, ondersteunden dat ideaal. Alleen ten noorden van de Sint-Baafskathedraal bleef de dichte bebouwing langsheen smalle kronkelende straten naar middeleeuws model behouden. Ten oosten van de kathedraal was het stadsbeeld reeds eerder ingrijpend gewijzigd. In 1841-1845 was daar immers een nieuw bisschoppelijk paleis opgetrokken naar een ontwerp van ingenieur Matthias Jozef Wolters (1793-1859). Het is één van de meest merkwaardige vroege gebouwen in neogotiek. De originaliteit ervan zit in de unieke combinatie van eigentijds woon- en kantoorcomfort met een eigen interpretatie van classicistische elementen zoals horizontale, witbepleisterde gevels en detailvormen die aan de gotiek werden ontleend. Ondanks de onmiddellijke nabijheid van de kathedraal werd er niet naar gestreefd de gotische architectuur te kopiëren, wat de kwaliteit van Wolters’ concept zeer sterk ten goede komt.

 

Sedert het midden van de 19e eeuw vormt de Sint-Baafskathedraal ook het voorwerp van meerdere restauraties. Samen met een aantal doorgevoerde wijzigingen weerspiegelen ze op zeer illustratieve wijze het denken rond het conserveren en herwaarderen van een in oorsprong middeleeuws gebouw. Meer nog dan de kerk en de architectonische resultaten soms doen vermoeden, blijkt dit uit de talrijke documenten waarin de soms hoog oplaaiende discussies en de vaak uiteenlopende standpunten over bepaalde aspecten werden verwoord.

 

De meeste ingrepen waren materieel niet noodzakelijk, maar gebaseerd op esthetische keuzes die vooral een grotere stijleenheid beoogden. Dit leidde tot een hele reeks verbouwingen die vaak ten onrechte als “restauratie” worden aangeduid. Het meest opvallend was het verwijderen van heel wat elementen met een renaissancistische, barokke of classicistische vormgeving zoals de monumentale koorafsluiting, de marmeren bekleding van het transept, kapelafsluitingen, barokke altaarstukken, de classicistische zijportalen.

 

Het hele interieur werd zelfs volledig ontdaan van zijn bepleistering. De zichtbare naakte steenpartijen geven niet alleen een vervormd ruimtebeeld, maar leiden tevens tot tal van misvattingen inzake vroegere architectonische opvattingen. Slechts weinig bezoekers willen aannemen dat het kerkinterieur, en niet alleen in de Sint-Baafskathedraal trouwens, tot in de 19e eeuw steeds was beschilderd en later bepleisterd. Mede dank zij de scherpe kritiek op deze vorm van esthetisch vandalisme en historicisme, werd gelukkig niet alles gesloopt of verwijderd en blijft de kathedraal ook thans nog een vrij rijk gestoffeerde kerk die ook uit vroegere periodes heel wat kan laten zien.

 

In het kader van deze “restauraties” werden tevens heel wat gotische elementen toegevoegd die tot doel hadden de kerk veel gotischer te maken dan zij ooit is geweest. Een aantal van die neogotische toevoegingen bepalen in sterke mate de algemene aanblik van het kerkgebouw. Dit geldt onder meer voor de afdekking van het koor en de zuidelijke kranskapellen, voor het zuidelijke transeptportaal, voor de afwerking van de transepttorens en voor de opengewerkte witstenen borstwering bij het triforium.

 

Het zou evenwel fout zijn elke neogotische inbreng als een verminking af te doen. Het katholieke reveil en het enthousiasme van de burgerij voor het eigen middeleeuwse verleden leidden tot een aantal schenkingen die de verfraaiing van de kerk tot doel hadden. Dit komt vandaag nog tot uiting in de talrijke glasramen uit de 19e en de 20e eeuw, die de oudere gotische vensterramen invullen.

 

Door het nieuwe mecenaat kwamen ook enkele grotere artistieke realisaties tot stand. De herinrichting van de Sint-Machariuskapel in 1867, kan hier als toonaangevend gelden. Onder leiding van de grote promotor van de neogotiek Jean-Baptiste Bethune (1821-1894) en met medewerking van Adrien Bressers, Armand Bourdon en de gebroeders Blanchaert, werd hier een zeer verfijnd totaalconcept gecreëerd waarbij polychrome interieurafwerking, glasraam, sculptuur en metalen afsluiting eenzelfde visie ondersteunen.

 

De manier waarop met het patrimonium van Gent werd omgesprongen, kende sterke navolging tot in onze eeuw en lijkt ook vandaag nog tal van aanhangers te hebben.

 

Het wegbreken van het authentieke document, zogezegd in functie van de stabiliteit of de esthetiek, heeft nog steeds de overhand op het conserveren en herwaarderen van het schaarse oorspronkelijke erfgoed dat werd overgeleverd. De jongste decennia is er echter een mentaliteitswijziging vast te stellen die ook een stempel heeft gedrukt op het wel en wee van de Gentse kathedraal. Allereerst is het opvallend dat de meeste herstellingswerken die onder de noemer restauratie vallen, thans wél uit noodzaak worden ondernomen. Het gebrek aan onderhoud en de verwering van verschillende onderdelen hebben recent tot enkele grootscheepse bouwcampagnes geleid. Vaak gaat het daarbij, net zoals bij zoveel andere monumenten in Gent, om het herstellen van de inbreng uit de 19e of het begin van de 20e eeuw.

 

Een andere opmerkelijke vernieuwing is de integratie van archeologisch onderzoek in de restauratieopdrachten. Tussen 1958 en 1961 werd de ondergrond van de Sint-Baafskathedraal verkend en werden opgravingen gedaan in de crypte, het transept en de benedenkerk. In functie van de restauratie werd het bodemonderzoek gekoppeld aan muurwerkarcheologie om een zo goed mogelijk inzicht te verkrijgen in de geschiedenis van het kerkgebouw. De archeologische activiteit kaderde in een onderzoeksproject van Firmin De Smidt rond de Romaanse kerken in Gent en wordt, doordat praktisch uitsluitend aandacht wordt besteed aan de bouwkundige relicten, soms wat smalend met de term “kerkarcheologie” aangeduid.

 

Het project moet evenwel worden geëvalueerd in het kader van de toenmalige wetenschappelijke belangstelling voor het middeleeuwse verleden. Bijzonder vooruitstrevend en ontzettend belangrijk waren de combinatie van restauratie en grondig archeologisch onderzoek, en de samenwerking van verschillende disciplines met de bedoeling om het gebouw in zijn totaliteit te herwaarderen.

