U bent hier

De Groote Oorlog in Vlaams-Brabant

De Groote Oorlog in Vlaams-Brabant
Duitse prentbriefkaart uit 1914 met francs-tireurs in Leuven in augustus 1914 © STADSARCHIEF LEUVEN.
 
Bij de Groote Oorlog denken we spontaan aan Flanders Fields, met talloze kerkhoven, monumenten en musea, in de Westhoek. ‘De IJzer’ is nochtans slechts een klein stukje van het 750 kilometer lange Westfront dat zich tot aan Zwitserland in de ‘tranchées’ had ingegraven. En dan was er nog 1.200 kilometer beweeglijk Oostfront waar de Centralen en Rusland slag na slag leverden.
 
Voor het overgrote deel van de Belgen was de Eerste Wereldoorlog een zwarte tijd van bezetting, met voedselschaarste en werkloosheid, plunderingen en opeisingen, dwangmaatregelen en repressie. Zo ook in Vlaams-Brabant. Die verhalen vertelt het Belevingscentrum ‘14-‘18 in het Ursulinenklooster in Tildonk, destijds een school en pensionaat, opgericht in het eerste kwart van de negentiende eeuw, waar de Duitse Generale Staf in september 1914 haar intrek nam. In augustus en september 1914 is er in Vlaams-Brabant strijd geleverd tegen het oprukkende Duitse leger. De Getevallei in het oosten van de provincie was een van de eerste slagvelden van de Groote Oorlog. Als wraak voor dit oponthoud op hun doortocht naar Frankrijk, koelden Duitse troepen hun woede op burgers en hun bezittingen. De ‘Martelaarssteden’ Aarschot en Leuven werden bijzonder zwaar getroffen. Het beeld van de brandende universiteitsbibliotheek ging de wereld rond als symbool van de cultuurbarbarij. De Eerste Wereldoorlog heeft veel erfgoed vernietigd en tegelijk was het gruwelijke conflict een voedingsbodem voor het ontstaan van nieuwe kunst, bijvoorbeeld in het geval van Felix De Boeck en de ontbolsterende avant-garde.
 

DE GROOTE OORLOG IN VLAAMS-BRABANT

 
  • De Groote Oorlog in Vlaams-Brabant
  • Het Ursulinenklooster in Tildonk
  • Erfgoed van de Eerste Wereldoorlog in een belevingsparcours
  • Een ontbolsterende avant-garde: Felix De Boeck tijdens WO I
  • Wereldoorlog I-erfgoed in een museum voor beeldcultuur
  • Oorlog en vernietiging in het Stedelijk Museum van Aarschot
  • Furore Teutonico diruta, dono Americano restituta
  • Speuren naar sporen van de Eerste Wereldoorlog in de Getevallei
  • Praktisch 

DE GROOTE OORLOG IN VLAAMS-BRABANT

 

 

Hoewel we de Eerste Wereldoorlog in België meestal associëren met de gevechten aan de IJzer, is er ook elders stevig strijd geleverd. In de regionale herinnering van Vlaams-Brabant leven vooral de veldslagen aan de Gete en de Dijle, en de Duitse represailles in Leuven, Aarschot en Zemst. Bovendien had de oorlog overal een zware impact op nagenoeg elk aspect van het dagelijkse leven.

 

 

KRIJGSVERRICHTINGEN EN REPRESAILLES

 

Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog hield Koning Albert vast aan het neutrale statuut van België. Samen met zijn Generale Staf nam hij vanaf 4 augustus 1914 een defensieve houding aan. Nog tijdens de belegering van de Luikse fortengordel trok een deel van het leger zich terug naar een meer inlands gelegen locatie met defensieve troeven, namelijk de Gete in het oosten van de provincie Brabant. Op 10, 12 en 18 augustus 1914 kwam het er tot een treffen, respectievelijk in Orsmaal-Gussenhoven, Halen en Tienen. De Belgische pyrrusoverwinning op de Duitse cavalerie in Halen werd al snel gevolgd door bloedige gevechten met honderden gesneuvelden nabij Tienen, Grimde en Sint-Margriete-Houtem. De terugtocht van het Belgische leger naar de forten rond Antwerpen ging gepaard met zware gevechten in Aarschot op 19 augustus.

 

Om de Fransen te helpen in hun strijd met de Duitsers nabij Bergen, deed het Belgische leger een Eerste Uitval uit Antwerpen (24-26 augustus) naar het vijandelijke front tussen Wolvertem en Diest. Regimenten rukten op richting de Willebroekse vaart (Verbrande brug in Grimbergen) en het kanaal Leuven-Dijle (KampenhoutSas en de brug in Tildonk). De gevechten speelden zich af op de linkervleugel in de regio Imde-Grimbergen-Zemst, op de rechtervleugel op de lijn Boortmeerbeek-Haacht-Wespelaar-Rotselaar. Toen begin september de Duitsers leken door te stoten aan de Marne, volgde een Tweede Uitval (9-13 september), waarbij de  Belgische strijdkrachten tot in onder meer Eppegem, Wespelaar, Rotselaar en Aarschot geraakten. Veel militairen stierven bij gevechten aan de kanaaloever net ten noordwesten van Tildonk en aan de molen naast de Dijle in Rotselaar. Na deze uitval nam generaal von Beseler zijn intrek in het Ursulinenklooster van Tildonk, van waaruit hij de belegering van Antwerpen coördineerde. Op 10 oktober gaf het Belgische leger Antwerpen op en trok zich terug in de Westhoek.

 

De angst voor francs-tireurs of vrijschutters bij de Duitse troepen, gecombineerd met de ontgoocheling over de vroege verliezen, niet in het minst in de provincie Brabant, leidde tot lokale wraakacties tegen burgers. De Martelaarssteden Aarschot en Leuven, maar ook Herent en Zemst kregen het zwaar te verduren. Op 19 augustus 1914 grepen de Duitse autoriteiten in Aarschot de moord op kolonel Stenger door een onbekende schutter aan om ongeveer 170 burgers, onder wie de burgemeester, te fusilleren. Als vergelding voor de Eerste Uitval legden ze vanaf 25 augustus 1914 de Leuvense binnenstad in de as, op het stadhuis na, dat dienst deed als hoofdkwartier van de Duitse commandant. De brandstichting van de universiteitsbibliotheek en de terechtstelling van burgers zouden hét voorbeeld worden van de Duitse gruweldaden. 

 

 

HET DAGELIJKS LEVEN IN OORLOGSTIJD 

 

Het oorlogsgebeuren bracht ook in de provincie Brabant vluchtelingenstromen op gang. De Gentse schrijfster Virginie Loveling bijvoorbeeld zag op 18 augustus 1914 Hagelanders in het station van Gent aankomen. De mensen die in de streek bleven, veelal op het platteland, keerden na de gevechten huiswaarts om de oogst, indien niet vernield, af te werken. Later, in 1917-1918, ontstond er een nieuwe migratie- en deportatiestroom vanuit het frontgebied, die via de trein in Brabant, vooral in de gemeenten rond Brussel, terechtkwam. Zo belandden Menenaars in Vilvoorde en inwoners van Halluin (Frankrijk) in Merchtem. Lokale overheden deden hun best om te voorzien in huisvesting en voeding, al ging het samenleven met de vluchtelingen niet zonder slag of stoot. Vele inwijkelingen die bovendien niet altijd het Nederlands machtig waren, werden verafschuwd wegens hun crimineel gedrag, politieke overtuiging of verwerpelijke zeden.

 

Tijdens de bezetting leefden de Brabanders in een overlevingseconomie, gekenmerkt door voedselschaarste, werkloosheid, smokkel, plunderingen en opeisingen. Plaatselijke afdelingen van het Nationale Voedingscomité ledigden de zwaarste noden op het vlak van voeding en kledij, terwijl extra aandacht ging naar de melkvoorziening voor kinderen en zuigelingen. De gunstigere situatie op het platteland was al bij al relatief. Van de landbouwopbrengsten diende men het grootste gedeelte, vaak zonder vergoeding, in te leveren bij de bezetter. Overschotten, bestemd voor verkoop, waren marginaal, al wijzen getuigenissen op een bevoorrading van Brussel vanuit het Pajottenland, bijvoorbeeld door fruitkwekers uit Bodegem. De benarde levensomstandigheden gingen bovendien gepaard met een zware sociale controle en repressie. De bezetter vaardigde dwangmaatregelen uit, voerde verplichte tewerkstelling in en verbood geregeld spelen en drankgelegenheden. Vooral de vrijheid van beweging werd aan banden gelegd om goederen-, mensen- en brievensmokkel, spionage en sluikpers te bestrijden. Na korte tijd bleek dat een aantal burgers de bezetting als een opportuniteit zag om, al dan niet met Duitse steun, hun economische, culturele of politieke dromen te verwezenlijken. Onder andere de activisten, Vlaamsgezinden van zowel katholieke als socialistische strekking, wilden in samenwerking met de bezetter de bestaande Belgische taalwetten doen respecteren. Ze hadden ook een eigen hulporganisatie, ontplooiden sociale acties en gaven propagandistische weekbladen uit. Toch wekten ze maar beperkt sympathie op, getuige de confrontaties in Tienen, begin 1918, naar aanleiding van de ‘verkiezingen’ voor de Raad van Vlaanderen, het officieuze Vlaams parlement. Van een georganiseerd verzet was nauwelijks sprake, op de inlichtingendiensten en de vluchtlijnen naar Nederland na. De afkeer van en kritiek op de bezetter uitte zich, op omzichtige wijze, via ludieke acties, spotprenten en ‘ondergrondse’ kranten, zoals het Vlaamsgezinde De Vrijschutter uit Halle.

 

 

ALLEENE GESTORVEN

 

Léonard Reynaerts was een postmeester van 24 uit Tienen. Hij was afgekeurd voor het leger, maar hij had een diploma als verpleger-ambulancier, en toen de oorlog begon, meldde hij zich vrijwillig bij het Rode Kruis: “Van sommigen wist ge nu eigenlijk niet of het beter was dat ge ze in leven probeerde te houden of dat het maar beter was om ze stilletjes te laten gaan. Soms brengt de dood wel verlossing, denk ik. Ik herinner mij dat er op een avond een soldaat bij ons binnenkwam die ... ja, die compleet zot was geworden. Ze hadden hem moeten vastbinden met touwen. Ik was bijna blij voor hem toen hij uiteindelijk stierf en ik zijn lichaam mocht begraven. De geur van de dood kan mij niet langer bedotten. Ik herken ze van ver. Het was mijn taak om op zoek te gaan naar doden en gewonden. Een vreemde job. Het plaatst u in een schemergebied, tussen leven en dood in. De lijkengeur trok tot diep in mijn poriën. Eén soldaat was zo erg verminkt dat zijn romp gescheiden was van zijn onderste ledematen. Ik herinner mij nog zijn naam: Joseph Alleene, soldaat 1ste klas bij het 22ste Linieregiment. Ik weet dat nog zo goed omdat ik toen dacht, ja, hij is inderdaad ‘alleene’ gestorven. Ver van zijn familie. Zo zou toch niemand mogen sterven!”

