U bent hier

De mens en de keramiek

De mens en de keramiek
Levensboom, loodglazuur aardewerk. Torhout 18e eeuw. H. 22 cm, 0 15 cm.
 
Wanneer men over één of andere kunstuiting gaat praten of schrijven, dan heeft men al heel gauw - té gauw - de neiging het over stijl en stijlontwikkeling en zo te hebben. Men gaat etiketten plakken, men gaat indelen in vakjes, opbergen in kastjes en wegwijzertjes plaatsen van het éne kastje naar het andere. Maar in werkelijkheid bestaan die kastjes niet, er zijn alleen maar heel vloeiende overgangen; en in werkelijkheid bestaan ook die pijltjes niet in de betekenis van: lijnen langs dewelke de stijlontwikkeling zich zou hebben voltrokken.
 
 
Natuurlijk bestaat de stijlontwikkeling zelf wél, maar ze is nooit zo wetmatig en zo logisch-rechtlijnig verlopen als wij ze 'ter verduidelijking' graag vereenvoudigen. Maar - en dat wilden we eigenlijk zeggen - waar het eigenlijk om gaat, daar heeft dat allemaal weinig mee te maken. De vragen 'waarom maakt de mens dat ding dat we dan achteraf een kunstvoorwerp noemen?', 'waartoe heeft hij dat nodig?'... worden daar niet door beantwoord.
 
 
We wilden daarom ook, vooral nu we in deze O.K.V.-aflevering over gebruikskeramiek praten, wat minder gaan kijken naar zeg maar de vorm hoe en het waarom van die pot. En dan komt men eigenlijk bij heel simpele dingen terecht, bij blijkbaar heel vanzelfsprekende dingen. Maar men moet wel even stil willen zitten luisteren naar de stem van zo'n pot zelf. Men moet er wel wat schoolse wijsheid voor opzij schuiven en kijken met nieuwe verwondering en klare ogen.
 
 
Eigenlijk moeten we een beetje worden wat de 'eenzame reizigers' van Charles Baudelaire waren, want Baudelaire schreef het in 1855 wel een tikje gezwollen-romantisch neer, maar doorheen zijn beeldspraak komen we toch precies terecht bij het soort rechtstreeks en onbevangen 'ervaren' waar we het proberen over te hebben:
 
 
'Best geplaatst (voor dat soort onmiddellijk en onbevangen ervaren) zijn de eenzame reizigers die jarenlang diep in de wouden hebben geleefd, te midden duizelingwekkende weiden, zonder ander gezel dan hun geweer, beschouwend, ontledend, schrijvend. Geen schoolse sluier, geen universitaire paradox, geen pedagogische utopie staat tussen hen en de complexe waarheid in. Zij weten wat bewondering verdient, wat onsterfelijk is; zij kennen de onvermijdelijke relatie tussen vorm en functie.'
 
 
Eén der eerste gebaren die, in duistere oertijden, de mens als mens heeft gemaakt was: zijn handen tot een kom vouwen, daarmee water scheppen uit een beek of uit een bron en uit dat kommetje drinken. Het dier dronk rechtstreeks, met zijn muil in het water; de mens gebruikte zijn handen als tussenschakel, als werktuig. Maar het was een hulpmiddel dat niet volstond. De mens kon het wel ter plaatse gebruiken, daar waar water voorhanden was, maar hij kon dat water niet bewaren, het niet meenemen. En dat meenemen was wel belangrijk voor hem; hij was een gedwongen nomade. Hij leefde van de vruchten die hij vond, van de dieren die hij met een steen of met een stok kon doden. Hij moest voortdurend zijn voedsel achterna, want de schaarse vruchtbomen waren gauw leeggeplukt en de dieren ontvluchtten hem. Hij moest dus zijn voedsel maar achterna, ook naar plaatsen waar water niet steeds zo maar aanwezig was. Daar moest hij wel water mee naartoe kunnen nemen, dat was voor hem een kwestie van leven of dood. In streken waar de natuur hem die aanbood zal de mens daarvoor wel gauw kalebassen gebruikt hebben: de harde gedroogde schaal van vruchten die hij eerst had leeggegeten en die daarna ideale waterkruiken waren. Maar niet overal was de natuur zo mild, eigenlijk bijna nergens. Dus moest de mens er zelf wel wat op verzinnen en iets gaan maken dat die kom van zijn samengevouwen handen kon vervangen.
 
