U bent hier

Constant Permeke - De Bedelaar

Constant Permeke - De Bedelaar
Constant Permeke (1886-1952), De Bedelaar, tekening - 178 x 119 cm - houtskool op papier - gesigneerd : Permeke - gedateerd : 31, Provinciaal Museum Constant Permeke, Jabbeke.

 

Bij de bespreking van Permeke's allermenselijkst schilderij Het Afscheid, roemden wij hem als de grootmeester van het Vlaams expressionisme.

 

Is hij een schilder van uitzonderlijk formaat, hij is niet minder groot als tekenaar. Was hij een man met een ongelooflijk sterk, scheppend instinct, waardoor zijn schilderijen als 't ware vanzelf uit zijn penseel vloeiden, — men noemt hem terecht : spontaan scheppend als een natuurkracht! — tevens waren zijn wil en drang naar zelfbeheersing fenomenaal. Toen hij zich als jonggehuwde, in 1912, opnieuw te Oostende vestigde, waar hij vanaf zijn zesde jaar gewoond had, begon zijn eigenlijke carriere ; hij zette consequent de verovering door van een slijkdonker palet, waarmede hij voorgoed zijn rug keerde naar het zonnig koloriet van het impressionisme. Maar tegelijk vocht hij tegen het gevaar dat zijn schilderijen het uitzicht zouden krijgen van sombere modderpoelen, waarin niet de minste vormvastheid of vormduidelijkheid zou te onderscheiden zijn. Daartoe omsloot hij zijn figuren met uiterst scherpe omtreklijnen die zo nadrukkelijk gegeven zijn, dat ze als krachtlijnen voorkomen en zijn beste composities uit de jaren 1914-1917 verkrijgen daardoor, naast hun somberheid, iets van staalharde vastheid en potigheid. De lijn, de getekende, afbakenende omtrek wordt daardoor een uitdrukkingsmiddel, dat bij hem weldra een even sterk expressief vermogen verkrijgt, even sterk spreekt als zijn wonderbare taal der kleur, die hij in een verrassende soepelheid van vermenging en volklank weet aan te wenden. Na jaren van verbeten vechten was de tekenaar in hem ten slotte even sterk ontwikkeld en gedisciplineerd als de schilder.

 

Van 1920 tot zijn dood toe heeft Permeke aanhoudend, en de laatste jaren, toen hij ook aan het boetseren ging, zelfs buitenmate veel getekend. Hij tekende figuur, dieren en allerlei voorwerpen : boeren en boerinnen, vissers, vrouwennaakten, paarden, wagens, karren, visserssloepen, nu eens vlug en op klein formaat, bij wijze van schetsen, maar heel vaak op groot formaat, met de opzet door het tekenen het wezenlijke van wat hij gezien had met dezelfde wil tot volledigheid uit te drukken als bij het schilderen.

 

Wanneer men een keus van een vijftigtal tekeningen uit zijn overdadige produktie in een tentoonstelling zou bijeenbrengen, dan zou men verstomd staan over de uitzonderlijke kracht en de betekenis ervan. Zijn Bedelaar, uit 1931, is een van zijn aangrijpendste tekeningen, een die men nooit meer vergeet.

 

Het is een tekening met een figuur op levensgrootte. Daardoor alleen is ze al indrukwekkend. Ge staat als 't ware voor de werkelijkheid zelf.

 

Er wordt ons een schooier getoond, blootshoofds, op zijn blote voeten, en met een opene, bedelende hand.

 

Hij staat met zijn gekromde rug naar ons gekeerd, maar over zijn schouder wendt hij zijn grote kop naar ons toe, vooral zijn breed-opene, starende ogen. Deerniswekkende ogen, die sprakeloos-gapende nood zijn, die niet vragen, niet schooien, maar de wonde van hun hulpeloosheid op ons richten en de ontmoeting zoeken met de zielenood die in het hart van elkeen van ons te schreien ligt.

 

Wat kunt ge verder nog zeggen van zulk meesterwerk, dat U aangrijpt en tot gewetensonderzoek dwingt ? In het Permeke-Museum te Jabbeke hangt deze tekening naast twee andere, even belangrijke, De Spitter en De Zaaier, en onwillekeurig vergelijkt ge ze onderling, om telkens opnieuw naar De Bedelaar, als naar de aangrijpendste, terug te keren.

 

Het is voor Permeke niet onverschillig, of hij een boer of een schooier tekent. Wel hebben boer en bedelaar bij hem iets gemeens : het fatale, onontkoombare, gedoemde vastzitten aan hun lot. De boer is aan de aarde gebonden, een met de aarde : hij is deelachtig aan haar donkere macht, die hij trouwens verkondigt.

 

Geest of zielenood straalt van hem niet uit. De bedelaar is anders : armoedig, uitgehold, uitgemagerd, en vooral een mens in nood. Hij is een vragende hand. Die hand betekent iets, is een teken dat over de hele wereld door elke mens begrepen wordt : teken dat sterker dan welk woord of geluid de nood aan bijstand verkondigt, een beroep doet op het schoonste dat in elke mens huist : daadwerkelijke naastenliefde, die veel meer opeist dan een aalmoes.