 

Dat een grondig vooronderzoek en een multidisciplinaire samenwerking een onontbeerlijke vereiste zijn voor elke ingreep in een zo merkwaardig gebouw als de Sint-Baafskathedraal, kwam heel recent nog bijzonder scherp naar voren. In 1984-1986 was er de verhuis van het Lam Godsretabel naar een nieuwe, veilige en speciaal ontworpen kluis naast de westtoren. Veiligheidsoverwegingen en de drukke toeristische toeloop naar dit wereldbefaamde kunstwerk, lagen aan deze beslissing ten grondslag. Het 15e-eeuwse altaarstuk verliet dus de plaats waar het thuishoorde en waarvoor het werd besteld. Het werd gepromoveerd tot louter toeristisch kijkstuk, los van zijn eigen verleden en initiële betekenis. Dat voor de hele onderneming een machtige buitenlandse sponsor werd aangetrokken, is al even besproken. In 1989 laaiden de discussies weer hoog op toen het plan bekend raakte om het hoge raam van het noordelijke transept van een nieuwe glasinvulling te voorzien. Wat ook de standpunten en kritieken ten opzichte van beide projecten mogen zijn, ze zijn in alle geval tekenend voor de eerder stiefmoederlijke manier waarop het rijke en onovertroffen erfgoed van de kathedraal in deze late 20e eeuw wordt beheerd en waarbij tal van factoren een rol spelen die ver afstaan van de waardering die de Sint-Baafskathedraal met haar kunstverzameling als tijdloos monument voor de hele gemeenschap verdient.

 

Marie Christine Laleman

 


De buitenarchitectuur

 

 

Vergezicht en omgeving

 

Op oude prenten met stadsgezichten valt het op dat kerken, stadhuizen en alle openbare gebouwen zo hoog uitrijzen boven de huizen. Zeker, zij werden te groot afgebeeld, maar toch geven zij juist daardoor goed de overweldigende impact weer die zij psychologisch op hun omgeving hadden in vroegere eeuwen.

 

Ondanks de zovele nieuwe constructies die er geleidelijk bijkwamen en ondanks de grote flatgebouwen van onze tijd, zijn het nog steeds de beroemde drie torens (Sint-Niklaas, Belfort en Sint-Baafs) die het stadsbeeld van Gent karakteriseren. Hun silhouet maakt indruk tot 20 km in de omtrek.

 

Hierbij is de Sint-Baafskathedraal zonder twijfel de meest monumentale constructie.

 

Als men Gent vanuit het zuiden binnenrijdt, ontvouwt het machtige silhouet van de kerk zich op spectaculaire wijze bij het Geraard de Duivelsteen in de Vlaanderenstraat.

 

Vroeger had men dergelijk uitzicht niet. Het gebouw was omgeven door smalle, kronkelende straten, die reeds in de 18e eeuw bij de koetsiers heel wat gesakker veroorzaakten.

 

Onder burgemeester E. Braun werd het oude centrum, de Kuip, vanaf 1895 systematisch gemoderniseerd. Het plein naast de kerk ontstond in 1900-1905, het standbeeld van de gebroeders Van Eyck in 1913. Rond 1900 kwam tussen Belfort en kerk het Sint-Baafsplein tot stand. In die periode bouwde of restaureerde men ook diverse gebouwen zoals de schouwburg (1897-1899), het Geraard de Duivelsteen (1900-1902), de Nationale Bank (1904) en het Belfort (1913).

 

 

Het areaal

 

Terwijl de onmiddellijke omgeving van de kathedraal omstreeks 1900 grondig veranderde, bleef het terrein van de kerk zelf vrij gaaf. Huisjes waren er nooit tegen aangebouwd, en het kerkhofterrein werd niet ingepalmd door parasietconstructies. Wél richtte men vanaf 1780 gebouwen op, die echter alle met de kerk in verband stonden. Helemaal ten zuiden van het perceel kwam in 1841-1842 het bisschoppelijk paleis tot stand. Het werd ontworpen door M J. Wolters.

 

 

Grondplan en aanleg

 

De vorige kerk was een ruime Romaanse constructie in Doornikse hardsteen, met vieringtoren en crypte. De nieuwe, huidige kerk, werd er omzeggens rond gebouwd, en zelfs zo dat sommige onderdelen ervan perfect met de vroegere overeenstemmen, zoals bijvoorbeeld de viering en het schip. Nieuw waren de grote westtoren, het zeer lange koor en de weids uitgebouwde straalkapellen.

 

In de hoogte kreeg het gebouw totaal andere verhoudingen dan het oude. Dit laatste moet er in vergelijking als een miniatuur hebben uitgezien. Van dit effect krijgt men een idee bij de kathedraal van Beauvais in Frankrijk, waar de Romaanse benedenkerk is blijven bestaan in de schaduw van het gigantische koor en transept.

 

De benedenkerk (schip en zijbeuken) van Sint-Baafs geeft misschien de indruk eerder kort te zijn. De vier traveeën ervan zijn nochtans zeer ruim. Ook het transept is adembenemend. Niet de benedenkerk is kort, maar het is veeleer het koor dat uitzonderlijk lang is. Het bestaat uit vijf, eerder kleine traveeën en uit zeer groots uitgewerkte straalkapellen. De belangrijkste afmetingen zijn: totale lengte 114 m (met weststeunberen 117 m); totale breedte bij het transept 46 m; hoogte van de gewelven in het schip (tot aan de gewelfsleutels) 31,10m; totale hoogte, met daknok 41 m, waarvan 31 m voor het schip en 10 m voor het dak; hoogte van de torenromp 78 m (en nog eens 4 m voor de aanzet van de bovenbouw).

 

Het gebouw ontstond in verschillende fasen met talrijke onderbrekingen. Men onderscheidt de crypte, het koor, de koorkapellen, de straalkapellen, de toren en tenslotte de benedenkerk en het transept. We zullen dezelfde volgorde volgen.

 

 

De crypte

 

Wegens het sterk afhellende terrein naar de Schelde (nu gedempt, de huidige Reep) bouwde men als fundament een crypte. Hierdoor moest weinig extra grond worden aangevoerd. Als voorbeeld nam men de crypte van de Romaanse kerk. Een stukje van deze Romaanse crypte is zelfs nog bewaard. De nieuwe crypte werd heel wat grootser opgevat. De aanleg ervan was belangrijk voor de nieuwe kerk want eenmaal de onderbouw was opgericht, kon men bij de verdere bouwfasen niet meer afwijken van het grondplan.

 

De eenvoudige spitsboogvensters laten van buiten nauwelijks vermoeden welke grote ruimte hier aanwezig is. De toegangen van de nieuwe crypte bevonden zich langs elke zijde, onder het derde venster. Wat we nu zien is het resultaat van een restauratie (1902), maar geeft toch goed de vroegere toestand weer.

 

 

Het koor

 

Zodra de rechte delen van de crypte waren aangelegd, richtte men eerst de middenbeuk van het koor op. De strenge en eenvoudige bovenbouw laat bijna niet vermoeden dat hier stoutmoedig tewerk is gegaan. De bezoeker beseft dat pas als hij begint te letten op de verhoudingen tussen de gesloten (dragende) delen en de vensters. In feite is de hele opbouw bijna één en al venster. De gewelven en het dak rusten op smalle muurdammen.

 

Deze zijn onderaan opengewerkt zodat men langs een loopgang rond het koor kon gaan om de ramen te herstellen.

 

De dragende steunen lijken zo zwak dat men zonder veel twijfel mag aannemen dat de stenen indeling van de vensters én de grote ijzeren staven van de ramen een belangrijke rol spelen in de stevigheid van de constructie. Ook de zware ankers wijzen erop dat de bovenbouw met ijzeren trekkers is vastgehaakt. Mogelijk bevinden er zich in de dikte van de muren ook ijzeren verstevigingen. Al deze elementen zijn nodig, want dergelijke grote bouwvolumes hebben enorm af te rekenen met de wind.

