U bent hier

150 jaar moderne kunst in het Haags Gemeentemuseum

150 jaar moderne kunst in het Haags Gemeentemuseum
W.J.J. Nuyen: De oude molen in de winter, 1838, Gemeentemuseum, Den Haag

 

In deze serie van Openbaar Kunstbezit worden schilderijen behandeld uit de verzameling van de afdeling moderne kunst van het Haags Gemeentemuseum. Wanneer we over moderne kunst spreken, denken we meestal aan de kunst uit de laatste vijftig jaar. Hier gaat het echter om werken uit de afgelopen honderdvijftig jaar. De serie begint met een romantisch schilderij uit 1838, terwijl ze besluit met een werk uit 1969.

 

Dat de aanduiding 'moderne kunst' hier slaat op de kunst van zowel de negentiende als de twintigste eeuw, heeft te maken met de geschiedenis van deze verzameling; een geschiedenis die vanzelfsprekend niet los staat van de historie van het hele Haags Gemeentemuseum, waarvan deze verzameling één van de onderafdelingen is. In het midden van de vorige eeuw ontstonden in verschillende Nederlandse steden initiatieven tot de oprichting van plaatselijke musea. Den Haag bleef niet achter.

 

In 1851 werd een vereniging in het leven geroepen, die zich ging bezig houden met het verzamelen van voorwerpen die betrekking hebben op de geschiedenis van de stad Den Haag. Men streefde er naar om deze onder te brengen in een museum.

 

Vijftien jaar later - in 1866 - ontstond er een vereniging, die een museale verzameling van hedendaagse Nederlandse kunst voor de gemeente Den Haag wilde bijeenbrengen. Men kocht werken van de toen in zwang zijnde romantiek en de nieuwe landschapskunst van de Haagse school.

 

Nadat enige jaren twee zalen in het Raadhuis voor beide collecties als expositieruimte gediend hadden, stelde de gemeente in 1871 een pand in het centrum van de stad als museum beschikbaar en plaatste daarin zowel de historische verzameling als de kunstcollectie. Het was de eerste eigen behuizing van het gemeentemuseum.

 

In 1884 verhuisde het museum naar de voormalige Doelen van het St. Sebastiaansgilde langs de vijver vlakbij het Mauritshuis.

 

Door aankopen, schenkingen en legaten groeiden de collecties snel. In 1904 ontstond er bovendien nog een derde afdeling. Mr. van den Berg legateerde een unieke collectie Delfts aardewerk en dit werd het begin van de huidige afdeling Oude kunstnijverheid.

 

Door de groei van het museum werd de behuizing steeds minder geschikt. Men begon te denken aan een nieuw te bouwen museum. Geallarmeerd door het feit dat door het ruimtegebrek een belangrijk legaat was ontgaan, stelde de gemeente in 1910 een commissie aan voor het bestuderen van het Haagse museumvraagstuk.

 

Een oplossing zou niet door deze commissie maar door Dr. H.E. Van Gelder worden gebracht, nadat hij in 1912 tot directeur van het Gemeentemuseum was benoemd.

 

Van Gelder stelde dat een gemeentelijk museum er niet in de eerste plaats is voor de vakgeleerden, maar voor de bewoners, de burgers van de stad. De gemeentelijke overheid heeft hier een taak te vervullen, die niet alleen van particulier initiatief afhankelijk kan zijn. Deze taak betrekt zich bovendien niet slechts op het gebied van de kunst, maar ook op alle takken van de wetenschap.

 

Daarom hield het voorstel van Van Gelder in, een gemeentelijke dienst op te richten voor kunsten en wetenschappen, die op dit gehele terrein actief werkzaam zou zijn. Voor een dergelijke taak achtte hij de toen bestaande behuizing ongeschikt. Een nieuw museum zou moeten worden gebouwd, waarbij tevens ruimten zouden moeten worden gecreëerd voor congressen, concerten en toneel. Wat de collectie moderne kunst betreft, meende hij dat men niet moest streven naar het zo volledig mogelijk tonen van een kunsthistorische ontwikkeling, maar met werken van grote kwaliteit bepaalde accenten moest leggen. Daarbij zou behalve aan werken van Nederlandse schilders ook aandacht worden besteed aan goede voorbeelden van buitenlandse kunst.

 

Het uitbreken van de oorlog 1914-1918 verhinderde dat men direct uitvoering kon geven aan de plannen van Van Gelder.