 
En overal ter wereld waar de mens méns werd, - en hij werd inderdaad zowat overal mens: 'Le premier homme, c'était une foule', drukte Teilhard de Chardin dit verschijnsel uit, 'de eerste mens was een hele massa'; overal ter wereld bereikte hij op een bepaald ogenblik dat punt in zijn evolutie dat hij de sprong maakte, de mutatiesprong van dier naar dénkend dier toe, - en overal waar hij mens werd, heeft hij er ongeveer hetzelfde op verzonnen. Hij heeft aarden potten gemaakt. Och, hij moest nog veel meer verzinnen, want de mens was eigenlijk maar een slecht bedeeld dier: hij was slecht beveiligd tegen guur klimaat, hij was trager dan zijn prooi, enzovoorts, maar hij had één grote troef, hij had een geest gekregen, een verstand dat hem toeliet middelen te bedenken om die tekortkomingen van zijn lichaam op te vangen. Hij had geen pels meer, maar hij leende dan wel de pels van door hem gejaagde dieren, of hij maakte zich kleren van boombast of van wat dan ook. Dieren die hem te snel af waren leerde hij toch treffen met stenen en weldra met stokken waaraan hij vooraan zo'n steen bevestigde, dat wierp verder en zekerder...
 
 
Maar goed, wat ons hier nu bezighoudt is dat wat die eerste mens ging verzinnen als verbeterd vervangingsmiddel door zijn samengestulpte handpalmen en dat werd dus overal de aarden kom, de aarden pot.
 
 
Hoe heeft de mens ontdekt dat hij met wat weke modder zo'n pot kon maken? Dat is iets wat de archeologie met zelfs de meest verfijnde methodes wel nooit zal achterhalen. Maar we kunnen het ons wel proberen in te beelden, al is het moeilijk 'achteruit' te denken. Her en der proberen momenteel kleine groepjes mensen, onder wie meestal wel een paar archeologen, door te gaan leven zoals wellicht de prehistorische mens heeft geleefd, opnieuw een oplossing te vinden voor de problemen waar ook die prehistorische mens een oplossing moest voor vinden, om zo een beter inzicht te krijgen in één en ander. Maar ook deze mensen kunnen het niet helpen dat ze eigenlijk reeds wéten hoe die problemen opgelost werden... Maar goed, we hebben desondanks onze verbeelding en we kunnen ons bijvoorbeeld wel indenken hoe zo'n prehistorische jager op een bepaald ogenblik merkt dat het spoor van het dier dat hij volgt diep in de modder werd gedrukt, met duidelijk opgestulpte randen en dat die randen, nu de zon doorbreekt en de modder gaat drogen, stijver worden en verharden. Zo'n opdrogend spoor kan onze jager wel eens aan het denken gezet hebben, want eigenlijk stond daar vóór hem, half verzonken in de grond weliswaar, wat hij zocht: een kom. Hij kan ze met zijn vinger wat gladder gestreken hebben van binnen, tot het een volmaakte kom werd. En later kan hij wel geprobeerd hebben helemaal zélf zo'n kom te maken, maar los uit de aarde nu. De buitenkant vormde hij in zijn eigen handen, naar het model en op het formaat van zijn handen. Uit zijn handen groeide een soort repliek van zijn handen en die repliek zette hij dan ook te drogen en enkele dagen later had hij wat hij zocht: een aarden kommetje. Het was nog erg primitief en het was ook niet heel bruikbaar. Hij kon er eigenlijk geen water in bewaren, dan werd het opnieuw een vormeloze modder. Maar hij kon er wel bessen in leggen. Hij kon dus een heel stuk gemakkelijker verzamelen en dat had ook zijn voordelen: terwijl de man op jacht ging kon de vrouw vruchten gaan plukken en 's avonds konden ze dan de opbrengst van een hele dag samen eten. Dat was een hele stap voorwaarts in het bestaan van deze mensen. En ze konden ook vruchten bewaren voor morgen, en noten zelfs voor later nog. Het was een hele stap, maar nog bij lange de héle stap niet. Goed, wij weten het nu wel: het volstond zo'n gedroogde pot bovendien ook nog te bakken en de zaak was in orde. Maar onze prehistorische jager was daar nog niet aan toe, hij had nog maar nauwelijks het vuur leren kennen en een beetje beheersen. Hij kon het nog maar amper verwekken en het dan gebruiken voor zijn eigen verwarming 's nachts en om roofdieren af te schrikken en misschien om vlees te roosteren en het zo wat eetbaarder te maken en wat langer bewaarbaar. Maar wat hij stookte waren povere houtvuurtjes in het open veld...
 