 

 

De zijdelen van het koor

 

Na de oprichting van de middenbeuk van het koor werkte men aan de zijpartijen ervan (zijbeuken en kapellen). De tussenmuren werden hier wél zeer stevig uitgebouwd (meer dan 5 m diep). Luchtbogen lijken nooit aanwezig geweest, zodat de rol van deze muren eigenlijk niet heel belangrijk kon zijn.

 

De zuidelijke kapellen worden geritmeerd door pinakels en wimbergen boven de vensters. Beide dateren van de restauratiecampagne van 1902. Hoe de situatie voorheen was, kan nog langs de noordzijde worden gezien, waar men de sporen ongemoeid liet. Duidelijk merkt men daar, boven elk venster, schuine aanzetten, die inderdaad aan wimbergen doen denken. Deze werden eertijds gesloopt en de open gedeelten ertussen opgevuld om een lessenaarsdak met dakgoot te kunnen aanleggen. Dat werk gebeurde wellicht in de late 17e of in de 18e eeuw.

 

Langs de noordzijde tegen het transept, valt nog een ander interessant spoor op. Daar staat een zwaar massief dat bijna de helft van een venster inneemt. Wellicht was dat een voorlopige stut bij de aanleg van het transept, waarbij men een klein deel van het eerste venster van het koor moest slopen om genoeg werkruimte te hebben. De bovenvensters werden hersteld in zandsteen en baksteen, de stut langs de noordelijke zijbeuk van het koor bleef echter staan.

 

 

De straalkapellen

 

Na de afwerking van het rechte koorgedeelte met zijbeuken en zijkapellen, bouwde men verder aan het koorhoofd en aan de straalkapellen. De bovenbouw van het koor is de logische voortzetting van wat er onderaan al bestond.

 

De aanleg van de straalkapellen vertoont enkele bijzonderheden. Eerst voorzag men kleinere en lagere kapellen, maar tijdens de werken zelf werd van idee veranderd. Ook de huidige straalkapellen hebben enkele speciale kenmerken. Zo valt het op dat de eerste kapel, bij de overgang van koor naar kooromgang, een ander grondplan heeft (vijf- in plaats van zeshoekig) en veel kleiner is dan de drie centrale kapellen. De vijfhoek werd ook onregelmatig aangelegd. De muren verschillen met die van de volgende kapel. Hetzelfde is te zien in de rondgang waar de gordelbogen niet in het verlengde van de muren staan. Buiten valt de onregelmatigheid vooral op bij de schikking van de steunberen en de plaatsing van de vensters die niet mooi in het midden kwamen.

 

Oorspronkelijk hadden de straalkapellen eveneens wimbergen, maar zij werden niet gerestaureerd.

 

Het maaswerk van de vensters is natuurlijk wel al vernieuwd geweest, maar de tekening ervan neemt toch het oude tracé over. Men ziet duidelijk dat deze nerveuzer is dan bij de vensters van het koor en de rechte kapellen. Koorhoofd en straalkapellen werden immers in de 15e eeuw opgericht, in een stijl die men laat-gotiek of vlammende gotiek noemt.

 

De baksteenopvulling in sommige vensters werd genoodzaakt door de oprichting van portiekaltaren in de 17e eeuw. Deze grote constructies waren opgevat als triomfbogen en hadden meestal een blinde achtergrond nodig. De vroegere, middeleeuwse altaren waren doorgaans veel kleiner en lager (het Lam Godsretabel is er al een bijzonder groot voorbeeld van). De neogotische altaren in de zijkapellen van de benedenkerk geven daarvan een idee.

 

 

Hardsteen — zandsteen

 

De koorpartij is grotendeels in hardsteen (met baksteenkern), de toren en de benedenkerk zijn van zandsteen, met eveneens een baksteenkern.

 

De hardsteen kwam per schip van Doornik, de zandsteen werd eveneens over het water vervoerd, maar kwam van Brabant.

 

Doornik was eeuwenlang een zeer belangrijk centrum. Het was ook de zetel van het bisdom waaronder Gent ressorteerde.

 

De gotische bouwkunst ontstond in het Ile-de-France (de streek rond Parijs) in de 12e eeuw. Zij kende veel succes en werd omstreeks 1200 ingevoerd in de Zuidelijke Nederlanden. Doornik heeft onder andere op dat gebied een belangrijke rol gespeeld.

 

Om de zeer hoge transportkosten uit te sparen, werd de bouwsteen zoveel mogelijk in de steengroeve kant en klaar gehouwen. De vormgeving werd te Doornik bepaald.

 

Met de steen kwam meteen ook de stijl die via de rivieren in de Zuidelijke Nederlanden werd verspreid. Later, vanaf de 14e en vooral de 15e en 16e eeuw hebben Brabant en Brussel, waar de hertogen van Bourgondië zich hadden gevestigd, deze rol overgenomen.

 

 

De toren

 

Tijdens de werken aan het koor verhoogde men ook de Romaanse vieringtoren, wat erop wijst dat men er op dat ogenblik nog niet aan dacht de oude kerk volledig af te breken.

 

Vanaf 1462 richtte men juist ten westen van de Romaanse benedenkerk een andere, nieuwe toren op. Daarvoor gebruikte men nu Brabantse steen. Hierdoor moest de toren als een onafhankelijke constructie worden opgevat, die lange tijd alleen stond.

 

De opbouw is eenvoudig maar geraffineerd. Het eerste niveau is zeer hoog en wordt door het voorportaal én door het daarboven gelegen venster ingenomen. Dat portaal is eigenlijk een voorbouw die tussen de steunberen van de toren is geklemd. De drie beelden (Christus, Sint-Bavo (links) en Johannes de Doper, de beide patroonheiligen van de kerk) zijn modern. De nissen kregen nooit beeldhouwwerk.

 

Het tweede en het derde torenniveau hebben dezelfde indeling met twee ramen in iedere wand: de onderste zijn blind en hebben een hardstenen traceerwerk, de andere bevatten galmgaten. De vierde geleding is een hoge achthoek met één enkel venster langs elke zijde.

 

Ook de steunberen hebben per bouwlaag een eigen bewerking. Vanaf het derde niveau staan ze overhoeks om de vier grote traptorens rond de achthoekbekroning te dragen. Op die bekroning stond een grote houten spits, die in 1602 afbrandde en nooit meer werd heropgericht.

 

Langs de oostkant fungeren twee grote traptorens als steunberen. In de eerste bouwlaag van de torenromp stroomt het licht overvloedig de kerk binnen. Het tweede was het werklokaal van de klokkeluiders, die via een klein raampje (zichtbaar in het schip) een doorkijk hadden naar het altaar.

 

Het derde bouwniveau bevat zeven klokken (de oudste dateert van 1636 en weegt 5.000 kg). In de achthoek bevond zich tussen 1727 en de Franse Revolutie een beiaard.

 

Vanaf de top is het panorama grandioos. Als men de kans heeft om de toren te bestijgen, mag men die zeker niet laten voorbijgaan (tijdens de Gentse Feesten, in juli).

