U bent hier

De erfenis van Rogier van der Weyden

De erfenis van Rogier van der Weyden

 

Brussel: centrum van de schilderkunst

 

 

Het was al een hele poos geleden dat de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België in Brussel hun verzameling vijftiende-eeuwse schilderkunst met een grote expo voor het voetlicht hadden gebracht. 

 

 

centrum van de schilderkunst?

 

Véronique Bücken en Griet Steyaert, beiden verbonden aan de KMSKB, concipieerden een ambitieuze tentoonstelling die geschraagd wordt door vernieuwend wetenschappelijk onderzoek. Het doel van De erfenis van Rogier van der Weyden. De schilderkunst in Brussel (1450-1520) is het beeld van de laat vijftiende-eeuwse schilderkunst in Brussel en contreien scherper stellen. Verdere nuancering en uitdieping is een noodzaak. 

 

Sinds de ‘herontdekking’ van de kunst uit de Bourgondische Nederlanden, met name gematerialiseerd in de tentoonstelling Les Primitifs flamands et l’art ancien in 1902, werd Brugge als het belangrijkste kunstencentrum aangeduid. Jan van Eyck (ca. 1390-1441), Petrus Christus (ca. 1410/20-1475/76) en Hans Memling (ca. 1435- 1494) hadden er immers gewerkt. Van Eyck en Memling behoorden tot de weinige schilders die men in de negentiende eeuw nog apprecieerde. Rogier van der Weyden (1399/1400-1464) kreeg wel nog lovende recensies maar eigenlijk wist men niet meer zo goed wie hij was. De schilderkunst uit Brussel maakte dan ook geen deel uit van de catalogus van Les Primitifs flamands. Van der Weyden was op dat moment alweer gerehabiliteerd maar werd enkel met Doornik in verband gebracht.

 

Van der Weydens blazoen werd mondjesmaat opgepoetst. Het begon te dagen dat de man een groot kunstenaar was, maar het Brusselse milieu bleef onderbelicht. Nochtans werd Filips de Goede op 5 oktober 1430 in Leuven ingehuldigd als de 28ste hertog van Brabant. Enkele dagen later, op 8 oktober, nam hij zijn intrek in het paleis op de Coudenberg in Brussel. Vanaf dat moment werd Brussel de administratieve hoofdstad van het Bourgondische rijk. De aanwezigheid van het hof moest wel een zegen zijn voor het culturele leven. 

 

Men bleef niettemin in dezelfde termen over de schilders uit Brussel spreken. Het waren naar verluidt kleine meesters en allen navolgers van Van der Weyden: mindere goden. Het gebruik van de term ‘kleine meester’ bleek, zoals zo vaak, nefast. De vooraanstaande Gentse kunsthistoricus Georges Hulin de Loo (1862-1945) leverde belangrijk werk maar bedacht hen met de volgende typering: “une execution moins fine, moins soignée que les Brugeois et les Anversois et s’intéressent surtout à la composition.” Er was geen appreciatie van de intrinsieke kenmerken van hun kunstproductie, wel een afweging tegenover reeds gevestigde namen. 

 

Pas met het werk van de gerenommeerde connaisseur Max Jakob Friedländer (1867-1958) en enkele van zijn voorgangers, begon het tij te keren. Friedländer was ook bijzonder kritisch, maar maakte een classificatie en schreef schilderijen toe aan anonieme meesters die hij een zogenaamde noodnaam gaf. De naamloze meester werd genoemd naar de titel van zijn belangrijkste werk. 

 

Het Brusselse schilderlandschap kreeg op deze manier vorm met anonymi met bizarre namen zoals de Meester van de Barbaralegende, de Meester van de Catharinalegende, de Meester van de Vorstenportretten, de Meester van het gezicht op Sint-Goedele, de Meester van het Geboorduurde Loofwerk of de Meester van de Magdalenalegende. Colyn de Coter (ca. 1450-1539/1540) is de enige Brusselse schilder uit die tijd van wie gesigneerde werken overgeleverd zijn. Van Rogier van der Weyden is er geen enkele signatuur op een werk bekend. Zijn oeuvre berust grotendeels op toeschrijvingen. 

