U bent hier

In alle eenvoud - Fernand Léger

Openbaar Kunstbezit Vlaanderen Fernand Léger
Fernand Léger, Les loisirs – Hommage à Louis David, 1948 – 49. © Centre Pompidou, MNAM-CCI/Jean-François Tomasian/Dist. RMN-GP © SABAM, Brussels, 2018

 

Wie jonger is dan veertig zal zich wellicht niet herinneren ooit een overzichtstentoonstelling van Fernand Léger in ons land gezien te hebben. Dit manco kan nu goedgemaakt worden dankzij een mooi ensemble van zijn werk in Bozar te Brussel.

 

De tijdgenoten zijn het erover eens: Fernand Léger (1881-1955) was de minzaamheid zelve, en vrijgevig bovendien. De dichter Guillaume Apollinaire, die zich als de mentor van de kubisten naar voren had gewerkt, verklaarde ooit dat het zien van een schilderij van Léger hem blij maakte. Apollinaire heeft de Eerste Wereldoorlog niet overleefd en hij heeft dus niet de verdere evolutie van Léger meegemaakt, maar zijn bewering blijft steekhouden. De schilderijen van Léger stralen optimisme en blijmoedigheid uit. Zij zijn ook meteen herkenbaar: het onderwerp – mensen meestal – wordt frontaal voorgesteld, een beetje hoekig, eenvoudig op het naïeve af, stevig omlijnd, meteen afleesbaar. Hij is ongetwijfeld de meest toegankelijke modernist.

 

Fernand Léger is een kind van zijn tijd, van een ontluikende eeuw vol technische wonderen. Terwijl vroegere generaties inspiratie vonden in de natuur, genieten de jonge kunstenaars van de stedelijke omgeving en haar talloze verlokkingen. Niet voor niets stond de wereldtentoonstelling van 1900 in Parijs in het teken van de elektriciteit. De prille twintigste eeuw beleeft de doorbraak van de stadsverlichting, nieuwe transportmiddelen zoals auto, trams en metro, de ontluikende luchtvaart opent nieuwe perspectieven. Blinde muren zijn niet meer blind: in grote letters en helle kleuren schreeuwen ze de voorbijganger reclameboodschappen toe. Het spektakel is in de straat en het programma verandert onophoudelijk. Geen beter uitzichtpunt dan het caféterras om ervan te genieten. En dan zijn er nog de andere vormen van collectieve emotie: theater, musichall, circus, sportevenementen en – de nieuwkomer in het rijtje – de film.

 

Nieuwe tijden vragen nieuwe uitdrukkingsvormen. Fernand Léger vindt die in het kubisme, tot grote voldoening van Apollinaire. Al vlug legt hij eigen klemtonen, zoals het invoeren van heldere kleuren, iets waar de meeste kubisten minder oog voor hebben. Voor hem is kleur levensnoodzakelijk: zij versterkt en verruimt het gevoel van energie, van vreugde en gezonde wedijver. Hij kijkt op naar Cézanne, omwille van zijn vereenvoudigde volumes en naar Douanier Rousseau voor zijn onweerstaanbare charme. Het is een beetje het samengaan van hart en verstand. Dat inspireert hem tot een merkwaardige vergelijking: “Een werkman zou geen stuk durven af te leveren dat niet af is, schoon en glanzend. […] Een schilder moet een vlekkeloos afgewerkt schilderij afleveren. […] Er zijn werklieden en ingenieurs. Rousseau is een werkman, Cézanne een kleine ingenieur.”

 

Het 'tubisme' voorbij

 

Zijn leven lang blijft Léger die verknochtheid aan het degelijke maatwerk belijden. Inhoudelijk gaat hij ook het zuiver kubisme verlaten. Na het afzweren van de donkere kleuren gaat hij ook de nochtans hoog aangeschreven buisvormige figuren achterwege laten. Kwatongen hadden het in dat verband over ‘tubisme’ in plaats van kubisme. Hij gaat meer aandacht besteden aan de uiterlijkheden van de moderniteit: de machine, signalisatie, verkeertekens, metalen constructies, reclameborden. Het soort prikkels waarop bij ons modernisten zoals Victor Servranckx en Felix De Boeck ook zijn ingegaan.

 

Hierin wordt hij ook nog geholpen door andere factoren. Léger heeft de oorlog van heel dichtbij beleefd. Drie jaar stond hij in de loopgraven; in tegenstelling tot de futuristen heeft hij nooit de loftrompet over het krijgsgewoel opgestoken. Wel heeft hij de helle lichtinval op het open kulas van een kanon als een moment van zuivere schoonheid ervaren. Hij is dat licht altijd trouw gebleven.

 

De oorlog heeft van Léger geen pessimist gemaakt. Zijn optimisme blijft onaangetast en zijn hang naar schoonheid is er niet minder op geworden. Zijn boodschap luidt: schoonheid is overal en moet voor iedereen toegankelijk zijn. Modern en volks zijn geen tegengestelde begrippen. Van daar ook dat hij een voorstander is van de integratie van schilderkunst in de architectuur. De twee kunstvormen vullen elkaar aan. Die visie wordt helemaal gedeeld door Le Corbusier. Hij herkent in de schilderijen van Léger een sterk architecturale inslag omdat elke perspectiefwerking vervalt en vervangen wordt door een kleurenspel dat de vlakken onderling ordent. Op de Exposition des Arts Décoratifs in 1925 gaat Léger met Le Corbusier aan de slag in zijn Pavillon de l’Esprit Nouveau, maar ook nog met Robert Mallet-Stevens. In de daaropvolgende jaren realiseert hij geregeld muurschilderingen, terwijl bouwvakkers een dankbaar thema blijven in zijn overige werken.