 

 

HERDENKING EN WEDEROPBOUW

 

Na het geallieerde offensief van eind september 1918, de wapenstilstand van 11 november en de Duitse terugtocht, was de ellende allerminst voorbij, vooral voor de families van gesneuvelden. Gevallen soldaten die niet werden herbegraven in hun woonplaats, kregen een graf op militaire kerkhoven, in Vlaams-Brabant in Veltem-Beisem, Sint-Margriete-Houtem en Eppegem. Bovenal moest de wederopbouw nog grotendeels beginnen, ondanks Duitse inspanningen om de materiële schade aan te pakken door – beperkt weliswaar – zelf woningen te bouwen, zoals in het zwaar verwoeste Kapelle-op-denBos. Al in 1919 bouwde men noodwoningen, houten barakken bekostigd door het Koning Albertfonds, onder meer in Zemst. Onvoldoende kwalitatieve bouwmaterialen, gebrekkige financiële middelen en zware procedures bemoeilijkten de wederopbouw. Bovendien liepen de discussies over de bouwstijl hoog op, waarbij moderniserende oplossingen het meestal aflegden tegen traditioneel-historiserende, zoals in Weerde en Grimbergen. Ondanks gekibbel en geldnood was de wederopbouw in Brabant in 1926 grotendeels voltooid. Het pronkstuk was de nieuwe Leuvense universiteitsbibliotheek, waarvan de bouw tussen 1921 en 1928 steunde op milde giften van Amerikaanse onderwijsinstellingen.

 

Terzelfdertijd botsten bij herdenkingsactiviteiten uitingen van heldenverering en patriottisme met antimilitaristische en anti-Belgische stemmen. Vaderlandslievende optochten baadden in een sterk anti-Duitse sfeer en mondden vaak uit in ‘bedevaarten’ naar de oorlogsgraven, zo ook in 1919 bij verjaardagen van represailles in Aarschot en in Leuven. Oorlogsmonumenten werden tot in de kleinste dorpen opgericht, meestal in een stijl die de heldhaftigheid beklemtoonde. Toch doken er al vlug tegenstemmen op, vaak vanuit Vlaamsgezinde of socialistische hoek. Dit leidde geregeld tot incidenten tussen leden van verschillende oud-strijdersbonden. In 1924, bij de inwijding van het monument op het stedelijk kerkhof in Leuven, was de Socialistische Oud-Strijdersbond niet welkom. Het monument aan het station werd van katholieke zijde aangevallen vanwege de onzedige beelden en in Kessel-Lo was er discussie over het kruisbeeld. Van enige solidariteit tussen veteranen bleef al snel niet veel meer over.

 

 


HET URSULINENKLOOSTER IN TILDONK

 

 

Het Sint-Angela-instituut en -klooster in Tildonk dankt haar oorsprong aan Joannes Lambertz (1785-1869), pastoor in Tildonk van 1815 tot 1866. Getroffen door een gebrekkige onderwijsinfrastructuur, richtte hij in 1818 een kloosterschool voor meisjes op in een bijgebouw van de pastorie. Het stijgend aantal leerlingen en kloosterlingen dwong hem uit te wijken naar een meer geschikte omgeving. In 1822 was op de huidige locatie, nabij de parochiekerk, de bouw van een klooster met school en pensionaat voltooid, die in 1824 respectievelijk tot 100 en 50 leerlingen telden. Naast een lagere school bood de zustergemeenschap, die pas in 1832 de constitutie van de Ursulinen kon aannemen, algemeen vormend middelbaar onderwijs aan. De onderwijsinstelling, wiens reputatie in de loop van de negentiende eeuw leidde tot een internationale rekrutering, lag ook aan de basis van een congregatie van tientallen Ursulinenkloosters, gericht op volksonderwijs en sterk, maar niet exclusief, vertegenwoordigd in de landelijke regio’s van Vlaams-Brabant.

 

 

KORTE BOUWGESCHIEDENIS 

 

Het hedendaagse gebouwencomplex is het resultaat van een organisch uitbreidingsproces. Het getuigt van stilistische evoluties in architecturale vormgeving van kloosterschoolbouw. Nog voor 1850 leidde een grondige, neoclassicistische verbouwing tot de creatie van twee binnenkoeren. Verhogingen en verlengingen van de west- en noordvleugel gingen in de tweede helft van de negentiende eeuw gepaard met neogotische aanvullingen, waaronder de sobere kloosterkapel (1863), de meer uitbundig gedecoreerde driebeukige kloosterkerk (ca. 1880) en de van het complex losstaande dorpsschool. De uitbreidingen uit het begin van de twintigste eeuw vertonen art nouveau-elementen, vooral in de feestzaal (1902-1903), terwijl de laatste éénlaagse uitbreiding van klaslokalen in de jaren 1920 invloeden uit de art-deco verraadt. 

 

Voornamelijk in de vleugels met representatieve en/of religieuze functie valt de complementariteit tussen interieurdecoratie en architecturaal kader op. De neogotische vormgeving van de kloosterkerk weerspiegelt zich in het meubilair, orgelwerk en brandglasramen. In de feestzaal steunt de metalen spantstructuur met deels beglaasde dakkap, naar ontwerp van de Brusselse architect Prémont, op ijzeren kolommen. Een dwarsgeplaatste galerij met ijzeren balustrade loopt parallel aan de zijde bestaande uit glas-in-loodramen met geometrische vegetatieve motieven, van de hand van de Brusselse glazenier Evaldre. Wandbekleding van florale en stichtende sgraffiti-versieringen en tegellambriseringen vinden hun echo’s in de decoratieve vloer- en wandtegels en beglaasde deuren in de aangrenzende zuidvleugel met klaslokalen en polygone belvedère. 

 

Een totaalbenadering is ook aanwezig in de uitwerking van het ommuurde kloosterdomein met boerderijcomplex. Naast een nutsgedeelte met moestuin, serres en boomgaard, omvat het een siertuin, rond 1880 aangelegd in hybride landschappelijke stijl, met vijver, lindelaan, draaimolen en religieus meubilair, zoals een calvarieberg, Heilig Hartbeeld, Lourdesgrot en heiligenbeelden.

 

 

HET KLOOSTER TIJDENS DE EERSTE WERELDOORLOG

 

Tijdens de Eerste Wereldoorlog bleef het complex gevrijwaard van zware vernielingen. De eerste oorlogservaringen in Tildonk, begin augustus 1914, bestonden uit opeisingen door de Belgische overheid van paarden, wagens, matrassen en dekens, en uit het overhaaste vertrek van leerlingen naar veiliger binnen- of buitenlandse oorden. Voorafgaand aan de Duitse bezetting, diende het klooster als verpleegpost. Er vond ook een inkwartiering van soldaten plaats, die de brug van Tildonk bewaakten of deelnamen aan de gevechten aan de Getelinie. Nadien ging de opvang van vluchtelingen er gepaard met huiszoekingen en (voedsel)opeisingen door de Duitse troepen. Bij een eerste kort verblijf verzekerde de Duitse generaal von Beseler het respect door de keizerlijke legers van het pensionaat, dat dienst zou doen als veldhospitaal en verblijfplaats van officieren. 

 

 

ER HING ONWEER IN DE LUCHT

 

Het klooster van Tildonk lag in de zomer van 1914 zes weken lang in de vuurlijn. Tussen 27 september en 12 oktober verleende het klooster noodgedwongen onderdak aan de Duitse generaal von Beseler en zijn staf. Een anonieme kloosterzuster getuigt: “Het was drukkend warm. De deur van de kapel stond wagenwijd open. Er hing onweer in de lucht, maar het wilde maar niet losbarsten. We waren in gebed verzonken, toen we werden opgeschrikt door een grote Duitser. ‘Verstehen Sie deutsch?’, vroeg hij bars, en toen brieste hij ons het verhaal van Aarschot toe, waar de Duitsers een paar dagen tevoren honderden mensen gefusilleerd hadden. Wij luisterden zwijgend en geschokt. We hoorden van pastoors die vernederd en mishandeld werden. En in het dorp waren verschillende burgers doodgeschoten. Mijn hoofd tolde, ik kon de slaap niet vatten. De volgende ochtend stopte er een auto voor het klooster. Een ritmeester van het Duitse leger stapte uit en kondigde de komst van generaal von Beseler aan. De generaal zou zich samen met zijn officieren bij ons komen installeren. De ritmeester duldde geen tegenspraak. Wij moesten en zouden hen ontvangen! Ongegeneerd stapten ze door de slaapzaal, de hielen van hun laarzen in de planken vloer drukkend. Op hun borst hing een kaart van de streek en aan hun gordel bengelden een revolver en een sabel. En op hun riem prijkte een koperen gesp met het opschrift ‘Gott mit uns’. Dat sneed door mijn hart.”

 

 

Bij de Eerste Uitval uit Antwerpen (25-26 augustus), gericht tegen de Duitse stellingenlijn Merchtem-Aarschot, opende het Belgische leger het vuur op een vijandelijk bataljon, gelegen aan de vaartovergang in Tildonk, en artilleriecompagnie, opgesteld nabij de kerk van Tildonk. Bij deze beschietingen troffen Belgische kogels de voorgevel van het klooster. Bij de Tweede Uitval (9-13 september) vormde het klooster ook effectief een mikpunt voor de Belgische troepen, gezien vijandelijke kanonnen er achter verscholen lagen. Ruiten en deuren sneuvelden, en de buitenmuren aan de noord- en westzijde werden doorboord door obussen, kogels en granaten. Gesneuvelden werden begraven in het kloosterpark.

 

Ondanks het vertrek van Duitse en Belgische gewonden naar Brussel, bleef het klooster de rol van veldhospitaal vervullen en nam het ook vluchtelingen op, totdat op 27 september de Generale Staf onder leiding van von Beseler, belast met het beleg van Antwerpen, haar intrek nam. Zalen en klassen veranderden in telefooncentrale, voorraadkamer, bureau en drukkerij. Het was namelijk vanuit het klooster dat Duitsers vlugschriften, bestemd voor de Belgische rangen, verspreidden. Begin oktober 1914, tijdens het beleg van Antwerpen, kwam hoog bezoek naar Tildonk: voornoemde von Beseler, von Moltke, Duits opperbevelhebber, en baron von der Goltz, gouverneur-generaal van België, onderhandelden er met Belgische (burgerlijke) autoriteiten over de overgave van Antwerpen. Op 10 oktober werd de val van Antwerpen formeel bezegeld in de Mariazaal, door de overgave van degens door Belgische bevelhebbers. Dit luidde het vertrek van de Generale Staf in, die zich, volgens de annalen van het klooster, erkentelijk toonde voor de gastvrijheid en de kloostergemeenschap ontsloeg van het herbergen van Duitse troepen.