 

De toren wordt geflankeerd door zijkapellen die van buiten een dwarse aanleg suggereren (in tegenspraak met hun interieur). Alhoewel zij samen met de toren werden opgericht, komen zij duidelijk over als aanbouwsels, die zich ook van de rest van de zijkapellen van de benedenkerk onderscheiden.

 

Alle torenspitsen (zijkapel en toren) alsook de borstweringen, zijn reconstructies.

 

 

De benedenkerk

 

Voor men de benedenkerk oprichtte, gingen er heel wat jaren overheen. De laatste resten van de Romaanse bouw verdwenen pas in 1533.

 

Tegen de toren vond men gemakkelijk aansluiting omdat daar vertandingen waren voorzien. Bij het koor was de situatie moeilijker en moest men een deel van de eerste koortravee afbreken (zie hoger). De werken vingen aan in 1550 en duurden een tiental jaren. Eigenaardig is het gebruik van hardsteen onderaan de zijkapellen. Misschien is deze bedoeld als waterwerende laag, of maakt ze deel uit een vroegere bouwfase.

 

De traveeën van de benedenkerk zijn overal zeer eenvoudig, maar zij maken een grootse indruk door hun afmetingen. In tegenstelling tot het koor werd geen rondgang voor de bovenvensters voorzien.

 

 

Het transept

 

Het transept heeft dezelfde hoogte als het schip. Elke arm eindigt op twee grote hoektorens die vanaf de grond opstijgen. De frontmuren hebben opmerkelijk grote vensters met een strakke maasvulling. De spitsen van de hoektorens en het zuidportaal zijn volledig gerestaureerd.

 

In 1782 werden portalen opgericht in classicistische stijl. Zij verdwenen in 1889. Langs de noordzijde kwam er niets in de plaats. Langs het zuiden is het huidige portaal geïnspireerd op de algemene lijn die op oude afbeeldingen is te zien.

 

 

De bijgebouwen

 

Langs beide zijden van het koor zijn annexen aangebouwd. Ten zuiden staat nu enkel nog een laat-middeleeuws bijgebouwtje naar waar, in de 18e eeuw, de toegang tot de crypte werd verplaatst. Vóór het middeleeuws portaal van de crypte kwam in 1769 een kapel in classicistische stijl, die in 1902 verdween. Langs het noorden staat, eveneens voor de oude cryptetoegang, een kapel die analoog is aan die van 1769, maar die pas in 1784 werd opgericht. Tussen deze constructie en het transept bevindt zich een lage dienstconstructie die in twee verschillende fasen ontstond en zeer schraal is van vorm.

 

Interessanter zijn de twee grote verder naar het oosten gelegen gebouwen. Het eerste, in hardsteen, met twee traveeën die van elkaar zijn gescheiden door een forse steunbeer, is de oude sacristie, opgericht in de 15e eeuw.

 

Het andere is van zandsteen en heeft in de Hoofdkerkstraat een dubbele trapgevel. Het dateert van 1570/1571 en bevat onder meer de kapittelzaal waar de kanunniken samen kwamen om over bestuurlijke en godsdienstige problemen van de gemeenschap te vergaderen.

 

Patrick De vos

 


De binnenarchitectuur

 

 

Bij het betreden van de Sint-Baafskathedraal via de hoofdingang in de voet van de toren, komt men onmiddellijk onder de indruk van de omhoogstuwende dynamiek van de gotische bouwkunst. Meteen valt ook de lichtheid van de architectuur op. Geen compacte, volumineuze pijlers als ondersteuning van gesloten muurmassa’s waarin slechts kleine uitsparingen zijn aangebracht voor de lichttoevoer, maar een ranke skeletbouw waar talrijke schalken overgaan in een levendig lijnenspel van elkaar kruisende gewelfribben.

 

De confrontatie met de laatste bouwfase van de voormalige Sint-Janskerk, die in de 16e eeuw in sobere laat-gotische stijl werd uitgevoerd, is adembenemend.

 

Het uitzicht van de kerk is echter niet altijd hetzelfde geweest. De Sint-Janskerk is immers het resultaat van een groeiproces dat verscheidene eeuwen heeft geduurd in een periode dat de religieuze architectuur een revolutie doormaakte. De Romaanse Sint-Janskerk uit de 12e eeuw was een driebeukige kruiskerk met vieringtoren en een driebeukig koor boven een even grote, maar in vier smallere beuken verdeelde crypte. Van talrijke onderdelen bleven ondergronds nog fragmenten bewaard.

 

De opgravingen brachten aan het licht dat de benedenkerk zes traveeën telde, waarvan de scheibogen steun vonden op rechthoekige pijlers. De westgevel bevond zich vlak achter de huidige toren die in de tweede helft van de 15e eeuw vóór de Romaanse kerk werd gebouwd. De middenbeuk was ± 7 m 40 breed, dus smaller dan de huidige die ongeveer 12 m meet, en liep door tot net voorbij de huidige vieringpijlers. De zijbeukmuren, ± 1 m 30 dik, bevonden zich nagenoeg in de as van de huidige zijbeuken. Het geheel was een zeer eenvoudige constructie, stevig gebouwd en zonder versieringen.

 

De benedenkerk is in gebruik gebleven tot kort na 1522.

 

Zij werd gesloopt en in 1533 vervangen door het laat gotische bouwwerk dat we nu kunnen aanschouwen en dat het sluitstuk vormt van een langdurige verbouwing. Zij werd perfect ingepast tussen de volledig afgewerkte koorpartij ten oosten en de rijzige toren ten westen.

 

 

De toren

 

De bouw van de toren met zijn twee zijkapellen werd in het voorjaar van 1462 aangevat door een zekere Jan Stassins, metselaar.

 

Waarom de toren op die plaats werd neergezet en niet meer naar het westen, is nog steeds niet helemaal duidelijk.

 

Men heeft zich blijkbaar niet veel bekommerd om de evolutie die een gotische ruimte qua afmetingen had doorgemaakt ten opzichte van een Romaans gebouw.

 

De bouwput voor de toren werd namelijk vlak vóór de Romaanse westgevel gegraven met het gevolg dat later nog slechts plaats was voor een relatief korte benedenkerk.

 

De benedenverdieping bestaat uit één hoge, overwelfde ruimte, die door een spitsboog in verbinding staat met de middenbeuk. Enkele meters boven die spitsboog bemerkt men in het metselwerk een duidelijke aftekening van een andere, veel stompere boog. Die duidt de plaats en de vorm aan van de geplande, maar uiteindelijk nooit op die wijze uitgevoerde overkluizing van het nog te bouwen schip.

 

Ook bij de twee kapellen aan weerszijden van de torenvoet wijzen sporen, namelijk een vertanding in het metselwerk, erop dat er toen reeds concrete plannen bestonden om nieuwe zijbeukmuren te bouwen.

 

De torenvoet en de zijkapellen werden binnenin afgedekt door gewelven met zandstenen ribben en qua kleur daarmee fel contrasterende kappen van baksteen. De ribben rusten op met bladwerk en wapenschilden versierde kraagstenen.

