U bent hier

In de schaduw van Rubens - Erasmus Quellinus II in Kassel

In de schaduw van Rubens Erasmus Quellinus II in Kassel
Erasmus Quellinus II en Adriaan van Utrecht, Christus in het huis van Martha en Maria, ca. 1640-45, olieverf op doek, 172 x 243 cm, Musée des Beaux-Arts, Valenciennes. © RMN-Grand Palais / René-Gabriel Ojéda
 
Het Musée de Flandre in Kassel richt de schijnwerpers op Erasmus Quellinus II. Hij was een Antwerpse schilder, tekenaar, graveur en tapijtontwerper die een lange en succesvolle carrière uitbouwde. 

 

 

RUBENS EN DE ANDEREN

 

Soms lijkt het wel alsof de kunst uit de Zuidelijke Nederlanden in de eerste helft van de zeventiende eeuw enkel door Peter Paul Rubens (1577-1640), Anthony van Dyck (1599-1641) en Jacob Jordaens (1593-1678) beheerst wordt. Daarbij komt nog dat Rubens en Van Dyck als ongecontesteerde genieën worden opgevoerd, en men toch al eens schamper doet over de voortreffelijke Jordaens. Opmerkelijk: één ongenaakbaar gewaand duo dat een hele stijlperiode belichaamt?

 

De satellieten rond Rubens en Van Dyck, en dat zijn er niet weinig, krijgen gemakshalve het etiket ‘kleine meesters’. Velen overstijgen het adjectief klein. Het is waar dat sommigen stilistisch nooit echt uit Rubens’ invloedssfeer zijn weggeraakt. Een niet te onderschatten aantal is opgeleid door Rubens, vervolmaakten hun kunst in het Rubensatelier of waren er zijdelings met verbonden. Het assimileren van de huisstijl was een vereiste: een Rubens moest er nu eenmaal uitzien als een Rubens. Figuren of stukken inkarnaat dienden zich te vermengen met het geheel. Het handschrift van stillevenspecialisten als Jan Brueghel I (1568-1625) en Frans Snijders (1579- 1657) mocht wel herkenbaar zijn. Rubens koos hen net omwille van hun competentie en bijhorende stijl. De connaisseurs van die tijd genoten van de toegevoegde waarde van nicheschilders. Iemand als Jan Wildens (1584-1653) vervaardigde lange tijd landschappen voor Rubens, en Paul de Vos (1595-1678) was een vaak gevraagde dierenschilder.

 

Wat Erasmus Quellinus II (1607-1678) precies voor Rubens betekende is voer voor speculatie. Hij is slechts één keer, in een bron uit 1634, vermeld als discipel. Pas vanaf 1637 wordt zijn inbreng echt duidelijk. Rubens stelt Quellinus vanaf dat jaar aan als ontwerper van geëtste titelbladen van boeken voor Balthasar Moretus I (1574-1641), steruitgever bij Plantin. Naar verluidt werkt hij in diezelfde periode mee aan de Blijde Intrede van kardinaal-infant Ferdinand van Oostenrijk. Ook bij een ander prestigieus project waarbij Rubens het voortouw nam, de decoratie van het jachtpaviljoen Torre de la Parada van Filips IV nabij Madrid, was Quelli - nus betrokken. Tegen 1637 waren de meer dan honderd schilderijen klaar. Quellinus verkeerde in het gezelschap van knappe collega’s als Jordaens, Snijders, Theodoor van Thulden (1606-1669), Jan Boeckhorst (1604-1668), Thomas Willeboirts Bosschaert (1614-1654) en Cornelis de Vos (1584-1651).

 

Eersterangs, tweederangs, we blijven vasthouden aan een relatieve, niet-wetenschappelijke hiërarchie met kwalijke gevolgen. We hebben een zwak voor winnaars. Mochten ze niet bestaan, dan vinden we ze desnoods uit of dikken hun palmares gewoon wat aan. Niet dat Rubens’ faam ongegrond is, maar zijn kunstbroeders verdienen beter. Weg met de piëdestal en het contextuele isolement. Trouwens: in vergelijking met Michelangelo is ook Rubens een kleinere meester. 