 

Begin november heropenden zowel het internaat als het externaat, deze laatste zelfs voor jongens. Ondanks de herhaaldelijke opeisingen van paarden, koper en wol, konden de religieuzen gedurende de bezetting opnieuw economische activiteiten uitbouwen, in de naaikamer, boekbinderij en schoenmakerij. Ze waren ook actief betrokken bij de werking van het lokale hulpcomité, in de verdeling van kledij en in de bedeling van de school- en volkssoep. Tegen de herfst van 1917 diende het klooster tijdelijk als opvangplaats voor vluchtelingen uit de frontsector (Menen, Wervik, Komen). Na de wapenstilstand overnachtten terugtrekkende Duitse troepen in het pensionaat, alvorens de zusters, bij de bevrijding op 23 november 1918, een bataljon Belgische soldaten herbergden.

 


ERFGOED VAN DE EERSTE WERELDOORLOG IN EEN BELEVINGSPARCOUR

 

 

Het ‘oorlogstoerisme’ van gegoede Brusselse burgers in de herfst van 1914, bijvoorbeeld naar de slagvelden rond Grimbergen en Vilvoorde, toont aan dat al kort na de doortocht van de Duitse legers de aandrang leefde om de impact van een militair conflict te aanschouwen. Gevoelens van morele verontwaardiging over vernielingen van woningen en landschappen mengden zich met een fascinatie voor de organisatie van het bezettende leger en een bewondering voor de terugkeer van plichtsgetrouwe boeren en clerici. Het hernemen van het dagelijkse leven in een bezettingscontext van desolate landschappen en verwoeste dorpskernen die nog zeer zichtbaar sporen van de krijgsverrichtingen droegen, bleek duidelijk de tijdgenoten te beroeren. 

 

Ook honderd jaar later blijkt uit de vele herdenkingsinitiatieven dat de interesse in, fascinatie voor en betrokkenheid bij de ervaringen uit ‘14-’18 nog zeer levendig is. De aandacht voor het oorlogs- en bezettingsverleden, het overgeleverde erfgoed en de actuele relevantie ervan is lovenswaardig.

 

 

HET BELANG VAN WO I - ERFGOED 

 

De Eerste Wereldoorlog was voor de tijdgenoten een totaalervaring: naast de gevolgen van de krijgsverrichtingen, onder de vorm van mobilisatie, gevechten, verwoestingen, vluchtelingenstromen en represailles, ondervond de samenleving een zware impact op nagenoeg elk aspect van het dagelijkse leven, gaande van voedselschaarste en werkloosheid over ingeperkte bewegingsvrijheid en dwangmaatregelen tot nieuwe vormen van bijstand en politiek-ideologisch verenigingsleven. Om het complexe verloop van dit verleden recht aan te doen, volstaat het niet kennis te hebben van brede nationale tendensen ten tijde van WOI, maar dringt zich een aandacht voor het dagelijkse leven van ‘de kleine man’ op, namelijk voor de overlevingsstrategieën, morele keuzes en lokale ervaringen van een waaier aan sociale groepen. De incorporatie van het micro-niveau in de studie van het verleden is hierbij een verrijking: ze laat toe om de meerstemmigheid van een samenleving ten tijde van bezetting te laten weerklinken en zo overheersende voorstellingen van de oorlogswerkelijkheid te verfijnen. Deze verbreding binnen de reconstructie van het verleden leidt er ook toe dat andere sporen uit het verleden gevolgd worden. Naast de meer ambtelijke documentatie en militaire verslagen verruimt de blik van de erfgoedbetrokkene zich naar minder feitelijke getuigenissen, zoals dagboeken, artistieke producties, landschappelijke relicten, spotprenten en wederopbouwpanden. 

 

Oorlogserfgoed vormt, gezien de nauwe verwevenheid met individuele, familiale en lokale geschiedenissen, bij uitstek het onderwerp van een even gedeeld als gecontesteerd verleden, dat in een keten van herinneringspraktijken wisselende en soms onderling conflicterende betekenissen heeft gekregen en nog steeds krijgt. Al snel na de bevrijding in 1919 was van een solidaire eenstemmigheid nauwelijks meer sprake: bij herdenkingsactiviteiten botsten uitingen van heldenverering en patriottisme met antimilitaristische en anti-Belgische stemmen. Alleen al de keuze om militaire of burgerlijke gesneuvelden te portretteren als helden dan wel als slachtoffers, wijst op afwijkende lezingen van het oorlogsverleden. De doorheen de tijd evoluerende en tussen maatschappelijk groepen divergerende waardering van het WOI-verleden leest als een uitnodiging om de evaluatie van de gebeurtenissen en ervaringen uit ‘14-’18 niet te herleiden tot eenduidige betekenissen, bijvoorbeeld in het kader van vrede, ontvoogding of solidariteit, om de meest voor de hand liggende maar te noemen. 

 

 

HET CONCEPT BELEVING EN ZIJN TOEPASSING IN TILDONK 

 

Beide aspecten van het oorlogserfgoed komen samen in het hedendaagse concept van ‘beleving’, dat in zijn meest uitgewerkte vorm de subjectiviteit van omgang met het verleden als een opportuniteit aangrijpt: enerzijds om historische gebeurtenissen te begrijpen, maar ook te bevragen vanuit verschillende perspectieven, anderzijds om via de omgang met het overgeleverde erfgoed te reflecteren over de hedendaagse betekenis(sen) ervan. 

 

Deze vorm van ‘beleving’ omvat ook een erfgoedwerking waarbij participatie van de gemeenschap een onderdeel vormt. In het geval van het belevingscentrum in Tildonk steunde de totstandkoming niet louter op de expertise van professionele erfgoedwerkers, maar werd een aanzienlijk deel van het historisch materiaal (objecten, documentatie en verhalen) verzameld in samenwerking met lokale heemkundige kringen en tijdens een collectiedag waarop particulieren persoonlijke herinneringen, verhalen, objecten, brieven en beeldmateriaal konden aanleveren. 

 

Het belevingsaspect van de tentoonstelling in Tildonk vloeit eveneens voort uit de beschermde erfgoedsite. Ze is namelijk ingericht in een vleugel van het Ursulinenklooster, geen onschuldige locatie in het regionale WOI-verleden. Ondanks zijn ligging net ten zuiden van de Duitse stellingenlijn eind augustus-begin september 1914, bleef het grotendeels gevrijwaard van vernieling of zware schade. Het school- en kloostercomplex diende immers achtereenvolgens als Duits veldhospitaal, hoofdkwartier van de Generale Staf belast met het beleg van Antwerpen en, vanaf oktober 1914 als Rode Kruispost, terwijl de kloosterzusters het pensionaat tijdens de bezetting zo goed en zo kwaad als het kon poogden draaiende te houden. De annalen van de goed geïnformeerde kloosterzusters, die bovendien beschikten over een ruim regionaal netwerk, bieden een rijke inkijk in hun oorlogservaringen, hun visies op de bezetter en hun betrokkenheid bij de verzorging van gewonden, de opvang van vluchtelingen en de bedeling van voedsel en kledij.

 

In het belevingscentrum is gestreefd naar een evenwicht tussen kennisoverdracht en emotionele inleving. Zonder het bredere militaire kader uit het oog te verliezen, focust de tentoonstelling niet zozeer op de oorlogsgruwel, maar wel op de dreiging en dwang van een bezettingscontext, en vertrekt hierbij vanuit persoonlijke verhalen van voornamelijk burgers. Deze narratieve opzet vertaalt zich ook in de ruimtelijke inrichting. Geflankeerd aan de kant van de binnentuin door een pandgang, uitgerust met visuele herkenningspunten over het Belgische en internationale verloop van de oorlog, bieden de opeenvolgende ruimtes een waaier aan invalshoeken en presentatiewijzes. Hierbij is bewust gekozen om af te stappen van een klassieke museale aanpak aan de hand van ‘collectiestukken’. 15 In de eerste ruimte staan getuigenissen centraal, die levensecht het genadeloze inwerken van de inval op individuen, families en gemeenschappen weergeven. De oorlogsbelevingen van twaalf individuen bieden de bezoeker een meerstemmig beeld aan van levens getroffen door een invasie. Aan de hand van luisterteksten ervaren bezoekers op auditieve wijze het wedervaren van onder anderen de weduwe van de terechtgestelde burgemeester Tielemans van Aarschot, een Rode Kruisverpleger, een Tildonkse kloosterzuster, een Duitse onderofficier, een gedeporteerde burger, een dokter, pastoor of jong meisje. Ego-documenten, zoals dagboekfragmenten, brieven en foto’s met privé-aantekeningen versterken de herkenbaarheid van hun ervaringen. De presentatie is aangevuld met een selectie objecten die hierbij niet louter als materiële illustratie fungeren. Vaak lang gekoesterd als erfstukken, zijn ze elk drager van verhalen en emoties die over generaties heen zijn overgeleverd. Een selectie van deze luisterteksten en bijbehorende erfgoedstukken vindt u verspreid over dit themanummer. 

 

 

DE DUITSE SPADE

 

Frans Vandegoor uit Wijgmaal was 28 toen de oorlog uitbrak. Zijn jongere broer was toen in dienst en zou al snel sneuvelen in het fort van Loncin, bij Luik. Op 20 augustus 1914, toen de Duitsers Wijgmaal naderden, vluchtten vader en moeder Vandegoor met de jongste kinderen naar Nederland. Frans bleef thuis om voor de dieren te zorgen. Maar omdat hij wist dat de vijand in aantocht was, besloot hij zich te verstoppen: “De laatste uren voordat de Duitsers kwamen, zat ik met den daver op mijn lijf. Het was doodstil. Zelfs de honden blaften niet meer. Op een gegeven moment - fwiet - hoorde ik een fluitsignaal. Als één man stonden honderden Duitse soldaten op de patattenvelden voor ons huis, bonkten met hun geweren op de deuren en kwamen bij ons op de binnenplaats. Ik raapte al mijn moed bij mekaar en deed de deur open. ‘Ein belgischer Soldat! Ein belgischer Soldat!’ riep de Duitser. Hij moet gedacht hebben dat ik een deserteur was. Hij duwde mij hard tegen de muur en begon mij te fouilleren. En een paar anderen doorzochten het huis. Maar ze vonden niks. Ze hebben mij toen aan het werk gezet. Ik moest water voor ze putten, slaapplaatsen voorzien … Het moet zijn dat ze tevreden waren, want de volgende ochtend, toen ze weggingen, schreven ze met krijt op de voordeur: ‘Gute Leute, nicht brennen’. Zo wisten hun kameraden dat ze ons huis niet in brand mochten steken. Een paar weken later zochten de Duitsers burgers om hun gesneuvelden te begraven. Toen ze die ‘Gute Leute’ op onze gevel zagen, kwamen ze ook mij halen. Ik kreeg verdomme een Duitse spade in mijn handen geduwd. Eerst groeven we een grote put, en daarna moesten we de doden gaan zoeken in de bietenvelden. Die hadden hun zware jas nog aan, en dikwijls ook nog hun uitrusting. Ze waren drijfnat van de regen. We moesten ze met twee man optillen om in de put te leggen. Sindsdien weet ik wel hoe zwaar een dode soldaat weegt. En die Duitse spade … die heb ik nog altijd!”