 

Archiefwerk moest vervolgens Friedländers classificatie verfijnen en zijn attributies verifiëren. Het blijft overigens zeer moeilijk om de vele namen die opdoken in verband te brengen met specifieke kunstwerken. Anonieme meesters met noodnamen mag men niet zomaar vereenzelvigen met één bepaalde kunstenaar. Bij deze kunsthistorische constructies kan het om een groep van onafhankelijke kunstenaars (of een atelier) gaan, die stilistisch verwant zijn en bij gebrek aan verdere kennis samengebracht werden. Fascinerend in dit opzicht is het merkwaardige puzzelstuk Druiluik met mirakels van Christus (National Gallery of Victoria, Melbourne). Het heterogene werk met luiken die op perspectivisch en stilistisch vlak dramatisch van elkaar verschillen, is in de loop der tijd aan twee tot vijf verschillende meesters toegeschreven. 

 

 

rogier van brussel

 

De grote bezieler van de Brusselse laatmid - deleeuwse schilderkunst is zonder twijfel meester Rogier van der Weyden. De schil - der van der Weyden was een ster en was buitengewoon invloedrijk. Kardinaal Jean Jouffroy (ca. 1412-1473) verkondigde enkele jaren na het overlijden van Van der Weyden dat: “de schilderijen van mijn grote vriend Rogier van Brussel de paleizen van alle koningen opluisteren.” Zijn invloed reikte over de grenzen van de Bourgondische Nederlanden. Zijn erfenis is indrukwekkend: zo goed als heel Europa was gecharmeerd door deze ‘Vlaamse primitief’. Hij is misschien wel de invloedrijkste schilder van de hele vijftiende eeuw, met successen in mediterrane landen als Italië, Spanje en Portugal maar ook in het oosten, in Duitsland bijvoorbeeld. 

 

Rogier de le Pasture, zoals zijn naam in de archieven van zijn geboortestad Doornik opgetekend is, werd door de stad Brussel gevraagd om vier monumentale gerechtigheidstaferelen voor de Gulden Kamer van het stadhuis te vervaardigen. Van der Weyden en zijn atelier leverden de Gerechtigheid van Trajanus en de Gerechtigheid van Herkinbald. De vier panelen dienden als exemplum iustitiae, of morele geheugensteun voor het gerechtelijk apparaat om enkel rechtvaardig te vonnissen. Het waren de meest toegankelijke kunstwerken van Van der Weyden in het Brusselse. De vernieuwende beeldtaal werd dan ook door heel wat kunstenaars opgepikt. De picturale visitekaartjes van de stad werden in 1695 het slachtoffer van het bombardement van Lodewijk XIV. De brand die daarop ontstond, vernielde de werken.

 

Van der Weyden was stadsschilder van Brussel, een positie met speciale privileges, op maat gemaakt voor de schilder. In het centrum van de stad had de schilder zijn atelier, met ateliermedewerkers waarover bijzonder weinig geweten is, en een atelier dat men qua omvang waarschijnlijk mag vergelijken met dat van Rubens. 

 

 

brusselse ‘kleine’ meesters

 

Hoe achterhaalt men waar een kunstenaar, vaak een volstrekte anonymus, werkzaam was? Een kunsthistoricus kan hiervoor een beroep doen op niet-artistieke criteria: collateraal bewijsmateriaal als het ware. Opschriften op schilderijen verraden soms de afkomst door de vermelding van een plaatsnaam. Merktekens op panelen – in Brussel gaat het veelal om de passer en de schaaf – verwijzen naar de plaatselijke schrijnwerkers. Op die manier achterhaalde men dat de Meester van de Catharinalegende en de Meester van de Magdalenalegende werkzaam waren in Brussel. Aan de mysterieuze Aert van den Bossche kon dan weer een Adam en Eva toegeschreven worden.