 

De Bedelaar, zoals Permeke hem nog mocht zien, komt langs onze wegen haast niet meer voor. In onze maat-schappij wordt hij zelfs niet meer geduld. Sociale nood, vereenzelvigd met zielenood, wordt in de vorm van een dergelijke, levende aanklacht als kwetsend en aan-stootgevend aangevoeld en geen politieke partij of politiek regiem kan zulk vertoon nog op haar erf dulden. Alsof de arbeid slechts vreugde schonk en het leed voorgoed uitschakelde. Ik herlas dezer dagen nog, in het heerlijke boekje van Walter Nigg 'De terugkeer van de pelgrim', het hoofdstuk over de 'heilige' bedelaar Benedicte Labre, die ten tijde van het oververfijnde Europa van de 18e eeuw leefde, het Westen in alle richtingen doorzwierf, van bedevaartsoord naar bedevaartsoord toog, zijn door innerlijk vuur verteerde ziel en zijn in lompen gehuld skelet overal ronddragend. Permeke's bedelaar lijkt mij geen heilige. Maar hij is op een pakkende manier met Labre verwant. Voor 'de zijnen' schooit hij immers niet, hij heeft have noch goed te verdedigen, bezit slechts een bedeltas en een wandelstok, hij is de eeuwige zwerver, verlangt niets anders dan het hoogstnodige om te leven, te leven om het innerlijk vuur brandend te houden, dat hij gedoemd is uit te dragen.

 

De hand van Permeke's bedelaar noemden wij een onvergetelijk 'teken', dat een oproep is tot de mens en waaraan geen rechtgeaard geweten weerstaan kan.

 

Zijn ogen hebben iets onuitsprekelijk en onafwendbaar aanhalends in zich. Ze volgen niet de richting van de hand. Ze kijken ons eigenlijk niet aan, ze zijn mateloos ver weg, in zichzelf gekeerd, als schouwden ze een geheimzinnige werkelijkheid waarvan men de zin en de betekenis slechts kan vermoeden. Ik denk, voor de blik van deze bedelaar, telkens onwillekeurig aan de agressieve 'Christus offert zijn bloed' van Gustaaf Van de Woestijne, een schilderij uit het Brussels Museum, ontstaan in 1925, dat Permeke zeker kende.

 

Met opengesperde, Byzantijns-starre ogen kijkt deze Christus met de vreselijke wonden ons aan. Maar Permeke's bedelaar is mij liever, moderner, menselijker en — ik durf beweren — religieuzer van inhoud. Permeke grijpt niet naar de Byzantijns-indrukwekkende, kolossale gestalte van een gekruisigde Christus om de diepste nood die in elk mensenhart huist op te roepen : hij werd aangegrepen door het werkelijke leven. Die schooier heeft hij zonder de minste twijfel gezien. Hij ging uit van een toevallige ontmoeting die hem tot in zijn diepste vezels doorschokte en hem dwong, door de taal der tekenkunst, deze belevenis te vereeuwigen. De gehele gestalte werd een levend teken, een levend symbool van de zielenood die duren zal zolang een mens bestaat.

 

De macht van de tekentaal van Permeke is in zulk werk overrompelend. Op een groot vel papier sprak hij zich uit met ruige houtskool. Eenvoudiger materiaal kon hij niet aanwenden. Bij dergelijk ervaren was dit allerelementairst uitdrukkingsmiddel voor hem een gebod.

 

Zoals altijd bij hem, de expressionist, is er geen sprake van een natuurgetrouwe weergave van de 'werkelijkheid'. Hij werd in hart en nieren aangegrepen en op de meest sprekende wijze, zo rechtstreeks als maar kan, drukt hij zijn vermorzeling uit.

 

Voor De Bedelaar vraagt ge u af : is dat kunstwerk, hier in het Permeke-Museum, wel op zijn plaats ? Het verkondigt immers een boodschap met universele draagkracht. Het zou beter ter stichting aan een kerkwand of aan de gevel van een syndikaal gebouw prijken, als teken en symbool ten behoeve van de gemeenschap.

 

Ge kunt, bij dergelijke tekening, denken aan sommige figuren aan Romaanse kathedraalgevels, die taal en teken waren en de mens tot bezinning maanden ; ge denkt vooral, — en het zou me niet verwonderen, mocht in Permeke's onderbewustzijn de herinnering aan dat beeld bij zijn creatie nagewerkt hebben, — aan het in de jaren 1930 wereldberoemd, Congolees Moederschapsbeeld uit het Museum te Tervuren, dat lang en ten onrechte als 'Bedelares' bekend stond, maar niets anders betekent dan de uitdrukking van een smeekbede, van een gebed, van een beroep op medevoelen met een noodtoestand waarbij de gehele stam betrokken is.

 

De tekening wordt bij hem tot teken en taal die het leven verkondigen. Ook als tekenaar was Permeke een reus. Het tekenen verkrijgt bij hem de hoogst denkbare, een magische betekenis, zoals in heel oude kulturen en bij primitieve volkeren. Zeer zelden komt een kunstenaar voor, die het leven tot op de bodem doorschouwt en uitbeeldt. Even zeldzaam is hij als de denker en de heilige. Als dezen is hij een uitverkorene met de profetische opdracht de fakkels der grote waarheden, die het leven steeds zullen beheersen, brandend te houden.

 

Dr. W. Vanbeselaere,

Hoofdconservator van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen.