U bent hier

Antoon van Dijck – St.-Maarten

Antoon van Dijck – St.-Maarten
Antoon Van Dijck (1599-1641) - Sint Maarten, Olieverf op paneel - 170 x 160 cm - niet gesigneerd, niet gedateerd - Parochiekerk, Zaventem.

 

Tot ons omvangrijk kunstpatrimonium behoort een categorie van werken die iedereen kent omdat zij zo vaak zijn afgebeeld, doch die bijna niemand in werkelijkheid heeft gezien. De reden hiervoor ligt in het feit dat zij zich op een afgelegen plaats buiten de fel bereden toeristische wegen bevinden, geïsoleerd van andere kunstwerken hen evenwaardig. Sint Maarten van Antoon van Dijck maakt van deze categorie deel uit. Hoevelen onder de kunstminnaars hebben zich inderdaad ooit de moeite getroost de parochiekerk van Zaventem te bezoeken waar dit heerlijk schilderij zich bevindt ? En onmiddellijk rijst de vraag hoe zulk een kostbaar kunstwerk terecht is gekomen in de bescheiden parochiekerk van dit landelijk Brabants dorp. Bij oudere auteurs leest men het ontroerend verhaal dat Van Dijck, op weg naar Italië, zich tijdelijk te Zaventem liet weerhouden, verleid als hij was door de schoonheid van een aantrekkelijke jonge vrouw, van wie men zelfs de naam — Anna van Ophem - wist te vermelden. Die lieflijke geschiedenis heeft evenwel niet aan de historische kritiek kunnen weerstaan en zij dient tot het domein van de legende te worden gerekend.

 

Wanneer men nu op zoek gaat naar meer preciese inlichtingen, komt men vanzelfsprekend in de eerste plaats in het archief van de kerk te Zaventem terecht. Helaas, het klimt niet verder op dan tot 1674 en zwijgt aldus omtrent de aanwerving van het schilderij. Toch kan men er enkele gegevens in aantreffen die, al zij het ook onrechtstreeks, enig licht werpen op zijn geschiedenis. Inderdaad omvat dit archief een oude water-verfschets, die Van Dijck's schilderij afbeeldt, gevat in een Renaissance-altaar, voorzien van het jaartal 1651.

 

Bovendien draagt dit altaar de wapens van de families Boisschot en Camudio. Die wapens kunnen alleen toebehoord hebben aan Ferdinand de Boisschot en zijn echtgenote Anne-Marie de Camudio. Nu is het een feit dat op 12 maart 1621 het land van Zaventem tot baronie werd verheven ten gunste precies van deze Ferdinand de Boisschot, die reeds heer was van dit land. Boisschot bezocht kort daarop Zaventem en werd er door de inwoners, ter gelegenheid van zijn eervolle bevordering, feestelijk ontvangen. Een mogelijke hypothese ligt voor de hand : is het niet Ferdinand de Boisschot die toen, uit dankbaarheid, de Sint Maarten aan Zaventem heeft geschonken ? Een anoniem handschrift uit de 18de eeuw, bewaard in het Louvre te Parijs, schijnt dit te bevestigen en het weet zelfs te vermelden dat de baron er 300 florijn voor zou hebben betaald.

 

Het onderwerp van het schilderij leert ons niets over de omstandigheden waarin het is ontstaan. Er zijn lokale heiligen wier aanwezigheid in een kunstwerk zijn plaats van herkomst of van bestemming verraden ; Sinte Goedele, bijvoorbeeld, die op Brussel wijst, of Sint Lieven die men vooral te Gent zal aantreffen. Met Sint Maarten ligt het anders ; hij is één van de heiligen die men in de Christen wereld van de zeventiende eeuw het meest verspreid vindt. Ook thans nog zijn de parochie- of kloosterkerken die hem als patroon hebben, ontelbaar. Wie was dan die alomvereerde man ?

 

Hij werd geboren in 316 of 317 na Chr., als zoon van een Romeins tribuun uit Pavia, die de knaap op vijftienjarige leeftijd dienst liet nemen bij de ruiterij in Gallië. Hij was 18 jaar oud toen hij zich liet dopen ; een paar jaren later werd hij opgenomen in de geestelijke stand en in 371 of 372 werd hij bisschop van Tours. Hoezeer ook tegen heidendom en ketterij gekant, toch was hij een vijand van alle geweld. Hij stierf te Cander in 397 en zijn lijk werd in triomf naar Tours - 52 kilometer daar vandaan - overgebracht. Martinus van Tours werd weldra in geheel het christelijk Westen bekend. Hij was de eerste belijder niet-martelaar wie alom zoveel eer werd aangedaan.