 

 

De benedenkerk en transept

 

De westtoren was nog niet voltooid toen men begon met de sloop van de Romaanse benedenkerk, de transeptarmen en de vieringtoren, om plaats te maken voor de bouw van de gotische kerk. In 1522 werd het bouwmateriaal van de Romaanse vieringtoren verkocht aan een zekere François Morael. Hij kon beginnen met de afbraak ervan, maar werd zeer snel geconfronteerd met een vrij ingewikkelde situatie. Tegen de oostzijde van de Romaanse toren was namelijk reeds het gotische koor gebouwd en daarin moesten de erediensten hun normaal verloop blijven hebben. Een voorlopige afsluiting moest dus worden voorzien door de afbraak van bepaalde delen nog even uit te stellen. De verkoopakte van 1522 was daarover duidelijk: de oostmuur van de toren moest nog een tijdje overeind blijven en de zuidelijke flankeertoren moest nog kunnen worden gebruikt om het triforium van het koor te kunnen bereiken en vandaar ook de zolders van de koorbeuken. Waarschijnlijk moest ook de noordelijke flankeertoren nog even blijven staan. Ook de Romaanse transeptarmen mochten nog niet tot op de grond worden gesloopt want die moesten samen met de torenvoet nog een tijdlang dienen als een soort voorportaal van het koor.

 

Wellicht duurde die toestand een tiental jaren.

 

In augustus 1533 kon dan eindelijk de eerste steen van de nieuwe, gotische benedenkerk worden gelegd. De pijlers en de zijbeukmuren konden worden gefundeerd op de daartoe voorziene plaatsen. Aangezien er ook een gotische kruisbeuk was gepland, bleef er voor het driebeukige, basilicale schip nog enkel ruimte over om vier traveeën uit te zetten. De werkzaamheden vlotten aanvankelijk niet naar wens. Pas na de tussenkomst in 1550 van keizer Karel, die een toelage van 15.000 Italiaanse kronen ter beschikking stelde, kwam er enig schot in de zaak. Uit het gedetailleerde bestek dat toen werd opgesteld, blijkt dat er nog heel wat diende te gebeuren. In een ietwat overmoedige bui werd de voltooiing van de werken voorzien voor het Sint-Jansfeest (24 juni) van 1552, wat zoals zal blijken geen haalbare datum was.

 

De pijlers werden aangezet op een hoge sokkel met talrijke profileringen. De zijkanten lopen zonder onderbreking door in de spitse scheibogen. De kanten naar de midden- en naar de zijbeuken gekeerd, hebben elk een groep van drie schalken die doorlopen in de ribben van de netgewelven.

 

De lijnvoering wordt enkel onderbroken aan de geboorte van de gewelven door een kapiteeltje met laat-gotisch koolbladmotief. Boven de scheibogen is per travee een borstwering met gotisch traceerwerk aangebracht.

 

Deze dateert uit de 19e eeuw en vervangt een ijzeren leuning. Vanaf die hoogte wijkt de muur ietwat achteruit zodat er achter de borstwering een smalle loopgang kon worden uitgespaard. Helemaal bovenaan is het muurvlak opengewerkt door een zeer hoog bovenlicht met maaswerk.

 

Die opbouw met scheibogen, tribunes en bovenlichten, uiterst sober uitgevoerd, wijst op het late tijdstip waarop de benedenkerk tot stand kwam. Het hoogtepunt van de gotiek was voorbij. Toch kunnen de ruimteschepping, het lijnenspel en de afwisseling van witte zandsteen met rode baksteen de hedendaagse bezoeker ten volle bekoren.

 

De overwelving van midden- en zijbeuken werd vanaf 1552 aangebracht door Frans Goethals en Joost Rooman.

 

Zij gingen met hun constructie hoger dan was gepland.

 

De gleuven die speciaal in de torenwand waren uitgespaard om de gewelven op te vangen, moesten daarom met stenen worden opgevuld. Al die sporen werden onmiddellijk aan het oog onttrokken door pleisterwerk, dat in de 19e eeuw werd verwijderd.

 

Ook in de oostmuren van de transeptarmen zijn nog bouwsporen te zien. Haaks tegen die muren stonden namelijk de kopgevels van de Romaanse transeptarmen. Nadat die waren afgebroken, werden de aansluitingen opgevuld en beëindigd door een schalk. De gotische transeptarmen werden vervolgens hoger opgemetseld en in noordelijke en zuidelijke richting verlengd.

 

 

Het koor

 

De verbouwing van het koor is een verhaal op zich. Het driebeukige Romaanse koor was slechts drie traveeën diep met een halfronde absis aan de middenbeuk.

 

De evolutie in de liturgie, die steeds meer koorruimte eiste en het tekort aan kapellen voor stichtingen door families en verenigingen, vormden ten dele de aanleiding tot de totale nieuwbouw. Het bouwvallig worden van de Romaanse constructie en het verlangen naar een gebedshuis met grotere afmetingen en jongere vormen waren wellicht andere elementen die daarbij een rol hebben gespeeld.

 

Gent was ondertussen namelijk één van de machtigste steden van West-Europa geworden wat dan ook moest worden getoond via indrukwekkende monumenten.

 

De verbouwing werd aangevat op het einde van de 13e eeuw. De zijbeuken van het Romaanse koor werden afgebroken terwijl de middenbeuk nog een tijd in gebruik bleef. Aan weerszijden van die middenbeuk werden ruime bouwputten uitgegraven voor de nieuwe koorpijlers en -muren, zodat ook de uiterste beuken van de Romaanse crypte verdwenen. Het terrein was nu vrijgemaakt voor de uitbouw van de gotische crypte én van het gotische koor erboven.

 

De onderbouw bepaalde de indeling van de bovenbouw die pas in de 14e eeuw is tot stand gekomen: een ruime middenbeuk, vijf traveeën diep, ten oosten polygonaal beëindigd, en twee smallere zijbeuken, van elkaar gescheiden door massieve dwarsmuren, en aan elke travee voorzien van een kapel. Tussen de beuken en aan het kooreinde werden rondzuilen opgericht, waaraan vier driekwartzuilen werden toegevoegd, het geheel bekroond met kapitelen met vroeg-gotische hogels of haken.

 

Daarop rusten de spitse scheibogen. Boven die scheibogen loopt het triforium dat per travee bestaat uit spitsbogig traceerwerk met driepassen en vierlobben. Die indeling wordt herhaald in het maaswerk van de aansluitende grote bovenlichten.

 

De hele constructie werd opgetrokken in het courante bouwmateriaal van die tijd, namelijk de grijze Doornikse kalksteen. Het traceerwerk van sommige delen van het triforium is echter in Ledische zandsteen, waaruit kan worden afgeleid dat het pas op het laatst, namelijk in het midden van de 14e eeuw werd aangebracht, toen die steensoort stilaan haar intrede deed in de Scheldestreek.

 

In 1353 werd het koor ingewijd door de bisschop van Doornik. Een interessant bouwspoor in de eerste travee van het hoofdkoor dient hier even nader te worden bekeken.