 

Maar in 1919 besloot het gemeentebestuur tot de bouw van een nieuw museum. De architect Berlage ontving daarvoor de opdracht. Twee jaar later waren zijn plannen gereed. Doch de economische crisis van die jaren maakte uitvoering van dit groots opgezet geheel onmogelijk. Besloten werd het geheel te beperken tot het meest noodzakelijke: de bouw van het museum alleen. Tijdens de bouw - in 1933 -werd besloten tot aankoop over te gaan van muziekinstrumenten uit de collectie van Dr. F. Lunsing Scheurleer, waardoor een vierde afdeling aan het gemeentemuseum kon worden toegevoegd.

 

Toen Van Gelder in 1942 met pensioen ging, kon hij terugzien op een zeer creatieve periode, waarin hij een inspirerende gedachte tot een programma kon maken, waarvan de grote lijnen tijdens zijn directeurschap tot uitvoering werden gebracht. Het is dit programma dat ook nog onder de huidige directeur Mr. L.J.F. Wijsenbeek verder wordt ontwikkeld.

 

Na de oorlog hebben zich in de collectie moderne kunst, die voor alles een goed overzicht geeft van de Nederlandse kunst uit de negentiende en twintigste eeuw, wezenlijke veranderingen voorgedaan. Een aankoop in 1949 van een schilderij van Mondriaan, van welke kunstenaar het museum reeds vijf werken bezat, was voor de heer S. Slijper aanleiding om in 1950 enkele belangrijke schilderijen van deze kunstenaar in bruikleen te geven. In 1954 en 1955 kreeg het Haags Gemeentemuseum vrijwel de hele omvangrijke Mondriaancollectie van de heer Slijper in langdurige bruikleen. Na zijn overlijden in 1971 bleef deze verzameling als legaat voor Den Haag behouden. Het is op het ogenblik één van die zware, kwalitatieve accenten, die Van Gelder in zijn programma voor de moderne kunst voor ogen stond.

 

Er ontstonden in de afgelopen twintig jaar nog andere accenten in de schilderijenverzameling van de afdeling moderne kunst van het Haags Gemeentemuseum. Zo kregen daarin ook Jongkind, Jan Toorop, en uit de recente kunst Constant een dominerende aanwezigheid.

 

De verzameling is op het ogenblik in een nieuwe opstelling te zien, die een doorlopend overzicht geeft van de schilderkunst in de negentiende en twintigste eeuw. Het is een doorlopend maar niet gelijkmatig beeld. De accenten in de collectie zijn ook in de opstelling zichtbaar gemaakt. Deze accenten geven de collectie een eigen karakter. De verzameling is tentoongesteld in vijf afzonderlijke groepen van drie - soms vier - zalen, die alleen via een om de binnentuin lopende gang bereikt en weer verlaten kunnen worden. Deze gang is het centrale looppad. In dit looppad is aangegeven waar de verschillende onderdelen van de collectie zich bevinden.

 

De ervaring leert, dat vele bezoekers vaak uitsluitend voor een bepaald facet komen, bijvoorbeeld Mondriaan of de Haagse school. Men kan deze facetten via de gang snel vinden. Aan de andere kant sluiten de verschillende facetten chronologisch op elkaar aan, zodat men door de groepen zalen in de juiste volgorde na elkaar te bekijken, de ontwikkelingslijn in de beeldende kunst uit de afgelopen honderd vijftig jaar die deze verzameling toont, kan volgen.

 

Op de zalen geven eenvoudige teksten een minimum informatie, aangebracht op lage tafels. Maar verder worden verbanden en ontwikkelingen slechts aangeduid door de wijze waarop de schilderijen naast elkaar hangen en op elkaar volgen.

 

De opstelling is statisch, dat wil zeggen: er wordt naar gestreefd zo min mogelijk veranderingen aan te brengen. Het publiek kan ermee vertrouwd raken en er naar terugkomen. Eén van de essenties van kunstvoorwerpen is, dat ze geen eenmalige maar een blijvende betekenis hebben, ze moeten daarvoor niet alleen bekeken maar vooral steeds weer bekeken kunnen worden. In de nieuwe opstelling van de afdeling moderne kunst van het Haags Gemeentemuseum is dat het uitgangspunt.

 

Deze serie is samengesteld en geschreven door: H. Henkels, M. Josephus Jitta, J. L. Locher, J. Sillevois, A. Wagner, Afdeling moderne kunst Haags Gemeentemuseum.