 

 

EEN LANG LEVEN IN DE KUNST

 

Erasmus Quellinus is op 19 november 1607 in Antwerpen geboren. Hij is een telg van een heus kunstenaarsgeslacht – zeg maar gerust een dynastie. Zijn vader, wiens voornaam hij erfde, was Erasmus Quellinus I (ca. 1580-1640), een ietwat strenge beeldhouwer uit Luik die zich in Antwerpen had gevestigd. Twee van zijn broers waren op hun beurt kunstenaar: de befaamde beeldhouwer Artus Quellinus I (1609-1668) en de graveur Hubertus Quellinus (1619-1687). Erasmus’ zoon Jan Erasmus Quellinus (1634-1715) zou onder auspiciën van zijn vader ook schilder worden. 

 

In 1633 gaat Quellinus in de leer bij de obscure Jan-Baptist Verhaeghe. Niet lang daarna wordt hij vrijmeester in het Antwerpe Sint-Lucasgilde en omstreeks die tijd begint zijn cruciale professionele band met Rubens. In 1634 trouwt hij een eerste keer, met Catharina van Hemelaar. Uit dit huwelijk wordt Jan Erasmus geboren. Later, op 9 november 1663, huwt de kunstenaar met Françoise de Fren. Zij is de zus van Isabella de Fren, die getrouwd is met de schilder en oprichter van de Antwerpse Academie David Teniers II (1610-1690). 

 

Quellinus’ eerste grote belangrijke werk, dat hij bovendien signeerde, is de Verrijzenis uit circa 1635-40. De triptiek was boven het graf van de familie Van der Aa in de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekathedraal opgesteld. Het stuk werd ontmanteld tijdens het Franse bewind en is nu verspreid over de musea voor schone kunsten in Nantes (zijluiken) en Rijsel (middenpaneel). Karakter en stijl van het centrale paneel zijn Rubensiaans van snit: stoere bewakers met ferme torso’s, barok drama in een compacte compositie. De liggende figuur vooraan is een knipoog naar de Schepping van Adam van Michelangelo (Sixtijnse kapel, Rome). Het compositieschema van de stichtersportretten is archaïsch en grijpt terug op modellen uit het verleden. De gesloten zijluiken herbergen keurig uitgewerkte grisailles. De invloed van de beeldhouwers in de familie laat zich gelden. 

 

Rond diezelfde tijd volgt zijn eerder vermelde passage bij Rubens. Daarna keert zijn broer Artus in 1640 terug uit Rome. De classicistische barok van Annibale Carracci (1560-1609), die Artus via de beeldhouwer François du Quesnoy (1597-1643) leerde kennen, zal ook Erasmus niet meer loslaten. Na de dood van Rubens in datzelfde jaar wordt Quellinus, samen met Jordaens, de toonaangevende kunstenaar van Antwerpen. De weg naar het classicisme ligt op dat moment helemaal open.

 

Prestigieuze opdrachten blijven tijdens dit laatste lange deel van zijn loopbaan binnenkomen. In 1648 neemt hij zowel de leiding over de decoraties voor de intrede van aartshertog Leopold Wilhelm in Antwerpen, als over de afkondiging van de Vrede van Westfalen. Quellinus is rond 1656 aanwezig in Amsterdam waar hij zijn broer Artus vervoegt. Die laatste heeft de leiding over de decoratie van Jacob van Campens nieuwe stadhuis op de Dam (Koninklijk Paleis). Het wordt een kunststuk. Op 7 november 1678 sterft Quellinus in Antwerpen als een van de succesvolste kunstenaars van zijn tijd.