 

De scheiboog is namelijk voor ongeveer een derde in Doornikse kalksteen en voor de rest in Ledische zandsteen. Dit kan als volgt worden verklaard: op het ogenblik van de bouw van het gotische koor stond de Romaanse vieringtoren met zijn twee oostelijke flankeertorentjes nog overeind. Het was tegen die flankeertorentjes dat de eerste koortravee tenietliep. Pas na het slopen van de Romaanse flankeertorens, omstreeks het midden van de 16e eeuw, konden die bogen worden voltooid. De nieuwe boogstenen werden op dat tijdstip in Ledische zandsteen gemaakt, wat toen visueel niet hinderde omdat alles toch schuilging onder een laagje pleisterwerk. In de zijbeuken van het koor werd ook het eerste gewelf opnieuw gemetseld, wat nog kan worden opgemerkt aan het formaat van de bakstenen dat kleiner is dan in de volgende traveeën.

 

De zijbeuken van het koor werden van meet af aan overkluisd met stenen kruisribgewelven. De middenbeuk daarentegen kreeg eerst een houten overwelving, wellicht eveneens met kruisribben. In 1628 werd ze, op vraag van bisschop Antoon Triest, uitgebroken en vervangen door de huidige stenen gewelven die beter passen bij de overwelving van het schip en de dwarsbeuk. De kapitelen van de schalken waarop de houten gewelfribben rustten, waren in Doornikse kalksteen en voorzien van hogels. Deze werden toen weggekapt en op de dekplaat ervan werden de schalken iets hoger opgetrokken en voorzien van een nieuw kapiteel, ditmaal in Ledische zandsteen met het typische koolbladmotief.

 

 

De kapellenkrans

 

Van bij de aanvang van de bouw van het koor lag het in de bedoeling een kapellenkrans aan te leggen, zoals in de crypte. Het is pas in de loop van de 15e eeuw dat de transkapellen werden uitgevoerd, nadat die van de crypte grotendeels waren gesloopt en opnieuw gebouwd.

 

Het zijn stuk voor stuk vrij ruime kapellen geworden, die contrasteren met het oudere koor door hun sterk geprofileerde steunen met hoog lijstkapiteel of een typisch koolbladkapiteel, alles in Ledische steen. Door hun bredere aanleg, hun hoog oprijzende kruisribgewelven, hun opengewerkte tussenmuren en het daglicht dat er overvloedig invalt, stralen de transkapellen een totaal andere sfeer uit dan de oudere kapellen naast de zijbeuken van het koor.

 

De sluitstenen van de gewelven in de kooromgang en in de kapellen zijn alle fijn uitgewerkt met een masker, een symbool of een figuur. Die gewelven werden niet overal op hetzelfde tijdstip aangebracht. Daarvan getuigt het verschil in steensoort van de ribben van sommige kapellen.

 

Anderhalve eeuw heeft de bouw en de afwerking van het gotische koor geduurd. De evolutie van vroeg-gotiek (Scheldegotiek) naar hoog-gotiek (Brabantse gotiek) is in het bouwmateriaal en in de vormentaal te volgen.

 

Toch biedt het totaalbeeld van het koorinterieur een aangename aanblik van op elkaar afgestemde constructies en ruimten.

 

Na de wandeling doorheen de benedenkerk en in de koorruimte komt men in de noordelijke transeptarm aan de ingang van de crypte.

 

 

De crypte

 

De crypte van de Sint-Baafskathedraal is de grootste en vanuit archeologisch oogpunt bekeken ook de merkwaardigste van Vlaanderen.

 

Het naar de Reep toe afhellende bouwterrein was een bijzonder gunstige factor die bij de bouw van de Romaanse kerk in de 12e eeuw niet onbenut werd gelaten.

 

Aanvankelijk realiseerde men een ruime crypte van vier beuken waarvan heden nog de twee middelste bestaan.

 

Zij vormen de kern van de veel ruimere gotische crypte die op het einde van de 13e eeuw werd aangezet.

 

Heel de crypte was van meet af aan overwelfd. Bij de twee nog bestaande beuken werden halfronde tongewelven aangebracht die per travee haaks worden doorsneden door even hoge spitse tongewelven. In het midden steunen ze op korte, achtkantige zuilen. Het zijn monolieten uit Doornikse kalksteen met een vierkante sokkel voorzien van hoekklauwen en een vierkant kapiteel met vlakke bladeren waarvan de omgekrulde toppen niet buiten het blok uitsteken.

 

De steunen naar de uiterste beuken toe zijn totaal anders.

 

Zware, rechthoekige pijlers alterneren met veel lichtere steunen die zijn samengesteld uit drie fijne zuiltjes.

 

Het betreft opnieuw achtkantige monolieten. Ze staan op een gezamenlijke voet waarin de sokkeltjes zijn uitgekapt. De kapiteeltjes zijn dan weer uit een doorlopende steen onder de dekplaat gehouwen. Van die oudste steunen uit de 12e eeuw bestaan er nog slechts twee. De andere werden omstreeks 1235 ietwat gewijzigd: de Romaanse zuiltjes werden vervangen door langere en ronde zuiltjes met een hogere sokkel en kapitelen met uit het blok buigende krullen. Ter versteviging werd bij iedere groep de ruimte tussen de zuiltjes opgevuld met baksteen. Dit was nodig gebleken omdat in het gebouw spanningen waren ontstaan.

 

Tegen het einde van de 13e eeuw ontstond het plan om een nieuwe, gotische kerk te bouwen met een ruimere crypte.

 

Deze kerk moest driebeukig worden en vijf traveeën diep zijn. De smallere zijbeuken zouden met elkaar worden verbonden door een halfcirkelvormige omgang waarbij vijf kapellen aansloten. Ook aan elke zijbeuk moesten vijf kapellen worden toegevoegd. Van de Romaanse crypte werden de uiterste zijbeuken weggebroken om plaats te maken voor de nieuwe constructie. De middelste twee beuken bleven nog staan omdat ook de middenbeuk van het erboven staande Romaanse koor voorlopig in gebruik bleef.

 

Later zou dan dat laatste deel van de Romaanse crypte moeten verdwijnen, wat evenwel nooit gebeurde.

 

Veertien stevige vierkante pijlers werden gebouwd, met afgeschuinde hoeken en met in het midden van elke zijde een pilaster om de gordelbogen tussen de gewelven op te vangen. De gebogen aanzetten van die bogen en van de gewelven werden meteen uitgevoerd. Een tijdje later zijn de gewelven verder afgewerkt met kleine, ruw bewerkte stukken natuursteen of baksteen.

 

Op talrijke plaatsen zijn in de bogen en in de gewelven bouwsporen te zien. Zij duiden alle op het voorlopig opschorten van de werkzaamheden in afwachting dat het gebouw zich in een verdere bouwfase bevond.

 

Ook in de transkapellen zijn talrijke bouwsporen te merken evenals verschillende soorten steen: Doornikse kalksteen en Ledische zandsteen. Dit is dan weer te verklaren door het feit dat de oorspronkelijk geplande en deels ook reeds uitgevoerde kapellen op een bepaald ogenblik werden afgebroken en vervangen door de huidige die dieper zijn en hogere gewelven hebben. Zij vormen het sluitstuk van de aanleg van de crypte op het einde van de 14e of het begin van de 15e eeuw.