 

Charlot cubiste

 

Meer dan gelijk welke andere kunstvorm is film een uiting van een nieuwe tijd. Zoals zoveel modernisten ondergaat Fernand Léger de fascinatie voor de zwerversfiguur van Charlie Chaplin. Nog een ontdekking die hij aan Apollinaire te danken heeft. Hij raakt er niet op uitgekeken: “Een ventje dat erin geslaagd was geen ventje meer te zijn, maar een soort levend voorwerp in zwart-wit, beweeglijk en zonder franjes.”

 

Charlot, zoals de Fransen Chaplins zwerver noemen, is voor hem het symbool van de fragmentatie van het moderne leven. En het is ook als een ontwrichte ledenpop dat hij hem uitbeeldt in een voor hem ongebruikelijk materiaal, meer bepaald in een beschilderde assemblage. Eigenlijk was het de bedoeling geweest om er een echte ledenpop van te maken en die via touwtjes de gekste houdingen te geven.

 

Het personage laat hem niet los. Hij illustreert Die Chaplinade een ‘filmisch’ gedicht van Yvan Goll. Hij schrijft een scenario voor Charlot cubiste, een tekenfilm die hij nooit gedraaid heeft. Maar het personage komt wel in getekende en onttakelde vorm voor in zijn film Ballet mécanique. Hij is de vedette van de inleiding en van de eindsequens, waardoor de film in zijn geheel zich als een hommage aan Chaplin aandient.

 

Film is een medium waarmee Léger zeer vertrouwd is. Hij heeft samengewerkt met Abel Gance en met Marcel Lherbier. Hij werkt mee aan decors, kostuums en affiches. De filmische taal past in zijn opvattingen over het object. Via het close-up wordt een object uit zijn afhankelijkheidspositie gelicht. Het wordt zelfstandig en zo wil hij het ook in zijn schilderijen inpassen, in alle vrijheid. Naast een menselijke figuur, maar niet langer als een verlengstuk ervan. Zo ontstaan composities waarin personages en hun omgeving samen staan afgebeeld, maar waarin de handelingen even onderbroken lijken. En niet te vergeten, de typografie, die eveneens haar ondergeschikte rol verliest en omwille van haar eigen plastische waarde tot haar recht kan komen.

 

Een gebouw in aanbouw houdt beloftes in, is toekomstgericht en straalt optimisme uit. Bouwvakkers tussen horizontale en verticale balken hebben veel weg van circusartiesten. Hun handelingen zijn niet meer dan verwijzingen naar hun beroepsactiviteiten. Zij poseren gewillig voor de eeuwigheid, terwijl ladders en een stuk touw een eigen leven lijken te leiden. Het perspectief is weggenomen, en de  contouren worden extra benadrukt. Het tafereel wordt frontaal gebracht. De figuren staan erbij als voor de parade van circusartiesten voor hun tent. Hierdoor krijgt de uitbeelding een naïeve en volkse uitstraling. Léger beeldt het volk uit, in arbeid en ontspanning, volledig in de geest van de Front Populaire.

 

Communist zonder oogkleppen

 

Met die positieve boodschap treedt hij in 1945 toe tot de Franse communistische partij. Hij wordt er met open armen ontvangen en geniet er zeker de steun van een andere (gewezen) avant-gardist: Louis Aragon. Net als tal van kunstenaars (Picasso, Magritte) moet hij vlug ervaren dat de invulling van een volkse boodschap binnen een arbeiderspartij niet zo vanzelfsprekend is als hij zelf gedacht had. De partij is een onverzettelijke voorstander van het socialistisch realisme, met als enige toegeving de naamgeving: ‘nouveau réalisme français’. Zij gaat voor werken waarin de arbeid wordt verheerlijkt of het onrecht de arbeidersklasse aangedaan in geuren en kleuren wordt uitgebeeld. Niet Légers stijl, die zich bovendien nog meer onpopulair maakt door opdrachten met religieuze inslag aan te nemen, zoals de aankleding van kerken of kapellen, waaronder bij ons de kapel van de Mardasson in Bastogne. De partij durft hem niet openlijk af te wijzen. Zij pakt wat graag uit met  grote kunstenaars zoals Picasso, Matisse of Léger om haar vredesboodschap uit te dragen, maar binnenskamers wordt hij met de nek bekeken. Aragon kan nog enigszins de schade beperken, al zal hij zich pas lovend over Léger uitlaten na diens dood in 1955.

 

Volks is Léger alvast, maar een proletarische kunstenaar is hij allerminst. Hij draagt de arbeider een warm hart toe, maar die sympathie kent geen exclusieve, zij geldt het ganse volk. Tegen zijn persoon kon ook niets worden ingebracht. Léger heeft nooit zijn afstamming van Normandische boeren afgezworen, bovendien heeft hij zijn plicht als frontsoldaat met de grootste vanzelfsprekendheid vervuld. Een toonbeeld voor de arbeidersklasse? Een tentoonstelling van zijn werk in de Renaultfabriek wordt niet goed onthaald. De fabrieksarbeider herkent zich niet in zijn goedmoedige, passieloze figuren. Spijtig, maar misschien voorspelbaar. Léger heeft er nooit echt om gemaald. Hij is niet de kunstenaar van een segment van de bevolking. Zijn sympathie is universeel, in alle eenvoud.

 


ARCHIEF

De mozaïeken van de Mardasson te Bastogne: OKV 2007, nr. 2, blz. 20-24

www.tento.be