 

De gebeurtenis uit Martinus' leven die door de kunstenaars het meest in beeld werd gebracht, heeft betrekking op zijn liefdadigheid. Op een winterdag, toen hij als jong soldaat aan de stadspoort van Amiens voorbijkwam, trof hij er een naakte bedelaar aan die nog van niemand een aalmoes had ontvangen. Martinus nam zijn zwaard, sneed zijn krijgsmantel middendoor en deelde hem met de arme.

 

Op het schilderij te Zaventem zien wij dat liefdadig gebaar afgebeeld. De plaats, een stadspoort van Amiens, wordt gesuggereerd door de architectuur rechts. Hoog, op een statig, zwaar Brabants paard, zit Martinus, een jongeling nog, met een innemend hoewel ernstig gezicht. Hij wendt het hoofd naar twee bedelaars die op de grond zitten. De mantel die hem over de schouders hing, heeft een naakte arme reeds gedeeltelijk naar zich toegetrokken en Martinus zal hem nu met het zwaard in tweeën verdelen. De tweede arme, een gebrekkige die op een korte stok steunt, kijkt verwonderd en enigszins ongelovig toe. Ook één van Martinus' twee begeleiders te paard, de enige van wie men het gelaat kan onderscheiden en een man aanzienlijk ouder dan Martinus, is zichtbaar verrast door wat zich naast hem afspeelt. Nadenkend richt hij de blik op het gezicht van zijn jonge meester.

 

Hoe natuurlijk schijnt het gehele tafereel afgebeeld. En nochtans, hoeveel kunde, hoeveel kunst is er bij te pas gekomen opdat ons de gebeurtenis niet alleen aanvaardbaar zou schijnen, doch zich bovendien afspelen in een waardige en stichtende stemming.

 

Opdat men goed de op het eerste gezicht verborgen structuur van het schilderij - zijn compositie - zou begrijpen, is het nodig dat men weet dat in de Europese kunst een schilderij van links naar rechts dient gelezen te worden, net zoals ons schrift, en bovendien van onder tot boven. Derhalve dient men de blik onderaan links in een schilderij binnen te leiden. Doet men dat hier, dan wordt hij dadelijk aangetrokken door de grote, grijze massa van de schimmel en via diens voorpoten en kop naar de schoft en verder, steeds diagonaal stijgend, naar de figuur van Martinus. Het is deze beweging van onderen naar boven die ons de verheven positie - zowel op het fysisch als op het geestelijk vlak - van de jonge ruiter doet aanvoelen.

 

Eens ter hoogte van Martinus, wordt de blik met verschillende middelen naar beneden rechts gevoerd, waar zich de bedelaars bevinden : de wending van Martinus' hoofd, de oriëntatie van zijn zwaard, de rode vlek van de mantel die van Martinus' schouder tot beneden rechts leidt, dit alles nog geaccentueerd door de houding van de begeleidende ruiter en diens paard. Die compositorische beweging van boven naar beneden is bedoeld om het accent te leggen op de nederige positie van de bedelaars : zij behoren tot de laagste sociale rang en zitten op de grond. Zoals de opstelling van het paard en de personages volgens twee elkaar kruisende diagonalen verloopt, zo is dit ook het geval met de picturale, zuiver schilderkunstige compositie. Een der- gelijk dynamisch schema, gebouwd op diagonalen, is eigen aan de schilderkunst van de zeventiende eeuw, de Barok.

 

Na aldus inzicht te hebben verworven in de structuur van Van Dijck's wel overwogen compositie, moge het de toeschouwer verbazen hoe fris en spontaan het schilderij op het eerste gezicht aandoet. Die sterke illusie is eigen aan elke werkelijke grote kunst en haar kracht zal nog meer verbazen, wanneer men bedenkt dat Van Dijck voor zijn Sint Maarten is uitgegaan van een voorbeeld dat hij bij Rubens had gezien. Niet alleen de compositie, doch ook het lichtend, harmonisch koloriet en de verzorgde gladde uitvoering, waardoor het oppervlak van het schilderij aan smalt doet denken, heeft hij aan Rubens te danken.

 

Sint Maarten zijn Mantel delend werd door Van Dijck tweemaal uitgebeeld : naast het exemplaar van Zaven-tem bestaat er een tweede in Windsor Castle, in Engels koninklijk bezit. De kunsthistorici zijn algemeen van oordeel dat dit uit Zaventem het eerst werd geschilderd en dat beide ontstonden vóór 1621, het jaar waarin Van Dijck voor lange tijd naar Italië vertrok. Aangezien hij in 1599 werd geboren, was hij dus nog zeer jong. Maar zoals wel bekend is, was Van Dijck een wonderkind en de Sint Maarten levert daar een sprekend bewijs van.

 

Prof. Dr. Ir. R.-A. d'Hulst

Hoogleraar in de Kunstgeschiedenis en de Oudheidkunde te Gent 

 


Keuze uit te raadplegen Nederlandse boeken:

  • F. van den Wijngaert, Antoon van Dijck, 1943
  • A. J. J. Delen, Antoon van Dijck, 1949