 

Anthony Demey

 


De kathedraal vandaag

 

 

De liturgische functie

 

Hoewel jaarlijks ruim 1 miljoen mensen de kathedraal betreden, hetzij voor de architectuur en het rijke kunstpatrimonium, hetzij voor hét middeleeuws kunstwerk bij uitstek, Het Lam Gods, blijft zij in essentie een liturgisch gebouw waarvan de initiële functie, parochiekerk en later ook kapittelkerk en kathedraal, tot op vandaag primeert.

 

De parochiale periode van de voormalige Sint-Janskerk vangt vermoedelijk aan in 939 wanneer volgens de overlevering Transmar, bisschop van Doornik en Noyon, hier een gebedshuis zou hebben gewijd met als patroonheilige Sint-Jan de Doper. Terwijl de eerste christenen in privé-huizen samenkwamen om er hun geloof te belijden en het brood te breken, was er sedert de opkomst van de gemeenten een behoefte aan grotere ruimten ontstaan. Daarnaast verliep ook de eredienst steeds meer volgens een vast patroon en diende daarvoor een specifieke ruimte te worden voorzien. Van de cultusobjecten of de kunstwerken die tot de uitrusting behoorden van het oudste als parochiekerk opgerichte gebouw, is niets bewaard gebleven. Toch is geweten dat Sint-Jan de Doper vooral een parochie was van machtige patriciërs die in de omgeving hun stenen hadden opgericht. Traditioneel worden vooral Gerard Vilain, “de duivel”, Lausus en Margaretha als de oudst bekende parochianen vermeld. Zij worden ook genoemd in verband met een bouwcampagne waarbij ze als mecenas zijn opgetreden. Ook na de intrede van het kapittel in 1540 en de vestiging van het bisdom in 1559-1561 blijft het gebouw als parochiekerk fungeren.

 

Uitwendige getuigen daarvan zijn nu nog de parochiale bijdragen tot het kunstpatrimonium, hoewel het belang ervan meestal in de schaduw staat van de schenkingen van kanunniken en bisschoppen.

 

Ook vandaag heeft de kathedraal nog een parochiale functie. Ten behoeve van 3.000 parochianen worden in de kathedraal alle liturgische handelingen verricht, eigen aan het rooms-katholieke geloof. Zo worden in de askapel nog dagelijks drie missen gecelebreerd.

 

De functie van kapittelkerk bleef eveneens tot op heden bewaard. Kort nadat de monnikengemeenschap van de Sint-Baafsabdij was omgevormd tot een kapittel van kanunniken, zag deze zich door omstandigheden genoodzaakt in 1540 bezit te nemen van de nabijgelegen Sint-Janskerk: de collegiale periode van de kerk nam een aanvang. Na de vestiging van het bisdom blijft het (kathedrale) kapittel een belangrijke rol spelen. Hiervan getuigen nog de geïsoleerde schenkingen van kanunniken en de talrijke epitafen die in de loop der tijden het kunstpatrimonium van de kathedraal hebben verrijkt.

 

Het kathedrale kapittel van het bisdom Gent telt vandaag 21 titulaire kanunniken die samen in de kathedraal dagelijks het gewone officie of breviergebed houden, gevolgd door de koormis. Van maandag tot zaterdag gebeurt dit in het koor, op zondagen aan het altaar facie ad populum.

 

Sinds eeuwen echter vervult het gebouw, als hoofdkerk van het bisdom Gent, een kathedrale functie en worden er alle bisschoppelijke plechtigheden verricht. Het bisdom Gent werd opgericht op 12 mei 1559 door de bulle Super Universas van paus Paulus V. Het grondgebied was toen nog niet zo uitgestrekt als het huidige bisdom Gent, dat sedert 24 mei 1834 de provincie Oost-Vlaanderen bestrijkt. In het rooms-katholieke kerkelijk wetboek worden de bisschoppen gedefinieerd als de opvolgers van de apostelen, die bij goddelijk recht aan het hoofd staan van een bisdom dat zij in eigen naam besturen onder het oppergezag van de paus (can. 329 § 1). Door de bisschopswijding krijgt de betrokkene de volledige priesterlijke wijdingsmacht, terwijl hij door zijn aanstelling tot hoofd van een plaatselijke kerk (bisdom) ook de herderlijke macht verkrijgt, die hij in ondergeschiktheid aan de paus, maar krachtens goddelijk recht, uitoefent (can. 108 § 3). Bijgevolg vervult de bisschop bepaalde priesterlijke functies die alleen aan hem of zijn gevolmachtigde toekomen en waarvan sommige in de kathedraal plaatsgrijpen, zoals priester- en diakenwijdingen (eerste zaterdag van juli) en de wijding van het chrisma (witte donderdag).

 

Tot de bijzondere verplichtingen van de bisschop behoort onder meer de plicht om op bepaalde dagen voor te gaan in de eucharistie in de kathedrale kerk (hoogdagen).

 

Een bisschopswijding is een van de hoogtepunten van de riten beschreven in het Pontificale Romanum, het boek waarin de liturgische diensten worden beschreven die aan de bisschoppen zijn voorbehouden of gewoonlijk slechts door hen worden verricht. De meest recente bisschopswijding in de Sint-Baafskathedraal greep plaats op 21 oktober 1990 toen Monseigneur Arthur Luysterman de wijding ontving uit de handen van Monseigneur Leonce Albert van Peteghem, de huidige bisschop van Gent, aan wie hij tot het einde van diens ambtsperiode als coadjutor werd toegevoegd. Tijdens deze plechtigheid ontving de wijdeling de tekens van de bisschoppelijke waardigheid, zijnde de staf (symbool van het herderschap over de kudde), de ring (het teken van trouw aan de hem toevertrouwde gemeente Gods) en de mijter, als teken van waardigheid door de paus aan de nieuwe bisschop geschonken.

 

Evenals alle erkende parochiekerken wordt ook de kathedraal beheerd door een kerkfabriek. Het statuut van de kerkfabrieken werd omschreven in het decreet van 30 december 1809, en betreft uitsluitend “het tijdelijke” van de eredienst, m.a.w. alles wat materieel is vereist voor de liturgie en het behartigen van de godsdienstige belangen van de bevolking. Hierbij zijn bijgevolg ook de gebouwen bestemd voor de eredienst begrepen. Zoals een parochiale kerkfabriek wordt ook de kathedrale kerkfabriek gevormd door twee colleges: de kerkraad en het bureel der kerkmeesters. De leden van de kathedrale kerkfabriek zijn nochtans kanunniken, benoemd door de bisschop, terwijl de leden van een parochiale kerkfabriek worden gekozen onder de katholieke vooraanstaande bewoners van de parochie.

 

 

De cultureel-maatschappelijke functie

 

De uitwendige vormgeving van de kathedraal werd in de loop van de geschiedenis bepaald door de geestelijke inhoud die zij vertegenwoordigde. Zowel de architectuur als de uitrusting van het gebouw zijn steeds meegegroeid met de liturgische noodwendigheden, het leven van de parochie, het kapittel en het bisdom. Geestelijken en parochianen, kunstenaars en eenvoudige ambachtslieden hebben elk hun eigen stempel gedrukt op de fraaie en harmonische vormgeving, die van de kathedraal een cultuurhistorisch monument van grote betekenis heeft gemaakt.