 
Is één van zijn potten op een nacht 'per ongeluk' eens in zo'n houtvuurtje gesukkeld en heeft hij 's anderendaags in de afkoelende asse een veel beter bruikbare pot gevonden ? Ook dat zal de archeologie zelfs met de meest verfijnde methodes nooit te weten komen. Maar het kon wel eens zo gegaan zijn. Of misschien heeft de mens ontdekt dat de grond ónder zijn vuurtje versteende en heeft hij dan verbanden gelegd ? Hoe dan ook, de eerste potten die hij bakte zullen wel meestal mislukt zijn, kapot gesprongen. Want hij moest nog leren dat niet alle aarde zich tot pottenbakken leende. Hij moest nog ontdekken dat hij daartoe klei nodig had en dat de éne klei tenslotte de andere niet was en dat een beetje zand door de klei gemengd de kwaliteit van zijn baksel aanzienlijk kon verbeteren. Hij moest nog ontdekken dat een draaischijf hem toeliet regelmatiger en gladder potten te maken dan hij ze uit de hand kon vormen. Enzovoorts.
 
 
Het zal wel een lange en moeizame ontdekkingstocht geweest zijn. Maar de mens heeft dat uiteindelijk allemaal toch ontdekt. Hij heeft ontdekt dat hij met aarde, water en vuur een uitstekend bruikbaar vervangmiddel kon maken voor de eerste kom van samengevouwen handen. Maar dit zal ondertussen al wel vergeten geweest zijn, want dat was vele generaties geleden al. De evolutie ging erg traag en de mens gaf slechts brokje bij brokje dat wat hij zelf ontdekte aan zijn kinderen door en deze weer aan hun kinderen. Maar het eindpunt was een aarden pot naar het model van zijn eigen handen. Die eerste potten van de eerste mensen staan nu als precieuse relieken in de vitrines van onze musea, maar het zijn niet zo'n vreemde dingen. Het zijn helemaal geen dingen die wij vandaag maar nauwelijks begrijpen. Het zijn eigenlijk dingen die ons erg vertrouwd zijn, want ze verschillen nauwelijks van de kommen die wij nu nog dagelijks gebruiken.
 
 
Er is natuurlijk behoorlijk wat veranderd...
 
 
Wat eens vrij ruw aardewerk was met nogal dikke wanden is nu meestal fijn en dun porselein geworden. Er zit mooi glanzend en gekleurd glazuur op onze kommen, dat ze volledig waterdicht maakt bovendien. Er is het erop geschilderd of gedrukt decor, enzovoorts. Maar aan de essentie van de vorm doet dat allemaal niets af en die vorm is nog steeds wat hij duizenden jaren geleden was: de vorm van twee samengevouwen handpalmen.
 
 
De mens heeft natuurlijk met aardewerk wel méér gemaakt dan alleen maar kommen. Naargelang zijn manier van leven ontwikkelde, naargelang zijn manier van samenleven ontwikkelde (én ingewikkelder werd) kreeg hij ook andere behoeften. De jager-vruchtenplukker werd landbouwer en veeteler en dus ging hij oogsten krijgen die heel wat meer vruchten en granen opleverden dat hij als vruchtenplukker ooit bijeen had gekregen. Die moesten bewaard worden, want dat was zijn voorraad tot de volgende oogst. En dus had hij grotere potten nodig, dus had hij weldra enorme voorraadkruiken nodig. Met aarde, water en vuur kon hij die maken. En het waren ideale kruiken: de wanden waren net poreus genoeg om de bewaarde granen te laten ademen, zodat ze niet verduften. Ratten en muizen en andere knagers die deze granen ook wel lustten, konden er lekker niet bij ! En de mens leerde ook vlees bewaren in zout of in gesmolten vet, in potten en kruiken die speciaal voor dat doel gemaakt werden, met een vorm die daar precies voor geschikt was. En hij leerde de olie persen uit olijven of uit koolzaad en die olie ook weer in potten opslaan, maar dat moesten dan wel weer langs binnen geglazuurde potten zijn want anders ging er teveel olie verloren en bovendien werd ze ranzig.
 