 

 

PICTOR DOCTUS

 

De historische, vaak antieke en mythologische verhaalstof van Quellinus’ werken liegt er niet om, de man was het typevoorbeeld van de pictor doctus of geleerde schilder. Hij schreef, helemaal in de geest van het humanisme, een filosofisch traktaat en behaalde de graad van Magister Philosophiae. Zijn bibliotheek puilde uit met antieke auteurs en hij bezat een fameuze kunstverzameling. 

 

Quellinus is de schilder van het evenwicht en de goede smaak. Zijn stijl is verfijnd en elegant en bulkt van het raffinement. Zijn vrouwen zijn lieftallige wezens. In dat opzicht is hij fijnzinniger dan Rubens. In zijn Artemisia (1652) roept het schuin gehouden hoofd van de bleke hoofdfiguur, die op het punt staat de as van haar overleden echtgenoot Mausolos tot zich te nemen, reminiscenties op aan de gracieuze trekken van de Madonna van de Pietà (Sint-Pietersbasiliek, Rome) van Michelangelo (1475-1564). De twee vrouwen rechts van Artemisia hebben diezelfde zachte contouren. 

 

De gewijde stilte en het gegeven dat alle figuren, als in een fries, horizontaal zijn opgesteld, verleent het schilderij een sculpturale kwaliteit. Het zou gerust een marmeren bas-reliëf van zijn broer Artus kunnen zijn. Ook in een werk als Achilles en de dochters van Lycomedes (2 versies: Collectie Prins van Liechtenstein, Vaduz en Groeningemuseum, Brugge) uit de jaren 1640 is dit het geval. En net als in Artemisia is er een architecturale achtergrond, als een theaterscène voor het historisch verhaal. De architectuur is antiquiserend met barok Rubensiaans kleedje. 

 

Quellinus werkte, net als Rubens, heel vaak samen met specialisten. Als meesterlijk grisailleschilder was het opportuun om plannen te smeden met bloemenschilders als Daniël Seghers (1590-1661), Jan Philip van Thielen (1618-1667), Joris van Son (1623-1667) en Jan van Kessel I (1626-1679). Zie in dat verband het perfect bijeenpassen van de vakmannen Seghers en Quellinus in Het mystieke huwelijk van de Heilige Katharina. Seghers’ fijne techniek en bijna driedimensionaal weergegeven bloemen zijn een lust voor het oog. Sinaasappel- en meidoornbloesems te midden van een bonte bloemenpracht; en vlinders zoals de Atalanta en de Gehakkelde aurelia om het naturalisme nog te verhogen. Dit alles als schrijn rond de beheerste grijstinten van Quellinus.

 

Samenwerkingen met dierenschilders zoals Joannes Fijt (1611-1661) en Peeter Boel (1622-1674) waren eveneens succesvol. Kijk maar naar de parmante jongeling met roofvogel in Portret van een jongen (circa 1650). Achter de piepjonge valkenier sluimert een pastoraal landschap terwijl het wolkendek donker en dreigend opdoemt. Men wil Quellinus al eens wijzen op een bijwijlen pedant en steriel classicisme, maar daarvan is hier niets te merken. Zijn beheerste fijnzinnigheid moet een kwestie van persoonlijkheid, smaak en commercieel succes geweest zijn;

 

 

Matthias Depoorter

 


Info

 

Tentoonstelling

 

Erasmus Quellinus II In de voetsporen van Rubens

Van 5 april t.e.m. 7 september 2014

Open: van dinsdag t.e.m. vrijdag van 10.00 tot 12.30 uur en van 14.00 tot 18.00 uur, zaterdag en zondag van 10.00 tot 18.00 uur

Gesloten: maandag

 

Musée de Flandre

Grand Place 26

59670 Kassel

Tel. 00 33 (0)3 59 73 45 60

www.museedeflandre.lenord.fr

 

 

Archief

 

Erasmus Quellinus en Jan Fijt, Kinderportret: OKV 1965/20

Daniël Seghers, Guirlande met de H. Theresia van Avila: OKV 1968/14

www.tento.be