 

De kathedraal is bijgevolg, zoals elk historisch monument, een getuigenis van onze beschavingsgeschiedenis en in die zin een essentieel onderdeel van ons collectief geheugen.

 

Ontstaan door de handen van de gemeenschap — en als godsdienstig gebouw ook vóór die gemeenschap — heeft zij bovendien een sociale dimensie die de betekenis ervan in de maatschappij van vandaag onderstreept.

 

De vernieuwing in de liturgie na Vaticanum II ontnam aan heel wat cultusobjecten hun liturgische functie.

 

Vele kunstwerken verloren daardoor hun primaire bestaansreden, doch niet hun cultuurhistorische betekenis of geestelijke inhoud. In de kathedraal zijn heel wat voorwerpen te bewonderen, die nog nauwelijks een rol vervullen in de godsdienstige rites van vandaag.

 

Deze voorwerpen die, op enkele uitzonderingen na, zijn ontstaan in functie en ten behoeve van de kathedraal, worden dus in hun natuurlijk verband bewaard of tentoongesteld, wat het begrip ervan alleen maar stimuleert. In die zin is de museale functie van de kathedraal niet zonder belang. Haar toeristische betekenis hangt hiermee nauw samen. Niet minder dan 1 miljoen mensen bezoeken jaarlijks de kathedraal. Het wereldberoemde veelluik, Het Lam Gods van Jan en Hubert van Eyck speelt hier uiteraard een grote rol.

 

Bovendien worden in de crypte regelmatig gelegenheidstentoonstellingen georganiseerd, die verband houden met het godsdienstige leven in het bisdom Gent. Zo vond in 1975 in het kader van “Duizend jaar kunst en cultuur” een kanttentoonstelling plaats die werd ingericht door de kathedraal en de Koninklijke Bond van Oostvlaamse Volkskundigen, met de medewerking van Gentse kloosters en parochiekerken. Een andere opmerkelijke tentoonstelling was “Het Latems Marialeven” in 1977 waar men met een schilderijencyclus van Albert Servaes de religieuze kunst in haar moderne vormen aan het publiek trachtte voor te stellen. In 1989 richtte het Verbond van de Kringen voor Heemkunde in Oost-Vlaanderen een tentoonstelling in rond populaire heiligen in het bisdom Gent.

 

De akoestiek van de kathedraal is bovendien buitengewoon geschikt voor het houden van muzikale evenementen.

 

De kathedraal beschikt over een monumentaal orgel uit de 17e eeuw, gebouwd door Pierre Destré en Louis Bis en later getransformeerd door Lambertus van Peteghem, en over een modern orgel van Johannes Klais dat zich uitstekend leent tot de interpretatie van de meest verschillende stijlen uit de orgelliteratuur. In juli en augustus worden elke donderdagavond in samenwerking met bekende organisten orgelconcerten gehouden. Het Festival van Vlaanderen kiest jaarlijks de kathedraal als locatie voor belangrijke concerten.

 

In 1928 werd het huidige kathedraalkoor de Schola Cantorum opgericht. Uit de stadsrekeningen is gebleken dat de oude Sint-Janskerk reeds over zangertjes beschikte, wat de huidige Schola Cantorum in een traditie plaatst van bijna 10 eeuwen. Het koor vervult niet alleen zijn liturgische taak, naargelang de omstandigheden met Gregoriaanse gezangen, polyfone werken of eigentijdse meerstemmige motetten, maar geeft jaarlijks in de kathedraal ook een concert, terwijl tijdens de zomermaanden de hoogmis wordt opgeluisterd in samenwerking met een Belgisch of buitenlands gastkoor.

 

Het hoge muzikale peil dat de Schola Cantorum heeft bereikt en de kwaliteit van zijn liturgische gezangen mogen blijken uit de talrijke muzikale uitvoeringen buiten de kathedraal en de buitenlandse concertreizen, waar de Schola steeds een uitbundig en verdiend succes behaalt.

 

Andrea de Kegel

 


Auteursidentificatie:

Geert van Doorne studeerde Romaanse Filologie en Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde aan de Gentse Rijksuniversiteit. Hij is als conservator verbonden aan de Dienst Monumentenzorg en Stadsarcheologie van Gent. Geert van Doorne zorgde voor de coördinatie van deze editie.

Marie Christine Laleman studeerde Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde aan de Gentse Rijksuniversiteit. Zij is verbonden aan de Dienst Monumentenzorg en Stadsarcheologie van Gent als verantwoordelijke voor de afdeling Stadsarcheologie.

Patrick Devos is doctor in de Archeologie en de Kunstgeschiedenis (K.U.L.). Hij genoot tevens een opleiding in de monumentenzorg aan de ICCROM (Rome). Patrick Devos is thans cultureel attaché bij de provinciale Dienst voor het Kunstpatrimonium van Oost-Vlaanderen.

Anthony Demey is licentiaat Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde en bestuurssecretaris bij de provinciale Dienst voor het Kunstpatrimonium van Oost-Vlaanderen. Hij is tevens deeltijds docent aan de afdeling Restauratie en Conservatie van het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten in Antwerpen.

Andrea de Kegel is licentiaat Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde en als cultureel attaché verbonden aan het Provinciebestuur van Oost-Vlaanderen. Sedert 1988 leidt zij de Dienst voor het Kunstpatrimonium.


Bibliografie

  • G. Bekaert, Landschap van kerken: 10 eeuwen bouwen in Vlaanderen, 1984.
  • Capiteyn, e.a. Gentse torens achter rook van schoorstenen. Gent in de periode 1860-1895, Gent, 1983.
  • J. Decavele, e.a. Gent, apologie van een rebelse stad, Antwerpen, 1989.
  • F. De Smidt, De kathedraal te Gent. Archeologische studie, Brussel, 1962.
  • F. De Smidt, Crypte en koor van de voormalige Sint-Janskerk te Gent, Gent, 1959.
  • F. De Smidt & E. Dhanens, De Sint-Baafskathedraal te Gent, Tielt-Amsterdam, 1980.
  • E. Dhanens, 'De artistieke uitrusting van de Sint-Janskerk', in: Academiae Analecta, Brussel, 1983, jg. 44 nr. 1, p. 1 -147.
  • E. Dhanens, Sint-Baafskathedraal Gent, Gent, 1 965
  • E. Dhanens, 'De Sint-Baafskathedraal te Gent: een eeuw restauratie', in: Vlaanderen, Tielt, 1966, nr. 88, p. 13-19.
  • F. Duverger, 'St.-Baafskathedraal te Gent', in: Openbaar Kunstbezit, Deurne, 1974, jg. 12 nr. 1, p. 3-46.
  • A.C.F. Koch, 'Gent in de 9de en 10de eeuw. Enkele benaderingen' , in Stadsarcheologie, Gent, 1990, jg. 14 nr. 3, p. 3-43.
  • N. Poulain, e.a., Gent & architectuur. Trots, schande en herwaardering in een overzicht, Brugge, 1985.
  • Verhulst & G. Declercq, 'Proeve van historische interpretatie van de vroeg-middeleeuwse halfcirkelvormige gracht te Gent', in: Stadsarcheologie, Gent, 1990, jg. 14 nr. 4, p. 68-74.