 
De mens leerde ook verfijnder koken en dus ging hij behoefte krijgen aan borden, diepe en platte...
 
 
En dat alles kon de mens maken uit dat mysterieuze samenspel van aarde, water en vuur.
 
 
Maar niet alleen kon hij zich praktisch nogal uitleven in aardewerk: hij kon dat aardewerk bovendien versieren. Van bij de eerste primitieve potten die hij ooit maakte merkte hij dat al: zijn vingers drukten er spontaan tekens in. Hij kon er ook met een stokje in tekenen. En de magische tekens die hij op zijn lichaam schilderde, waarschijnlijk ook met witte of rode of zwarte klei alnaargelang die beschikbaar was, kon hij ook op zijn potten schilderen en bij het bakken kleurden die heel merkwaardig anders. Het vuur veranderde en vereeuwigde ze. En de mens speelde heel dat spel mee, een spel met de elementen waar zijn wereld tenslotte uit opgebouwd was: aarde, water, vuur, - en ook lucht. Want dat ontdekte hij ook: de lucht speelde bij het bakken een enorme rol. Het scheelde een stuk wanneer hij een pot in een open vuur bakte dan wel in een gesloten oven, waar hij dan soms weer lucht ging in blazen. Eigenlijk was zo'n stuk aardewerk zijn wereld in het klein.
 
 
Eigenlijk was dat een magisch ding !
 
 
Misschien heeft de mens wel daarom, - nadat hij ook zijn visie op de wereld waarin hij leefde was gaan uitbreiden en was gaan nadenken over het leven vóór zijn leven en op het leven na zijn leven enzovoorts, -misschien heeft de mens daarom wel ooit zijn doden ook in aarden kruiken begraven ?
 
 
In wat men meende het paleis van Koning Minos te zijn op Kreta, werden 'voorraadkamers' aangetroffen met hele rijen amforen. Aanvankelijk dachten de archeologen dat in deze amforen graan en olie werd bewaard. Ondertussen echter is wel duidelijk geworden dat dit 'paleis' eigenlijk geen paleis is, maar een dodenstad en dat in die amforen gemummificeerde doden werden bewaard. Ook de befaamde 'badkuip' die in het paleis gevonden werd is eigenlijk een sarcofaag, zoals er bij de Etrusken vele werden gevonden: kuipachtige aarden doodskisten waarin de gemummificeerde doden beter dan in wat ook voor het hiernamaals konden worden bewaard.
 
 
Als men er maar even nader op ingaat, is het wel duidelijk dat de mens met geen materiaal zo innig heeft samengeleefd als met aardewerk. Er is dan ook nauwelijks een materiaal te verzinnen dat zich zo soepel weet te buigen naar de meest uiteenlopende wensen van de mens én zich tegelijkertijd zo innig kan verenigen met de mens en zijn leven.
 
 
Als primitieve kom reeds kon het de vorm van scheppende handen aannemen, en het oortje dat de mens later aan zijn kommen zette kon hij gewoon rond zijn eigen vinger plooien terwijl hij het aan de potwand hechtte, en meteen pastte het ook volmaakt voor later gebruik. Maar aardewerk iiet zich ook tot tegels vormen om muren en vloeren te bekleden en de ruimte waarin de mens leefde leefbaarder te maken: beter beveiligd tegen vochtigheid en gemakkelijker schoon te houden en mooier ook... En nadat het hem zo zijn leven lang had vergezeld, kon het hem - in de vorm van grote amforen of aarden sarcofagen - in zijn dood, als een in foetus-houding opgebonden mummie, omvatten als een nieuwe moederschoot waaruit hij kon herboren worden.
 