 

 

De twee volgende ruimtes versterken aan de hand van een interactieve opstelling van geluids- en beeldmateriaal de belevingswaarde van het erfgoedparcours. Aansluitend bij de getuigenissen over de inval, verhaalt een film visueel de voor de regio belangrijkste militaire fases uit de eerste oorlogsmaanden. Bevattelijk kaartmateriaal, sprekende foto’s en erfgoedobjecten zijn gegoten in een animatie die het oorlogsverloop tot leven wekt, gaande van de eerste confrontatie tussen Belgische en Duitse troepen in Orsmaal op 10 augustus 1914, over de Duitse represailles in Leuven en Aarschot tot de twee uitvallen uit Antwerpen die vooral in Vlaams-Brabant tot gevechten leidden. Als overgang naar het volgende deel van de tentoonstelling betreedt de bezoeker een verduisterde ruimte waarin akoestische elementen de gevoelens van onzekerheid, eigen aan een oorlog, zintuiglijk laten ervaren. 

 

De volgende ruimte belicht dan meer historisch de dagelijkse aspecten van het leven tijdens de bezetting. Ze vangt aan met een tocht door de aantekeningen uit de Tildonkse kloosterannalen die even feitelijk gedetailleerd als empathisch de weerslag van de oorlog op de klooster- en dorpsgemeenschap evoceren. Vervolgens documenteren niet enkel traditionele bronnen, zoals foto’s en officiële documenten (voedselbonnen, noodgeld, reistoelatingen), de zware impact van de bezetting die zich op zowel het openbare als het persoonlijke leven liet voelen. Een combinatie aan andere erfgoedstukken, waaronder liederen, receptboeken, ansichtkaarten, spotprenten, affiches, dagboekfragmenten, pastoorsverslagen en briefwisseling, geeft de bezoeker impressies van de ontreddering na de inval, de versplintering van families, de inkrimping van bewegingsvrijheid, de afhankelijkheid van liefdadigheid, de schaarste en duurte van levensmiddelen en het repressieve dwangbestuur van de Duitsers met niet aflatende opeisingen. Hierbij kan de bezoeker via een touch-screen bladeren door het oorlogsdagboek van Jan Wauters uit Tienen. Vier jaar lang hield hij een kroniek van de gebeurtenissen in zijn stad bij. Hij heeft het over opeisingen, deportaties en overvliegende zeppelins, maar evengoed over het weer en de gemeentepolitiek. Alles haastig en in telegramstijl geschreven, want zo’n dagboek bijhouden was levensgevaarlijk.

 

De laatste ruimte tenslotte is ingekleed met een manshoge stafkaart van VlaamsBrabant. Zij is samengesteld uit vele kleine kaarten, geproduceerd door het Nationaal Geografisch Instituut, die zelf de oorlog hebben overleefd, getuige enkele sporen van slijtage en verwering. Deze weergave van het provinciale terrein net voor de oorlog (1910-1911) is interactief te verkennen via touchscreens. Zo kan de bezoeker streek- of plaatsgericht inzoomen, visueel bewegingen uit WOI oproepen en voor specifieke plaatsen historische informatie opvragen. Deze schermen bieden ook een eerste kennismaking met de fietsroutes langs de Dijle en de Gete. De bezoeker vindt er informatie over de daarop aanwezige buitenpanelen met historisch beeld- en tekstmateriaal over gebeurtenissen, monumenten, gebouwen of landschappen die van belang zijn in het regionale WOI-verhaal.

 


EEN ONTBOLSTERENDE AVANT-GARDE: FELIX DE BOECK TIJDENS WO I

 

 

In de ontwikkeling van de Zuivere Beelding, de eerste generatie abstracte kunst in België, volgen de overgangsfases van expressionisme over kubisme tot futurisme elkaar tussen 1912 en 1918 snel op. De historische context van deze beweging is tot op heden weinig bekend. Naast de expats die zich midden in het internationaal toneel bevonden, stond in Vlaanderen een groep zeer jonge kunstenaars op, die de revolutie predikten. Doorheen het oeuvre, de archieven en objecten van Felix De Boeck recreëren we deze broeierige en complexe periode waarin hij een onmiskenbare actor is geweest.

 

 

CULTUUR EN ACTIVISME

 

De Boeck is exemplarisch voor een generatie die bij het begin van de Eerste Wereldoorlog te jong was om betrokken te geraken bij de oorlog. Gaandeweg, bij afwezigheid van de oudere gemobiliseerde generatie, traden deze jonge mannen op het voorplan. Wanneer De Boeck in 1915 zijn humaniorastudies afrondde, sloot de oorlog verder studeren uit. Toch bleef hij zijn culturele nieuwsgierigheid verder voeden. Naast beeldende kunst sprak vooral de literatuur, en speciaal de dicht- en toneelkunst, hem aan. De interesse voor Gezelle, Rodenbach en Verschaeve werd gestimuleerd door zijn lidmaatschap in de studentenbond van Ruisbroek waarvan hij medestichter en lid was (1912 tot 1916) en waarvan zijn broer Marcel, dorpsgenoot Pol Jacquemyns en de latere toondichter Louis Baeyens eveneens deel van uitmaakten.

 

In het archief van Felix De Boeck bevindt zich een hele reeks gedichten van zijn hand. Een schriftje bevat, naast ontwerpschetsen voor schilderijen uit de periode 1917-18, ook flarden theaterdialoog. Pol Jacqemyns getuigde van de blijspelen die hij, samen met De Boeck en Jan Boon, op poten zette in Drogenbos. Later maakten Jacquemyns, De Boeck en de anarchistische linosnijder en publicist Albert Daenens succesvolle revues, deels parodiërend op Teirlincks theaterstuk De man zonder lijf. Jan Boon vertaalde later nog het rebelse theaterstuk Barabas van de Gelderode in het Nederlands en publiceerde het met op de cover een werk van De Boeck. Volgens Jacquemyns werd Felix De Boeck in die laatste oorlogsjaren opgeslorpt door zijn ontluikende artistieke roeping, getuige de vele werken uit die periode. 

 

 

‘DOE STIL VOORT’ EN EEN ONTLUIKENDE AVANT-GARDE TIJDENS WO I 

 

 De in Brussel gelegen kunstkring Doe Stil Voort, die ook vóór WOI een rol van betekenis speelde in het artistieke veld, werd in 1917 nieuw leven ingeblazen, als een uitgesproken Vlaamse vereniging. Aan de eerste tentoonstelling in de zomer van 1917 deed De Boeck mee, op aansporen van journalist Octaaf Steghers en schilder Leo Bunnens. Naast een jaarlijkse tentoonstelling, omvatten de activiteiten van Doe Stil Voort ook gezamenlijke kunstenaarsateliers en druk bijgewoonde leesavonden over de internationale kunststromingen. De eerste aarzelende modernistische trekken van de kunstkring worden pas duidelijk tijdens een dubbele tentoonstelling in de zomer van 1918. Op dit Zomersalon kwam De Boeck in contact met de vooruitstrevende Antwerpse kring rond Jozef Peeters, tot wiens Kring Moderne Kunst De Boeck als één van de eerste leden toetrad.

 

Het kunsthistorische belang van deze tentoonstellingen kan moeilijk worden overschat en bleef tot dusver onderbelicht. De aanzet tot een nieuwe kunst in Vlaanderen impliceerde niet enkel een artistieke, maar vooral een maatschappelijke stellingname. Het debat handelde over de rol van de kunstenaar in de samenleving, met individualisme en collectieve actie als elkaars tegenpolen. Dat dit debat startte onder de Duitse bezetting en later in het kielzog van de progressieve zuil van de Vlaamse Beweging opgang maakte (1921-23), toont aan hoe complex de verhoudingen tussen politiek en kunst toen waren.

 

De gevolgen van de periode van Doe Stil Voort waren voor De Boeck groot. In het kielzog van Prosper De Troyer en gevoed door de lessen kunstgeschiedenis bij August Vermeylen (1872-1945), doorliep De Boeck tussen 1916 en 1919 bijna de gehele evolutie van de moderne kunst: impressionisme, fauvisme, expressionisme, kubisme en futurisme. Voor de jonge intellectuelen en kunstenaars was het in de oorlogsjaren moeilijk om op de hoogte te blijven van buitenlandse tendensen. Engelse en Franse publicaties waren moeilijk te vinden, waardoor vooral de humanitair expressionistische tijdschriften, zoals Die Aktion, een diepe invloed hadden. De werken die in de periode 1917-1919 ontstonden, hebben net vanuit het zoekend karakter een bijzondere spanning in zich, waarbij op de achtergrond vooral de futuristische ideeën van beweging en actie een rol spelen. Vele manifesten, zoals de in 1912 door Der Sturm uitgebrachte Die Futuristen, werden druk becommentarieerd in de wekelijkse bijeenkomsten op de hoeve in Drogenbos. 

 

 

IMPRESSIES EN GEVOLGEN VAN EEN ‘GROOTE OORLOG’ 

 

Vanaf 1916 ging de invloed van een zacht impressionisme met schuchtere fauvistische accenten over naar een vereenvoudigde stilering. Tussen juni 1917 en augustus 1918 evolueerde het werk van De Boeck naar een fauvistisch expressionisme. Een massief spel  van grote kleurvlakken was het gevolg. De zon en de bliksem werden twee overheersende thema’s. Typisch voor deze periode is een landschap met hooihopper, overgoten met een brandend zonlicht, waar wij de schaduw van de kunstenaar ontwaren. Uit de ruime collectie tekeningen die De Boeck achterliet, kennen we minstens een tiental werken die rechtstreeks naar de twee laatste oorlogsjaren refereren. Soldaten met kanonnen door Drogenbos en Aftocht Duitse troepen uit 1918 zijn stilistisch eerder verwant met de post-impressionistische periode met een vage indruk van een dreef en gesuggereerde figuren. De Boeck maakte tijdens en kort na de oorlog ook sterk gestileerde tekeningen van verwoeste landschappen aan het Ijzerfront. Het zijn deze tekeningen die Jos Léonard, werkzaam bij de redactie van Ons Volk Ontwaakt, later ontdekte. Op 18 september 1918 kreeg De Boeck een vergunning om als schilder te reizen en te werken. Deze vergunning expliciteerde ook wat niet weergegeven mocht worden. Het was tevens de laatste periode dat De Boeck en plein air zal schilderen. Een Duits geweer en een aarden beker, achtergelaten door de Duitsers tijdens hun vlucht, bewaarde De Boeck zijn leven lang.