 

Een schilder kan zijn afkomst ook verraden door de gedetailleerde voorstelling van bepaalde gebouwen. Het eponieme werk van de Meester van het Gezicht op Sint Goedele (Kathedraal van Sint-Michiel en Sint-Goedele, Brussel) is hiervan een sprekend voorbeeld. Grasduint men door het corpus Brusselse schilderkunst, dan ziet men de toren van het fiere stadhuis opduiken, of de tuin van het voormalige paleis op de Coudenberg, de Sint-Niklaaskerk, de Hallepoort en andere kenmerkende Brusselse bouwwerken. Ook de woonplaats van de opdrachtgever duidt vaak op een analogie met die van de kunstenaar. Net zoals in Brugge kwamen opdrachten niet zelden van buitenlandse opdrachtgevers zoals edellieden en rijke koopmannen, die zich in de stad gevestigd hadden. De families Rolin, Ternant, Sforza, Villa, Fonseca en anderen waren toegenegen kunstliefhebbers.

 

Soms kan de herhaling van een bepaalde formule duiden op een gemeenschappelijke afkomst. Grisailles op de keerzijde van de luiken van Brusselse altaarstukken werden regelmatig tegen een oranje of rode achtergrond geschilderd. Men ziet hierin het lichtend voorbeeld van Van der Weyden en de rode achtergrond in zijn De Kruisiging (El Escorial, Madrid). Het effect is stilistisch van aard: de bleke inkarnaten en gewaden lichten op tegen de oranjerode achtergrond.

 

Rond 1500 beleed men een voorliefde voor het verhalende schilderij. Omdat verhalen altijd goed in de markt liggen werd de christelijke iconografie, bestaande uit verschillende scenes, op een of meerdere panelen chronologisch en naast elkaar voorgesteld. Ook hier is Van der Weydens invloed merkbaar. Met name zijn Columbaaltaarstuk (Alte Pinakothek, München) houdt een narratief schema aan en evoceert na elkaar de Annunciatie, de Aanbidding van de Wijzen en de Presentatie in de tempel. Het stuk was bestemd voor een parochiekerk in Keulen en zou uitgroeien tot een van de invloedrijkste vijftiendeeeuwse retabels. Een invloed die zelfs merkbaar was tot in Brabant, zoals blijkt uit overeenkomsten in werken van de Meester van de Aanbidding van het Prado en de Meester van de Catharinalegende.

 

Langzamerhand krijgen we een accurater beeld van de scharnierperiode rond 1500. Vooroordelen en onwetendheid ruimen plaats voor afgewogen hypothesen en feiten. Het beeld van de zogenaamde tweederangsschilders is al een tijdje gedateerd. De Brusselse schilderkunst, met zijn talloze anonieme meesters, is een hypercomplex gegeven. Veel vragen blijven open. Wie was bijvoorbeeld de vermogende Vrancke van der Stockt en welk oeuvre schilderde hij bijeen? Welke band had Hugo van der Goes precies met Antwerpen en Brussel, los van het vaststaande feit dat hij zich in het Rood-Klooster nabij Brussel terugtrok? Giorgio Vasari doopte hem in zijn Vite immers Ugo d’Anversa. En zullen meesters met noodnamen blijven bestaan?

 

 

Matthias Depoorter

 


Info

 

Tentoonstelling

 

De erfenis van Rogier van der Weyden

Van 12 oktober 2013 tot 26 januari 2014

Open: dinsdag t.e.m. vrijdag van 10 tot 17 uur, zaterdag en zondag van 10 tot 18 uur

Gesloten: maandag

 

Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België

Regentschapsstraat 3

1000 Brussel

Tel. 02 508 32 11

www.fine-arts-museum.be

 

 

OKV-archief

 

Rogier van der Weyden 1400-1464. De passie van de meester OKV 2009, nr. 4

www.tento.be