 
Maar laten we ons even beperken tot wat ons hier eigenlijk bezighoudt: het gebruiksaardewerk. Dat heeft de mens steeds volledig naar al zijn behoeften gevormd. Dat konden erg eenvoudige behoeften zijn: drinken, eten, voedsel of drank bewaren. Dat konden ook erg ingewikkelde behoeften zijn die eigenlijk meer met maatschappelijke relaties te maken hadden dan met het voldoen aan elementaire levensnoodzakelijkheden: wanneer bij feestelijke gelegenheden een volledig servies op tafel wordt gezet, dan is daar veel bij dat meer met pronk en praal vandoen heeft dan met eten en dan stonden daar wel eens behoorlijk wat stukken tussen die éigenlijk met het serveren van voedsel en drank geen uitstaans meer hadden, daar nauwelijks nog voor geschikt waren, maar wél de tafel sierden en vooral wat vertelden over de status van de mens. Het laatste stuk van deze zin staat een beetje ongrammaticaal in de verleden tijd, omdat wij vandaag juist dié stukken wel van onze tafel zijn gaan weren, ook als we erg feestelijk dekken. En dat heeft dan weer alles te maken met onze huidige terugkeer tot wat natuurlijk heet te zijn. Want onmerkbaar heeft het aardewerk ook dergelijke subtiele verschuivingen in onze manier van denken gevolgd. In zijn aardewerk heeft de mens eigenlijk altijd heel zijn cultuur uitgedrukt, zijn materiële cultuur en ook zijn manier van denken en doen. Om een paar niet al te filosofische voorbeelden te geven: toen de tulpen als exotische knolgewassen in onze gewesten verschenen en als statussymbool op rijke tafelen werden gezet, werden daar ook onmiddellijk speciale tulpenvazen voor bedacht, met een soort vast deksel erop met gaatjes daarin. Daar kon men dan de tulpen goed elk apart tot hun recht in laten komen en bovendien ving die bovenverdeling ook meteen de zwakke kant van die eerste tulpen op: die hadden namelijk nog niet de stevige stelen van onze huidige tulpen, - en die slappe steel werd dus gesteund.
 
 
Toen cacao hier zijn intrede deed en aanvankelijk een erg dure en sjieke drank was, wilde men die natuurlijk ook op tafel volkomen tot zijn recht laten komen. Dat gebeurde best met een langs de binnenzijde vergulde kop die bovendien, - cacao werd 'royaal' gedronken ! - wat groter was dan een koffiekop. Later, als cacao gemeengoed was geworden, waren dergelijke aparte koppen er niet meer nodig en verdwenen ze ook weer uit de serviezen...
 
 
Zo heeft de mens, subtiel maar toch nog duidelijk afleesbaar, zijn eigen geschiedenis geschreven met aarde, water, vuur en lucht: in aardewerk. Of: de soepkom als zelfportret...
 
 
Hoe dan ook, als vandaag een pottenbakker een klomp klei op zijn draaischijf legt en een pot begint te vormen, dan groeit die heel natuurlijk onder zijn handen, naar de maat en de vorm van die handen. En die vorm kunnen wij later, als we die pot of die kom 'hanteren', ook navoelen, want zoals de pottenbakker die in zijn hand heeft gevormd, zo past die in ónze hand ook. Het is een vorm die doorgegeven wordt van mens tot mens.
 
 
Of: de soepkom als menselijke communicatie...
 
 
En bovendien is zo'n kom gebleven wat ze sedert de oertijden is: het bijna magische produkt van de elementen waaruit onze wereld is gebouwd: aarde, water, vuur, lucht, - én, moeten we er aan toevoegen, de mens zelf.
 
 
Of: de soepkom als bindteken tussen de mens en zijn wereld.
 
 
Wij zijn het een beetje verleerd. We zijn te snel en te oppervlakkig gaan leven en we schenken te weinig aandacht aan de dingen die we slordig en snel gebruiken. Maar in de Japanse theeceremonie speelt het nog altijd een rol: het aardewerk - de paar kommetjes die er bij gebruikt worden - wordt uit zijn kistje gehaald en uitgestald en gecontempleerd. De kwaliteit van het porselein wordt beschouwd en de ouderdom der kommetjes en het raffinement en de betekenis van het sobere decor dat erop geschilderd is... En waarschijnlijk reikt die contemplatie dieper dan alleen maar dat en dringt ze door op de diepe wortelen die de mens via deze simpele dingen verbindt met aarde en hemel, leven en dood.
 
 
Een enkele zeldzame keer benaderen ook wij dat misschien nog eens: als we op een winterse dag onze verkleumde handen om een hete bol soep sluiten en de warmte, zoals het aardewerk van de kom die getemperd doorgeeft, levend in ons voelen vloeien. Dan wordt zo'n kom nog eens heel even onze handen zelf, - onze handen die we precies zo houden als de eerste mens die - verloren in de duisternis der tijden - water schepte uit de bron.
 
 
L. Weynants