 

De allereerste manifestaties van sterk geabstraheerde werken duiken op in 1918. Deze zijn gekenmerkt door een sterke vereenvoudiging met een opvallend gebruik van parallelle lijnen. De lijntekeningen, vaak in inkt met pen aangebracht, ontstonden vaak uit detaillistische observaties. De dynamische motieven zijn gebaseerd op de krullende lijn, hebben een sterke organische insteek en dragen vaak de titel Beweging. De evolutie naar de abstractie werd verder voorbereid in de reeks Maskers van 1918-1919, wanneer De Boeck tijdens een korte periode uitgesproken sociaal geëngageerde tekeningen en schilderijen maakte. Naast een portret van de in hechtenis zittende August Borms, vinden we bijvoorbeeld de tekening van het Tragisch koppel. Dit werk handelt over de syfilisplaag die Drogenbos na WOI teisterde. Toch blijven zulke directe referenties naar gebeurtenissen uit zijn omgeving relatief beperkt binnen zijn oeuvre. Het is duidelijk dat het sociaal geëngageerde van het futurisme niet enkel een weerslag vond in de vormvernieuwing binnen zijn kunst, maar ook in de ietwat vage en naïeve idealen van ‘gemeenschapskunst’ en de Zuivere Beelding aan het begin van de jaren 1920. De Boeck zal, samen met zijn collega’s, een nieuwe rationele kunst propageren voor een nieuwe wereld zonder oorlog. 

 


WERELDOORLOG I - ERFGOED IN EEN MUSEUM VOOR BEELDCULTUUR

 

 

Precies honderd jaar geleden raakte de wereld verstrikt in een gruwelijke oorlog. Ter gelegenheid van deze herdenking nam het Leuvense museum M het Wereldoorlog I-erfgoed in zijn collectie onder de loep. De collectie is divers en benadert het oorlogsverleden vanuit verschillende perspectieven. De verzameling militaria omvat onder andere geweren, Duitse pinhelmen, munitietassen en vlaggen. De militaire objecten zijn vooral documentair van aard. Verder illustreren diverse stadsplannen met projectvoorstellen de naoorlogse discussies rond de heraanleg van het verwoeste stadscentrum van Leuven en de vormgeving van het voormalige Fochplein, nu Rector De Somerplein. Het debat woedde immers hevig tussen een moderniserende aanpak, een historiserende benadering en visies die de herinnering aan de Groote Oorlog in de architectuur wensten te integreren. 

 

De omvangrijke numismatische collectie van museum M bevat eveneens heel wat aan WOI gerelateerde stukken, zoals noodgeld uitgegeven door lokale besturen, militaire eretekens en onderscheidingen, en tal van herdenkingsmedailles die in de nasleep van de oorlog de heldendaden van België in herinnering brachten. Ten slotte biedt het werk van beeldende kunstenaars een inzicht in hoe zij op artistieke wijze de traumatische oorlogsgebeurtenissen interpreteerden en verwerkten. Op deze beide laatste collecties gaan we aan de hand van enkele sprekende voorbeelden wat dieper in.

 

 

VOEDINGSBODEM VOOR NIEUWE KUNST

 

Hoewel in tijden van conflict heel wat erfgoed verloren gaat, vormt oorlog ook een sterke voedingsbodem voor het ontstaan van nieuwe kunst. De Leuvense kunstenaar Alfred-Napoléon Delaunois (1875-1941), leraar en later directeur aan de Leuvense academie, hield van de stad waar hij was opgegroeid, en bracht haar veelvuldig in beeld. Met lede ogen zag Delaunois aan hoe zijn geliefde Leuven verwoest werd. De inval van de Duitse troepen, de systematische plundering en vernieling legde hij vast in tal van beklijvende tekeningen, aquarellen en gouaches. Net als andere kunstenaars ging hij hiermee in tegen het uitdrukkelijke Duitse verbod om de vernielingen in beeld te brengen.

 

De verwoesting van Leuven riep wereldwijd grote verontwaardiging op. Vooral de vernieling door brand van de historische universiteitsbibliotheek en haar collectie werd een internationaal symbool voor de Duitse barbarij. Delaunois schilderde de vernielde bibliotheek meermaals. Met een grauw en somber palet geeft hij uitdrukking aan de neerslachtigheid. De kenmerkende arcaden van de Salle des pas perdus in de universiteitshal herinneren nog aan het eens zo indrukwekkende interieur. De monumentale trap op de voorgrond leidde naar de leeszaal van de bibliotheek op de bovenverdieping. De brand richtte er een totale ravage aan. Naast de ruïnes bracht Delaunois ook de mens tijdens de oorlog in beeld. In vele kleine schetsen tekende hij patrouillerende cavaleristen, soldaten met het geweer in aanslag, paard en kar die munitie en rantsoen aanleveren, maar ook burgerslachtoffers. Met enkele trefzekere lijnen schetste hij twee levenloze lichamen en de silhouetten van vier Duitse soldaten. De opstijgende rookpluimen op de achtergrond suggereren het nasmeulende vuur in de binnenstad. Dergelijke schetsen waren Delaunois’ voorstudies voor tekeningen in groter formaat. Hierop brengt de kunstenaar de ruïnes en de soldaten samen in een totaalbeeld, zoals in het uitzicht op de Oude Markt. De schade aan woonhuizen en winkels op de Oude Markt was net zo groot als in de verwoeste universiteitshal en haar bibliotheek. Op de voorgrond tekende Delaunois de bedrijvigheid van Duitse soldaten.

 

 

NA DE BRAND

 

Louise Symoens (†1960) was de enige overlevende van haar gezin na de brand op de Oude Markt van Leuven in augustus 1914. Uit de erfenis van één van haar zonen, Leo Vandeven (°1929), komt deze litho van een tekening in houtskool, binnengebracht op een collectiedag in Aarschot. Het opschrift leest ‘Ruïne de l’église St. Pierre à Louvain en 1914’, met ondertekening door Adolf Van Elstraete (1862–1939), medestichter en voorzitter van de Koninklijke Kunstkring van Leuven.

 

 

VERSTILLING 

 

Vrijwel het hele stadscentrum van Leuven werd op Duits bevel in de as gelegd. Heel wat historische gebouwen werden vernield. Alleen het stadhuis werd beschermd tegen de vlammen. Het Duitse leger had in het prominente gebouw immers zijn hoofdkwartier ingericht. Adolf Van Elstraete (1862–1939), medestichter en voorzitter van de Cercle Royal Artistique/Koninklijke Kunstkring van Leuven, schilderde het onaangeroerde stadhuis omgeven door het puin van de omliggende gebouwen. De spitse gotische torens prijken in vol ornaat aan de horizon. In deze aquarel hanteert hij een verfijnde stijl en zachte pastelkleuren, waarmee hij een verstilde sfeer evoceert.

 

Louis Jotthier (1866–1942), leraar beeldhouwen en modelleren aan de Leuvense academie, verbeeldde in Het vastgelopen kanon een groep Belgische rijdende artilleristen. Met behulp van een krachtig stel paarden trachten zij een vastgelopen 75mm kanon uit de modder los te rijden. Een artilleriesoldaat berijdt één van de paarden, terwijl de anderen met zichtbare moeite pogen het zware kanon in beweging te brengen. De rood gekleurde gipssculptuur werd na de oorlog door de inwoners van Leuven aan het plaatselijke garnizoen geschonken.

 

De Leuvense beeldhouwer en medailleur Frantz Vermeylen (1857–1922) ontwierp een medaille ter ere van het comité Art et Charité, een liefdadigheidsinstelling die na de brand van 1914 in Leuven in het leven was geroepen. Ook Alfred Delaunois zette zich belangeloos in voor dit goede doel. Hij riep collegakunstenaars op om kunstwerken te schenken voor een tombolatentoonstelling ten voordele van het comité. De medaille van Vermeylen illustreert de gulle giften aan Art et Charité: een hand strooit muntstukken uit over het wapen van Leuven. Vlammen en rook herinneren aan de grote brand. Op de keerzijde verwijzen een vrouw met de vinger op de lippen en het devies van het comité, Secours discret, naar het geheime aspect. De medaille werd immers clandestien geslagen en verkocht ten voordele van Art et Charité

 

 


OORLOG EN VERNIETIGING IN HET STEDELIJK MUSEUM VAN AARSCHOT

 

 

In de geschiedschrijving van de Eerste Wereldoorlog werd de stad Aarschot, naast Visé, Andenne, Dendermonde, Dinant, Leuven en Tamines, Martelaarsstad gedoopt, vanwege de terreur tegen de burgerbevolking en de verwoesting van huizen en cultureel erfgoed in augustus en september 1914. Een dag na de Duitse inval nam op 5 augustus 1914 de Belgische Generale Staf zijn intrek in Leuven en poogde van daaruit de vijand in het Hageland op te houden. Elke weerstand die het Duitse leger ondervond, werd op burgers gewroken. Elk verdwaald schot dat volgens de Duitsers van de deelname van burgers aan de oorlog getuigde, lokte vreselijke vergeldingsacties uit. Zo ook in Aarschot. Overeenkomsten tussen het optreden van de Duitsers in de zeven Martelaarssteden, zichtbaar in het doden van inwoners en in het vernietigen van culturele identiteit, wijzen op een militaire strategie. Door het breken van de weerstand, kon de bezetter nadien met weinig moeite de bevolking onder controle houden en het land leegroven. 

 

 

GRUWELIJKE WRAAK

 

In de zaal ‘Oorlog en vernietiging’ evoceert het Stedelijk Museum aan de hand van een film, samengesteld door de Werkgroep voor Aarschotse Geschiedenis, Documentatie en Informatie, en een collectie representatieve beelden en voorwerpen het historisch relaas van Aarschot in deze periode, alsook de artistieke verwerking van de oorlogsgruwelen.

 

Na de bloedige confrontatie met de superieure Duitse troepenmacht aan de Getelinie trok het Belgische leger zich op 18 augustus in Antwerpen terug. Om de terugtocht te dekken, werden in Aarschot oprukkende Duitse troepen opgewacht door de gemengde brigade van de 3de Divisie, onder bevel van generaal-majoor Jansen. De 4de Compagnie van het Eerste Bataljon van het 9de Linieregiment, onder bevel van kapitein Gilson, was gelegerd langs de spoorwegberm tussen de Lierse- en de Herseltsesteenweg. Ondanks zware verliezen kon deze compagnie het Duitse leger meer dan twee uur ophouden. Kapitein Gilson bleef trouw op post tot hij bijna volledig door de vijand omsingeld was. Daarna heeft hij de aftocht van zijn compagnie met succes geleid. Aarschot eerde hem voor zijn moed met een medaille. Er werd een plein naar hem genoemd, waarop zijn borstbeeld prijkt.

 

Na een moeizame inname trok op 19 augustus de Duitse 8ste Infanteriebrigade Aarschot binnen. Dezelfde dag werd generaal-majoor Johannes Stenger, de commandant van deze eenheid, doodgeschoten op het balkon van de eerste verdieping van het burgemeestershuis op de Grote Markt. Na de dood van Stenger werd de stad afgebrand en ontruimd. Er volgde een verschrikkelijke wraakactie tegen de Aarschotse bevolking. Burgemeester Jozef Tielemans werd verantwoordelijk gesteld en nog dezelfde nacht van 19 op 20 augustus, samen met zijn broer Emile en zijn 15-jarige zoon Louis, gefusilleerd. 170 Aarschotse burgers ondergingen hetzelfde lot. Over de ware toedracht van de moord op generaal-majoor Stenger wordt nog steeds gespeculeerd. De betrokkenheid van Aarschotse burgers werd echter weerlegd in meerdere getuigenverklaringen.

 

 

ERKENDE OORLOGSWEDUWE

 

Karel Lamotte werd geboren in 1871 en was machinist. Hij vond als burgerslachtoffer op 19 augustus 1914 in Aarschot de dood bij Duitse vergeldingsacties, net als de man van zijn zus, Victor Page. Het document van het ministerie van Financiën uit 31 december 1920 is gericht aan zijn vrouw, Rosalie Lamotte-Delsaert. Dit document gaf haar als erkende oorlogsweduwe recht op een jaarlijkse uitkering van de overheid.

 

 

Op 9 september 1914 werd Aarschot bevrijd door Belgische troepen onder bevel van luitenant-generaal de Witte. De herovering was slechts van korte duur. Op 13 september volgde een tweede bezetting en de stad werd opnieuw in brand gestoken. Op 16 september 1914 gingen het stadhuis en het stadsarchief in de vlammen op. Zo verloor Aarschot een belangrijk deel van zijn geschiedenis en culturele identiteit. Het pas geklasseerde kerkarchief werd door het Duitse leger meegevoerd, maar kon in 1917 en 1918 gerecupereerd worden, o.a. dankzij een priester die kisten vol Aarschots stadsarchief aantrof in een verlaten auto in het West-Vlaamse Zwevegem. 

 

De huizen met de boodschap ‘Dieses Haus ist zu Schützen’ werden bewust gespaard. Ook Alexander Powell, een Amerikaanse correspondent van The New York World, die samen met fotograaf Donald Thompson ten tijde van de belegering van Antwerpen (augustus-oktober 1914) rondtrok in België, merkte het volgende op: “This is no accidential conflagration, mind you, for scattered here and there were houses which stood undamaged and in every such case there was scrawled with chalk upon their doors Gute Leute. Nicht zu plundern”. 

 

In december 1914 werden de lijken van de burgerslachtoffers ontgraven en geidentificeerd, soms aan de hand van voorwerpen. De familieleden wachtten bang af, want ze wisten niet wie doodgeschoten en wie ontsnapt was. 

 

 

IN HET GEHEUGEN

 

De gruwelijke oorlogsgebeurtenissen nestelden zich sterk in het lokale collectieve geheugen en gaven aanleiding tot een herdenkingscultuur, zichtbaar in artistieke creaties. 

 

Hoewel hij pas twee jaar oud was toen het oorlogsdrama zich afspeelde, raakte priester-leraar Jozef Devroey (1912-1999) zwaar getraumatiseerd, aangezien zijn vader het leven liet tijdens de bewuste ‘Bloednacht’ van 19 op 20 augustus 1914. Onder zijn impuls werd in 1965 naast de bestaande herdenkingszuil het Sint-Rochusmemoriaal gebouwd op de plaats waar burgerslachtoffers gefusilleerd waren. In deze modernistische kapel, ontworpen door architect Marc Desauvage (1931-1984), zou het half verbrande beeld Christus op de Koude Steen (tweede helft zestiende eeuw), gered uit de brand van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, permanent tentoongesteld worden als symbool van de gefusilleerde burgerslachtoffers. Jozef Devroey pende oorlogsherinneringen neer in Woensdag 19 augustus 1914 Aarschot en uitte in tekeningen en schilderijen de diepe en terechte verontwaardiging, die hem steeds parten bleef spelen. Vele van zijn werken worden bewaard in het Aartsbisschoppelijk Archief van Mechelen. Het Stedelijk Museum Aarschot toont een collage die hij samenstelde met kogelhulzen en koorden waarmee de handen van de burgerslachtoffers voor de terechtstelling samengebonden waren. Als erkenning voor zijn inzet om het oorlogsdrama blijvend te herinneren, kreeg hij in 2009 een straatnaam toegekend.

 

Hubert (‘Betje’) Van den Broeck (1905-1983), een Aarschots volksschilder, had het oorlogsdrama in Aarschot als kind meegemaakt. Op zijn 21ste schilderde hij Dood en verwoesting in Aarschot (of De dood zwaait vuur en dood over de stad), atypisch voor zijn oeuvre. Hij verwierf lokale bekendheid als kopiist van werken van Vlaamse meesters en als portrettist. Hij schilderde ook stillevens en Aarschotse stadsgezichten. Na zijn studies aan de Leuvense Academie voor Schone Kunsten, aan de Antwerpse Academie en in Brussel, werd hem voorgesteld zich in Rome te perfectioneren zoals de Vlaamse meesters, maar de zorg over zijn kroostrijk gezin kreeg voorrang. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verkocht hij vele van zijn werken uit noodzaak. Hubert Van den Broeck was vorige eeuw opvallend aanwezig in de Aarschotse huiskamer.

 


FURORE TEUTONICO DIRUTA, DONO AMERICANO RESTITUTA

 

 

Leuven wordt gedomineerd door de toren van de universiteitsbibliotheek. Hij is een massief symbool van het twintigste-eeuwse oorlogsverleden van de stad, vanwege de dubbele vernieling en tweevoudige wederopbouw van de bibliotheek. Vooral de Grote Oorlog heeft zijn stempel gedrukt op het Leuvense stadsbeeld dat een mengeling is van oud en nieuw én van vieux-neuf, zoals het bibliotheekgebouw. Sinds kort is de toren toegankelijk. Tijdens een pittige klim van 300 treden kan u op vijf verdiepingen op verhaal komen. Het parcours begint bij WOI en eindigt bij de beiaard die een vredesboodschap wil uitdragen. De evocatie bestaat uit veel (soms bewegend) beeld en weinig tekst. Het beeldmateriaal is erg uiteenlopend: veel foto’s, prenten met stadsgezichten, prentbriefkaarten, een aanplakbiljet met oorlogspropaganda en reproducties van kunstwerken, zoals een wandtapijt van Floris Jespers. Het leeuwendeel stamt uit het Universiteitsarchief, maar ook het Leuvense Stadsarchief en Stanford University leverden beelden aan. De scenografie is minimaal, één enkele keer theatraal met gipsafgietsels van beelden en een montage van pleistermodellen van bouwfragmenten die in situ bewaard werden. In al zijn eenvoud blijft het verhaal van de brandende stad met het pakkende beeld van de geblakerde bibliotheek ijzersterk.

 

 

DE BRAND VAN LEUVEN

 

In de nacht van 25 op 26 augustus 1914 staken Duitse troepen een deel van de stad in brand als vergelding voor een aanval van vermeende sluipschutters. Dit schrikbewind ging de geschiedenis in als le Sac de Louvain. Leuven - the Oxford of Belgium - haalde de wereldpers. De rookkolommen vulden spoedig de frontpagina’s van Amerikaanse kranten. Toen de rook optrok, bleken ruim 2000 panden in de as gelegd en 248 burgers gedood. Honderden burgers waren op transport gesteld naar Duitsland. Dergelijke gruweldaden grepen, net als in andere Martelaarssteden zoals Aarschot, meestal plaats na afloop van gevechten. In Leuven was op 25 augustus een Belgische uitval net voor de stad gestrand. In de stad hadden Duitse soldaten elkaar bij valavond in paniek bestookt. Maar ze staken de schuld op schietende burgers, de legendarische francs-tireurs. Deze vermeende en verbeelde sluipschutters dienden als alibi voor de strafexpeditie. Vooral de universiteit en de clerus moesten het ontgelden. De toenmalige burgerij was in shock door de onverhoedse ervaring van complete weerloosheid tegenover het niets of niemand ontziend geweld. Leuven leek mee de opmaat te geven voor de ‘totale oorlog’, die ook burgers én erfgoed viseert.

 

 

EEN STORTVLOED VAN PROTEST

 

De brand van Leuven wekte afschuw in binnen- en buitenland. Het meest tot de verbeelding sprak de verwoesting van de universiteitsbibliotheek met haar 300.000 boekdelen. Als een bibliotheek in lichterlaaie staat, kunnen intellectuelen bezwaarlijk afzijdig blijven. Onder de titel Louvain schreven Angelsaksische universiteiten hun verfoeiing uit. Intussen schaarden vele Duitse intellectuelen zich als één man achter het optreden van hun leger. Wereldwijd werden Duitse cultuur en Westerse beschaving tegen elkaar in stelling gebracht. De verbrande bibliotheek van Leuven stond symbool voor het bedreigde Europese erfgoed. Duitsland kon voortaan als een natie van cultuurbarbaren worden neergezet. Binnenaanzichten van de bibliotheek van vóór en na de brand gingen op prentbriefkaarten de wereld rond en Kultur werd een schamper slagwoord in de geallieerde propaganda.

 

 

EEN GOLF VAN SOLIDARITEIT

 

Nog tijdens de oorlog waren in vijfentwintig landen steuncomités opgericht die geld en boeken inzamelden. Nederland nam het voortouw. De campagne liep parallel met humanitaire acties. Duitsland van zijn kant moest na de oorlog in uitvoering van het Verdrag van Versailles voor 13 miljoen mark aan boeken leveren. Zo kwam er een dubbele boekenstroom op gang, die enkel nog onderdak moest vinden. Het Amerikaanse comité stal de show met zijn aanbod van een nieuw bibliotheekgebouw. Het idee voor het herstel van de bibliotheek was in Parijs gerezen, maar de Fransen lieten de constructie en vooral de financiering aan de Amerikanen over. Als verbindingsman fungeerde architect Whitney Warren (1864-1943), die in Parijs was opgeleid maar naam had gemaakt met de bouw van het centraal station in New York. Vooral Amerikaanse onderwijsinstellingen, maar ook de politie van New York droegen hun steentje bij. Toen de dollarstroom opdroogde, sprong Herbert Hoover bij met zijn Commission for Relief in Belgium. De werkzaamheden duurden tot 1928 en de bouwsom liep op tot een miljoen dollar. 

