U bent hier

Daniëls en Maters - Een voorstel voor de verhoging van de leefbaarheid van Lelystad

Daniëls en Maters

Bij plannen voor een nieuw te bouwen stedelijk milieu dat in één keer van de grond moet komen doen zich ontzaglijk veel problemen voor. Immers, in plaats van op een natuurlijke wijze te 'groeien', moet praktisch zonder aanloop het dagelijks leven er zich meteen kunnen gaan afspelen. Er moet dus een 'leefmilieu' in zijn geheel 'bedacht' worden. Hierbij moeten een enorm aantal voorzieningen op elkaar worden afgestemd voor het wonen, werken en de recreatie. Eén van de aspecten van een leefmilieu is de verschijningsvorm hiervan. De verschijningsvorm van het huidige leefmilieu wordt voornamelijk bepaald door de verschillende typen huizen en andersoortige bebouwing, door straatprofielen en overige openbare ruimtes. Voor de leefbaarheid van het milieu zijn er ook 'buiten-architectonische' elementen noodzakelijk die aan deze meer op praktisch gebruik afgestemde architectonische elementen, sfeer en betekenis geven. Zo goed als een ruimtelijk gevarieerd- en goed ingedeeld interieur toch nog maar de 'schil' is die het wonen mogelijk maakt, zo is een ruimtelijk gevarieerd- en goed georganiseerde stedelijke bebouwing nog maar de 'schil' die het dagelijks leven mogelijk maakt. Betekenis en sfeer in het eigen interieur ontstaan door het gebruik dat van deze ruimtes wordt gemaakt en door de eigen gekozen meubels, ander huisraad en vooral door persoonlijke 'dingen' die er worden ingebracht. Betekenis en sfeer van een organisch gegroeide stedelijke ruimte ontstaan door het publiek- en individueel gebruik dat hiervan over vaak honderden jaren werd gemaakt met als gevolg hiervan een rijkdom aan typische punten en plekken. Doordat dit in Lelystad en trouwens bij geen enkel nieuwbouw-plan het geval is moeten de bewoners/gebruikers zélf in staat worden gesteld in versneld tempo dit proces van leefbaarmaking van de eigen woonomgeving op gang te brengen (zie inleiding). Zo goed als echter een stedebouwkundig raamwerk nodig is om de uiteindelijke plaats van de afzonderlijke woning te bepalen, zo goed is het denkbaar dat een stedelijk 'sfeer' concept wenselijk is voor de verdere bepaling van de eigen sfeer. Het verleent de stad (of wijk) als geheel een eigen karakter. J.H. Daniëls en B. Maters, milieuvormgevers in- en van stedelijke ruimtes, hebben voor het nieuwe stedelijke milieu van Lelystad een 'sfeer' voorstel gemaakt. Hun uitgangspunten voor dit globale plan dat Lelystad zijn niet (uitsluitend) architectonisch bepaalde karakteristiek zou moeten geven zijn gebaseerd op de landschappelijke ligging van Lelystad namelijk in de polder tussen Veluwe en IJsselmeer. Zij hebben de voor de Veluwe en IJsselmeer typische kenmerken gebruikt om hiermee aan Lelystad een eigen uitdrukking te geven. Voor de Veluwe zijn dit de heuvelachtigheid, de bebossing, de heide en het zand. Voor het IJsselmeer zijn dit het watervlak, de oevers en de inperking van het meer met behulp van kunstmatige middelen. Ten tweede de sterk sfeer bepalende elementen die in de twee milieus zijn aan te treffen, voor de Veluwe kozen zij hiervoor een ven, een beekje. Onoverzichtelijk en 'natuurlijk' aangelegd. Voor het IJsselmeer: een strand, een aanlegplaats voor boten, de afwisseling tussen rietbegroeide oevers en kunstmatige waterkeringen. Overzichtelijk ingedeeld met rechte paden die leiden naar een zandplek: de bodem van het IJsselmeer. Tenslotte twee kenmerkende tekens voor de twee landschappen: de brandtoren en de vuurtoren. Alles bij elkaar verhogen zij de karakteristiek van de wijken en van de stad als geheel ten opzichte van andere steden. Zij hebben hiermee een globaal plan voor de sfeer en karakteristieke verschijningsvorm van Lelystad ontwikkeld dat zich nog op allerlei manieren laat dóórwerken. Het voegt zich enerzijds in de civieltechnische-, stedebouwkundige- en functionele opzet van de stad door maat, maatverhouding, richting en (recreatieve) functie. Anderzijds zorgt het ervoor dat dit nieuwe stedelijke milieu zijn eigen karakter en sfeer zou krijgen die zo broodnodig zijn voor de leefbaarheid, herbergzaamheid en avontuurlijkheid van een nieuwe stad.