 

Het resultaat was een moderne bibliotheek naar Amerikaans model, een functioneel bouwwerk in een dubbele vermomming. De vormgeving is historiserend: Vlaamse renaissance op Amerikaanse schaal. En het geheel is uitgemonsterd als een oorlogsgedenkteken, een versteende herinnering aan de geallieerde solidariteit en aan de transatlantische samenwerking bij de wederopbouw. Furore Teutonico diruta, dono Americano restituta - ‘Door Duits geweld geveld, met Amerikaans geld hersteld’, zo luidde de ophefmakende inscriptie die in de balustrade zou worden verwerkt. Omdat de rector de relaties met Duitsland wou normaliseren, is de tekst nooit aangebracht. Enkele letters van de fameuze balustrade zijn onder de vorm van pleistermodellen aanwezig in het parcours. Misschien was het ook niet zo’n goed idee om een bibliotheek uit te dossen als een oorlogsmonument. Helemaal aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, in de nacht van 16 op 17 mei 1940, tussen de aftocht van de Britten en de Duitse intocht, ging ze weer in vlammen op. Het verhaal gaat dat Duitse officieren in mei 1940 informeerden naar de bibliotheek met het anti-Duitse opschrift. Rijksminister voor propaganda Goebbels probeerde alsnog de schuld in de schoenen van de Britten te schuiven. De universiteit moest alvast voor de tweede keer in een kwarteeuw tijd haar bibliotheek heropbouwen. 

 

 

DAN BEN IK GERUST

 

Het contact met het IJzerfront verliep erg moeizaam. Brieven gesmokkeld via het neutrale Nederland, raakten dikwijls niet op hun bestemming. Familieleden wisten dus vaak niet hoe het met de soldaten ging, zelfs niet of ze nog leefden. François Verdeyen uit Herent schreef geregeld naar zijn zoon Emile aan de IJzer, maar kreeg zelden antwoord. We weten niet waarom. Misschien heeft hij die brieven wel nooit ontvangen: “Winksele, 16 maart 1915. Zoon Emil, nauwelijks vier weken verloopen dat wij van u door Madamme Wynants nog tijding gehat hebben koom ik nogmaals u eenigen woorden van vrindschap te schrijven (…) ik heb u al drie maal geschreven of het u mogelijk is zelf een briefje te schrijven. Dan ben ik gerust.”

 

 

VREDESBEIAARD

 

Dit verleden wordt in woord en beeld opgeroepen terwijl u klimt naar de klokken die ook verbonden zijn met de Groote Oorlog. In oorlogstijd liepen bronzen klokken immers groot gevaar hergoten te worden tot kanongeschut. Tijdens de brand van Leuven was in 1914 de stadsbeiaard in de Sint-Pieterkerk verwoest. Daarnaast waren nog tien andere Belgische beiaarden ten prooi gevallen aan vernieling of opeising. De geallieerde propaganda stelde de beiaarden voor als vrijheidssymbolen die door de bezetter ten gronde waren gericht. In de toren van de Leuvense bibliotheek werd in 1928 een beiaard van 48 klokken (één per Amerikaanse staat) geinstalleerd als aandenken aan de gesneuvelde Amerikaanse ingenieurs. Klokken luiden voor de doden en zingen van de vrede, naar het woord van Schiller: Friede sei ihr erst Geläute. 

 


SPEUREN NAAR SPOREN VAN DE EERSTE WERELDOORLOG IN DE GETEVALLEI

 

 

De voorbije decennia is de interesse voor het erfgoed van de Eerste Wereldoorlog toegenomen. Het agentschap Onroerend Erfgoed investeert niet alleen in meer onderzoek over dit thema. Het geeft er ook bij inventarisatie- en beschermingscampagnes extra aandacht aan en beperkt zich hierbij niet tot de Westhoek. In heel Vlaanderen zijn intussen de militaire begraafplaatsen beschermd, evenals vele oorlogsgedenktekens, zoals de Oplinterspoort in Tienen. Bovendien leeft de trend om oorlogserfgoed breed te interpreteren, met aandacht voor de ruimtelijke context, zoals de band tussen de ligging van monumenten en het slagveld waarop ze alluderen. Ook landschappelijke elementen die getuigen van het oorlogsverleden, genieten recent terecht belangstelling.

 

Bijna 100 jaar geleden stond de Getevallei in het oosten van de toenmalige provincie Brabant plots in het militaire brandpunt. In 1914 zette het Belgische leger voor ’s lands verdediging in op de drie fortengordels rond Luik, Antwerpen en Namen, maar het veldleger werd gepositioneerd aan de Getelinie. De botsing op 18 augustus 1914 tussen Duitse en Belgische troepen ter hoogte van de Gete trok een spoor van vernieling tussen Tienen en Diest. Een eeuw later zijn de oorlogssporen grotendeels uitgewist, maar toch zijn er nog aanknopingspunten om het oorlogsverhaal te brengen, niet in het minst in de Getevallei zelf.

 

 

SPOREN VAN EEN ‘OORLOGSLANDSCHAP'

 

Waarom de Getevallei één van de eerste slagvelden van Eerste Wereldoorlog werd, heeft te maken met de terreinomstandigheden. Die waren geschikt voor de opstelling van een veldleger en gunstig voor oorlogsvoering: achter een waterlinie, voorzien van hoogteverschillen en een moeilijk te overschrijden natte vallei. De westelijke valleirand is vrijwel overal hoger, waardoor een vanuit het oosten naderende vijand op open terrein in het dal een makkelijk doelwit voor de gevechtsbatterijen op de hoger gelegen valleigrond zou vormen. Wilden de Duitse troepen bijvoorbeeld ten noorden van het Belgische veldleger oprukken, dan moesten ze eerst de brede Getevallei oversteken en ook nog het water van de Kleine en/of Grote Gete overgeraken. Dat kon alleen via doorgangswegen en brugovergangen. De grootste troepenmacht moest de verwachte Duitse opmars vanuit Luik aan de uitvalswegen rond Tienen en Jodoigne opvangen. In het lager gelegen deel van de Getevallei ten noorden van Tienen zou een beperktere troepenmacht de Duitse troepenbewegingen de pas kunnen afsnijden door een beperkt aantal punten op de Gete te verdedigen, met name bij brugovergangen. Het beperkt aantal wegen dwong de troepen via flessenhalzen de vallei over te steken, zoals langs de weg Zoutleeuw-Drieslinter, Nieuwerkerken-Budingen, Rummen-Geetbets. 

 

Een combinatie van elementen uit de fysische geografie (reliëf, waterloop, natte vallei), het cultuurhistorische landschap (uitvalswegen, spoorwegen, communicatielijnen) en de militaire strategie, verklaart dus de keuze voor de linie-opstelling aan de Gete en het strategische onderscheid tussen haar boven- en benedenloop. De terreinvoordelen voor het voeren van een verdedigende veldslag werden er maximaal benut, al bleken ze uiteindelijk van beperkt nut.

 

Toen Duitse verkenners de posities van het Belgisch leger bij de Getevallei lokaliseerden, greep de legerleiding de kans om komaf te maken met hun tegenstander. Want die lag te dicht bij de noordflank van de Duitse opmars en zou daardoor de infanteriecolonnes voortdurend kunnen hinderen. Het Duitse aanvalsdoel was het Belgische veldleger in een omtrekkende beweging ten noorden van Tienen de pas af te snijden, om de terugtrekking naar Antwerpen te verhinderen. Het werd een overrompeling op 18 augustus 1914. De stellingen van de Belgen waren totaal niet opgewassen tegen de Duitse troepenmacht, superieur in getalsterkte, artilleriekracht en training. Na enkele uren trokken de Belgen zich terug. De troepen die de terugtocht dekten, leden bij Grimde en Sint-Margriete-Houtem zware verliezen. 

 

 

PASTOOR VANDEWEYER VAN HELEN-BOS

 

Op 10 augustus 1914 leverden Duitsers en Belgen slag aan de Gete, ten oosten van Tienen. In het dorpje Helen-Bos nabij Zoutleeuw, even achter het front, kwam die middag een Duitse ruitereenheid aan. Uit angst of uit voorzorg hadden de Duitsers het speciaal gemunt op priesters die ze ervan verdachten hun parochianen tegen de vijand op te hitsen. Pastoor Vandeweyer van Helen-Bos werd toen hard aangepakt: “Om half vier in de namiddag stonden ze daar ineens, een bende bloeddorstige tijgers, op zoek naar de mannen van het dorp. Ik zat vanachter in den hof van de pastorij toen opeens langs alle kanten geweervuur klonk. Nauwelijks was ik binnen of een zware schrapnel schoot dwars door het huis. Ik vluchtte weg en liep recht in de armen van twee Duitsers. De kennis van de Duitse taal redde me: ik vroeg naar hun oversten en zo won ik tijd. Niettemin sloegen ze mij naar de hoeve van Lenaerts, vlak naast de pastorij. Drie mannen stonden er aan mekaar vastgebonden: de oude vader van vrouw Lenaerts, hun knecht, en dan nog een Belgische soldaat. Tot ’s avonds half zeven hielden ze ons daar vast. Terug thuis zag ik dat de Duitsers mijn pastorij in brand hadden gestoken. Maar dat was nog niet het ergste. Pas later vernam ik dat ze vòòr mijn aanhouding, in het dorp, één voor één alle huizen waren binnengevallen. En dat ze zeven van mijn parochianen hadden gedood! Moge God die arme sukkelaars genadig zijn.”

 

 

ERFGOED VAN DE GETELINIE 

 

In 100 jaar is het valleilandschap van de benedenloop van de Gete waar de veldslag plaatsvond, relatief weinig veranderd. Ruimtelijk vormt de Gete een vallei met laag gelegen graas- en hooilanden, doortrokken van een grachtensysteem. De overgang naar de hoger gelegen akkergronden is duidelijk. De bebouwing concentreert zich in dorpen en in lintbebouwing langs de wegen aan de valleirand. Dit karakter van een open beemdenlandschap met een beperkte wegeninfrastructuur en brugovergangen heeft de vallei nog altijd. Kortom, de landschappelijke omgevingsfactoren zijn nog zeer gelijkend aan die van de Eerste Wereldoorlog. De zichten op de vallei vanuit hoger gelegen posities ten westen van de Gete zijn sindsdien wel wat ingeperkt door de uitdijende lintbebouwing langs wegen parallel aan de valleirand, maar de vallei zelf is nog tamelijk gaaf. 

 

Archeologisch WOI-erfgoed is hier waarschijnlijk beperkt aanwezig. De militaire infrastructuur is er nooit sterk uitgebouwd geweest, in de verste verte niet vergelijkbaar met het oorlogslandschap zoals dat later in de Ieperboog tot stand kwam. Daarvoor was de duur van de slag te kortstondig. De holle wegen op de valleihellingen boden wel beschutting en in het beste geval werden oppervlakkige greppels of loopgraven aangelegd, maar de Getelinie was zeker geen ononderbroken linie van loopgraven. De archeologische afdruk van het oorlogsgeweld rond de Gete is daardoor beperkt tot onder meer paardengraven en later geruimde, kleine begraafplaatsen.

 

Het best herkenbaar zijn de huidige militaire begraafplaatsen van Halen, SintMargriete-Houtem en de necropolis van Grimde. In 1914 lag de westelijke valleirand bezaaid met kleine begraafplaatsen met Duitse en/of Belgische graven. De meeste zijn geruimd en tot grotere militaire begraafplaatsen geconcentreerd. Zo evolueerde de begraafplaats van Sint-Margriete-Houtem van een Duitse begraafplaats met 77 doden tot een gemengde met 173 gesneuvelden. Tot juli 1916 was de Société du Souvenir du Soldat bezig met het ontgraven en identificeren van verspreid liggende oorlogsslachtoffers in de Tiense regio. Onder meer de natuurstenen ommuring getuigt nog van de oorspronkelijk Duitse aanleg. De Duitse graven plaatste men achteraan op een verhoog, met centraal het gedenkteken van Baronin von Vraniczani. Dit beeldhouwwerk van een jongeman met Duitse helm, door de omwonenden ‘August’ genoemd naar het opschrift ‘AUGUST 1914’, verloor door vandalisme zijn kop en draagt sinds de restauratie geen hoofddeksel meer.

 


PRAKTISCH


BELEVINGSCENTRUM ’14-‘18

Kruineikestraat 5, 3150 Tildonk

grooteoorlog@vlaamsbrabant.be

www.vlaamsbrabant14-18.be

openingsuren di-zo: van 10 tot 16.45 uur (laatste tickets om 16 uur), open op zon- en feestdagen, maandag gesloten

prijs -12 jaar: gratis, 12-25 jaar: € 1, vanaf 26 jaar: € 3 Groepen vanaf 20 personen: € 1 per persoon

Begeleiders van mensen met een beperking: gratis Leraren: gratis op vertoon van lerarenkaart


BIBLIOTHEEKTOREN

De Bibliotheektoren wordt geëxploiteerd door de stad Leuven. Het project werd gefinancierd door Toerisme Vlaanderen en de provincie Vlaams-Brabant. Voor de inhoudelijke invulling zorgden het universiteitsarchief en de universiteitsbibliotheek van de KU Leuven, voor de vormgeving het ontwerpbureau Fugzia (Tom Suetens & Wannes Vanhee). Voor meer informatie over openingstijden en toegangskaartjes: www.bibliotheektoren.be.


STEDELIJK MUSEUM AARSCHOT

Elisabethlaan 103, 3200 Aarschot

016 568 451

museum@aarschot.be

www.aarschot.be

openingsuren van di-vrij van 9 tot 12 en van 13 tot 16.30 uur, op zaterdag en zondag van 14 tot 18 uur, gesloten op maandagen en feestdagen

 

tijdelijke tentoonstelling

Van 9/8 tot en met 9/10/2014 organiseert het Stedelijk Museum Aarschot een tijdelijke tentoonstelling over Martelaarstad Aarschot.

 

Voor meer info over herdenkingsactiviteiten in Aarschot:

www.aarschot.be/herdenking-100-jaar-wo-i

www.martelaarsteden.be


ONROEREND ERFGOED

Koning Albert II-laan 19 bus 5, 1210 Brussel

02 553 16 50

open 9 -17 uur

www.onroerenderfgoed.be


M – MUSEUM LEUVEN

Vanderkelenstraat 28, 3000 Leuven

016 272 929

bezoekm@leuven.be

www.mleuven.be

openingsuren maandag, dinsdag, vrijdag, zaterdag en zondag van 11 tot 18 uur; op donderdag van 11 tot 22 uur; gesloten op woensdag


FELIXART MUSEUM

Kuikenstraat 6, 1620 Drogenbos

02 377 57 22

www.felixart.org

openingsuren donderdag tot zondag van 10.30 tot 17 uur


DE OORLOGSCOLLECTIE

Wil je je helemaal verdiepen in de Eerste Wereldoorlog? Duik dan het Documentatiecentrum Vlaams-Brabant in. De collectie van deze bewaarbibliotheek telt maar liefst 7000 boeken en tijdschriften over het Vlaams-Brabantse verleden en erfgoed, met aandacht voor het lokale niveau. Via het internet doorzoek je in een wip de hele collectie.

Surf naar www.docvlaamsbrabant.bibliotheek.be en zoek op ‘Wereldoorlog I’.

Of doorloop de WOI-bibliografie op www.vlaamsbrabant.be/WOI

Documentatiecentrum, Vaartstraat 24, 3000 Leuven.


OVERZICHTSBOEK ‘GROOTE OORLOG IN VLAAMS-BRABANT’ 

De internationale context, de krijgsverrichtingen, de represailles, het dagelijkse leven tijdens de oorlogsjaren en de herdenking en heropbouw nadien. Het komt allemaal aan bod in het mooie overzichtsboek ‘Groote Oorlog in Vlaams-Brabant’ van auteurs Ruben Donvil en Herman Van de Vijver. Het boek is rijk geïllustreerd met sprekende foto’s, spotprenten, krantenartikels, dagboeken en ander erfgoedmateriaal.

Te verkrijgen in het Belevingscentrum ’14-’18 in Tildonk of op www.vlaamsbrabant14-18.be.


VERBORGEN ERFGOED UIT WOI OP ERFGOEDPLUS

Erfgoedplus.be is een online databank die cultureel erfgoed uit Vlaams-Brabant inventariseert en toegankelijk maakt. Via de website ontsluit de provincie Vlaams-Brabant objecten uit collecties van erfgoedbeherende organisaties. Zo worden alle objecten in de M-collectie die verbonden zijn met de Eerste Wereldoorlog, na grondig registratie binnenkort opgenomen als thematische deelcollectie. Ook een waardevolle verzameling bidprentjes en ander WOI-herdenkingserfgoed uit het Stedelijk Museum van Aarschot zijn online te raadplegen. Bovendien maakt de website ook de sterk verspreide WOI-erfgoedstukken uit particuliere collecties zichtbaar. Voorwerpen, foto’s, brieven of andere herinneringen aan de Eerste Wereldoorlog kunnen er bekeken worden. Uit interesse, uit professioneel oogpunt, voor een werkje voor school, voor een toeristische brochure of rondleiding … alle redenen zijn goed om Erfgoedplus.be te doorzoeken. En wij garanderen dat je meer vindt dan je zoekt!


AUTEURS

 

Mark Derez is verbonden aan het Universiteitsarchief van de KU Leuven. Hij publiceerde eerder over de geschiedenis van stad en universiteit met bijzondere belangstelling voor oorlog en architectuur.

Jo De Cuyper is conservator van het Stedelijk Museum Aarschot. Zij dankt de Werkgroep voor Geschiedenis, Documentatie en Informatie, de Aarschotse Hertogelijke Kring voor Heemkunde, de archivaris van het archief van de O.L.V.-kerk, Chris Van Haesendonck en Magda Vanden Broeck voor correcties en toevoegingen, en Ivo Van Hees en Berten Fotografie voor het beeldmateriaal.

Loes Verschuren studeerde in 2011 af als Master in de Kunstwetenschappen aan de KU Leuven. Gedurende enkele maanden bestudeerde en registreerde zij de WOIgerelateerde objecten in de vaste collectie van museum M. Sinds mei 2014 is zij als wetenschappelijk medewerker werkzaam bij het Centrum voor Religieuze Kunst en Cultuur (CRKC) te Heverlee.

Hilde Verboven is erfgoedonderzoeker bij het Vlaamse agentschap Onroerend Erfgoed. Eerste Wereldoorlog en cultuurhistorische landschappen behoren tot haar belangrijkste onderzoeksthema’s.

Sergio Servellón is sinds 2005 directeur van het FeliXart Museum dat hij heroriënteerde naar een thematische instelling met focus op de Belgische historische avant-garde en abstracte kunst. Naast retrospectieve tentoonstellingen over o.a. Karel Maes, Maurice Carlier, Paul Van Hoeydonck en Jan Yoors, publiceerde hij monografieën over het oeuvre van Felix De Boeck en Michel Seuphor.

Nicolas Mazeure is als bestuurssecretaris erfgoed werkzaam op de dienst cultuur van de Provincie VlaamsBrabant. Als verantwoordelijke historische projecten begeleidt hij, samen met Ruben Donvil, projectcoördinator Wereldoorlog I bij Toerisme Vlaams-Brabant vzw, de regionale werking met betrekking tot de WOI-herdenking.


BIBLIOGRAFIE

 

Bibliotheektoren:

D. Aerts, “Nieuw landmark in Leuven”, Ex Officina. Nieuws uit de universiteitsbibliotheek, 2014, 27/1, p. 7

 

Aarschot:

A. Powell, Fighting in Flanders, Londen, 1914 www.gutenberg.org/files/11394/11394-h/11394-h.htm

J. Meerbergen, De Duitse Bezetting te Aarschot, Aarschot, 1928

J. Meerbergen, Aarschot in 1914, Aarschot, 1928

J. Devroey, Woensdag 19 augustus 1914 Aarschot, Aarschot, s.d (heruitgave door Johan Noppen in 2013)

Tentoonstellingscatalogus Aarschot tijdens de oorlog 1914-1918, tentoonstelling ingericht door de Aarschotse Kring voor Heemkunde in samenwerking met het Stadsbestuur, Stedelijke Beroepsschool Amerstraat 5, 14-23 augustus 1964

Tentoonstellingscatalogus Aarschot en de oorlog 1914-1918, tentoonstelling ter herdenking aan woensdag 19, donderdag 20 en vrijdag 21 augustus 1914 ingericht door de Aarschotse Kring voor Heemkunde in samenwerking met de museumcommissie, Museum voor Heemkunde en folklore - Aarschot, 12 augustus-10 september 1989

A. Coeck e.a., Kroniek van Aarschot, deel 1, Tongerlo, 1993

J. Breugelmans e.a., Aarschot 800 jaar Geschiedenis van Aarschot in woord en beeld, Aarschot, 2012 

 

Tildonk:

R. Casteels en G. Vandegoor, 1914 in de regio Haacht: kleine dorpen in de Grote Oorlog, Haachtse Geschied- en Oudheidkundige Kring, 1993

M. Rosier, “Het Ursulinenklooster te Tildonk: Art Nouveau-zaal uit 1903”, Haachts Geschied- en Oudheidkundig Tijdschrift, 1995, 10/1, p. 25-30

M. Rosier, “Het Ursulinenklooster te Tildonk: een bouwhistorisch en iconografisch overzicht”, Haachts Geschieden Oudheidkundig Tijdschrift, 1995, 10/3-4, p. 281-289

J. Gordts, “De grote kloosterbrand te Tildonk in 1928”, Haachts Geschied- en Oudheidkundig Tijdschrift, 1998, 13/3-4, p. 236-254.

R. Casteels, De Eerste Wereldoorlog in het dagboek van de Tildonkse Ursulinen, Haachtse Geschied- en Oudheidkundige Kring, 2013